De Roos van Dekama

Chapter 14

Chapter 143,847 wordsPublic domain

"Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens machtigen Edelmans erkennen deed?"

"En Reinout?" vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend was.

Barbanera haalde de schouders op: "Of er wat voor hem te doen ware," zeide hij, "durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt, zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven."

"Ik begeer niets verder te weten," zeide Deodaat, hem met verachting aanziende: "ik hecht vooreerst weinig geloof aan 't geen gij mij verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen."

Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra aan de poort van het voormalige klooster. 's Graven naam, in welken hij zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedigen toegang, maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond, verliet het vertrek niet bij zijn komst.

Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek.

"Ridder!" zeide Aylva, na een poos zachtjes met Adeelen te hebben geraadpleegd: "mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van 's Graven beleefdheid gebruik maken;--doch wat onze jonkvrouw betreft, wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn."

"Een zoo schoone bloem," zeide Deodaat, "zoude elken hof versieren; doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen."

"En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen," zeide Adeelen op een norschen toon: "het is niet om het gegons van Hollandsche hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is."

"Ik zou u kunnen antwoorden," zeide Deodaat, geraakt, "dat het hof van Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn en de vreemde wespen niet vreezen;--maar ik wil nu alleen opmerken, dat ik niet besef, hoe het al of niet ten hove komen der Roos van Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren Van Adeelen af kan hangen."

"Zij is mijn verloofde," zeide Seerp: "en deze betrekking geeft mij eenige aanspraak op hare onderwerping.... op hare inschikkelijkheid."

"Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!" zeide Madzy, terwijl een hoog rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de edelste fierheid schitterden: "wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele Aylva acht het beter, dat ik te huis blijve. Om zijnentwil zal ik niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp! om zijnentwil."

"Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?" vroeg Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende.

"Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!" zeide Aylva, "hoe men zich heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens opgevatte voornemen te blijven volharden."

"Maar in waarheid!" hernam Deodaat, "waarom moet haar een genoegen ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid, haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen verlaten heeft om u herwaarts te volgen, zulks was toch niet om in dit naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren, dat mij een weigerend antwoord 's Graven ongenade op den hals hale."

"Zoo ik Friesland verliet," zeide Madzy, "was het om aan den wensch van Seerp Van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama hem in zijn afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet, edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen, ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat wellicht onaangenaam worden kon, vraag ik verlof, mij te verwijderen."

En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek.

Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva's weigering toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de Friezen te bewaren, herinnerende, oordeelde hij, om zijns meesters wille, een zachter toon te moeten aannemen.

"In waarheid!" zeide hij: "Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken niet. Gij komt hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe landgenooten: en niettemin ziet men heden tot tweewerf toe den Heer van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden, welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwekt en wellicht (want daartoe zou het kunnen komen) zijn heirlegers in Friesland roept. Een weinig toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer dan ooit hersteld."

"Toegeeflijkheid!" riep Adeelen: "voor wat? voor zijn vermeend recht op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatsten toe van over de zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven;--maar zoolang hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp Van Adeelen een vijand vinden:--en zoo ik heden op het feest verschijn, 't is slechts om te toonen, dat ik mij nergens schroom te vertoonen en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen Fries wel gunnen wil."

"Een schoone heldhaftigheid voorwaar!" zeide Deodaat bitter: "om op een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vreezen hebt, ten einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid te beantwoorden. Pas op, Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij weinig eer behalen.

"Ik verlang geen vermaningen van een Italiaanschen gelukzoeker," zeide Adeelen: "geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg zijn, er naar te luisteren."

Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in 't aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen, die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik voor Deodaat kwam stellen.

"Foei! schaam u, Adeelen!" riep de Olderman op forschen toon: "is het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige handelwijze verschoonen."

"Bedaar! in 's Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!" zeide de Abt van Sint-Odulf: "_eheu_! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt, dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen."

"Wij hebben ze hier ook in overvloed," zeide Deodaat, "doch wij zenden ze niet als afgevaardigden uit:--en zoo hem nog een grein gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor de uitdrukking, door hem gebezigd."

"Om verschooning bidden," brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot nog altijd tegen den wand hield gedrongen: "Laat de handen van mij af, Aylva!--want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen."

"Een andere reis, maar niet hier," zeide Aylva: "uw leven behoort niet aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd."

Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had, na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden, toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende, van dezen vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing: en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in 't vertrek staan.

"Gij komt juist van pas, Ridder!" riep hem Aylva toe: "kom Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw toorn belachelijk worden."

"Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden," zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor zijne oogen verscheen.

"Goede God! wat is hier geschied?" vroeg zij, eerst Deodaat en vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming aanziende: "ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is uitgebroken."

"Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan, Madzy!" zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten en die nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund.

Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte.

"Deodaat! volgt ge mij?" riep op eens Reinout met een donderende stem.

"Ik kom!" antwoordde Deodaat.

"Neen!" zeide Aylva, hem tegenhoudende: "zoo moet gij ons niet verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de betuiging schuldig van ons innig leedwezen over de behandeling, hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn edele vrijmoedige inborst; maar wij blozen over de uitdrukkingen, waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal over blozen."

Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met hartelijkheid drukte.

De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan, op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep.

"Geen stap verder!" zeide hij: "'t is thans met mij dat gij zult te doen hebben."

"Hoe nu!" zeide Deodaat: "Ik versta u niet."

"Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans?"

"Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u beleedigd?"

"Ik raad u, dit nog te vragen:--wie had u de belofte afgevergd, die gij gisteravond deedt? Vrijwillig, om mij lichtgeloovige te misleiden, hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in slaap gewiegd: van 't spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin den tijd weten te korten. O! 't was aandoenlijk om te zien, hoe gij beiden mij hedenmorgen bespottedet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of was die twist met Seerp Van Adeelen ook niet om harentwil gerezen?"

"Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven."

"Gij verzaakt uw afkomst niet," zeide Reinout op een verachtelijken toon: "en Barbanera's verhaal...."

"Mistrouw dien bedrieger!" zeide Deodaat: "ik heb hem ook gesproken en hem verzocht hier nimmer terug te keeren."

Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd, die zijn gemoed doorknaagde.

Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht: "de onbeschaamde!" dacht hij: "hij heeft van Barbanera vernomen, wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van Barbanera en durft mij zulks verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik dit immer van u kunnen gelooven!"

Ten hove gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen, om redenen, die in 't vervolg nader zullen blijken.

"Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelven bewaren!" riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er niet gemakkelijk van was af te brengen.

"Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen."

"Uw Genade zal mij verschoonen, zoo ik mijn gevoelen durf uiten," zeide Deodaat: "maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de pupil van den eenen en de verloofde des anderen."

"Ook is het geen daad van geweld, die wij beoogen," hernam Willem: "'t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: en gij zult zien, Deodaat! of ik niet een even goed toovenaar zal wezen als die meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelven af, zich met spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?"

"Omdat ik vrees," zeide Deodaat, "dat spot hen nog erger zal verbitteren dan de grootste beleediging."

"Wat dit alles betreft," zeide Willem: "laat zulks gerust aan ons over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren: doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!"

Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen.

"Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?" vroeg hij zich zelven af: "of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan ik zulks in mijn eigene oogen doen? 't Is waar, ik ben hedenmorgen een geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik Madzy wel moeten vergezellen?--Het ware een onhebbelijkheid geweest, eenen Fries waardig, indien ik haar niet had te huis gebracht:--ik heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik dat wij hem tegenkwamen, en toen.... 't is waar, toen lachte zij en ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking van Reinouts gelaat;--doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar.

"Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters!--kon ik dien weigeren? heb ik dien niet aan Reinout willen overdragen? hem gezocht?--Ik kon immers niet meer doen?--En met dat al, ik ben ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet niet wat, in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde.--Ik mag van den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout te ontmoeten."

De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid, welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in 's Graven bijzijn te reppen, hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd, die hem had durven verwijten, dat hij Reinouts medeminnaar ware.

ELFDE HOOFDSTUK.

Nu gaet verheugt ten rei en danst, Ghy die het hoofd met mirten kranst.

Vondel, Salomon.

Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds te vergaderen in de hofzaal op de markt [23], waar het dansfeest, dat in 't klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht, aldaar ten toon gespreid. Rijke _dressoiren_ of buffetten, overdekt met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken, in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort: schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen, welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.

Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen, hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen, die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen: de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van 't eene onderwerp op 't andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.

"Men zegt, dat zij zeer bevallig is," zeide de jeugdige Ottilia van Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond.

"Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een boonstaak, en zonder gevoel noch leven."

"Neen in waarheid," viel Oda van Wassenaar er tusschen in; "zij moet bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een Rijnsburger non."

"Oda! Oda!" zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, "gij zijt wederom boosaardig!"

"Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in den zadel waren?"

"En waarom," zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, "zoudt gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?"

"Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak heeft aangetrokken en ik niet."

"Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest," zeide Walcourt.

"Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?"

"Men zegt het," antwoordde Walcourt.

"Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken: anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon."

"Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke kapsels die zij dragen," zeide Ottilia: "maar wij zullen, geloof ik, niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen, dat zij niet komen wil."

"Niet komen wil!" hernam Walcourt: "een Jonkvrouw, die een uitnoodiging weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering, en verlang ik dubbel haar te leeren kennen."

"Wacht!" zeide Oda: "daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest, hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord, zoo 't u gelieft."

Deodaat trad nader: "kan ik," zeide hij: "de schoone Oda van eenigen dienst zijn?"

"Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt," zeide Oda.

"En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt," voegde Ottilia er bij.

"En zoo voortreffelijk te paard zit."

"En zulk een gek kapsel heeft."

"Schoone dames!" zeide Deodaat: "vergunt mij een oogenblik adem te halen:--wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins hoovaardig op is."

"Ik geloof," zeide Oda: "dat in die woorden iets ligt besloten, dat een zijdelingschen zet moet beteekenen."

"Vooral niet.--Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten tusschen klapmutsen en _hénins_ en oordekkers [24] te beslissen: dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels bevallen zou."

"Waarlijk Ridder!" zeide Ottilia: "ik geloof dat gij verliefd zijt op die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in."

"Ik, lieve Jonkvrouw!" antwoordde Deodaat: "een Ridder zonder land en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft het recht niet om te verlieven;--anders had ik niet zoolang daarmede gewacht," voegde hij er met een beleefde buiging bij.

"Nu verder," zeide Walcourt: "haar rijkunst....?"

"Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen uitmuntende paarden op stal hebben."

"De slotsom van dit alles is dus," hervatte Oda, "dat dit meisje een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt, wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden, en onze toevlucht tot een karoledans [25] zullen moeten nemen;--maar dat is nu de groote vraag: komt zij?--Of neemt zij alleen den wierook van hare Friesche aanbidders aan?"

"Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig blijven," zeide Deodaat: "de tijd zal het moeten leeren."

"Maar in 's Hemels naam," hernam de levendige Oda: "zeg mij toch! wie is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand, die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij."

"Zoo gij," antwoordde Ottilia, "gisteren met ons op den Vogelesang geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den Heer van Beaumont."

"Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch," zeide Oda: "maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan."