De Roos van Dekama

Chapter 13

Chapter 133,810 wordsPublic domain

Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben, Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet, gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking, welke zich in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in het schoonste daglicht voor te stellen;--maar deze handelwijze, in stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen, strekte nergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig vriend betoonde.

Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat, bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich, in vollen ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf.

Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten, ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder opzicht van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten en toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten naar hun rang en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde, daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken, dien hij eindelijk van verre gewaarwerd, het toezicht houdende over het ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde, òf niet wilde opmerken:--en daar aan Deodaat vervolgens een andere bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor 't oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen.

Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid, leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, en vervulden het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen, gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide, en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerenden luister.

Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde, die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op 't schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangenden tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd met de wapens van Holland en van Henegouwen: terwijl een halskraag van hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren, over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak, omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte, en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.

Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon: aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten: terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen, waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden en Vroede mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame ruimte voor den zetel opengelaten.

Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier, die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld, de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.

"Hoogwaardigste!" antwoordde Willem, "wij bidden u, na uw terugkeer in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor den Keizerlijken troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden.--Deze wensch is vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten, alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten."

Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen moest, en gelijk geen ander Graaf, ja gelijk geen Rijksvorst in staat was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulke roemvolle overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest verachte handen zouden worden weggemaaid.

Een algemeene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid zij bekomen zouden) werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid, terwijl alsnu de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren, voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren, en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen, deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak, aan welker samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een gezant, die gekomen was om _niets_ te zeggen, eer hebben aangedaan. Zij behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult, gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd, dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen hiervan niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen niet langer bedwingen. De woorden, waarin zijn antwoord vervat werd, waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak: en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren.

"Wij danken onze Friesche _onderzaten_," zeide hij, op dit laatste woord drukkende, "voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken. Gij kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat onze Ambtenaren te Stavoren mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke straf hebben de schuldigen ondergaan?"

"Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te doen," antwoordde Aylva, "en wij twijfelen niet, of de schuldigen zullen naar de wetten geoordeeld worden."

"Men heeft te lang gewacht," zeide de Graaf: "op heeter daad had men de misdadigen moeten vatten en vonnissen."

"Het ware intusschen te wenschen," vervolgde de Olderman, als had hij 's Graven aanmerking niet gehoord, "dat uwe Genade het gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop vergeven. De Fries, aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat van Friesland moet worden voorkomen."

"Inderdaad!" hernam Willem: "waarom geeft gij ons niet liever den raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren."

"Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te vermijden." zeide Adeelen: "en wellicht," voegde hij er met fierheid bij: "ware het beter dat zulks thans geschiede, nu het als een gunst ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden het tot een noodzakelijkheid zal maken."

Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartige taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: "Wij danken u, Heer van Adeelen!" zeide hij, "dat gij zoo onbewimpeld spreekt; want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel, dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt, welke wij recht hadden van u te verwachten."

"Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee," riep Adeelen uit: "maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries."

"Hoe nu!" hernam de Graaf: "zijn dit de woorden uwer lastgevers? En stemmen de Eerwaardige Abt en de Heer van Aylva mede in die onbezonnen taal?"

De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van 't gelaat. Aylva nam het woord op.

"Edele Graaf!" zeide hij: "het is nooit de wensch noch de bedoeling onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit."

"Gij hebt dan geene machtiging," vroeg Willem met eenige verbazing, "om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van Friesland te doen?"

"Ik herhaal het," antwoordde Aylva: "hetgeen uwe Genade ons zal gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers worden overgebracht."

--"_Vive Dieu_!" riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot de naastbij gezetenen wendende: "Gij hoort het, mijne Heeren! men verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij Sint-Japik!" vervolgde hij tot de Friezen, "zoo wij alleen gehoor gaven aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij u dadelijk onzen wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen, zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet van ons zegge, dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de zitting is opgeheven!"

Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging.

TIENDE HOOFDSTUK.

Deux coqs vivaient en paix: une poule survint, Et voilà la guerre allumée.

De la Fontaine.

Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere deur, naar 't scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.

Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen in een grooten, met koper beslagen kotter, die nevens hem stond: en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een beker gekruide wijn.

"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "vriend Deodaat! gij kunt ons een grooten dienst bewijzen."

"Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen," zeide Deodaat.

"Welnu!--Gij zijt reeds bij die Friezen geweest;--gij schijnt zelfs een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen morgen met hen zien rijden."

"Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om mijn gangen na te gaan," zeide Deodaat.

"_Vive Dieu_! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat Deodaat van Verona om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?"

"Ik vat niet, hoe...."

"O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van de reis medegenomen. Is het niet zoo?"

De jongeling glimlachte en boog.

"Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?"

"Ik vrees uw Genade geheel niet te verstaan," antwoordde Deodaat, wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: "uw Genade zal toch niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?"

"Welnu, mijne Heeren!" zeide Willem, zich lachende tot de omstanders keerende: "hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden."

"Deodaat is een braaf Ridder," zeide Beaumont, zijn kweekeling op den schouder kloppende: "hij heeft de lessen niet vergeten, die ik getracht heb, hem in te prenten."

"Hij had toch moeten begrijpen," zeide Teylingen, "dat de Graaf niets onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt."

"Hoor, Deodaat!" hernam Willem: "wij zullen u in korte woorden zeggen, wat het geval is:--dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord, en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet gingen stellen...."

"En den oorlogskreet: Holland! aanhieven," zeide Deodaat: "bij Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!"

"In onze ooren voorzeker," vervolgde de Graaf, lachende: "maar deze Heeren verstaan het anders:--zij zijn van meening, dat men zich tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen zij beproeven, wat er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wil beseffen, dat men nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen."

"Waarlijk," zeide Deodaat, glimlachende: "uw Genade heeft te hoogen dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelen te zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker bezitten?"

"Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet," zeide Beaumont: "maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien 's Graven oom om zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk als uit u zelven spreken."

"En," zeide Willem, "zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt, kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft, wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken."

"Indien dit het oogmerk is van uw Genade," zeide Deodaat, beurtelings rood en bleek wordende, "zoo ken ik iemand, wien deze last beter zoude voegen dan mij."

"Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?"

"Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd is."

"Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen:--en doe onze uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid, van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat gij?--Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche prinses in vollen tooi te zien!--Ga nu en overleg uw zaken goed."

"Rechtuit gezegd, mijne Heeren!" vervolgde de Graaf, toen Deodaat vertrokken was: "ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht naar Friesland voor 't oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren, welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht:--maar bij Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen."

"Ware het niet verkieslijker," vroeg Beaumont, "nog bevorens een bode naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?"

"Een bode naar Grenoble--den Bisschop terugroepen!--neen, waarde Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsen edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij in alles tegengewerkt.--Maar daar moet een einde aan komen:--Utrecht moet bukken!--en daarna Friesland.--Ik zoek mij nu nog te bedwingen: maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te doen betalen!--Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb."

Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwden als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht te hebben, om hem 's Graven verlangen mede te deelen, niet langer durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had, niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen, last gegeven dat men 's Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan alsnu voldaan werd.

Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen, dat hij hem iets te zeggen had. Deodaat reed hem op zijde: en de kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde hem de volgende woorden in: