De Roos van Dekama

Chapter 22

Chapter 223,604 wordsPublic domain

"Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen, listige verrader!" riep hij; "wat ik gezien heb is mij genoeg: maar hier is uw straf." Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken, had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem.

De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot Madzy toe, en ontving hem in haar uitgebreide armen, waarna zij, eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk.

"Gij hebt welgedaan, broeder!" zeide Deodaat, op wiens gelaat zich de doodskleur reeds had verspreid:--"ofschoon het niet uwe hand had moeten zijn, die.... vlucht Rinaldino--vlucht!.... het is mij zoet, zoo te sterven," en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden.

Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen gevolgd.

"Voor den duivel!" zeide hij: "wat heeft dat te beteekenen? Een vreemdeling in de armen van Madzy!"

"Hulp! in 's Hemels naam!" riep deze: "hulp! hij sterft! zoo gij vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door het gindsche kreupelhout gevlucht."--En bij het uiten dezer woorden wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan.

"Wie, wie is de moordenaar?" vroegen terstond onderscheidene stemmen.

"Wie? wie?--Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!"

"Reinout!" riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden het boschje uit om hem na te jagen.

"Ik ben hem wellicht dank verschuldigd," zeide Adeelen, somber en bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid, bleef beschouwen.

"Hij is nu dood," zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige droefheid, die niet zonder bitterheid was: "hij zal u geen minnenijd meer baren."

"Madzy! mijn kind!" riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten genaderd was: "bedenk waar gij zijt en wat gij doet;" en hij nam haar bij den arm om haar van dit treurtooneel te verwijderen.

Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling, waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon teergevoelig van aard, had hij den dood te dikwijls onder alle gedaanten voor oogen gehad, dan dat het gezicht van een lijk bij hem iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt;--doch hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk van Reinout hem mede in 't hart getroffen had.

"Is er geene hoop meer?" vroeg hij, angstig op het lichaam starende.

"Zou hij nog te redden zijn?" zeide Madzy, de gelegenheid haastig aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen verwachting riep zij uit: "God lof! het slaat nog: een arts! een arts!"

"Wat heeft er plaats gehad?" vroeg de Graaf, driftig het moordtooneel naderende: "is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner edellieden heeft durven zoeken?" En zijn vorschend oog ondervroeg beurtelings Beaumont en Adeelen.

Weemoedig schudde de eerste het hoofd: "niet deze," zeide hij, op Adeelen wijzende: "de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd, dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren."

Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden of omringden hen met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen, het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter zijde getreden.

"Wel hoe!" zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een hoonenden grimlach aanziende: "volgt gij het lijk van uw minnaar niet?"

"Seerp! gij zijt wreed!" was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten te zeggen.

"Minder dan gij," zeide Adeelen, "die op den dag zelven, dat gij mij trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft."

"Gij behandelt mij onwaardiglijk," zeide Madzy: "gij miskent mij en den edelen jongeling, die...."

"Bloos niet, maar ga voort!--Welnu! die edele jongeling?...." herhaalde Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette voort te gaan.

"Nu, ja dan," zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel hernemende: "waarom gebloosd? Hij voelde voor mij een hopelooze liefde en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude."

"Voortreffelijk!" hernam Adeelen: "verdedig hem nog.--Wat mij betreft, ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw ring daarbij: ik begeer hem niet meer."

Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde en zich verwijderde, haar alleen latende in een gemoedsgesteldheid, die zich beter laat gevoelen dan beschrijven.

Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die volbracht had, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin, verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy's bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was.

"Het schijnt ons toe," zeide de Gravin, "dat die bruigom zijn bruid niet zeer tevreden verlaat."

"Mij dunkt," zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare vriendinnen, "dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat."

"Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood van dien goeden Deodaat," zeide Ottilia, met tranen in de oogen.

"Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte," hernam Oda: "doch mijns bedunkens is die Friesche Roos nog meer te beklagen, die, op éénen dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden."

"Zou het dan wezenlijk Reinout zijn," vroeg Ottilia, "die zulk een laagheid begaan heeft?"

"Noem het geen laagheid," viel Oda in: "waarlijk, ik zou iemand wel liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben, ooit toe komen."

"Goddank neen!" zeide Ottilia: "gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik spreek u heden geen woord meer toe."

"Gij hebt gelijk," zeide Oda: "ga liever die Friesche nuf opbeuren, die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen."

Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet volkomen wetende, en vermeenende, dat Madzy wel schuldig zijn kon, wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij reeds iets gedronken had.

"Ik ben vermoeid," zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde knikken: "ik wilde, zoo mogelijk, wel een oogenblik nederzitten."

"Neem mijn arm," zeide Ottilia: "en leun op mij: wij zullen ons ginds op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen, niet waar Zweder?"

Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij de Gravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen, terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden.

Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen, nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap, die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen van een meer geestrijk vocht gemengd had.

Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niet iemand aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar derwaarts te geleiden.

"Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten," zeide Zweder: "ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan van uw vertrek te brengen."--Onder het doen dezer hoffelijke betuiging, welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan, nauwelijks ter halverwege gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken.

"Hebt gij een boodschap, knaap?" vroeg de Gravin, zijn houding opmerkende.

"Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama overbrengen: zij wenscht te vertrekken."

"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Beaumont, de schouders ophalende; "maar dat zal nu niet gaan, vrees ik."

"Jonkvrouw!" vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: "wilt gij niet op een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen."

"O ja!" antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende: "laten wij ons verwijderen."

Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en de wijkende jonkvrouwen ingehaald.

"De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!" zeide hij tot Madzy.

Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer geleidster, den bode van Beaumont.

De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van Madzy's onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij:

"De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalve wij u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen."

Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende, die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich weder bij den hofstoet voegen; doch Madzy hield haar hand tusschen de hare vast.

"Ik dank u," zeide zij: "gij voor 't minst weet medelijdend te zijn. Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan, om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen geven dan al de hofgunst u bieden kan."

Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug.

"Welnu," voegde haar Oda toe: "hebt gij u de fraaie predikatie wel in 't hoofd geprent, die ons dat Friezinnetje in 't bijzijn der Gravin heeft opgedischt?"

Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij haar op een vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken.

Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht was, en dat men, in afwachting van den wondheeler, om wien men gezonden had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoende was aangeprezen. "De wond," voegde hij er bij, "is diep; maar men vleit zich nog, dat er geene edele deelen geraakt zijn."

Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van Beaumont was haar daarom dubbel welkom. "Wij hebben ons veel te verwijten," vervolgde deze, "dat wij u zoolang aan u zelve hebben overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij u bevond."

"Ik heb geen bruidegom meer," zeide Madzy met een ontstelde stem.

"Is het dan waar?" vroeg Beaumont; "inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt te hebben gehad.... doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan, dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u gaan opzoeken;--maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thans vragen, of gij krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien?--vergeef mij," vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede Madzy bevangen werd: "het zal wellicht heden nog niet noodig zijn; doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging."

"Heden of morgen," antwoordde Madzy, "het zal er toch toe moeten komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed meer op mij hebben zal."

"Ik geloof, dat gij recht hebt," zeide Beaumont, "maar in dat geval, wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft.... maar ik zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw dienst hebt."

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven, Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.

Luyken. Duitsche Lier.

Toen Madzy meer dood dan levend door den Heer van Beaumont in de groote hal van het jachthuis werd ingeleid, gaf deze een vertooning welke schilderachtige groepen zou hebben opgeleverd, aan al, wie haar met een onverschillig oog ware binnengetreden. Graaf Willem, wiens ontevredenheid en wrevel, door het wonden van een zijner gunstelingen en de verwarring hierdoor in zijn feest gebracht, niet waren verminderd, liep met een donkeren blik en de handen op den rug de gaanderij op en neder, gelijk een leeuw in zijn kooi. Zijn edellieden en dienaars stonden hier en daar verspreid, slechts fluisterend met elkander sprekende. In een dier groepen stond de Wapenkoning, op den hem eigen gewichtigen toon, doch niet luider dan juist noodig was om door zijn toehoorders verstaan te worden, zich te beklagen over de moeite, welke het geven zoude, indien Deodaat kwam te overlijden, om diens begrafenis op een behoorlijke wijze in te richten, dewijl de adel des jongen Italiaans een hoogst onzekere zaak was, en er bij velen nog twijfel bestond, of Graaf Willem wel recht had gehad Reinout en hem tot Ridders te slaan, zonder verlof van den Keizer. Over hem ontdekte men den Heer van Aylva, die gedwongen was geweest, de sponde des gekwetsten te verlaten, bij wien zich thans niemand bevond dan des Graven biechtvader, gereed om hem de diensten van zijn heilig ambt aan te bieden, zoodra hij tot zijn kennis kwam. De waardige Olderman stond in diep gepeins verzonken en als verplet van droefheid. Wat verder zag men eenige Stichtsche edelen in een wel stil, doch driftig gesprek gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven, dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij hadden zooeven uit het Sticht de tijding bekomen, dat men aldaar te wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn voogdijschap over 't Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij hen stond Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek des gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal, omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen, op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat; maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede de schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden.

Wat haar betreft, zij had hem, die zich in den meest verwijderden hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te gemoet kwam. "Madzy! Madzy!" zeide hij zachtjes, terwijl hij weemoedig het hoofd schudde: "Ik had de Roos van Dekama niet over zee moeten medevoeren!" En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy bespeurende, verweet hij zich de uitdrukking, die hij gebezigd had en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen.

"Meisje!" zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: "wij hebben u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht?"

Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen, toen zij den Italiaan gewaarwerd. "O! uit deernis, spaar mij!" riep zij met een angstvolle stem.

"En welke noodzakelijkheid bestond er," vroeg nu Reinout op een trotschen toon, "om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke lans te gebruiken."

"Het is genoeg!" zeide Willem: "en wij behoeven de Jonkvrouw niet verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hij is echter Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters, vragen."

"Met verlof van uwe Genade!" zeide Paypaert, "ik moet eerbiedig aanmerken, dat geene bescheiden betreffende de geboorte van dezen jongeling tot nog toe hebben bewezen, dat hem de voorrechten, aan den adel verknocht, kunnen vergund worden."

Willem antwoordde niets; maar sloeg op den grijsaard een dier blikken, welke zooveel willen zeggen als: "waar bemoeit gij u mede?"--Vervolgens gaf hij last, dat men den gevangene in den toren zoude sluiten en verwijderde zich, gevolgd door de genoodigden.

Wat Madzy betreft, zoodra de hofstoet zich verwijderd had, wierp zij zich weemoedig om den hals van haar voogd en smeekte hem, met haar een feest te verlaten, dat zoo treurig begonnen was. Aylva drukte haar aan zijn hart: en zonder een woord te spreken, begaven zich beiden naar de stallingen, van waar zij zich weldra huiswaarts spoedden.

Intusschen zouden de wapenknechten Reinout voeren naar den toren boven het jachthuis, die hem tot tijdelijke gevangenis was aangewezen. Hij liep in hun midden, meer met den zegepralenden blik eens overwinnaars, dan met den wankelenden tred eens gevangenen. Toen zij de zijdeur intraden, welke de donkere trap opende, die naar boven leidde, bemerkte Reinout, dat iemand hem vrij onzacht tegen het lijf aan liep, en te gelijk voelde hij dat hem een dolk werd toegestoken, dien hij schielijk in zijn kleed, verborg. Een haastige wending met het hoofd deed hem Seerp Van Adeelen herkennen, die zich van hem verwijderde.

Dit dienstbetoon volbracht hebbende, begaf zich de Fries naar de plaats, waar het gastmaal gehouden werd. Maar reeds was iedereen gezeten en niemand scheen geneigd, plaats te maken voor den wreveligen Adeelen, die, volgens de uitdrukking van Oda, de tafel rondliep gelijk een hengelaar, die langs den waterkant gaat en plaats zoekt om zijn aas uit te werpen, maar overal door hooge biezen verhinderd wordt. Eindelijk wist Adeelen zich naast zijn ambtgenoot van Sint-Odulf te vervoegen, die reeds de vreemde voorvallen van den dag scheen vergeten te hebben, en met een graagte, welke het vertragen van den maaltijd nog gescherpt had, bezig was een geduchte bres te maken in een pauwepastei. Daar de Graaf in zich zelf gekeerd en ontevreden was, en de houding van de aanwezigen, bovendien door het gebeurde weinig gestemd tot vroolijkheid, zich naar die des gastheers schikte, liep het feest vrij stil en droomerig af, en men scheidde vroeger dan men had voorgenomen, zonder dat eenig noemenswaardige gebeurtenis dien dag verder plaats greep.