Part 9
Marguerite schrikte eensklaps. Suzanne's vader! De Graaf de Tournay!--een van hen, wier leven in gevaar moest verkeeren, als het Chauvelin gelukte den Rooden Pimpernel te ontdekken.
Terwijl Suzanne--van alles onbewust--behalve van haar eigen allerbelangrijkst geheimpje, al voortging met kakelen, dwaalden Marguerite's gedachten terug naar de gebeurtenissen van den afgeloopen nacht en naar haar eigen aandeel in de geschiedenis, welke tegen één uur in de eetzaal van Lord Grenville zijn beslag zou gekregen hebben.
Zij had daarna niets meer van Chauvelin vernomen. Ze had eruit afgeleid, dat zijn toeleg was mislukt, en toch had ze zich niet angstig gemaakt om Armand, omdat haar echtgenoot beloofd had haar broeder te redden.
Maar nu, eensklaps, terwijl Suzanne vroolijk voortging met haar gebabbel, greep een ontzettende schrik haar aan over hetgeen háár werk was geweest. Chauvelin, het is waar, had haar niets gezegd, maar zij herinnerde zich zijn sarkastischen en boosaardigen blik, toen zij afscheid van hem nam na het bal. Had hij toen soms reeds iets ontdekt? Had hij zijn plan reeds beraamd om het spoor te volgen en in Frankrijk de hand te leggen op den stoutmoedigen samenzweerder, om hem zonder eenig uitstel naar de guillotine te zenden?
Marguerite dacht van ontzetting te bezwijken, haar vingers klemden zich om den ring, dien ze verborgen hield onder haar kleeding.
"Je luistert niet, Chérie!" riep Suzanne luidkeels.
"Toch wel, toch wel, lieveling"--zei Marguerite met een gedwongen glimlach. "Ik houd ervan je te hooren praten... en je geluk verschaft me zoo'n innige voldoening... Wees maar niet bang, we zullen er wel voor zorgen, dat Mama niets in den weg zal leggen. Sir Andrew Foulkes is een nobel Engelsch gentleman; hij bezit fortuin en rang, de Comtesse zal haar toestemming niet weigeren... Maar... nu, lieve... vertel me eens... wat is het laatste bericht omtrent je Papa?"
"Het gunstigste, dat we maar konden vernemen. Lord Hastings kwam dezen morgen, heel in de vroegte, Mama spreken. Hij zei, dat het met Papa nu heel goed ging en we hem binnen vier dagen goed en wel hier in Engeland kunnen verwachten. Neen, we zijn niet bang op het oogenblik! Je weet zeker niet, Chérie, dat de groote en edele Roode Pimpernel zelf erop uitgegaan is om Papa te redden. Hij is vertrokken, Chérie... werkelijk vertrokken..." ging Suzanne opgewonden voort. "Hij was dezen morgen in Londen, morgen denkelijk is hij in Calais... waar hij Papa zal ontmoeten... en dan... en dan..."
De slag was gevallen. Marguerite had het al dien tijd vermoed, hoewel ze in het laatste half uur getracht had zichzelf te misleiden. Hij was naar Calais gegaan, was dezen morgen in Londen geweest... hij... de Roode Pimpernel... Percy Blakeney... haar echtgenoot... dien ze gisteren nacht aan Chauvelin had verraden...
Percy... Percy... haar echtgenoot... de Roode Pimpernel... Oh! hoe had ze toch zoo blind kunnen zijn? Zij begreep nu opeens alles... de rol, die hij speelde, het mom, dat hij droeg... om iedereen zand in de oogen te strooien.
Misschien was hij voornemens geweest het haar te zeggen, als ze eerst getrouwd waren. En toen was hem de geschiedenis van den markies de St. Cyr ter oore gekomen en had hij zich plotseling van haar afgekeerd, in de onderstelling voorzeker, dat ze hem en zijn kameraden den een of anderen dag ook zou verraden. Daarom had hij haar op een dwaalspoor gebracht, zooals hij alle anderen een poets had gespeeld.
Het masker van den beuzeligen grappenmaker was zeer goed geweest en de rol kon niet beter gespeeld zijn. Geen wonder dat Chauvelin's spionnen niet geslaagd waren in den oogenschijnlijk hersenloozen clown den man te ontdekken, wiens roekelooze stoutmoedigheid en vernuft den slimsten Franschen spionnen het spoor bijster had doen worden. En zelfs gisteren nacht, toen Chauvelin zich begaf naar Lord Grenville's eetzaal, om dien onversaagden Rooden Pimpernel te ontmoeten, had deze enkel dien zotten Sir Percy Blakeney in diepen slaap aangetroffen, op een canapé, in een afgelegen hoek!
Zou Chauvelin's listige vossenaard het geheim hebben doorgrond? Hierin lag heel het vreeselijk, ontzettend en wonderbaar raadsel. Door een naamloozen vreemdeling te verraden, ten einde haren broeder te redden, had Marguerite Blakeney over haar echtgenoot het doodvonnis geveld.
Neen! Neen! Neen! duizendmaal neen!
"Maar wat scheelt er toch aan, Chérie?" drong de kleine Suzanne aan, nu werkelijk verontrust, want Marguerite's gelaat was aschkleurig geworden. "Ben je ziek, Margot? Wat scheelt eraan?"
"Niets, niets kind," prevelde deze als in een droom. "Wacht even... laat me denken... denken!... Je zei... de Roode Pimpernel is vandaag vertrokken...?"
"Marguerite, lieve, wat scheelt je? Je jaagt me schrik aan..."
"'t Is niets, kind, zeg ik je... niets... We zullen het vandaag kort moeten maken... het kan gebeuren, dat ik op reis zal moeten--begrijpt ge?"
"Ik begrijp, dat er iets is voorgevallen, Chérie, en je behoefte hebt alleen te zijn. Stoor je niet aan mij. Mijn kamenier is nog niet weg... we gaan samen naar huis... stoor je aan mij niet."
Met een spontaan opwellend gevoel viel Suzanne haar vriendin om den hals.
Als kind besefte zij de bitterheid van het verdriet harer landgenoote en met oneindigen tact vermeed zij iederen schijn om achter de oorzaak ervan te willen komen, integendeel zij maakte zich gereed tot vertrek.
Herhaaldelijk kuste zij Marguerite en verwijderde zich treurig langs het grasperk. Lady Blakeney verroerde zich niet, zij bleef staan in diep gepeins... overleggend wat haar te doen stond.
Juist zou Suzanne de treden opgaan van het terras, toen een stalknecht om den hoek van het huis kwam aansnellen, in de richting, waar Marguerite zich bevond. Hij had een gezegelden brief in zijn hand. Suzanne keerde onwillekeurig terug op haar schreden: haar hart zei haar, dat er misschien meer ongunstig nieuws voor haar vriendin in aantocht was, en zij gevoelde, dat haar arme Margot niet in staat zou zijn meer te dragen.
Eerbiedig bleef de rijknecht staan naast zijn meesteres en overhandigde haar den brief.
"Wat is dit?" vroeg Marguerite.
"Zoo even per expresse aangekomen, milady."
Werktuigelijk nam ze den brief en draaide hem rond tusschen haar bevende vingers.
"Van wien komt deze?" vroeg ze verder.
"De koerier zei, dat zijn orders luidden den brief enkel af te geven, en mevrouw de barones wel zou begrijpen van wien hij kwam."
Marguerite scheurde de enveloppe open. Haar voorgevoel zei haar reeds, wat die inhield en werktuigelijk liet ze haar oogen erop vallen.
Het was de brief, door Armand St. Just geschreven aan Sir Andrew Foulkes, de brief door Chauvelin's spionnen gestolen in de herberg "Visscherswelvaren" te Dover.
Chauvelin had woord gehouden, hij had den brief van St. Just teruggezonden... Hij was de roode Pimpernel op het spoor.
"Breng den koerier bij me," beval ze den rijknecht, schijnbaar bedaard. "Hij is toch niet vertrokken?"
"Neen, milady."
De stalknecht spoedde zich heen. Marguerite wendde zich tot Suzanne:
"Lieve, loop eens gauw naar binnen en zeg je kamenier zich gereed te houden. Ik zal je naar huis moeten sturen, kind. Wacht even--zeg aan een mijner gedienstigen, dat ze een reiskostuum en mantel voor me uitlegt."
Suzanne antwoordde niets. Innig kuste ze Marguerite en gehoorzaamde blindelings.
Een minuut later kwam de rijknecht terug, gevolgd door den koerier, die den brief had gebracht.
"Wie gaf u deze enveloppe?" vroeg Marguerite.
"Een heer, milady," antwoordde de man, "in het koffiehuis "De Roos en de Distel" tegenover Charingdron. Hij zei, dat u er van wist."
"Wat voerde hij daar uit?"
"Hij wachtte een postwagen, dien hij besteld had, milady."
"Een postwagen?"
"Ja, milady. Een expresse-rijtuig had hij besteld. Ik begreep van zijn bediende, dat het regelrecht op Dover aanging."
"Dat 's genoeg. Je kunt gaan." En tot haar rijknecht: "Mijn reiswagen en de vier snelste paarden, dadelijk inspannen!"
Rijknecht en koerier spoedden zich haastig voort. Een oogenblik bleef Marguerite alleen staan op het grasperk. Haar aanvallige gestalte geleek een marmeren standbeeld, haar oogen stonden strak, haar handen kruisten zich op haar borst.
"Wat te doen? Wat te doen? Waar zal ik hem vinden? O, mijn God! Schenk mij licht in deze duisternis!"
Onwetend--en in al zijn verschrikkingen daagde het voor haar geest--had ze de vreeselijkste misdaad begaan, waartoe een vrouw ooit kon geraken. Haar verblindheid, waardoor ze het geheim van haar echtgenoot niet had doorzien, kwam haar nu voor als een nieuw vergrijp. Zij had het moeten weten, dienen te vermoeden, wat Percy in zijn schild voerde!
Zij althans had in de eerste plaats moeten weten, dat hij een mom had voorgedaan, en tot die wetenschap geraakt zijnde, had ze het hem onder vier oogen moeten afrukken van zijn gezicht.
Percy was naar Calais vertrokken, totaal onbewust van het feit, dat zijn onmeedoogendste vijand hem op de hielen zat. Vroegtijdig was hij dien morgen van Londen Bridge onder zeil gegaan. Zoo hij maar gunstigen wind had, kon hij binnen vierentwintig uur in Frankrijk landen, zonder twijfel had hij gerekend op den wind--en zijn weg gekozen.
Chauvelin, van zijn kant, zou naar Dover snellen, daar een jacht huren en zeker omtrent denzelfden tijd te Calais aankomen. Eenmaal te Calais zijnde, zou Percy allen aantreffen, die wachtende waren op de komst van den edelen en onversaagden Rooden Pimpernel, hun grootmoedigen redder. Terwijl de vossenoogen van Chauvelin thans iedere beweging van zijn tegenstander nagluurden, zette Percy niet alleen zijn eigen leven op het spel, maar ook dat van Suzanne's vader, den ouden Graaf de Tournay en van anderen uitgewekenen, die den koenen Engelschman verbeidden en hun vertrouwen in hem stelden. Onder dezen bevond zich ook Armand, die de Tournay was gaan opzoeken, zich veilig achtend in de overtuiging, dat de Roode Pimpernel op aller behoud bedacht was.
Het lot van al deze menschenlevens, dat van haar echtgenoot in de eerste plaats, lag in Marguerite's hand; allen moest zij redden, indien menschelijke schranderheid en overleg waren opgewassen tegen zulk een taak.
Ongelukkig kon zij dit alles niet geheel alleen verrichten. Eenmaal te Calais zijnde, zou ze niet weten, waar haar echtgenoot te vinden, terwijl Chauvelin bij den diefstal te Dover de geheele reisroute was te weten gekomen. Boven alles wenschte ze Percy te waarschuwen.
Zij kende hem wel genoeg om te begrijpen, dat hij nimmer hèn aan hun lot zou overlaten, die hun vertrouwen in hem gesteld hadden, dat hij nimmer zou terugdeinzen voor het gevaar en den Graaf de Tournay in de klauwen laten vallen van bloeddorstige tijgers. Maar zoo hij gewaarschuwd werd, kon hij nieuwe plannen vormen en voorzichtiger te werk gaan. Eenmaal gewaarschuwd--zou hij nog kunnen slagen.
En wanneer alles mislukte, als het noodlot en Chauvelin werkelijk den stoutmoedigen held te machtig bleken--zij zou aan zijn zijde zijn, hem bewijzen, dat ze hem vereerde, hoogschatte en liefhad. Ja, al ware de dood ermee gemoeid, samen zouden zij sterven, in het zalige bewustzijn, dat aan alle misverstand een einde was gekomen.
Haar geheele wezen vermande zich tot een grootsch en krachtdadig besluit. Dat wilde ze doen, zoo God haar overleg schonk, moed en kracht. Allereerst wilde zij Sir Andrew Foulkes opzoeken, Percy's besten vriend.
Deze zou haar bijstaan, waar hulp noodig was; haar reiswagen stond gereed. Even van kleederen verwisselen, Suzanne vaarwel zeggen, en ze kon op weg gaan. Sterven of overwinnen!... was nu haar leus.
Toen, zonder haast, maar ook zonder aarzeling, trad ze kalm het huis binnen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
DE VRIEND.
Minder dan een half uur later zat Marguerite, in gedachten verdiept, op de bank van haar reiswagen, die haar ijlings naar Londen vervoerde.
Ze had een roerend afscheid genomen van de kleine Suzanne en er voor gezorgd, dat het goede kind veilig en wel met haar kamenier naar de stad kon vertrekken. Ze had een renbode met een eerbiedig excuseerend schrijven gezonden naar Zijn Koninklijke Hoogheid, den Prins van Wales, ter uitstelling van diens bezoek, en een anderen estafette naar Faversham, om versche paarden gereed te houden.
Ze deed geen poging om haar onrust met eenige ijdele hoop in slaap te wiegen, de veiligheid van haar broeder Armand hing alleen af van de arrestatie van den Rooden Pimpernel. En daar Chauvelin haar Armand's compromitteerenden brief had opgezonden, bestond er geen twijfel, of de sluwe vos was voor zichzelf voldaan, met de zekerheid, dat Percy Blakeney de man was, wiens dood hij had gezworen, wiens hoofd zou moeten vallen op het schavot.
Zij had den koetsier gelast naar de herberg "De Kroon" te rijden, en daar aangekomen, den paarden voer te geven en rust te gunnen.
Toen bestelde zij een draagstoel en liet zich naar de woning van Sir Andrew Foulkes brengen.
Onder al de vrienden van Sir Percy voelde zij, als het op vertrouwen schenken aankwam, zich het meest tot dezen aangetrokken. Hij was haar altijd vriendschappelijk gezind geweest, en nu had zijn liefde voor de kleine Suzanne hem nog nader tot haar gebracht.
Sir Andrew Foulkes was thuis. Men liet haar in een klein, doch keurig gemeubeld eetvertrek. Een oogenblik daarna verscheen Sir Andrew in persoon.
Blijkbaar scheen hij zeer verschrikt te zijn toen hem het bezoek van Lady Blakeney was aangekondigd, want angstig, zelfs met eenig wantrouwen, keek hij Marguerite aan, toen hij haar begroette met de plichtpleging, zooals de etikette van dien tijd voorschreef.
Marguerite had ieder spoor van zenuwachtigheid uitgewischt; zij was volmaakt kalm, en na den jonkman wederkeerig te hebben gegroet, begon ze zeer bedaard:--"Sir Andrew, het is mij niet te doen om kostbaren tijd te verpraten: uw leider en makker, de Roode Pimpernel... mijn echtgenoot... Percy Blakeney... verkeert in doodsgevaar."
Zoo zij den minsten twijfel mocht gekoesterd hebben omtrent de juistheid harer vermoedens, zij zou die nu bevestigd hebben gezien, want Sir Andrew, geheel bij verrassing overmeesterd, was doodsbleek geworden en niet in staat een tegenstrijdig antwoord uit te brengen.
"Misschien is het nog niet te laat om hem te redden," ging ze voort. "Maar ongelukkig genoeg staat dit niet geheel alleen in mijn macht, daarom kom ik tot u, om bijstand in dezen nood."
"Lady Blakeney," begon de jonge man, "ik..."
"Laat mij uitspreken!" viel ze hem in de rede, "ziehier hoe de zaken staan:
Toen de agent van de Fransche Republiek den nacht te Dover zich van uw papieren meester maakte, vond hij daaronder eenige plannen, die gij of uw leider dacht uit te voeren voor de redding van den Graaf de Tournay en andere Fransche vluchtelingen. De Roode Pimpernel--Percy--mijn echtgenoot--is vandaag persoonlijk op de expeditie uitgegaan. Chauvelin weet, dat de Roode Pimpernel en Percy Blakeney een en dezelfde persoon is. Chauvelin zit hem momenteel op de hielen naar Calais, met het doel Percy te arresteeren. Gij zult even goed weten als ik, welk lot hem wacht van de zijde der Revolutionaire Fransche Republiek. Geen tusschenkomst van Engeland--van koning George in persoon--kan hem redden. Robespierre zou er wel voor zorgen, dat iedere bemoeiing te laat kwam. Maar dit is niet alles; uw leider zal bovendien onbewust het middel zijn, om de schuilplaats van den Graaf de Tournay--uw aanstaanden schoonvader--en van zoovele anderen aan de bloedhonden te openbaren."
Zij had kalm gesproken, vast beraden, met een onwrikbaar besluit. Zij trachtte het er heen te leiden, het vertrouwen van den jonkman te winnen, hem te overreden hulp te verleenen, want zonder hem kon ze niets uitrichten.
"Ik begrijp niet," begon deze andermaal, trachtende tijd te winnen, om te overleggen, wat hem het beste te doen stond.
"Ik geloof wel, dat u begrijpt, Sir Andrew. Gij moet weten, dat ik waarheid spreek. Beschouw de feiten eens koelbloedig: Percy is onder zeil naar Calais, ik onderstel naar een eenzame plek op de kust, en Chauvelin is hem op het spoor. Chauvelin heeft postpaarden naar Dover genomen en zal zeker van nacht het Kanaal oversteken. Wat denkt ge, dat er zal gebeuren?"
De jonkman deed er het zwijgen toe.
"Percy zal zijn bestemming bereiken: niet wetende, een spion op zijn hielen te hebben, zullen hij, de Tournay en de anderen--onder wie mijn broeder--een voor een opduiken, zij zullen in den val loopen en de guillotine wacht haar slachtoffers!"
Nog bleef Sir Andrew zwijgen.
"Gij vertrouwt mij niet," zei ze hartstochtelijk. "O, mijn hemel! ziet ge dan niet, dat ik met doodelijken ernst tot u spreek? Man, man," voegde ze er aan toe, den jonker plotseling met haar tengere handen bij de schouders grijpend en hem noodzakend haar strak aan te zien, "zeg me, zie ik er uit als een vrouw, die haar eigen man wil verraden?"
"Dat verhoede God, Lady Blakeney," zei de jonkman ten laatste, "maar..."
"Wat maren?... zeg 't me... Gauw wat, man!... de seconden zijn kostbaar!"
"Wilt u me zeggen," vroeg hij vastberaden en haar scherp in de oogen ziende, "wie Chauvelin aan de wetenschap hielp, die u zegt, dat hij bezit?"
"Ik," antwoordde ze kalm. "Ik zal het u niet ontveinzen, opdat ge blind vertrouwen in me moogt stellen. Maar het kwam niet bij me op--hoe kon het ook--dat Percy de Roode Pimpernel kon zijn... en de veiligheid van mijn broêr zou mijn belooning zijn, als ik mocht slagen."
"Chauvelin de hand te leenen om den Rooden Pimpernel te ontdekken?" liet de jonker erop volgen.
Zij knikte bevestigend.
"Onnoodig u te verklaren, hoe hij mij in het nauw dreef. Armand is mij meer dan een broeder, en... en... hoe... kon ik vermoeden... Maar we verspillen onzen tijd, Sir Andrew... iedere seconde is kostbaar... in 's hemels naam!... mijn man verkeert in gevaar... uw vriend!--uw makker! Help me hem redden!"
"Lady Blakeney," sprak hij eindelijk, "God alleen weet, hoe u mij in verlegenheid hebt gebracht, en wel zoo, dat ik niet weet, wat op dit oogenblik mijn naaste plicht is. Zeg u mij, wat ge verlangt, dat ik doen zal. Er staan negentien onzer gereed hun leven op te offeren voor den Rooden Pimpernel, als hij in gevaar verkeert."
"Er is momenteel nog geen sprake van levens te laten, vriend," zei Marguerite droogjes, "mijn overleg en vier snelle rossen zullen het noodige verrichten. Maar ik moet weten, waar ik Percy kan vinden."
"Maar Lady Blakeney," zei de jonker, "hebt u bedacht, dat hetgeen u voornemens zijt te doen, mannenwerk is?--U kunt met geen mogelijkheid alleen naar Calais reizen, u zoudt zelf het grootste gevaar loopen en de kansen om uwen echtgenoot nu te vinden zijn zeer gering."
"Oh! ik wil hopen, dat er gevaren aan verbonden zijn!" prevelde ze zacht. "Ik hoop het van harte--want ik heb zoo veel goed te maken. Maar ik denk, dat ge u vergist, wat mijn persoon betreft. Chauvelin heeft zijn oogen op u allen hoofdzakelijk gevestigd. Van mij zal hij nauwelijks notitie nemen. Haast u, Sir Andrew!--het rijtuig staat gereed, er valt geen oogenblik te verliezen... Ik moet naar hem toe! Ik moet" herhaalde ze bijna in woeste drift, "hem waarschuwen, dat die man hem op het spoor is... Kunt ge niet begrijpen... kunt ge niet inzien, dat ik naar hem toe moet... ook... ook als het te laat zou zijn om hem te redden... ik zal... dan toch bij hem zijn... ja, bij hem om te..."
"Milady, u dient mij te bevelen... als u dan toch zelf gaan wilt..."
"Neen vriend, maar ziet ge dan niet, dat ik krankzinnig zal worden, als ik u zonder mij laat vertrekken!" Ze stak hem de hand toe. "Gij stelt toch vertrouwen in mij?"
"Ik wacht uw orders," zei Andrew Foulkes eenvoudig.
"Luister dan. Mijn wagen staat gereed om me naar Dover te brengen. Volg me zoo snel als een paard u kan voeren. Wij treffen elkaar bij het vallen van den nacht aan in de herberg "Visscherswelvaren", vanwaar ge mij naar Calais zult begeleiden. We huren een schoener te Dover en gaan bij nacht onder zeil. Vermomd, als ge erin toestemt: als lakei zult ge, denk ik, niet herkend worden."
"Ik ben geheel tot uw dienst, Milady," antwoordde de jonkman ernstig. "Geve God, dat u de Day Dream in zicht krijgt, vóór we te Calais aankomen."
"Daar zeg ik amen op, Sir Andrew. En nu tot ziens! Wij ontmoeten elkaar van nacht te Dover. Het zal een zeilpartij zijn over het Kanaal tusschen mij en Chauvelin--om den prijs--het leven van den Rooden Pimpernel."
Hij kuste haar de hand, en geleidde haar vervolgens naar haren draagstoel. Een kwartier later was zij terug aan de herberg "De Kroon", waar haar wagen en paarden gereed stonden en haar wachtten. Het volgend oogenblik ging het donderend over Londen's straten in dolle vaart.
Haar gedachten keerden terug naar den geheimzinnigen held, dien zij onbewust altijd had liefgehad, toen zijn identiteit voor haar nog was--een ondoordringbaar geheim.
Ze had zooveel angsten in de laatste uren doorgestaan, dat zij zich de weelde veroorloofde van hoop gevende en meer opwekkende gedachten. Van lieverlede geraakte ze onder den invloed van het eentonig rommelen der wagenwielen, dat haar zenuwen tot bedaren bracht; haar oogen sloten zich onwillekeurig en zij viel in een onrustigen slaap.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
SPANNING.
De nacht was reeds ver gevorderd, toen Marguerite eindelijk de bekende herberg "Visscherswelvaren" had bereikt. In minder dan acht uren was--dank zij het veelvuldig wisselen van paarden op de verschillende pleisterplaatsen--de aanzienlijke afstand tusschen Londen en Dover afgelegd.
Haar koetsier was onvermoeid geweest; de belofte van een speciale en ruime belooning had zonder twijfel hem wakker gehouden en de vurige rossen als een pijl uit een boog over de heerbaan doen vliegen.
De komst van Lady Blakeney, in het holste van den nacht, had heel wat drukte in "Visscherswelvaren" teweeg gebracht. Sally sprong haastig het bed uit en Mr. Jellyband krabde zich achter de ooren bij de gedachte, hoe hij het zijn gasten aangenaam zou maken.
De gelagkamer--onlangs het tooneel van de overrompeling, gepleegd op twee Engelsche gentlemen--was geheel verlaten. Mr. Jellyband stak haastig de lamp weer op, legde spoedig een vroolijk vuurtje aan op den haard en rolde er een gemakkelijken leuningstoel bij, waarin Marguerite zich dankbaar neervlijde.
"Blijft de Lady hier overnachten?" vroeg de mooie Miss Sally, die reeds bezig was een hagelwit tafelkleed te ontvouwen.
"Neen! den heelen nacht niet," zei Marguerite. "In ieder geval zal ik geen andere kamer noodig hebben dan deze, als ik er een paar keer gebruik van kan maken. Zoodra de vloed opkomt, wil ik oversteken," vervolgde ze, "en in den eersten schoener, dien ik kan machtig worden. Maar mijn koetsier en bedienden zullen vannacht overblijven en waarschijnlijk wel verscheidene dagen langer, daarom hoop ik, dat u het hun aan niets zult laten ontbreken."
"Best Milady, ik zal er voor zorgen. Zal Sally u wat voor souper aanrichten?"
"Ja, alsjeblieft. Geef maar een kouden schotel, en zoodra Sir Andrew Foulkes komt, laat ge mijnheer hier binnen."
"Goed Milady."
Het eerlijk gezicht van Jellyband teekende nu spijt, in weerwil van zichzelf. Hij koesterde veel achting voor Sir Percy Blakeney, daarom zag hij ongaarne, dat diens vrouw met den jongen Sir Andrew was weggeloopen!
"Blijf niet op, waarde Jellyband," hernam Marguerite, "en jij ook niet, Sally. Sir Andrew kan laat komen."
Sally dischte een eenvoudig souper op van koud vleesch, wijn en vruchten en verwijderde zich met een eerbiedige buiging.
Toen brak er een tijd van vervelend wachten aan voor Marguerite. Ze wist, dat Sir Andrew, die zich als lakei had moeten vermommen, uiterlijk over twee uur te Dover zou kunnen zijn. Hij was een kranig ruiter, maar kon toch pas een uur later dan zij uit Londen zijn vertrokken.
Van Chauvelin had zij onderweg geen taal of teeken vernomen.
Hij was haar zeker al dien tijd vooruit geweest. Zij had op de verschillende pleisterplaatsen geen navraag durven doen, want ze vreesde, dat Chauvelin overal langs den weg zijn spionnen kon hebben.