Chapter 21
Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats vonden, welke aanleiding gaven, dat in den _weerstal_ of de landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde, in deze geschiedenis genoemd. De keus der geestelijke Heeren viel natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die, wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden, in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen, zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad, als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.
Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen duchtende, welke, 't zij door dezen of genen minnaar, 't zij door een geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan, dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen vergezellen;--maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg, door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen, om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen, waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in 't openbaar te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van spotternij te verstrekken:--en het was onder deze voorteekenen dat de reis werd ondernomen.
Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen, gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag, met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren en heusche handelwijze ten haren opzichte.
"Maar wat baat dit alles?" dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi in orde bracht: "het zoude in dien Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar gade vinden."
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Adusta is alleen de bron van al uw tranen: Hy zette, razende van minnenijd en smart, Om 't missen van zijn prooi, zijn' vriend een dolk op 't hart.
Van Merken. Louize d'Arlac.
Het maal, dat op 's Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er ter zijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was op te leveren. Zoo prijkten hier, instede der _plateaux_ van lateren tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens, van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden rijke _dressoiren_ of aanrechttafels, waarop blinkende vazen en kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke, vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden, bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren, ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest, waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in 't leven, maar welke de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had, ter eere van 's Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had beschilderd. Uit den snuit des eenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger, wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten, was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd, met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten.
Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. Zij hadden door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen, of te _rampeneeren_, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden, die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf met zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber, en hoewel hij zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand, dat hij zich in een onaangename luim bevond.
De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met reden op gesteld waren geweest, een Hollander, of althans een hunner bloedverwanten of leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien, ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd, dat hij Jan van Arkel, den zoon van een zijner machtigste vazallen, den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken stand getreden, bovendien uit een hooggevoelend en trotsch geslacht gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder het vermogen te bezitten om zijn waardigheid op te houden of zijn gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar Grenoble, het lossen der aan Graaf Willem verpande sloten en al hetgeen verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij, zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor gevende, terstond een ontzeggingsbrief aan de stad Utrecht terug doen zenden: en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op zijn gelaat te lezen was.
Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit slechts een vonk noodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen, Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen hij den Fries in 't oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: "Heer Graaf," zeide hij: "gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers, die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom; maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben aangekondigd," vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, "maar toen was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar" (op Deodaat wijzende) "heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken, dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn, 't geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door."
Deze aanspraak was, ja, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord, maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld, welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken, kon de Graaf zich niet langer bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had, was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries met woedende oogen aanziende: "Bij Sint-Japik!" riep hij uit: "en zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar rechte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet onze toestemming verzocht en verkregen heeft."
Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval: en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit het veld geslagen door de onverwachte wijze, waarop de Graaf zijn toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef, en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.
Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond, haastte zich, hem zachtjes in 't oor te fluisteren:
"Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen."
Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: "De duivel hale alle bedaardheid!" riep de Graaf: "wat ben ik? wettig Heer van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in 't aangezicht te beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven, van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in 's-Hage geworpen."
Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met de linkerhand afweerde.
"Graaf!" zeide hij: "zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten, dat wij aan het hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen, des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiƫn in achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan, dat hinderlijk schijnt geworden te zijn."
De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen, toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield.
"Blijf, edele Aylva!" zeide hij: "blijf, waardige Abt! u kunnen de woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid."
"Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken," zeide Willem, op een hoogen toon: "doch het was tijd, dat zij een les ontvingen, hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden hen beter behooren te onderrichten."
Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand vandaar, in 't midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maar zijn laatste woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad naar Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was.
"Gij moet weten," zeide de oude Paypaert tot Adeelen, "dat het hoogst onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van 's Graven schildknapen, of eindelijk, bij mangel van dien, door een dienstdoenden page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was: dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edele Graven, wier zielen God genadig zij, ooit geduld heeft, dat een onderzaat, al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot hem voerde, tenzij over tafel of aan 't spel, uitgezonderd alleen de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van Voorne, van...."
"Dat is alles schoon en goed," zeide Adeelen, wien deze predikatie reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield, geweld te gebruiken:--te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom Herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette voordroeg:--"maar wij Friezen volgen liefst onzen eigenen weg en zeggen gaarne wat wij meenen en waar het ons best gelegen komt. Hoe dit zij, de Graaf zal over mijne _woorden_ niet meer te klagen hebben."
"Ja, waren het slechts uwe woorden," hervatte de onverbiddelijke Wapenkoning: "maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens aan den Grave op eene door zijne Genade nader te bepalen wijze zoude zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid...."
"Mijn bruid!" riep Adeelen eensklaps uit: "ja! waar is zij?--gij spreekt van toevertrouwen.... maar ik vertrouw haar hier aan niemand toe."--En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit.
Deze was, bij de eerste uitbersting van 's Graven woede, een weinig teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had, en haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder op dat oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert, wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt, zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen de Herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich waarschijnlijk op zijn post aan het _dressoir_ verveeld en verkozen een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat zich juist achter haar bevond:--een paar bedienden, die den beer waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats: en toen zij het pad weder uit wilde komen, ontmoette haar aan den ingang Deodaat.
"Een enkel woord!" zeide deze: "een enkel woord, edele Freule! Ik gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig wezen zal."
"Ridder!" zeide Madzy: "ik ben de bruid van Seerp Van Adeelen, en ik mag uwe taal niet aanhooren. Veroorloof mij, naar mijn voogd terug te keeren."
"Een enkel oogenblik slechts," hernam Deodaat op een smeekenden toon: "het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk, dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven moet kampen."
"Helaas!" zeide Madzy met een bevende stem: "ik weet het te wel! en kan niets dien strijd voorkomen?"
"Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel van uwen.... van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen."
Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij gevoelde, dat Deodaat gelijk had.
"Welnu!" vervolgde deze: "hiervan is het alleen dat ik u wilde overtuigen, opdat gij, zoo ik in 't strijdperk treed, het mij niet wijt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil, dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor 't minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon handelen."
"Zoo deze verzekering iets tot uw geluk kan toedoen...." zeide Madzy zuchtende.
"Het geluk en ik," zeide Deodaat, "hebben afscheid genomen, sedert Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld;--want waarom zou ik het u niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik, verwinnaar of verwonnene, geene hoop op uw bezit mag voeden, niet genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever om uwentwil zou vallen."
Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want het bloed vloeide haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort.
"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij: "laat mij gaan; het voegt mij niet, langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal ons bespieden.... men heeft ons reeds bespied."
En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog vonkelende van toorn.
Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer, welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen:--eene week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo vurig hij te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans op hem verbolgen. Iets later op dat feest gekomen, had hij niets van de woordenwisseling tusschen den Graaf en Seerp Van Adeelen vernomen: maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan, dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben met wien: en toen hij het vorstelijke paar genaderd was, had hij deze woorden aan 's Graven mond hooren ontvallen:
"Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen, of in een klooster gaan."
Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zich zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaar werd, liet hij de hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe den tijd niet.