De Roos van Dekama

Chapter 20

Chapter 203,831 wordsPublic domain

"Gij zijt een Fries," zeide Madzy: "en draagt roem op uw rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?"

"Welaan!" zeide Adeelen: "ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen."

"Mij dunkt," zeide Aylva: "dat deze voorslag niet onredelijk is: zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid."

Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.

"Ik geloof inderdaad," zeide zij met een vaste stem, "dat gij gelijk hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar worden,--maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.--Ja, kan het zijn, dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik gevoel dat dit onmogelijk is.

"Gij zegt wel, Madzy," zeide Aylva: "had Adeelen mij geraadpleegd, ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder zijn eer te krenken."

"En nu!" zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had, "laat vrij in 't perk komen wie wil: door Madzy's liefde gesterkt, ben ik onverwinnelijk."

"God zegene u, mijne kinderen!" zeide de Olderman, beiden aan zijn hart drukkende: "maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons gereedmaken voor het feest."

Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe neerslachtigheid.

"Wat heb ik gedaan?" vroeg zij zich zelve af: "mijn hand toegezegd aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare aard mij ongelukkig maken zal?--En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig verblijf in Holland mij in 't hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te worden;--en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer men zijn plicht doet!"

Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken, die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het haar behagen zou, zich aan te kleeden.

Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet hebben verschoven.

Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat der Dekama's een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers, hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama, wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen, welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne had hij meer gedaan en zijne landgenooten in 't veld aangevoerd, om het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welke gedurende zijn leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.

Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga's; maar zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos: en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde) nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.--Wat er van deze vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over 't algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en stierf in het kraambed.

Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken, den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder, die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen toestand van het verschoven weesje, verzocht zij als een gunst van Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen, onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe.

Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig, wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht, en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen, te laten nastamelen.

Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:--en zeker had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.

Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart ras vergeten:--en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid niet spoedig voorbijziet?

Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meer dan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman, die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van haar pleegmoeder.

Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt, uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was; maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te leeren wat hem nog ontbreken mocht;--door welken dienst hij, gelijk hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven, die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was, al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in, welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat, door zijn kweekeling nog overdreven werden.

Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan: namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren, zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een vreedzamen aard, zag zich genoodzaakt partij te kiezen en ontving in het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten, de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van 't leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel, uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen, tot leidsvrouw en gezellin op 's levens pad verstrekken mocht. Madzy, die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben, haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem, dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama's hem eenmaal tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen, en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.

De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed gaf zij nog voor 't laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander, en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende, dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.

Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in, dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag, hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen; doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en hielden eindelijk geheel op.

Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren, en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner afzondering had willen dulden.

Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, 't geen Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam, leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij, dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden, noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had: en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan, om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim hoogst noodig waren geworden.

Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntende begaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven, was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer jeugd op de aangenaamste wijze door.

Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben, de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt, die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde, aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof, zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken.

Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama's ten huwelijk waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken, door zijn moeder gevoed.