De Roos van Dekama

Chapter 18

Chapter 183,798 wordsPublic domain

"Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, van Bianca's vader, dezelfde, die den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds was geweest en mijn Bianca had weggevoerd."

"En volgdet gij haar niet?"

"Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand stond, was op dien tijd meester van Verona, en ware ik daar ontdekt geworden, mijn dood ware zeker geweest. Zij verzocht mij daarom, mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten: terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde aan haar verlangen:--minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik, dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was."

"Zij was u dan ontrouw geworden!" vroeg Madzy verbaasd, "ondanks haar plechtige belofte?"

"Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij onbewust.--Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraag baten? Ik bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in Verona.--Sedert heb ik de liefde gemijd."

"Ach!" zeide Madzy: "indien de liefde zulke rampen baart, is zij waarlijk wel te duchten!....maar ik geloof toch, dat dergelijke gebeurtenissen zeldzaam zijn."

"Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!" zeide de Abt, zich de kin strijkende: "gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeder Sicco, die heeft juist zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia:--maar toen de zaak zoogoed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga, die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde, dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan onze landerijen in Hemelumer Oldephaart, en toen sprak ik er over met broeder Syard, die...."

"Met verlof van uw Eerwaarde," viel de monnik in, die ongaarne den schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken stand te omhelzen: "de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde gekomen."

"Juist, broeder Syard, juist!--dat is wat ik zeggen ging, toen gij mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men zeide dat ik hem ingepalmd had; daarom, gelijk u heugen zal, heb ik u verzocht, hem ondershands eens te polsen en over te halen om het kleed der orde aan te trekken."

Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoomin de Olderman als Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die half verborgen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken, welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen en hare oppervlakte beschijnen, maar weldra, als de hemelbol weder achter wolken wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi, welke de geschiedenis van Aylva's rampzalige liefde daarop had doen ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht.

Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Trompetten en schalmeien Doorklonken hof en wal: De Ridders vloeiden samen Op 't daav'rend Feestgeschal.

Van 't overwelfde venster Van Klermonts opperzaal, Zag Blanka, de overschoone, Den rijken wapenpraal.

Bilderdijk.

Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de groote markt of het _Zand_ te Haarlem bedekt met een tallooze menigte van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderende aandacht trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt over haar geheele lengte in twee schier gelijke deelen doorsneed, om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten; maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld, waarvan de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting, strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen, had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven.

"Bij onzen heiligen Patroon!" zeide meester Claas Gerritsz., die zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren: "ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij alles geschikt hebben."

Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had, voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de kampplaats, dan weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.

"Daar hapert niets aan," antwoordde hij op des Marktschrijvers toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, "en Jan Paypaert verstaat zijn werk;--nu, 't ware ook schande indien hij het niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend."

Meester Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd.

"'t Is waar," hernam hij, "de oude man heeft zich veel moeite gegeven; maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt, hij wordt er des te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken."

"Ja," zeide de wapensmid, met een spottenden lach, "en zij waren allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo meteen zijn zullen."

"Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette," zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste aanmerking:--"maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten."

"Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan!--en menig Ridder zou door dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de Herauten weten beter hoe het hoort."

"De Herauten!--lieve knapen!--hebben zij zoo meteen den doortocht niet geweigerd aan onze Vroedschappen, 't geen geheel strijdig is met het Privilege van Koning Willem, artikel...."

"Wat Privilege!--alle Privileges houden op voor de poort van een kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamsch zwart ook te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken, en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de stad komt."

"Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar 't behoort, onze Privileges deden gelden."

"Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn stormhoeden, die ik in 't jaar aan de stad lever? De tuigage van één Jonkerspaard doet mij meer verdienen dan al de poorters van Haarlem.... maar ik hoor daar trompetgeschal.--De Kamprechters komen.--Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!"

Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf vertegenwoordigen moest en nu aan 't hoofd van eenige Ridders de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert, die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den zwier en de vastheid, waarmede hij zijn ros bestuurde:--achter hem reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die 's Graven banier droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen en trompetters vergezeld.

De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den westelijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden van de Grafelijke loge onbeweeglijk post vatteden.

Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen.

Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting werd ruim voldaan, toen een schel klaroengeschal, afgewisseld door een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op 't prachtigst uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden, steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren van Beaumont.

En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat van een geweldigen waterval, dien men al gedurig dichter bij zich hoort, deed zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaarts heenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen, rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders, die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene, die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij zijn klepper bestuurde, aller oogen tot zich trok: de andere partij, hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap, welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt, was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen, een edelman uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa met roem had bekend gemaakt.

Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen en wier vermelding hier te wijdloopig zoude worden, reden de beide partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid in 't besturen hunner paarden te toonen en hun prachtige wapenrusting te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen.

"Waar of onze vriend Adeelen schuilt?" vroeg de Abt van Sint-Odulf aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in 't voorbijgaan richtte.

"Ik heb hem nog niet herkend," zeide Aylva: "hij heeft mij een geheim gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn.--Wat dunkt u er van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?"

Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren; want zij had in eenen Ridder van 's Graven gevolg, die in 't voorbijgaan opzag, Deodaat van Verona herkend.

"Luister!" zeide de Abt: "wat gaat die klerk daar voorlezen?"

"Het zijn de wetten van het steekspel," antwoordde Aylva: "zoowel die, welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die, welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn."

"Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen maar in 't wild op elkander rijden? Sint-Odulf! dat zal een verwarring geven."

"Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen en Henegouwen meer bekend is dan hier, en: _la defence du fis d'or_ genoemd wordt: 't welk zooveel wil zeggen als: de verwering van den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem te spannen."

Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord, met gouddraad omwoeld, van een paal voor den zetel van Beaumont af, tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt;--en nu ontstond er een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder de lezing der kamp wetten over 't geheel een eerbiedig stilzwijgen hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden, en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen; dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid.

Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met een vluggen draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting dat hem verlof gegund werd om te spreken.

"Wat begeert gij?" vroeg Beaumont, verwonderd, "en waarom verlaat gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?"

De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt zijner lans over aan 's Graven vertegenwoordiger.

"Als vrijgeboren man en Ridder," zeide hij, "verzoek ik, Deodaat van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van een iegelijk worde gelezen."

Beaumont overhandigde den brief aan den klerk, die hem met luider stemme voorlas.

"Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot een kamp op leven en dood, met zulke wapenen als hij zal verkiezen, alles onder verlof en toestemming van onzen Heere den Grave van Holland en Henegouwen."

"Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren," zeide Beaumont, zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met vriendschap vermengd was: "na den afloop van het steekspel zal u gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen."

Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan, kwam met een paar zijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was:

"Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede zich noemende van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen hij verkiezen zal, alles met verlof enz."

"Zijn zij dol geworden?" riep de Graaf: "twee vrienden van kindsbeen af! twee broeders!--Wij zullen na den kamp hierover nader spreken."

Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden.

"Wat dien betreft, dien ken ik," zeide de smid tegen zijn kleinen buurman: "dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch edelman, en mild heeft hij mij betaald:--'t speet mij maar, dat zulk een deugdzame kolder om het lijf van een stuggen Schieringer sluiten moest."

"Is het die ongeluksvogel?" zeide Claes Gerritsz, "die ons voor drie dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?"

"Heeft de duivel hen bezeten?" riep graaf Willem: "Dat is nu al de derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen scherpgepunte speren moeten inruilen."

Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde, welke in dezer voege luidde:

"Ik, Seerp Van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland, verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem, Grave van Holland en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne plaatse zenden wil."

Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries verwekte een rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat waren, van mond tot mond herhaald werden. "De kerel is gek!" riep men van alle kanten: "wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten kamp uitdaagt?--Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!"

"Stilte! mijn Heeren! stilte!" riep Graaf Willem, met een stem, die boven de andere heenklonk. "Wij zullen onze eer zelf handhaven, zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp Van Adeelen! wij nemen uwe uitdaging aan."

"Graaf!" riep Beaumont: "dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten, die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen."

"Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!" zeide de Graaf, met bedaardheid: "zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp Van Adeelen mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door Reinout."

"Zoo is het," antwoordde Beaumont.

"Welnu! ten einde nuttelooze bloedstortingen te voorkomen, zoo dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp Van Adeelen: en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp Van Adeelen uitgemaakt worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche hof komen bijwonen."

Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevredenen blik: de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegd was; de eerste, omdat hij zich niet tegen den Graaf zelven meten mocht. Beiden echter begrepen van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten.

"Dit punt alzoo geschikt hebbende," zeide de Graaf, "blijft ons niets over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten."

"Daarvoor zal gezorgd worden," zeide de Grootmeester der Duitsche orde, die insgelijks genaderd was: "bij Sint-Veit! de eerste van mijne partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad, zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan."

Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi.

Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een der houten moorenkoppen, welke aan weerszijden hier en daar op groote staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen der koppen door de tegenpartij belet moest worden.