De Roos van Dekama

Chapter 12

Chapter 123,734 wordsPublic domain

"Veroorloof mij, u te zeggen, Heer Ridder!" zeide de marktschrijver, "dat dit klaarblijkelijk zou aandruisen tegen alle gebruiken en usantie in zoodanig geval; daar de schuld nog moet vereffend worden ten genoegen van beide partijen, en deze man ons derhalve volgen moet naar Haarlem, waar bovendien nog andere zaken tot zijn last zijn, als: dat hij een geneesmiddel verkocht heeft aan Geurt Kneliszen, waar al zijn koeien van gestorven zijn, en een ander aan de vrouw van den rooden slachter, waardoor haar oog gezwollen is als een pad, al 't welk strafbaar is met gevangenis, ingevolge art...."

"Dat u de heete koorts blakere, eeuwige babbelaar!" riep Reinout: "zorg slechts dat hem geen leed geschiede, of ik rijg u als een leeuwerik aan mijn speer."

Intusschen hadden zich een paar dienaars meester gemaakt van Barbanera, die door zijn getrouwen hansworst van de toedracht der zaak was onderricht, en, als ware hij over den uitslag der zaak niet bekommerd, zich dadelijk had bereid verklaard mede te trekken en aan te hooren, wat men tegen hem had in te brengen. Ook Reinout begon nu te beseffen, dat hij zich ten onrechte driftig had gemaakt, en dat zijn belang vorderde, dat Paolo, of Barbanera, door wettelijke middelen gedwongen werd naar Haarlem te gaan en aldaar eenigen tijd te vertoeven, waardoor hij, Reinout, in de gelegenheid zou zijn hem nader te spreken, en het zoo verlangde geheim af te persen. Hij verklaarde daarom ook aan de Ambtslieden, dat hij hen zoude vergezellen.

"Wij zullen verheugd zijn, de eer van uw gezelschap te genieten," zeide de marktschrijver: "en gij, goede vrouw!" vervolgde hij tegen Elske, die gedurende het gansche gesprek van Reinout en Paolo, waar zij geen woord van verstaan had, bedaard was blijven doorspinnen, "hoe gaat het al? Ik heb daar zooeven gehoord, dat uw man u half dood geslagen heeft en van zijn bediening is ontzet."

"Ach!" zeide Elske: "ik ben een bedurven mensch, en hoe ik het zal redden met mijn twee bloeien van kinderen, weet onze lieve Vrouwe! en mijn man moet zeker denken dat hij mij dood geslagen heeft; want hij is nog niet terug gekomen."

"Ik denk toch wel dat gij hem het heilig kruis zult hebben nageslagen," zeide de marktschrijver: "nu vaarwel!--een spoedige genezing."

Met dit afscheid vertrokken al de aanwezigen, Elske in tranen achterlatende, waaraan wellicht de ongerustheid over het wegblijven van haren man, wien zij nog liefhad in weerwil zijner boosheid, evenveel deel had als het besef van haar hulpeloozen toestand.

Reinout volgde op eenigen afstand den stoet, die meester Barbanera en zijn hansworst naar Haarlem geleidde, daar hij weinig trek gevoelde de eer van zijn gezelschap aan den marktschrijver te schenken. Het was langs den gewonen heirweg, dat men huiswaarts ging, en reeds was men de stad genaderd, toen Reinout uit een dikke stofwolk een aanzienlijk gezelschap te paard zag te voorschijn komen, in hetwelk hij weldra den Heer van Aylva en Madzy herkende, die met eenig gevolg van een morgenrit huiswaarts keerden. Verheugd naderde hij, in de hoop van ten minste een blik van zijn geliefde te erlangen; maar wie schildert de verontwaardiging, welke hem beving, toen hij aan de slinkerhand van Madzy en in een druk gesprek met haar gewikkeld, iemand gewaarwerd, wien hij verre was van aldaar te verwachten, te weten zijn wapenbroeder Deodaat. Hij bleef staan, sloeg stilzwijgend de armen over elkander en zag met een somber oog de vroolijke ruiters voorbij draven. Geen der Friezen scheen hem op te merken, maar Deodaat had zijn vriend herkend en een vluchtig rood bedekte zijn gelaat. Reinout oogde hem na: hij zag hem de hand van Madzy aanraken als om haar aandacht op den armen voetganger te vestigen. En inderdaad, zij wendde het hoofd om, zag Reinout aan met een spotachtigen blik, keerde zich vervolgens lachende weder naar Deodaat, en verdween met hem achter de stofwolk, die hen omhulde.

"En ziedaar dan den vriend, die om mijnentwille van de schoone Madzy wilde afzien," zeide de verbolgen Reinout tot zich zelven: "den vriend, die mijner liefde geene hindernis wilde aanbrengen! hoe listig wist hij mij te verwijderen om de gelegenheid voor zich zelven te behouden;--want ik twijfel er niet aan, die ontmoeting is gisteravond reeds voorbereid geweest! Deodaat! Deodaat! is het mogelijk, dat een paar schoone oogen u een vriendschap van zoovele jaren verraden doet!"

Vervuld van deze sombere gedachten kwam hij binnen de stad aan, en begaf zich naar de gijzeling, waar men Barbanera gevoerd had. Hier verzocht men hem echter tegen den middag terug te komen, daar het verhoor niet voor dien tijd zoude kunnen plaats hebben, uithoofde van de hooge plechtigheid, waarbij de Schepenen moesten tegenwoordig zijn. Dit antwoord herinnerde Reinout aan zijn eigene verplichting om aanwezig te zijn bij het gehoor, dat de Graaf stond te geven; en daar de tijd reeds naderde, haastte hij zich naar de cel, welke hij in het Sint-Jans-klooster te Haarlem betrokken had.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren, Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon, Te huppelen op 't lant en over groene zoôn. Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen; De grooten worden oock gebeten van de kleenen.

Vondel. Batavische Gebroeders.

Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam te zuiveren.

Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit, en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijf gekozen en misschien naar hem Aelbrechtsberg genoemd, in 't vervolg het lievelingsoord werd van zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap, dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen, die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde, hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden, des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte, wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde, stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.

Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk, zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is, aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen, vergenoegde zich met de oogen in 't rond te laten weiden, en met te luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn en seringen opsteeg.--Men was in die eeuw nog verre van toe te geven aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongen zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, van wier liefdegepeinzen in de schaduw van 't geboomte hij meer dan eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat, zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat _dolce far niente_ [22] te scheppen. En wat was ook natuurlijker?--hij beminde, zonder het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is terug te geven.

Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje (want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug der hoogte naar haar toekwam.

Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde, de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn vriend, aan Reinout, weerhield hem. "Arme Reinout!" dacht hij: "het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak, die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier stilzittende, uwe schoone zie genaken:--maar ik zal, om uwentwil, van deze ontmoeting geen gebruik maken."

De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken: maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien, dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid, welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan, na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats, dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden: maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:--en niet ten onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen bedwingen en van de steilte nedervallen:--en het was om haar tegen dit gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden, dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende, een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende, en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte, maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij, daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd naast den toegesnelden Ridder op het zand stond.

"Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!" zeide Deodaat, half buiten adem en bleek als een doek.

"Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad," zeide Madzy: "maar het is voorbij. 't Is goed dat gij geschreeuwd hebt," voegde zij er met een betooverenden glimlach bij: "ik had vast een kluchtige figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen; maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grond sta! Kom maar hier, mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg."

"Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest, zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan," zeide Aylva, die nu langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam: "maar wat zie ik?--Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?"

Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend voor zich.

"Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?" vroeg Aylva eenigszins verwonderd aan den jongeling.

"Wel, mijn waarde voogd," antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: "ik was het, die bijkans uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen."

"Zoo!" zeide Aylva, lachende: "het was dus naar den Ridder, dat gij met zooveel drift toesneldet?"

Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar te antwoorden: "Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander stonden."--Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de aanleiding hunner ontmoeting op.

"Zoo!" zeide Aylva: "dan heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid te beknorren!--Denk eens, wat zou Seerp Van Adeelen wel gezegd hebben, indien ik u met een gebroken arm had te huis gebracht?"

Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren: doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy:

"Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd!--Indien Seerp Van Adeelen zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen."

"Gij weet, lieve Madzy!" zeide Aylva, "dat hij hedenmorgen bij den helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor het steekspel in gereedheid zij:--gij zoudt toch niet begeeren, dat hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen."

Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek, aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden, en dat die wilde meid, de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. "Ik ben gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen," zeide de Olderman: "en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend door dat gulle zand te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!"

"Daar komen zij al," zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden langs gestapt waren en nu uit het bosch te voorschijn kwamen.

"Kom! het is tijd van gaan," zeide Aylva: "wij moeten naar huis, anders kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat."

"Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden," zeide Madzy met een spottenden glimlach tegen Deodaat. "Als men u dit nu ook ontstolen had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!"

"Ik geloof waarlijk," zeide Deodaat, op denzelfden toon, "dat gij meent dat dit land vol dieven is."

"Inderdaad," hernam zij: "Seerp Van Adeelen zoude u wel haast antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil."

"Madzy! Madzy!" zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: "gij spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest."

De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden Madzy wel overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd, die er sedert hunne kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva, ofschoon op een vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid van Deodaat plaats vond.--"Kom!" zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg: "ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten, dat de Ridder in 's Graven dienst is en dat men hier niet anders als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk, Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht."

"In allen gevalle," zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje beschouwende, "deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen, zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan:--en Graaf Willem heeft immers gisteravond de hand van Seerp Van Adeelen geschud?"

De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem, of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde, gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn, dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten, nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet.