De Roos van Dekama

Chapter 23

Chapter 233,895 wordsPublic domain

Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of een talrijke menigte was weder op het _Zand_ te Haarlem samengestroomd in afwachting van het tweegevecht, dat hun den vorigen dag, als een onverwacht schouwspel, en om zoo te spreken op den koop toe, was toegezegd geweest. Wel liep er hier en daar een dof gerucht, dat de kamp vechter des Graven gekwetst, of volgens sommigen, gedood was geworden; doch daar niemand iets zekers van de zaak wist en de bezetting van de kampplaats op den bestemden tijd was verschenen, hechtte men weinig aan deze tijding. Intusschen dient de lezer te weten, dat de Graaf zoowel als Beaumont, bij de drukte, welke de staatsaangelegenheden zoowel als het gebeurde op den Vogelesang veroorzaakten, vergeten hadden de bezetting te doen afzeggen of een anderen kampvechter in de plaats van Deodaat te benoemen; terwijl Paypaert (wiens geheele verbeelding werktuiglijk was en zich ten deze alleen bepaalde tot de zorg, dat alles, voor zooverre hem betrof, tot de krijtwerf gereed ware, zonder zich zooverre uit te strekken om na te denken, of er wel een kampvechter komen zoude) daarentegen zijne bevelen in dien zin gegeven had, alsof er geen twijfel aan den voortgang van het gevecht bestaan kon. Hij vertoonde zich dan ook binnen het krijt, aan het hoofd zijner Herauten en trompetters, recht bezig om alles naar behooren te schikken: echter kon hij niet nalaten van tijd tot tijd het hoofd te wenden naar de zitplaatsen van den adel, welke grootendeels ledig bleven en slechts bezet werden door enkele edellieden van den omtrek, die nog onbewust waren van de gebeurtenis, waardoor het kampgevecht onmogelijk gemaakt was. "Die eeuwige treuzelaars!" mompelde de grijsaard bij zich zelven, met een ontevreden hoofdschudden: "in mijne jeugd zoude men den tijd niet zoo onnut hebben laten voorbijloopen, wanneer er een kampgevecht te zien ware. Is het dan voor het vermaak van het gepeupel, dat men heden vechten zal? En is een strijd op leven en dood tusschen twee Ridders niet meer dan een hanengevecht?"

Het volk begon insgelijks te morren. "Zou er waarlijk niets van komen, buurman?" vroeg de wapensmid aan onzen vriend Claes Gerritsz: "en zou ik voor niemental mijn blaasbalg laten roeren?"

"Bij Sint-Gangolf!" antwoordde de marktschrijver: "ik wist wel dat mijne berichten goed waren: die lompe Fries heeft gisteren den Italiaan, met wien hij vechten moest, op het feest overhoop gestoten en is dadelijk tusschen vier muren geplakt. Het zijn gelukkig twee bloedzuigers van vreemdelingen minder."

"Ja maar," hernam de zwaardslager, "het verwondert mij dan dat al de Herauten aanwezig zijn."

"Daar verstaat gij niets van," zeide Claes Gerritsz: "tijd en plaats zijn bepaald, en al komt er geen mensch bidden, de priester moet daarom toch in de kerk zijn.

"Het bevreemdt mij met dat al," zeide de smid, "dat onze Graaf een vreemdeling als dien Deodaat tot zijn kampvechter verkozen heeft, alsof er geene Hollandsche edelen genoeg waren, om dien Fries de les te lezen."

"En is de Graaf niet zelf een vreemdeling?" vroeg Claes Gerritsz: "en kan men wel iets anders verwachten van al wat van gene zijde der wateren komt: Fries, Italiaan of Henegouwer, 't is al een pot nat."

"Gij moet toch erkennen," hernam de smid, "dat de vorige Graaf veel voor ons gedaan heeft en den naam van den Goeden ruim verdiend heeft."

"Nu! dan verkerft zijn zoon het dubbel," zeide de schrijver: "heeft hij ons niet bij zijn huwelijk over de veertig pond afgetroggeld, terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechts twintig pond schuldig waren te betalen, evenals bij de blijde inkomste. Maar de Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menschen aan het roer zitten," voegde hij er bij, den neus optrekkende en de borst hoog zettende.

"Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt," zeide zijn buurman: "betaalt gij meer, gij geniet ook meer: en Haarlem is sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden."

"En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar de Oostzee."

"Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten ons geen rijkdom aan?"

"Rijkdom?--Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns smokkelen, en aan de wapensmids, die een dubbel getal knechts in 't werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb."

"Een oorlog met Utrecht!" herhaalde de verheugde smid, zich de handen wrijvende: "eilieve, buurman! verhaal mij dat eens."

Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de aankomst van een der kampvechters aan.

"Daar is hij! daar is hij!" riep de smid, den Stichtschen oorlog schier vergetende.

"Wie is daar?" vroeg de marktschrijver, ontevreden.

"De Friesche Ridder," antwoordde de smid: "dien gij achter de tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt, ook niet nog verschijnt."

"Maar is het waarlijk de Fries?" vroeg Claes Gerritsz, nog steeds ongeloovig.

"Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren niet, die ik zelf geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt, niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar overhandigd?"

Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte.

"Ziedaar een ongehoorde zaak!" bromde Paypaert: "een der kampioenen is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had, te komen! Het gaat mijn begrip te boven."

"Maar, Heer Wapenkoning!" zeide een der Herauten: "mag ik vragen, of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers gisteren gekwetst en misschien al dood?"

"Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan gindschen Ridder vragen, wat hij hier verrichten komt."

De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap.

"Ik ben Seerp Van Adeelen," was het antwoord, dat vader Syard had opgesteld en waaraan Seerp een halven nacht besteed had om het zich in 't hoofd te prenten: "en ik kom gewapend en te paard, als eenen edelman betaamt, om een rechten kamp te wagen en mijn uitdaging gestand te doen tegen Willem, Grave van Henegouwen en Holland; en ik neem tot getuigen van mijn goed recht aan, Onzen Heere, Onze Lieve Vrouwe en mijn Heere Sint-Nikolaas. Ik verlang, dat gij mij mijn gedeelte van het veld, van den wind, van de zon en van alles, wat oorbaar en noodzakelijk is, toestaat. En dat gedaan zijnde, zal ik mijn plicht doen, met de hulpe Godes, Onzer Lieve Vrouwe en van mijn Heere Sint-Nikolaas, te voet of te paard, met al zulke wapenen als door de Kamprechters zal goedgevonden worden."

Zoodra deze litanie aan den Wapenkoning was overgebracht, gaf deze last, dat de trompetters zouden blazen en dat de verweerder zoude uitgeroepen worden om namens den Grave van Holland en Henegouwen tegen Seerp Van Adeelen op te komen. Maar vruchteloos klaterde het luide geschal door de lucht. Niemand beantwoordde de indaging.

"Men moet wachten," zeide Paypaert: "de verweerder moet den behoorlijken tijd van drie uren hebben: en is hij dan niet verschenen, dan kan de indager geacht worden aan zijne verplichting voldaan te hebben." Maar het eerste uur verstreek en het tweede ging mede voorbij, en niemand was nog aan den ingang van het krijt verschenen.

Het volk morde en mompelde luidkeels en woelde onvergenoegd over het plein dooreen. Nu eens ging er een gedeelte verveeld en knorrig van het plein af, maar keerde, even spoedig als het vertrokken was, uit nieuwsgierigheid weer terug: en schier elk bevond zich in dien toestand, waarvan meer dan een onzer lezers wellicht meermalen de onaangenaamheid zal ondervonden hebben; dien toestand, waarin men verkeert, wanneer men, 't zij het begin van een lang beloofd vuurwerk, 't zij de ontknooping van een langdradig tooneelstuk, 't zij het toegezegd bezoek van een ouden vriend, die wegblijft, 't zij de aankomst eener _diligence_, die een ongeluk gehad heeft, wachtende, even onwillig is, langer te verbeiden, als te vertrekken.

De jonge edellieden, die langs de zitplaatsen heen en weder liepen, waren, niet minder dan de oude Wapenkoning, verontwaardigd over de schande, welke de Graaf zoude te lijden hebben, indien er zich geen kampvechter opdeed om zijn goed recht te verdedigen, en onderhielden zich reeds met warmte, en overluid, over de noodzakelijkheid, dat, zoo niemand in het krijt verscheen, een hunner de plaats des uitblijvenden vervulde.

"Bij den baard van Sint-Bavo!" riep de wapensmid, onverduldig: "zal die satansche Fries onzen Graaf en ons hier ongestraft blijven uittarten? Ha! zoo de oude Paypaert de kampwerf niet ontzeide aan al wie geen adellijk bloed in de aderen heeft, ik zou met genoegen eens binnenstappen, en dien hoovaardigen ruiter voor de eer van Holland durven staan, zonder ander wapen dan mijn moker: en ik zou wel willen zien, of hij mij met zijn degen of heirbijl aan 't lijf zou komen, en of ik hem niet zoo plat zou beuken als een haardplaat."

"Des te eerder," zeide Claes Gerritsz, "dewijl gij het harnas zelf vervaardigd hebt, en dus best in staat zijt, de plaatsen te kennen, waar de minst deugdzame spijkers zitten."

"Oho," zeide de smid: "zoo Melis Courtz uit den Anegang den kolder gemaakt had, nam ik aan er schub voor schub uit te slaan;--maar ik zet het den besten, eenige fout in een harnas te vinden, dat uit mijne smidse komt."

"Hei ho! meester helmslager!" riepen op dit oogenblik de stemmen van ettelijke edellieden, die zich tusschen den volkshoop heen naar hem toe drongen: "hebt gij geen kuras voor ons gereed?"

"Ik zou u het beste, dat ooit uit mijne werkplaats te voorschijn kwam, voor niet leveren," antwoordde de vaderlandlievende smid, "indien hij, die het aantrok, dien snoever met voordeel bestreed;--maar bij alle duivels! de schelm zelf heeft den laatsten kolder, dien ik vervaardigd heb, aan zijn bast, en een deugdzaam harnas ook, dat beloof ik u. Ik wilde, dat mijn arm melaatsen ware geworden, toen ik er de nagels insloeg."

"Dat u de nikker hale!" riepen de edellieden uit: "ongelukskind! waar zal men wapenen vinden? Hoor hem eens balken, den onbeschaamden Fries!"--want Adeelen, zoowel om de gemeente te tergen als uit verveling, liet niet af, de kampplaats op en neder te rijden, al roepende: "Welnu! dappere Hollanders! Laat gij u door een Fries uit het veld slaan? en is er niemand, die moeds genoeg heeft, de eer van uw Graaf op te houden?"

"Bij mijn ziel! ik bedenk daar iets!" riep een der jonge edellieden uit: "laat ons naar de Sint-Jans-Heeren gaan; daar zijn zeker wapenen te vinden."--En allen, zich verwonderende dien inval ook niet te hebben gehad, volgden hun metgezel naar het klooster in de Jansstraat. Maar toen zij daar gekomen waren, vonden zij hun bedoeling reeds voorgekomen. Op het kloosterplein zat de eerwaardige Kommandeur, Heer Hugo van Koukerk, reeds in volle wapenrusting te paard, omringd van zijn ridders. Hij had de Gravin, die reeds vroeg in den morgen naar 's-Hage vertrokken was, uitgeleide gedaan (de Graaf zelf was op den Vogelesang blijven slapen) en had bij zijn terugkomst vernomen, wat er op het Zand te doen was. Terstond was zijn besluit genomen geweest: hij had zich laten wapenen en was nu vaardig om de eer des Graven in den kamp te gaan handhaven.

Maar toen hij, aan het hoofd zijner Ridders en omringd door de verheugde edellieden, de groote Markt opreed, ontdekte hij aan het uitbundig gejuich der menigte, en aan het plotseling steken der trompetten, dat hij reeds in zijn oogmerk was voorgekomen, en dat een onbekende Ridder, in een eenvoudige wapenrusting zonder blazoen of leuze het krijt was binnengereden. De Heraut, die door Paypaert was afgezonden om naar den naam en de reden zijner komst te vernemen, kwam bij den Wapenkoning terug, met het bericht, dat de kampioen, die voor den Grave optrad, hem ten opzichte van zijne bevoegdheid om gewapend te verschijnen, volkomen voldaan had, doch om gewichtige redenen verlangde onbekend te blijven.

"Dit is alles nu schoon en goed," zeide de Wapenkoning: "doch wie zal het ambt van rechter vervullen?"

"Die zwarigheid is licht uit den weg te nemen," zeide een der Herauten: "indien de Kommandeur, die ginds komt aangereden, die taak wil op zich nemen."

De voorslag, door de beide kampioenen mede goedgekeurd zijnde, werd aan Heer Hugo gedaan, die hem met bereidwilligheid aanvaardde en zich hierop, met twee zijner Ridders als bijstanders, binnen het perk begaf.

Nadat Adeelen en de onbekende Ridder zich elk aan eene zijde van het krijt begeven hadden, steeg eerstgemelde af, lichtte zijn vizier op, en trad, van twee Herauten vergezeld, naar een klein altaar, dat men voor den ledigen zetel des Graven had nedergesteld en waarboven een geordende geestelijke een kruisbeeld hield. Hij legde hier den gebruikelijken eed af, en keerde vervolgens terug:--waarna de verweerder hetzelfde deed, met dit onderscheid alleen, dat hij zijn aangezicht niet ontblootte. De priester vertrok hierop met zijn altaar en, nadat de Kamprechter een wenk aan Paypaert gegeven had, deed deze den gewonen uitroep: "doet uw plicht!"

Terstond sprongen beide kampioenen te paard en namen hun lansen uit de handen hunner schildknapen aan.

"_Laissez aller_!" riep nu de Kamprechter, zijn handschoen in het strijdperk werpende. "_Laissez aller! laissez aller_!"--De trompetters bliezen; en de beide Ridders reden op elkaar aan.

De schok der strijders was geweldig en scheen met een gelijk voordeel aan beide zijden gepaard te gaan. De lans van Adeelen was met zooveel kracht aangekomen, dat zij in splinters stoof, en dat het paard des onbekenden Ridders stortte; maar de Fries was niet gelukkiger geweest en geheel en al door zijn weerpartij uit den zadel gelicht, ja een eind weegs geworpen, terwijl zijn ros het veld overholde.

De vreemde Ridder, zich niet zonder moeite van onder zijn klepper hebbende opgewerkt, rukte de strijdbijl los, die aan den zadelknop hing, en kwam te voet op zijn tegenstrever aan, die insgelijks was opgestaan. Doch ziende, dat Adeelen geen ander wapen had ter zijner verdediging dan het brok zijner lans, bleef hij staan.

"Ga uw strijdbijl halen," zeide hij: "onze wapenen zijn niet gelijk."

Adeelen boog het hoofd en wachtte zijn schildknaap af, die, na het voortvluchtige paard te hebben opgevangen, het wapentuig had losgemaakt en het nu aan zijn Heer kwam terugbrengen.

Luid waren de toejuichingen, welke de vergadering den verweerder toezwaaide wegens zijn edelmoedige handelwijze; ofschoon velen het eenigszins gewaagd van hem oordeelden, dat hij zich niet bediend had van het voordeel, bij het eerste treffen voor hem ontstaan; want nu de beide Ridders te voet waren, en op elkander toetraden, was het duidelijk te bespeuren, dat de Fries vrij wat grooter en kloeker was dan zijn bestrijder, aan wiens langzamen en eenigszins moeilijken gang men buitendien zien kon, dat hij de eerste jeugd reeds voorbij was.

Echter aan de behendige wijze, waarop hij de eerste slagen, welke Adeelen hem met zijn heirbijl zocht toe te brengen, wist af te weren, ontwaarde men, dat hij door bedrevenheid vergoedde, wat hem wellicht aan kracht ontbrak, en men begon den strijd als meer gelijk te beschouwen. Met onverflauwde vaart en snelheid deed Adeelen zijn heirbijl zonder tusschenpoozen rondzwieren: en de minst geweldige van zijne slagen ware genoegzaam geweest om zijn tegenstander te vellen, indien deze niet de grootste voorzichtigheid in het werk gesteld en zich alleen bij de verdediging bepaald had. De vreemde Ridder bleef staan gelijk een rots, _mediis tranquillus in undis_, terwijl Adeelen om hem heen draaide even als een belegeraar, die een vesting, nu van deze, dan van gene zijde zoekt te verrassen. Nadat echter dit gevecht een geruime poos geduurd had, begon de onbekende te bespeuren, dat de aanval zijns weerpartijders niet meer zoo heftig was als in 't begin, en dat zijn slagen ongewisser en minder geweldig nedervielen: ook het volk merkte dit op; en de angstvolle stilte, waarmede men tot nu toe den bangen strijd had gadegeslagen, maakte op eenmaal plaats voor luide kreten van aanmoediging, tot den verweerder gericht.

"Beuk er nu op!" riep de wapensmid, wiens stentorstem boven alles heen weergalmde: "de Fries verflauwt! Neem het oogenblik waar, eer hij zijn krachten terugkrijgt. Val aan! val aan!"

Doch hij, aan wien die raad gegeven werd, scheen er voor alsnog geen ooren naar te hebben, 't zij dat hij zijn vijand sparen, 't zij dat hij zijn goede kans niet in de waagschaal wilde stellen; of wel, omdat hij zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen door een beslissend feit wilde toonen. Hij werd geen aanvaller; maar bleef het er op toeleggen, om door zijn onverzettelijke bedaardheid den fellen Fries af te matten en van zijn stuk te brengen. Eindelijk, ziende dat Adeelen, hijgende en vermoeid, slechts in den blinde begon toe te slaan, nam hij het geschiktste oogenblik waar, onderschepte zijns vijands bijl met de zijne, zoodat de beide moordtuigen aan elkander haakten: en met snelheid zijn linkerhand naar het midden van den steel brengende, terwijl de rechter den greep neerwaarts drukte, deed hij het wapen van Adeelen uit diens handen en over het slagveld vliegen: een daad van behendigheid, welke een algemeen en uitbundig hoezee [30] deed ontstaan.

Razend van spijt, dat hij zich zoo onvoorziens ontwapend zag, trok Adeelen zijn dolk, en wilde op zijn tegenpartij toespringen; maar de bijstanders des Kamprechters reden dadelijk tusschen beiden en de Kommandeur verklaarde, dat de Fries zijn neerlaag behoorde te erkennen, daar het slechts van zijn weerpartij had afgehangen, hem, toen hij ontwapend was, ter aarde te vellen.

Dan op datzelfde oogenblik werd de aandacht der menigte opnieuw gewekt door de komst van een aantal ruiters, aan wier hoofd zich de Graaf zelf bevond, die hun schuimbekkende en hijgende rossen het strijdperk binnendreven. Ten einde de oorzaak hunner verschijning op dit oogenblik op te helderen, zal het noodig zijn, dat wij eenige stappen in ons verhaal terugtreden.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

LODEWIJK. Maar wy moeten van den waard, Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.

JAN. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed verander.

Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

Na den afloop van het feest op den Vogelesang was de Gravin met het grootste gedeelte van den hofstoet naar Haarlem gekeerd, ten einde van daar met het aanbreken van den volgenden dag naar 's-Hage op te breken. De Graaf, het noodzakelijk oordeelende, zijn vazallen bijeen te roepen en de goede gezindheid der steden te polsen betreffende een oorlog met het Sticht, had bepaald, dat het gansche hof zich weder naar de hofplaats begeven zou. Hij zelf was echter met Beaumont, Naaldwijk, Teylingen en Walcourt op het jachthuis gebleven en had er den avond in gewichtige beraadslagingen doorgebracht, het oogmerk hebbende, om den dag daar aan, na alles verricht te hebben, wat nog te doen stond, zich naar 's-Hage te begeven.

Hiertoe behoorde in de eerste plaats het antwoord, dat hij nog aan de Friesche afgevaardigden schuldig was. Hij was moede van de rol, die hij ten hunnen opzichte gespeeld, en van de verkeerde uitwerking, die zijn stelsel van welwillendheid had teweeggebracht: hij achtte zijn waardigheid gekrenkt en had daarom den raad zijner gunstelingen in den wind geslagen, die hem vergeefs voorstelden, dat het, nu men een oorlog met Utrecht in den zin had, van dubbel belang was geworden de Friezen te winnen en zich geen twee vijanden voor eenen op den hals te halen. Deze raadgeving deed bij Willem een juist tegenovergestelde uitwerking dan men bedoelde; want hij behoorde tot die menschen, die somtijds uit vrijen wil, maar nooit door dwang of uit nood inschikkelijk zijn: en het was ten gevolge van zijn in dezen genomen besluit, dat hij 's morgens bij zijn ontwaken dadelijk last gaf, de Friesche Heeren te ontbieden.

Nauwelijks was de dienaar, aan wien hij dit bevel gegeven had, vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de gevangenis, waar men hem in gezet had.

"Onmogelijk!" riep de Graaf uit: "of hebben die ezels de grendels niet gesloten?"

"Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd," zeide Teylingen: "want de deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt;--en uit het venster heeft hij niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels had als een vogel."

"Hij kan zich aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten afglijden."

"Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes of dolk in den muur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder op het gras weer verloren raken."

"Zonderling!--maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven verbeuren moest.--Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen."

Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap dat de Heer van Beaumont niet te vinden was.

"Hoe!" zeide Willem, met bevreemding: "is hij reeds zoo vroeg uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten."

"Ik meen te weten," zeide de page, "dat hij hedenmorgen den gewonden Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen zijn niet meer te vinden."

"Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige achterna?--Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?"

"De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop."

"Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen."

Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg hem Graaf Willem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont zoo overhaast vertrokken was.

Deodaat ontzette op deze vraag. "Goede Hemel!" zeide hij: "ik herinner mij over den kamp te hebben gesproken, dien ik heden tegen den Fries had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen was om Adeelen te bevechten."

"Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen," zeide de Graaf: "wetende dat zijn weerpartij buiten staat was daar te verschijnen."

"Licht mogelijk," merkte Teylingen aan: "en wanneer ik alles wel overdenk, herinner ik mij, dat Paypaert gisteravond aan zijn Herauten bevel heeft gegeven, met zonsopgang te Haarlem te zijn."

"Bij Sint-Japik!" riep de Graaf, opspringende: "en waarom heeft niemand ons daarvan verwittigd? Zou waarlijk onze oom de dwaasheid hebben gehad van naar Haarlem te gaan, om zijn post als Kamprechter waar te nemen bij een gevecht, dat geen plaats kan hebben."

"Dit ware minder erg," zeide Teylingen, "dan dat die trotsche Fries zonder tegenpartij in het krijt verscheen."

"Gij hebt gelijk, Teylingen! Spoedig, spoedig van hier. Dit moet nader onderzocht worden."