De Roos van Dekama

Chapter 19

Chapter 193,954 wordsPublic domain

Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten, het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap der menigte, kwam er van beide zijden een twintigtal met gevelde lansen aangesneld. Met het gedruis van een springvloed, die tegen een sluis aanbruist, bonsden zij tegen elkander aan: en, zoodanig was de riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed, en er niet een aan dacht om van de overgelatene openingen gebruik te maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken.

Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, die eerst den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen, zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting had opgeleverd. Aan weerszijden van het koord lag een aantal Ridders en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen, wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen; anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden, welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de punt hunner lans het eind der baan te bereiken.

De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren, zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen, hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnenen begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte rust werd nu aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching in de aan beide uiteinden geplaatste tenten te gebruiken, als om de noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben, waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander.

"Het is gelukkig voor Seerp Van Adeelen," zeide de Olderman tegen den Abt, "dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande is hem niet tevergeefs gegeven.--Hebt gij er wel op gelet, hoe hij driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel heeft doen buitelen?"

"Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg," zeide de Abt: "zaagt gij niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in het zand wierp?"

"Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordeelen, wie de beste kamper is," zeide Aylva: "want het aantal is gedund en er zullen weldra niet meer dan een zestal paren overschieten."

Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden, òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens vermoeidheid en, als meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben, onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van kampers maakte den strijd des te belangrijker, daar het er nu niet meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemand het veld meer dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer, Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten.

"De kans staat ongelijk, vrienden!" zeide de Graaf, op het oogenblik dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men begreep, dat beslissend zijn zoude. "Ligny en Asperen zullen met mij den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat.--Houdt u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand doen bijten."

Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder, van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: "Welnu!" zeide hij; "heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf, van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen."

"En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb," zeide Adeelen: "mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen; doch hij ontwijkt mij."

"Ja, gelijk de kat de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen:--wij zullen zien hoe hij zich voor 't laatst zal houden."

Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels, en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De beide winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen loop te nemen.

"Voorwaar!" zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: "ik geloof at wij ons overwonnen moeten beschouwen."

"Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand," zeide Dusmer, "en is mij in getal vooruit."

"Wij zullen dan nog een rit wagen," zeide Willem, de oogen naar zijn achtergeblevene strijdgenooten wendende: "maar wat zie ik? is de twist weder aan den gang!"

Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, die hen vergeefs zocht te stillen.

"Hoe is het, kinderen!" zeide hij: "kunt gij na zoovele jaren van vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?"

"Dat is het niet, heer Graaf!" zeide Reinout: "die Ridder van den Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmeten en daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het paard, dat mij ontstolen is. Ik had het in de _mêlée_ niet bespeurd; doch nu maakt Deodaat mij opmerkzaam......"

"En zoo ik mij niet bedrieg," zeide Deodaat, "dan heb ik zooeven zijn schildknaap met mijnen vos rond zien stappen."

"Wij kunnen toch niet denken," zeide Willem, "dat een Ridder, die zich zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem, Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd van morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg."

Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide Ridders, elk van zijnen kant, het gouden koord overvlogen en met een zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden.

Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijke kracht: doch niet met hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door den schok verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers.

Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van het _fis d'or_ te beletten, had hij met opzet de vaart van zijn paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was overgesprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande.

"Met uw verlof, Heer Ridder!" zeide Reinout: "ik kan niet kampen tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe hij er aankomt.

"Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?" antwoordde de andere: "ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht."

"Bij alle heiligen!" riep Reinout, zich op eens bezinnende; "ik ken die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?"

"Gij zijt een luistervink!" zeide de onbekende.

"En gij een verrader!" riep de Italiaan. "Hier! hulp mijne Heeren! deze schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf."

Onder het uiten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte zich, vatte Reinout met beide handen bij 't been en slingerde het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen, door de verschrikte menigte heendrong en, zonder dat iemand zich tegen hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte zich insgelijks te verdwijnen, 't geen hem te gemakkelijker viel, daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn aftocht te belemmeren.

Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont toegereden: "die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een verrader!" riep hij: "laat hem najagen! hij moet beroofd worden van de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen."

"Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen," zeide Beaumont: "ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten, heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunnen aftrekken."

Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden, waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort, na het volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn nederlaag, het veld in haast verlaten.

"Wat zegt gij, edele Dusmer?" vroeg de Graaf: "zullen wij nog eene lans breken?"

"Ik ben alleen," antwoordde de Grootmeester: "en ik geloof mijn eer genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning, hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven."

"Uw beste kamper heeft u verlaten," zeide Willem, "anders stond uw kans nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen."

De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid, behoorden te worden toegekend.

"Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft, zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de eerste heeft zich vrijwillig verwijderd: en wat den anderen betreft, hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een vuistgevecht heeft veranderd."

"Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk behandelen?" bromde Reinout tusschen zijn tanden.

"Met uw verlof, genadige Oom!" zeide Willem: "wij zullen uwe uitspraak in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees, maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben: ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige Oom! dat ook hunne namen door den Heraut worden opgelezen, ten einde zij het loon hunner dapperheid ontvangen."

Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen.

Hierna volgde de bekroning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of sierlijk bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op 's Graven lustslot zou gegeven worden.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Alexis heeft zijn zusje lief, Zoolang ze in vrede leven.

Van Alphen. Kindergedichtjes.

Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.

"Waar is vader Syard?" was wederom zijn eerste vraag onder het afstijgen.

"De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken," antwoordde Sytsken, die op het binnenplein stond: "een schoone Ridder, die spoorslags van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder is voortgereden."

"Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?" vroeg Adeelen haastig: "en bereed hij niet een zwarten hengst?"

"Of 't een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen: maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen, was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, die u uit de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of hebben zij u bespoten?--Het water druipt u van den wapenrok af."

"Genoeg gesnapt," zeide Adeelen.--"Laat iemand den pater verzoeken in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen."

Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.

"Welnu," vroeg de monnik: "heeft uw uitdaging een goed gevolg gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug," vervolgde hij, ziende dat Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op en neder wandelde; "en gij schijnt slechts matig tevreden over den uitslag van het kampgevecht."

"Dat mij de donder sla!" riep Adeelen, "zoo ik morgen het slijk, dat mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot."

"Hij is mij komen zeggen," zeide vader Syard, "dat hij naar het Sticht ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt."

"En zult gij zijn raad volgen?"

"Dat men mij vange, ik vrees niets:--elke beleediging, die hier eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer landgenooten te feller te doen ontbranden;--maar dat daargelaten:--gij hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten."

"En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!" riep Adeelen, op zijn vochtigen wapenrok wijzende: "zesmalen heb ik mijn wederpartij overwonnen;--de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;--doch genoeg daarvan:--wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn."

Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een armstoel liggende.

"Ik beklaag u van harte," zeide Aylva: "gij hadt u te dapper geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den prijs te verbeuren;--maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?"

"_Humiles levat, superbos deprimit Deus_," zeide de Abt, "'t geen zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijn best gedaan heb om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien."

"Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft," zeide Adeelen: "zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy aangedaan."

"Wat mij betreft," zeide Madzy: "ik heb mij niet beleedigd gevoeld."

"Dat geloof ik wel," zeide Adeelen: "gij zijt vriendelijk onthaald, gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware de overwonnene een Fries en uw verloofde."

Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur: "ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven gered heeft."

"Ga voort!" zeide Adeelen: "voeg er nog bij, van iemand, die uw hart gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene, niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt."

"Seerp Van Adeelen!" zeide Madzy met waardigheid: "onze ouders hebben ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn slavin behandelt.'"

"En wie der hofvlinders," vroeg Adeelen, "welke om u heen gefladderd hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?"

"Madzy heeft volkomen recht," zeide Aylva: "en zoo iemand hier haar gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen, Adeelen?"

"Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen, omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden."

"Gij zijt onbillijk, Adeelen!" zeide Madzy, terwijl de tranen in haar lieve oogen blonken: "denkt gij, dat ik het gevaar, 't welk den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?--Gelooft gij, dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!--O neen, mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan om naar Friesland te keeren."

"Ik weet," zeide Adeelen, bewogen, "dat uw hart goed is, en dat gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen, indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat, die u van liefde heeft durven spreken."

Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: "is het waarlijk zoover gekomen?" riep hij uit: "heeft Madzy Dekama, de edele dochter van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker, die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt, Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen: ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde; maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan: ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben."

Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm, zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. "Ja, ik wil uw vriendin zijn, Adeelen! gelijk voorheen," zeide zij, hem hare hand toereikende: "doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen, antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier niets ter zake;--gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij hebt mij in zijne oogen en in die van anderen voorgesteld, als ware ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat van Verona, bestrijden;--maar eerst zult gij hem verklaren, dat de woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen, die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, u door hem ter wedervergelding aangedaan."

"Gij vraagt veel, Madzy!" zeide Adeelen: "meer dan met ridderplicht kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog op mijn aangezicht gloeit?"