De Roos van Dekama

Chapter 10

Chapter 103,941 wordsPublic domain

Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom heen deed vliegen, zeggende:

"Loop naar den duivel met uw gesnor.--Waar zijn onze paarden?"

"Dat is waar ook," zeide Deodaat: "met al die gekheid zijn onze paarden nog zoek."

"Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek," zeide de nar.

"Gij hebt ze gestolen, ellendeling!" zeide Reinout: "beken waar zij gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens."

"Bij Sint-Momus!" zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst op de knieën viel: "ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb ze niet gezien en de kokeler kan getuigen...."

"Een fraaie getuige!" zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund: "gehangen zult gij worden, paardendieven!"

"Mij dunkt," zeide Deodaat tegen den kokeler: "gij, die een waarzegger zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!"

"'t Is wel een oogenblik van gekscheren," bromde Reinout: "zij mogen zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen, zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen."

Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: "Mijne goede Heeren!" zeide zij: "deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede weggevlucht zijn?"

De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking van Madzy's bevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die eenigszms verlegen terugtrad. "De Jonkvrouw heeft gelijk," zeide Deodaat: "en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen."

"Gij zijt te goed!" antwoordde Madzy: "zoek eerst de verlorene schapen weer op: wij zullen den weg wel vinden.... maar wacht eens!" hier wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het gerucht was komen aanloopen: "zijn deze vrouwen en dit meisje niet met den meester gekomen."

"Zeer juist!" merkte de monnik aan: "vrouwtje!" vervolgde hij tot Machteld: "waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?"

"Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen," was het antwoord.

"Net zoo," zeide de nar: "wij kwamen van den Vogelesang."

"Zwijg!" zeide vader Syard: "het wordt u niet gevraagd," en, zijn onderzoek voortzettende: "zijt gij met hen tot hier gekomen?"

"Dat bennen wij."

"Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?"

"Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?"

"Niets dat naar een paard leek," zeide deze.

"Dan moeten zij vroeger gestolen zijn," zeide Reinout: "want ik had ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten aan zijn vastgemaakt."

"Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren," zeide Deodaat, "niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder op stal. Het spijt mij;.... maar men moet zich de wereldsche zaken kunnen getroosten."

"Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb," zeide Reinout, zich bij Madzy voegende.

"Waarlijk?" zeide deze:--"gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles te verliezen."

"Kom! genoeg gedraald," zeide Deodaat: "trek in vrede af, meester Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven.--En wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: en wie zou het niet wezen, wanneer hij bij zijne tehuiskomst zulk een beminnelijke dochter mist."

"Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet," zeide Madzy, terwijl allen zich op weg begaven: "hij is mijn voogd."

De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurd had: het eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld werd. Eindelijk brak vader Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud, en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullene profetieën te gewagen.

"Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen," zeide Reinout tegen Madzy: "ten minste, dit is mij wel verhaald."

"Dat geloof ik!" zeide Madzy, "er wordt bij ons geene stins gebouwd, geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik, die er het toekomstige lot van voorspelt."

"Ik herinner mij," zeide Deodaat peinzende, "dat ik eens bij toeval zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien," vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, "of ik mij die nog kan herinneren:

As Dekama sine rose forliest, In dy for Frieslän dat seawetter kiest....

verder weet ik er niet van."

"Voorzichtig wat!" zeide Madzy, glimlachende: "het is goed, dat gij het niet verder kent: ik ben een Dekama."

"Gij zult dan misschien het einde van het rijmpje wel weten," zeide Deodaat.

"Ik had liever gehad, dat gij mij dat rijmpje niet herinnerd hadt," zeide Madzy, op eenmaal ernstig wordende: "het is misschien dwaas van mij, maar het doet altijd pijnlijke gedachten bij mij ontstaan...."

"O vergeef mij, Freule!" zeide Deodaat, "maar ik betuig u, het was geheel zonder opzet, dat ik het aanhaalde:--uw naam was mij onbekend; en ik stierf liever dan dat ik u het minste leed veroorzaakte."

Hier zweeg hij en liet Reinout spreken, die, naijverig op zijn vriend, tusschen beiden trad en het gesprek bracht op het gezang, dat Madzy hun dien achternamiddag had doen hooren. Zij antwoordde zedig en bescheiden: het onderhoud hield aan en werd nu zelfs vroolijk en levendig, zoodat de wandelaars, reeds voordat zij het bemerkt hadden, aan de poort van het voormalige klooster stonden. Hier hadden zij nauwelijks aangeklopt, of de deur werd opengeslagen en zij zagen Aylva, Adeelen en een aantal dienaars met flambouwen, gereed om uit te gaan ten einde de afwezigen te zoeken.

"Daar zijn zij!" riep Aylva verheugd uit: "Madzy! Madzy! is het wèl van u, uwe vrienden zoo in ongerustheid te laten?"

"Ik neem de schuld geheel op mij," zeide vader Syard: "maar ik kon aan de Jonkvrouw niet weigeren haar een plicht van liefdadigheid te helpen verrichten. Er is hier kortbij een vrouw gekwetst en...."

"Ik hoop dat gij de kruik met olie van Sint-Janskruid [21] hebt medegenomen, welke op mijne kamer staat," zeide de Abt, die op het gerucht was komen aanschommelen en van wonden hoorde spreken.

"En gij ook weer hier, mijne Heeren!" zeide Aylva, eenigszins verwonderd, de beide Ridders te herkennen: "welk een gelukkig toeval verschaft ons opnieuw de eer van uw bezoek?"

"Deze Heeren zijn zoo goed geweest ons den weg te wijzen," antwoordde vader Syard voor hen,--"maar zij hebben er ongelukkiglijk hun paarden bij ingeschoten."

"Inderdaad!" zeide Aylva, deze mededeeling slechts half begrijpende: "maar gij zult ons dat beter binnenshuis verhalen. Wat u betreft, mijn kind!" vervolgde hij, Madzy op het voorhoofd kussende: "ik ben recht verheugd u weer te zien:--gij keert nu naar uwe kamer, nietwaar? en dan, vaarwel tot morgen."

"God zegene u, mijn waarde voogd!" zeide Madzy: "en u, mijne vaders!--mijne Heeren! ik wensch u wel thuis, en grooten dank voor uw geleide--Seerp Van Adeelen! slaap wel: het spijt mij, dat ik u de moeite gegeven heb, nog zoo laat u te wapenen."

Zij glimlachte bij het uitspreken dezer laatste woorden en wierp een spotachtigen blik op Adeelen, die in 't borstkuras en met uitgetogen zwaard voor haar stond.

"Indien ik geweten had," zeide hij, een trotschen blik op de beide Ridders werpende, "dat gij zulke geleiders tot uw dienst hadt, zou ik mij die moeite voorzeker gespaard hebben."

"Nu, word niet boos, Seerp!" hernam zij: "ik ben de eenige niet, die vandaag later, dan wel behoorde, te huis gekomen ben."

"Zij heeft gelijk, Adeelen!" zeide Aylva, "en gij hadt er erger kunnen afkomen dan zij.--En gij, edele Ridders! aan wie wij een dubbele verplichting hebben, zult gij ons het genoegen niet doen van bij ons uit te rusten?"

"Wij danken u," antwoordde Deodaat, na Reinout zijdelings te hebben aangezien: "het is reeds laat en wij moeten naar huis wandelen."

"Is het anders niet," hernam Avlva, "wij hebben hier paarden genoeg om u te brengen waar gij zijn wilt."

"Wij zijn u ten hoogste verplicht," zeide Reinout, wien het gezelschap der Friezen niets aanlokkelijks bood, nu Madzy zich verwijderd had: "maar ons bijzijn hier ware wellicht ieder niet even aangenaam: (hier gaf hij Adeelen zijn trotschen blik terug) en wij willen u den avond voor het plechtig gehoor niet hinderlijk wezen. Ontvangt onzen groet."

Bij het uitspreken dezer woorden boog hij zich, en ging met Deodaat de poort uit.

Stilzwijgend en peinzend wandelden de beide jongelingen den heirweg langs naar Haarlem, en voor de eerste maal was het, dat zij elkanderen de geheime gedachten, die hen vervulden, schroomden mede te deelen. Wat Reinout betrof, hij was jaloersch op zijn vriend. Hij meende bespeurd te hebben, dat Madzy dezen meer gunst en vertrouwen betoond had dan aan hem: hij betichtte zelfs Deodaat zich op een listige wijze bij haar ingedrongen en hem de mogelijkheid ontnomen te hebben van zich nuttig en aangenaam te maken. "Waarom," dacht hij, "moest ik zoolang buiten staan zonder geroepen te worden? Ik had wel tot morgen kunnen wachten, indien ik niet van zelf gekomen ware. Maar mijnheer begreep de kans schooner te hebben in mijne afwezigheid:--en wat behoefde hij de lamp te houden en de wond te verbinden en zich gedienstig te toonen, anders dan om mij een vlieg af te vangen? Vervloekt zij het zotte denkbeeld, dat ik had, van hem mede te nemen."

"Reinout had liever alleen moeten gaan," dacht daarentegen Deodaat: "want zoo hij werkelijk op die Friezin verliefd is, vrees ik dat het mij te veel moeite zal kosten, hem in zijn liefde te helpen. Ik gevoel, dat zij een indruk op mij gemaakt heeft, die nooit bij mij door eene vrouw werd verwekt: en zoo ik haar vaak moest zien, zou ik tot de droeve noodzakelijkheid komen van tusschen haar en mijn vriend te moeten kiezen."

Eindelijk echter kon zijn edelmoedige ziel het denkbeeld niet langer verduren van eenige achterhoudendheid jegens zijn wapenbroeder te voeden: "Reinout!" zeide hij: "denkt gij morgen weer naar de hut van Walger te gaan?"

Deze vraag, hoe eenvoudig ook, was zoozeer in overeenstemming met de gedachten, welke Reinout op die oogenblikken bezig hielden, dat zij hem een trilling door het geheele lichaam verwekte.

"Ik weet het niet," antwoordde hij, zoo koel als hem mogelijk was: "maar ja," hernam hij, zich bezinnende: "ik moet er heen: ik moet dien Barbanera spreken, die, zoo hij zegt, van het geheim onzer geboorte onderricht is, en dien ik daar heb bescheiden."

"En gij zeidet mij niets daarvan," hernam Deodaat: "was dat broederlijk gehandeld?"

"Gij waart zoo bezig in de hut met uw Friesche schoone, dat ik het te onbescheiden achtte, u te storen:--bovendien moogt gij mijne mededeeling wel op prijs stellen, want Barbanera had mij verzocht, er u niet over te spreken."

"Waarlijk!--nu dan wil ik ook liever van de geheele zaak niets weten:--òf die kokeler is een bedrieger, wiens eenig doel is, u geld uit de tasch te kloppen:--òf hij staat met den booze in verbond en dan begeer ik met hem in geene betrekking te komen."

"Zooals gij wilt:--hij heeft bovendien verlangd, dat ik alleen kwame."

"Inderdaad," zeide Deodaat, glimlachende: "ik geloof dat gij bij al de bezoeken, die gij voornemens zijt aan dien kant af te leggen, liever van mijn gezelschap ontslagen zijt."

"Wat meent gij daarmede?" vroeg Reinout met hevigheid.

"Hoor Reinout!" vervolgde Deodaat, terwijl zijn gelaat een ernstiger plooi nam: "gij kunt niet ontkennen, dat de schoone Madzy uw hart heeft getroffen en dat de jaloezie u wantrouwig maakt jegens uw besten vriend."

"Uw eigen gevoel zal u zeggen of ik daartoe reden heb of niet," zeide Reinout.

"Ik loochen geenszins dat zij eenigen indruk op mij heeft gemaakt; maar al beminde ik haar met de vurigste liefde, welke ooit een jongeling bezielde, ik zou kracht genoeg bezitten om mijn hartstocht te verwinnen, eer die de minste storing in onze vriendschap teweegbracht."

"Deodaat!" zeide Reinout, hem getroffen de hand reikende: "gij zijt veel beter dan ik; maar waarom zoudt gij uw liefde tegengaan?--Ik begeer dit offer niet: bemint gij Madzy zooals ik, laat ons dan beiden trachten haar hart te winnen, en elkaar plechtig beloven, dat het geluk van dengene, die slagen mag, geen nijd in het gemoed des anderen verwekken zal."

"Gij vergt het onmogelijke," zeide Deodaat: "weet gij dan niet uit alle verhalen der vinders en meistreels, dat de liefde een eeuwigdurende twistappel wordt tusschen de beste vrienden? Ik althans gevoel, dat het mij gemakkelijker zal vallen, thans de schoone Madzy te vergeten, dan zulks wezen zou indien ik haar meer dagelijks zag. Ik wil u in 't vervolg geen oogenblik meer achterdocht verwekken en zal niet meer bij de Friezen gaan. Schoone meisjes zal ik nog genoeg in Holland vinden, maar wie zou mij een broeder als Reinout teruggeven?"

"Goede Deodaat!" zeide zijn vriend: "uwe grootmoedigheid beschaamt mij; doch ik gevoel dat gij gelijk hebt: ja, ik beken het, reeds het loutere denkbeeld schokt mij, dat gij de genegenheid van Madzy zoudt mogen verwerven, en ik u zou kunnen haten!--neen dat nimmer!"

Eenige oogenblikken stilte volgden op dit gezegde, en weldra bevonden zij zich aan de poort van Haarlem. Eer zij echter zich naar hun nachtverblijf begaven, gingen zij den Schout verwittigen van den diefstal aan hunne paarden gepleegd en met hem de beste middelen beramen om den dader op te sporen. Tevens maakten zij hem ook bekend met het bevel des Graven ten opzichte van Barbanera: eene mededeeling, waartoe Reinout, die den kokeler nog wel eenige dagen in de nabuurschap wilde houden, ten einde achter het verlangde geheim te komen, niet dan schoorvoetende en op aanmaning van Deodaat kon geraken.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

PHOCAS.

Tombai-je dans l'erreur, ou si j'en vai sortir? Si ce billet est vrai, le reste est vraisemblable.

EXUPERE.

Mais qui sait si ce reste est faux ou véritable?

Corneille. Héraclius.

Den volgenden morgen was Reinout reeds vroegtijdig, doch thans alleen, op weg naar de woning van Walger. Ongeneigd een bekende te ontmoeten, was hij langs een achterweg den Hout doorgegaan;--dan toen hij zich in de nabijheid van het oude klooster bevond, kon hij de bij een minnaar zoo natuurlijke verzoeking niet weerstaan om het aangebeden voorwerp, al ware het slechts een oogenblik, ongemerkt te aanschouwen. Hij begaf zich derhalve langs een zijpad, dat door het kreupelhout slingerde, naar den achtermuur van het gebouw; weldra echter zag hij, dat er weinig hoop voor hem bestond, om het gewenschte doel te bereiken: want het vertrek, door Madzy betrokken, had geen uitzicht dan op den boomgaard en was zelfs niet zichtbaar voor al wie buiten stond. Hij bleef desniettemin een wijl, den rug tegen een boomstam geleund en de armen over de borst geslagen, in zoete mijmering verzonken, half gelukkig door de gedachte dat zij, die hij beminde, waarschijnlijk alleen door den steilen muur, welken hij voor zich had, van hem gescheiden was. Uit deze liefelijke droomen werd hij gestoord door het geluid van een openspringend slot: en spoedig daarop zag hij een achterdeurtje in den tuinmuur opengaan. Als een dief, die vreest betrapt te worden, school hij onmiddellijk weg achter het geboomte; doch bleef tusschen het loof gluren om te ontdekken wie het wezen kon, die langs dezen ongebruikelijken weg den boomgaard verliet. Alras herkende hij vader Syard, die, na de deur met behoedzaamheid weer achter zich te hebben gesloten, zijn kap over het hoofd sloeg en het bosch intrad. Zonder te weten met wat oogmerk, volgde hij dadelijk de stappen van den monnik, maar op een afstand, ver genoeg om hem, zoo hij zich omkeerde, geen stof tot achterdocht te geven. Vader Syard ging langzaam, doch met vasten tred vooruit, zonder den blik rechts of links te wenden, en sloeg weldra een gul voetpad in, dat tusschen welige berken en dennen liep en naar de gissing van Reinout, op den zijweg, niet verre van de woning des boschwachters, uit moest komen. De monnik scheen echter reeds vroeger de plaats zijner bestemming te hebben bereikt. Links van het pad bleef hij staan bij een klein vervallen schuurtje, dat tegen de helling van een met dennen en mos begroeiden heuvel gebouwd was. Het dak van dit getimmerte (zoo eenige ruw aaneengehechte planken dien naam verdienden) was reeds ten halve weggerot of ingestort, en de houten wanden dreigden eerlang het voorbeeld van het dak te zullen volgen; geen blijk was er aanwezig dat dit verblijf ook zelfs den armoedigsten daglooner tot woning verstrekte of verstrekken kon: en het was dus niet zonder bevreemding, dat Reinout den monnik zag stilstaan en aan het deurtje kloppen, dat, even vervallen als de rest, slechts aan één hengsel meer vasthing.

Onze Ridder had zich intusschen in het kreupelhout verborgen, ten einde te zien wat gebeuren zoude. Verre was hij van te denken, dat het getimmerte eenig menschelijk wezen bevatten zou, en het was voor hem een nieuwe stof tot verbazing, toen hij de deur niet zonder moeite over den zandgrond zag openschuiven en een hoofd zich aan den ingang vertoonen. Maar, wat Reinout het meest van alles verwonderde, was, aan den vooruitspringenden neus en de zwarte haren, in den tijdelijken bewoner van het schuurtje den persoon van meester Barbanera te herkennen. Vader Syard trad nu binnen en de deur werd wederom gesloten.

"Hoe komen die twee aan malkander? en wat kunnen zij te zamen te verhandelen hebben?" waren twee vragen, welke zich zeer natuurlijk aan den geest van Reinout voordeden. Het vermoeden, dat een ontmoeting tusschen een Frieschen monnik en een duivelskunstenaar zeker niets goeds kon beteekenen, gevoegd bij een nieuwsgierigheid, welke èn de betrekking des paters tot Madzy èn de geheimzinnige taal van Barbanera eenigszins verschoonlijk maakten, deed hem een besluit vormen, 't welk hij zich te voren of in andere omstandigheden zou geschaamd hebben, en 't geen hem zelfs op dit oogenblik een blos op het aangezicht jaagde:--dat namelijk, van het onderhoud dier beide personen te gaan beluisteren. Met langzame schreden sloop en kroop hij achter struiken en struweelen om, zooveel mogelijk vermijdende, den voet op het krakende mos te zetten, dat zijn tegenwoordigheid zou kunnen verraden, en nu en dan op handen en voeten voortschuivende, totdat hij zich achter het schuurtje bevond. Hier legde hij zich plat op den grond neder, en het hoofd op de hand leunende, keek hij op zijn gemak door eene der menigvuldige spleten naar binnen.

Wederom tot zijn bevreemding zag hij binnen die vier enge wanden een schouwspel, dat hem een oogenblik deed wanen dat zijn eigene oogen hem bedrogen. Barbanera, de kokeler, was zeer op zijn gemak (zooveel namelijk de gelegenheid eenig gemak aanbood) op een houten blok gezeten, het eenig meubel, dat zich in dit berooid verblijf bevond. Een dichte mantel overdekte al zijn ledematen, uitgenomen het rechterbeen, 't geen beter gemaakt en vaardiger scheen dan Reinout verwachtte, en waarmede hij nu en dan op en neder wipte, of met de punt van den voet in het zand figuren teekende. En voor hem stond de monnik, in dezelfde nederige en deemoedige houding, waarmede hij zijn Abt zou genaderd zijn. Geen van beiden sprak; maar het was duidelijk te zien, dat de geestelijke wachtte, dat het den kokeler behagen zou zijne rede tot hem te richten.

"Welnu!" zeide deze eindelijk, en dat wel in zeer zuiver Nederduitsch: "het is dan heden, dat de Afgevaardigden hun opwachting bij hun wettigen Heer gaan maken?"

Vader Syard boog toestemmend het hoofd.

"En wat zullen zij den doorluchtigen Graaf van Holland en Henegouwen verhalen?--Want ik veronderstel dat het uwe pen is, welke het formulier heeft opgesteld, waarin hun hulde zal vervat zijn."

"Ik vermeen," antwoordde de monnik op een eerbiedigen toon, "dat zij zich op dit gehoor zullen bepalen bij het aanhooren van de voorslagen, welke hun vanwege den Graaf zullen gedaan worden. Het belang der Friezen is tijd te winnen en des Graven toorn niet gaande te maken, noch zijn geheele legermacht tegen zich in te halen, eer zij tot bekwamen wederstand vaardig zijn. Maar hoe het ook loope, liever zullen zij een doodelijken oorlog verkiezen dan den Graaf als hun Heer erkennen."

"Inderdaad!" riep Barbanera: "de personen, die de bezending uitmaken, deden mij vreezen, dat men tot een nederige onderwerping besloten had. Ik meende dat Aylva een Vetkooper ware en tot Holland geneigd."

"Aylva is een echte Fries," zeide de monnik: "een man, die zijn land oprecht bemint en geene der beide partijen, welke Friesland beroeren, is toegedaan. Ik beken, hij erkent den Keizer als zijn Heer, en zou daarom niet ongeneigd zijn, den Graaf als beschermer van Friesland aan te nemen, doch zonder hem eenig ander gezag dan dat van bemiddelaar toe te willen kennen. Geloof mij! hij zal het zwaard trekken en de scheede wegwerpen, zoodra de onafhankelijkheid zijner landgenooten bedreigd wordt."

"En hoe denkt uw vrome Abt er over?" vroeg de kokeler.

"De geestelijkheid is wellicht nog sterker dan de adel tegen alle vreemde heerschappij," zeide de monnik.

"Toch niet tegen allen invloed van buiten?" hernam de kokeler: "anders zoudt gij mij met een ijdele hoop gestreeld hebben."

"Ik vlei mij," zeide vader Syard, "dat na al de twisten en verdeeldheden, welke onze kloosters geschandvlekt hebben, na het volslagen gebrek aan orde en tucht, dat de monniken kenmerkt, zij het belang zullen gevoeld hebben van een gestreng _patronaat_, hetwelk hen binnen de palen van regelmaat en betamelijkheid wist te houden;--doch dat _patronaat_ zal zich moeten bepalen tot kerkelijke zaken: en ook de Bisschop van Utrecht zou niets dan tegenkanting vinden, bij de minste poging om zijn gezag verder te doen strekken."

"Ik twijfel, of men de monniken door een bloot geestelijk wanen in toom zal houden," zeide Barbanera: "indien men een hervorming in de kloosters wil te werk stellen, zal er meer noodig zijn dan ijdele bedreigingen met kerkban en afzetting, waar zij mede lachen. Denk eens ernstig over onze bedoelingen na, broeder! en zoo gij mij van dienst kunt zijn, ik zal mij niet ondankbaar toonen. Het is niet onder die ruwe Friezen, dat een man van oordeel en kennis, als gij, zijn leven verslijten moet. De Proost van Sint-Salvator te Utrecht wordt oud en ik geloof dat zijn vierkante muts u niet kwalijk zou passen."

"Gij miskent _mijne_ bedoelingen," zeide de monnik, "zoo gij waant dat ik de _uwe_ in dien opzichte zoude willen bevorderlijk zijn. Ik ben, ja, een geestelijke en wensch den echten vromen zin onzer instelling weder in de kloosters te zien herleven; maar ik ben een Fries boven al en zou mede niet schromen het zwaard te ontblooten, zoodra de vrijheid van mijn land werd bedreigd."

"Waarlijk!--.... nu, wij zullen hierover nader spreken;--maar zeg mij eens, broeder! hoe is men er toe gekomen, zulk een wildeman als Seerp Van Adeelen aan de bezending toe te voegen?"

"Wat zal men zeggen?" antwoordde vader Syard, de schouders ophalende: "Adeelen is rijk en machtig: hij stamt, althans dit beweert men, van Koning Adegild af: zijn invloed is groot en zal nog aanwassen, indien hij, gelijk eerlang te verwachten is, zich met de erfgename der Dekama's in den echt verbindt."