De Roos van Dekama

Chapter 15

Chapter 153,931 wordsPublic domain

Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid, zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd; maar hier ontzonk hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.

Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen; hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.

Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.

"Hoe komt het toch," vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat, "dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd onafscheidbaar."

"Daaraan dacht ik juist," antwoordde Deodaat op een bezorgden toon: "ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer te leggen."

"Wie weet," zeide de Jonkvrouw: "hij is misschien uw bekoorlijke Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet komt:--dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen, dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!...."

Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid, hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand, welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging van welkom bij de Gravin.

Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad, dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval, had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch, daar gekomen, was reeds de toevloed der nieuwsgierigen zoo groot, dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen, die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen, toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede een duw kreeg, hem van 't hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op een scherpen en luiden toon zeide: "wie is die lompe dorper, die zich hier een weg maakt alsof hij aan 't biezen snijden ware?"

"Schaam u! terug!" riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug en ontmoette Reinout.

"Door welke helsche kunstgrepen," zeide hij, "hebt gij Madzy van huis weten te lokken?"

Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.

"Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch...." riepen Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende en als uit éénen mond: "is zij niet vrijwillig gekomen?"

"Zij had geweigerd," antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op Adeelen slaande: "of liever, men had voor haar geweigerd."

"Welnu! en verder?"

"De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens, hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide, hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude...."

"Een gevloekte leugen!" viel Adeelen met heftigheid in.

"O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!" zeide Oda: "welke Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den weg zet, of het vouwstoelen waren."

"Indien men," zeide Adeelen, "hier ten hove slechts genoodigd is om tot een doelwit van bespotting te strekken...."

"Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken," zeide Oda, den zin besluitende.

"Ja! ik zal van hier gaan," zeide Adeelen: "doch niet zonder Madzy."

"'t Is de vraag, of de Graaf van 't zelfde gevoelen zijn zal," merkte Reinout aan.

"Zie," zeide Oda, "de kring opent zich. De Graaf treedt met haar vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! 't Is wat vreemd! maar 't staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net, dat zij op den rug draagt? o! 't zijn hare haren."

Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en in kwastjes uitloopende.

"Die gouden oorijzers staan goed," zeide Ottilia: "maar ik vind het mutsje verschrikkelijk plat."

"Dat mutsje beteekent," zeide Oda: "zooveel als een stroobosje aan een paard."

"En hoe dat?" vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd.

"Wel," hernam Oda: "dat zij nog te koop, of, met andere woorden, nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een voorschoot op een feest kwam?"

"Dat zal bij 't kostuum hooren," zeide de goedhartige Ottilia: "bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet."

"Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken," vervolgde de bijtende Oda: "zij is immers reeds half geharnast."

"Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen en armbanden gezien...."

"Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk."

Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.

"Edele Aylva!" zeide de Graaf beleefdelijk: "wij stellen uwe pupil weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn gebracht worden."

"Hoe!" zeide Madzy verbaasd: "is het niet met de goedkeuring van mijn voogd, dat ik hier kom, en is deze keten...."

"Graaf!" zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had toegedragen: "had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om hier bedrog te plegen, ik had dien liever in 't Sparen geworpen dan hem u te leenen."

"Nu Oom!" zeide de Graaf: "zult gij u over een onschuldige kortswijl vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord."

"Ik geloof niet," zeide Aylva, bedaard, "dat hier eenig oogmerk bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord blijven? doch...." hier schudde hij bedenkelijk het hoofd:

"Welnu!" vroeg Willem: "wat schuilt er nog?"

"Men mompelt," fluisterde de Olderman den Graaf in 't oor, "dat Floris de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin van Clermont."

"Wat meent gij?" riep de Graaf verrast en verstoord.

"God geve dat de toepassing geene plaats vinde," zeide Aylva.

"Amen!" hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie omwendende: "welnu jonker Seerp!" zeide hij: "hoe staat gij daar zoo in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht."

"Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer Graaf!" zeide Adeelen: "en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen."

"Gij kunt dit terstond doen," zeide Willem: "door aan de schoone Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!" Dit gezegd hebbende, wendde hij zich af.

"Wil hij mij laten dansen?" vroeg Adeelen: "bij Sint-Nicolaas! dat zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de speelpop van dit gezelschap te zijn."

Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij in 's Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan, en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.

Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen, naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.

"Ik had u al gezocht, Ridder!"--zeide zij met een gulle vriendelijkheid, welke hem verrukte: "het spijt mij, dat gij heden ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk, in Holland te zijn gekomen."

"Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist is in vrijwillige ballingschap gegaan."

"Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad van hem hooren."

"Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een roos zonder doornen."

"De toekomst is in Gods hand," zeide Madzy, met een zucht: "doch waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed, zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer er zich geen volksgeest in 't spel mengt:--en altijd heb ik hem als mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde: hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij, zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of aanstootelijk moet voorkomen."

Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.

"Gij bemint hem dan wel," zeide Deodaat.

"Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb," zeide Madzy, eenigszins verlegen de oogen neerslaande.

"Gij zoudt den man dan wel haten," vervolgde Deodaat, "die een geleden beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken."

"Ridder!" zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende: "Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?"

"Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten ondervinden. Kan een dergelijke terging, in 't bijzijn van getuigen ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?"

Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: "Ik heb wel eens gehoord," zeide zij, "dat gij Italianen wraakzuchtig zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand, die zich van een moorddolk bedienen zoude."

"Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik mijn geschonden eer terugbekomen."

"Ik heb van uw Ridderwetten gehoord," hernam Madzy, voor zich ziende: "en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?"

"Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in ernst, het is niet ontijdig.--God weet, of het mij immer weer vergund wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond, en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?"

"Eén woord! en welk moet dit zijn?" vroeg Madzy, bevende.

"Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade bemint."

Madzy werd doodsbleek: "en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik die betuiging deed?" vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige gewaarwordingen.

"Neen," hernam Deodaat: "maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in 't oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren."

Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de bleekheid van deze bespeurde. "Vergeef mij," zeide hij: "zoo ik een aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik kom de mij toegezegde hand terugeischen."

Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en, de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht, die aan geen van beiden ontsnapte.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Doe op en vrees niet: 'k ben uw vrient. 't Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Seerp Van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort, die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe redenen tot ongenoegen. "Die vlegels!" dacht hij: "daar hebben zij weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen en kitten te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!"

Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide, trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt, de bakkerij [26] binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de oude legende betreffende den draak van 't Roode Klif te Stavoren, welke hun een leekbroeder van Sint-Odulf verhaalde.

"Wat is dit, schobbejakken?" zeide hij: "dat gij op dit uur met opene deuren zit?"

De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had, en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven.

"Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?" vroeg Adeelen: "en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg mij, waar is de Abt?"

"Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan," antwoordde de kloosterling.

"En vader Syard?"

"In zijn cel."

"Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal zelf gaan." En, een licht van de tafel nemende, begaf hij zich uit het vertrek.

De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was ter hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich 's avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had, was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide stem door de opening: "slaapt gij reeds, vader Syard?" Hij ontving echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen.

"Vader Syard!" herhaalde hij luider: "kunt gij uw litanieën niet nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik ben Seerp Van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u noodzakelijk spreken."

Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan, stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelwijze van den pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedig verricht was, daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond, die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte.

"Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest," zeide Adeelen, terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette.

"Ik heb meer dan het benoodigde," zeide de monnik, die met gekruiste armen voor hem stond: "mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doet komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn."

"De duivel hale het feest en allen die er op zijn."

"Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva uit en Madzy Dekama, die gelijk ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd...."

"Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf genoeg, het te verschoonen: Seerp Van Adeelen zal het nimmer vergeven."

"Bedaar!" zeide de monnik: "het is een wijs voorschrift, dat men zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik met aandacht luisteren naar 't geen gij mij te melden hebt."

"Morgen!--morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?"

"Geen anderen drank," zeide vader Syard, de waterkruik toonende, "dan dien welke de duinwellen opleveren."

"Zoek wel," zeide Adeelen: "ik houde mij overtuigd, dat de cel van een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde."

"Ik onderzoek niet wat anderen doen," hernam de monnik op een gestrengen toon: "mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome."

"Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft niet meer verhit te worden."

"Inderdaad!" riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste, welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten.

"En nu tot de zaak!" zeide Adeelen: "luister! en oordeel, welke wraak Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen;" en hij gaf den monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy derwaarts te lokken.

"En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?" vroeg vader Syard na eenige oogenblikken zwijgens.

"Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat het zegt, een Frieschen edelman te hoonen."

"Gij ontzegt hem dan?" vroeg de monnik.

"Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den Graaf van Holland."

"Amen!" zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen.

"Wie sprak hier?" riep Adeelen uit, zich snel omwendende.

"Wie weet het?" antwoordde de monnik, eenigszins onthutst: "wellicht een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen. Er is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben uitgesteld."

"Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u." Dit zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en wendde vervolgens het oog naar de bedstede. "Die deuren," vervolgde hij, "zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen." En meteen leide hij de hand op den wervel.

"Laat af!" riep de monnik, hem weerhoudende: "het is nog de tijd niet."

"Ik wil zien wat hier schuilt," zeide Adeelen, hem terugstootende: "aha! wat hebben wij daar?"