Part 8
Op het gezicht van haar hulpeloosheid en verdriet strekte hij onwillekeurig de armen uit; in het volgend oogenblik zou hij haar hebben aangegrepen, haar aan zijn hart hebben gedrukt, met den onverzettelijken wil haar met zijn leven te beschermen tegen alle gevaar... Doch hij bedwong zich met een bovenmenschelijke poging, en zei op onverschilligen, maar toch zachtzinnigen toon:
"Zoudt u zich maar niet tot mij wenden, Mevrouw, en mij zeggen, op welke wijze ik de eer hebben mag, u van dienst te zijn?"
Haar door tranen overstroomd gelaat tot hem keerend, stak ze andermaal de hand uit, die hij weer even galant kuste als te voren.
"Kunt ge het een of ander doen voor Armand?" vroeg ze lief en eenvoudig. "Je hebt zooveel invloed aan het hof... zooveel vrienden..."
"Neen, Mevrouw, zoudt ge niet liever den invloed zien te benutten van uw Franschen vriend Chauvelin? Zoo ik me niet vergis, is die al even groot als van de Regeering der Fransche Republiek."
"Ik kan het hem niet vragen, Percy... oh! Ik wenschte, het u te kunnen zeggen... maar... maar... hij heeft een prijs gesteld op Armand's hoofd, die..."
Ze zou alles ter wereld hebben gegeven, zoo ze op dit oogenblik den moed had gehad hem haar geheim te openbaren... al wat ze dien nacht had gedaan, hoe ze had geleden en hoe haar het mes op de keel was gezet. Maar ze durfde hem geen andere bekentenis te doen. Hij mocht het eens niet begrijpen, niet met haar sympathiseeren. Toen zij zweeg, slaakte hij een zucht en zei tamelijk koel:
"Wezenlijk, Mevrouw, daar het u verdriet aandoet, zullen we er maar niet over spreken... Wat Armand betreft, ik bid u, heb geen vrees. Ik verpand u mijn woord, dat hem geen leed zal geschieden. Wilt u me veroorlooven te gaan? Het is al heel laat, en..."
"Gij zult ten minste mijn dankbaarheid aanvaarden?" zei ze, dicht op hem toetredend en sprekend met aandoening in haar stem.
Met een snelle instinctmatige beweging zou hij haar toen bijna in zijn armen hebben gesloten, want haar oogen zwommen weer in tranen, die hij verlangde weg te kussen. Maar zij had hem eenmaal op dezelfde wijze aangetrokken en hem toen als een handschoen weggeworpen. Hij zag het ook nu aan voor een gril.
"Dat zou te vroeg zijn, Mevrouw!" zei hij kalm. "Ik heb nog niets verricht. Het is laat, en u zult zich moe gevoelen. Uw kameniers wachten u boven."
Hij week terzijde om haar te laten passeeren. Ze loosde een zucht van teleurstelling, ze zag hem nog even aan. Hij was weer even stijf, even onbeweeglijk, als te voren. Het kleurloos grauw van den komenden dag was allengs overgegaan in den rozigen gloed der opgaande zon. Vogels begonnen te sjilpen. De natuur ontwaakte, glimlachend de zoelte beantwoordend van dezen heerlijken Octobermorgen. Maar tusschen deze twee harten lag een onoverkomelijke hinderpaal, die geen hunner het eerst uit den weg wilde ruimen.
Met zijn rijzige gestalte boog hij plechtstatig tot een afscheidsgroet, toen ze eindelijk met een herhaalden bitteren zucht de treden begon op te klimmen van het terras.
Zij bereikte de groote glazen deuren, die toegang gaven tot het huis. Alvorens binnen te gaan, stond zij nogmaals stil om naar hem te zien, met de hoop--tegen alle hoop in--hem zijn armen naar haar te zien uitstrekken en zijn stem te hooren, die haar terugriep. Maar er gebeurde niets van dat alles; hij was de verpersoonlijking van onbuigbaren trots.
Heete tranen welden haar weer in de oogen, en daar zij dit niet voor hem weten wilde, trad ze haastig binnen en liep zoo snel ze kon op haar appartementen aan.
Zoo ze toen ware teruggekeerd en nog eens naar buiten had gezien, zou ze iets ontwaard hebben, dat haar de overtuiging had geschonken van zijn eigen ondraaglijk lijden--een krachtig man, overmand door zijn passie, door wanhoop overmeesterd. Hij was krankzinnig, hartstochtelijk verliefd op zijn echtgenoote. Zoodra was niet haar lichte voetstap onhoorbaar binnenshuis, of hij knielde neer op de treden van het terras en kuste in zijn liefdesrazernij de plaatsen, door haren kleinen voet betreden, de steenen leuning, waarop haar tengere hand had gerust.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
EEN VAARWEL.
Toen Marguerite haar kamer binnentrad, vond ze haar kamenier in doodelijken angst over haar.
"Milady zal wel erg vermoeid zijn," zei de arme vrouw, wier eigen oogen afgemat waren van slapeloosheid. "Het heeft al lang vijf uur geslagen."
"Jawel, Louise, het zal waar zijn, dat ik moe ben," zei Marguerite vriendelijk, "maar ook gij zult moe zijn, ga dus maar terstond rusten. Ik zal me zelf wel redden."
"Maar, milady..."
"Neen, nu niet redekavelen, Louise, ga nu naar bed. Geef me een omslagdoek en laat me alleen."
Louise was maar al te zeer bereid om te gehoorzamen.
Nadat de kamenier was vertrokken, trok Marguerite de overgordijnen weg en opende de ramen. Het park en de rivier baadden in een glans van rozigen schijn. In de verte naar het Oosten deden de stralen der opgaande zon het rood versmelten in vurig goud. Het grasperk lag nu verlaten en Marguerite zag neer op het terras, waar zij eenige oogenblikken te voren gestaan had, vergeefs trachtend de liefde te heroveren van den man, die haar eenmaal geheel had toebehoord.
Hoe vreemd kwam haar dat alles voor! Zij beminde hem nog steeds. En nu zij terugzag op de enkele maanden van elkaar niet begrijpen en haar verlatenheid, kwam ze tot de slotsom, dat ze nimmer had opgehouden hem lief te hebben, dat zij op den bodem van haar hart voortdurend een onbestemd gevoel had gekoesterd, dat zijn dwaze beuzelachtigheden, zijn niets zeggende lach, zijn lijzige onverschillige manieren niets dan een mom waren geweest; dat de werkelijke man, de krachtige, gepassionneerde, energieke Percy nog bestond--de man, dien zij bemind had, omdat altijd de gedachte haar bijbleef, dat achter die schijnbare onnoozelheid iets lag, dat hij verborgen hield voor de geheele wereld, voornamelijk voor hààr.
Beminde Marguerite Blakeney, de "schranderste vrouw in Europa," werkelijk een dwaas? Was het liefde, die ze een jaar geleden voor hem had gevoeld, een jaar geleden, toen ze erin toestemde zijn vrouw te worden? Was het liefde, die ze thans voor hem gevoelde, nu ze tot het bewustzijn kwam, dat hij haar nog liefhad, doch haar slaaf niet wilde zijn, maar nogmaals haar hartstochtelijke minnaar? Neen! Marguerite zelf kon zich dat niet verklaren. Maar wel was zij zich bewust van haar voornemen om dat weerspannig hart weer haar eigendom te noemen, dat ze het weer eens zou veroveren, om het nimmermeer te verliezen... ze wilde hem vasthouden, zijn liefde verdienen en waard zijn. Het stond nu bij haar vast, dat zonder de liefde van dien man geen mogelijk geluk meer voor haar was weggelegd.
Ze had haar oogen gesloten en zonk door haar overpeinzingen in een onrustigen slaap, waaruit ze plotseling werd gewekt door het geluid van voetstappen buiten de deur van haar vertrek.
Zenuwachtig sprong ze op en luisterde: in huis was alles stil als altijd; de voetstappen waren weggestorven. Door de wijd geopende vensters overstroomden de schitterende stralen der morgenzon haar kamer met verblindend licht. Zij zag naar de pendule op den schoorsteenmantel, de wijzer wees halfzes--te vroeg voor iemand der huisgenooten om reeds op den been te zijn.
Zachtjes op haar teenen sluipende opende ze de deur om te luisteren--geen geluid trof haar oor. Maar het leven had haar zenuwachtig gemaakt, en toen ze eensklaps, vóór haar voeten, op den drempel, iets wits zag liggen--blijkbaar een brief--durfde ze dien nauwelijks aan te raken.
Toch bukte zij zich ten slotte om hem op te nemen, en ten uiterste verbaasd, zag ze, dat de brief aan haar was geadresseerd, in het breede, zaakkundige handschrift van haar echtgenoot. Wat kon hij haar in het holste van den nacht hebben mee te deelen, dat niet tot het morgenuur kon worden uitgesteld?
Ze verbrak die enveloppe en las:
"Een geheel onvoorziene omstandigheid noodzaakt me onverwijld naar het Noorden te vertrekken. U zult mij dus excuseeren, dat ik u mondeling geen vaarwel kan zeggen. Mijn bezigheden kunnen mij een week nagenoeg in beslag nemen en ik moet mij dus het genoegen ontzeggen, Woensdag, a.s. op uw waterfeest tegenwoordig te zijn.
Uw onderdanige en gehoorzame dienaar.
Percy Blakeney."
Marguerite moest deze weinige eenvoudige regelen lezen en herlezen, om ze geheel en al te kunnen begrijpen.
Ze stond bij de trapleuning dit kort en geheimzinnig briefje in haar hand om en om te keeren en gevoelde instinktmatig, dat er iets vreeselijks aan de hand was.
Ze wist, dat Sir Percy veel grondbezit in het Noorden had, dat hij vroeger dikwerf daar heen was gegaan en er een acht dagen vertoefd had; maar vreemd wilde het haar voorkomen, dat er tusschen vijf en zes uur in den morgen omstandigheden waren opgedaagd, die hem noodzaakten tot zulk een haastig vertrek.
Ze sidderde van het hoofd tot de voeten. Een onstuimig verlangen, haar echtgenoot, als hij niet was vertrokken, terstond weer te zien, greep haar aan.
Er niet aan denkend, dat zij slechts luchtig was gekleed en haar kapsel los over haar schouders hing, vloog ze de trappen af, recht door de vestibule naar de voordeur.
Deze was als naar gewoonte gegrendeld, want de bedienden, die binnenshuis woonden, waren nog niet beneden, doch haar scherp gehoor had het geluid vernomen van stemmen en het schrapen van een paardenhoef op de steenen.
Met bevende vingers nam Marguerite een voor een de grendels weg, haar nagels erbij bezeerend, want de sloten waren zwaar en stroef.
Eindelijk had ze de deur ontsloten. Haar gehoor had haar niet misleid. Een stalknecht stond in de nabijheid, een paar paarden vasthoudend; een dezer rossen was Sultan, Sir Percy's geliefkoosde en snelbeenigste klepper, gezadeld voor een vliegenden rit.
Een oogenblik daarna kwam Sir Percy zelf haastig opdagen.
Marguerite deed eenige schreden vooruit. Hij keek op en kreeg haar in het oog. Hij fronste even zijn wenkbrauwen.
"Je gaat vertrekken?" zei ze haastig. "Waarheen, als ik vragen mag?"
"Zooals ik de eer had u te kennen te geven, roept een dringende, geheel onverwachte aangelegenheid mij dezen morgen naar het Noorden," zei hij op zijn gewonen kouden, druiligen toon.
"Maar... uw gasten morgen...?"
"Ik heb milady verzocht Zijn Koninklijke Hoogheid mijn nederige excuses aan te bieden. U zijt zulk een volmaakte gastvrouw, dat men mij denkelijk niet zeer zal missen."
"Maar gij kondt niettemin uw reis hebben uitgesteld... tot na ons waterpartijtje..." hernam zij haastig en zenuwachtig haar meening zeggend." "Voorzeker is uw aangelegenheid niet van zulk een dringenden aard... daarenboven hebt gij er niets van gezegd."
"Mijn aangelegenheid, Mevrouw, is, zooals ik de eer had u mede te deelen, even onverwacht als dringend... Mag ik u derhalve verlof vragen om te gaan... Kan ik ook iets voor u in de stad doen?... als ik terug kom, wel te verstaan?"
"Neen... neen... dank u... niets... Maar ge komt toch spoedig terug?"
"Heel spoedig."
"Vóór het einde der week?"
"Dat weet ik niet."
Hij legde het blijkbaar erop aan weg te komen, terwijl zij het mogelijke deed hem eenige oogenblikken op te houden.
"Percy," zei ze, "wilt ge me niet zeggen, waarom ge vandaag gaat. Ik heb toch als uw vrouw het recht dit te weten. Gij zijt niet naar het Noorden ontboden. Ik weet het. Er waren geen brieven noch koeriers van daar, voordat we gisteravond uit de opera kwamen en niets wachtte op u, toen we terugkwamen van het bal... Gij gaat niet naar het Noorden, daar ben ik zeker van... Er bestaat een geheim... een..."
"Neen, een geheim bestaat er niet, Mevrouw," antwoordde hij met een geringe beweging van ongeduld. "Mijn taak geldt Armand... zie daar! Heb ik nu verlof om te vertrekken?"
"Geldt Armand?... Maar ge zult toch geen gevaar loopen?"
"Gevaar? Ik?... Uw beangstheid strekt me tot eer. Zooals u zegt, bezit ik eenigen invloed; mijn doel is er gebruik van te maken, voordat het te laat is."
"Wilt ge me veroorloven u ten minste dank te zeggen?"
"Mijn leven staat tot uw dienst en is reeds meer dan terugbetaald."
"En het mijne, Sir Percy, behoort u, zoo ge het slechts wilt aanvaarden, in ruil voor hetgeen ge doet voor Armand," sprak ze, beide handen hem toestekend. "Zie zoo! Ik wil u niet ophouden... mijn gedachten zijn met u... Vaarwel..."
Hoe angstvallig zag ze er uit in het zonlicht van dezen morgen, met haar haartooi zwierend over haar schouders. Hij boog zeer diep en kuste haar de hand, zij voelde den brandenden kus en haar hart trilde van vreugde en hoop.
"Ge komt toch terug?" zei ze vol teederheid.
"Zeer spoedig!" zei hij, met innig zielsverlangen haar in de blauwe oogen ziende.
"En... gij zult eraan denken?"... vroeg ze, toen haar oogen, in antwoord op zijn blik, hem een wereld van beloften in uitzicht gaven.
"Ik zal steeds indachtig zijn, Mevrouw, dat ge me de eer aandeedt mijn diensten te begeeren."
Zijn woorden waren koud en formeel, maar deden haar ditmaal niet ijzig aan.
Hij boog andermaal en verzocht haar toen verlof te vertrekken. Zij ging terzijde, terwijl hij Sultan besteeg, en toen hij het hek uit galoppeerde, wuifde zij hem een laatst "Vaarwel!" toe.
Een kromming van den weg onttrok hem weldra aan haar gezicht, zijn vertrouwde lijfknecht had moeite hem bij te houden, want Sultan vloog over de heerbaan, als een pijl uit den boog. Marguerite keerde zich om, met een zucht, waarin hoop lag besloten, en zij ging het huis binnen. Zij haastte zich naar haar kamer, want opeens voelde zij, als een vermoeid kind, zich tot slapen geneigd.
Zij ontwaarde geen angst meer omtrent Armand. De man, die zoo juist was weggereden, besloten om haar broeder te redden, boezemde haar een volmaakt vertrouwen in op zijn kracht en vermogen. Zij stond verbaasd over zichzelf, hem ooit te hebben aangezien voor een beuzeligen idioot, maar het was een mom, dat hij droeg om de gruwelijke wonde te verbergen, die zij zijn liefde had geslagen.
Maar nu zou alles goed gaan: ze zou hem alles meedeelen, hem in alles vertrouwen. De gelukkige dagen moesten wederkeeren, toen ze gewoon waren te dolen in het bosch van Fontainebleau, toen ze weinig woorden wisselden--want hij was altijd een zwijgend man--maar steeds gevoelde ze, dat ze aan zijn hart voortdurend rust en geluk zou kunnen vinden.
Ze achtte zich thans bijna gelukkig, en de gordijnen dicht bij elkaar trekkend, om het al te onbescheiden zonlicht uit te sluiten, begaf zij zich eindelijk ter ruste en viel weldra, als een vermoeid kind, in een kalmen en droomloozen slaap.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
DE GEHEIMZINNIGE LEUZE.
De dag was ver gevorderd, toen Marguerite ontwaakte, door een lange rust opgefrischt en versterkt.
In antwoord op haar vragen, bracht Louise de tijding mede, dat de stalknecht met Sultan thuis was gekomen en Sir Percy in Londen had achtergelaten. De stalknecht was van meening, dat zijn meester aan boord zou gaan van zijn jacht, dat bij London Bridge voor anker lag.
Toen Sir Percy tot zoo ver gereden had, had hij den schipper van de Day Dream ontmoet en den stalknecht teruggezonden naar Richmond, met Sultan en het leege zadel.
Deze tijding bracht Marguerite meer dan ooit in verwarring. Waar kon Sir Percy nu juist met de Day Dream heengaan? In het belang van Armand had hij gezegd. Welnu, Sir Percy had overal vermogende vrienden. Wellicht begaf hij zich naar Greenwich of...
Een langen vrijen dag had Marguerite voor den boeg. Zij was het bezoek wachtend van haar oude schoolkameraad, de kleine Suzanne de Tournay.
Marguerite verbeidde haar met ongeduld; zij haakte naar een praatje over den ouden schooltijd; zij voelde, dat ze aan het gezelschap van Suzanne den voorkeur geven zou boven eenig ander en samen zouden ze dwalen door het schoone oude park.
Maar Suzanne was nog niet gekomen, en Marguerite maakte, na zich gekleed te hebben, toebereidselen om naar beneden te gaan. Ze kwam in het portaal, buiten haar eigen reeks van appartementen, en stond een oogenblik stil, boven bij de fraaie eikenhouten trap, die naar de benedenverdieping leidde. Aan haar linkerhand bevonden zich de vertrekken van haar echtgenoot, die zij nimmer betrad.
Deze bestonden uit een slaap-, kleed- en ontvangkamer en aan het uiteinde van de gang uit een klein studeervertrek, dat, als Sir Percy er geen gebruik van maakte, steeds gesloten bleef. Zijn eigen vertrouwde lakei Frank had alleen de zorg over dit vertrek. Niemand mocht daar ooit binnengaan. Lady Blakeney had er nooit aan gedacht en de andere bedienden hadden natuurlijk dit streng verbod niet durven overtreden.
Marguerite had dikwerf gekscherend verklaard, dat ze strikt de hand eraan hield er voor te zorgen, dat geen nieuwsgierige oogen in dit heiligdom zouden gluren, uit vreeze van ontdekking, hoe weinig binnen de vier muren ervan aan "studie" werd gedaan: een gemakkelijke armstoel, voor Sir Percy's zoete sluimeruurtjes was wel het voornaamste meubel, dat in het oog viel.
Marguerite dacht aan dit alles, toen ze haar blikken in de gang liet rondgaan. Frank was klaarblijkelijk bezig met de kamers van zijn meester, want de meeste deuren stonden open, ook die van het studeervertrek.
Een plotselinge, brandende, kinderachtige nieuwsgierigheid maakte zich van haar meester om een kijkje te nemen in Sir Percy's heiligdom. Het verbod gold natuurlijk háár niet en Frank zou zich tegenover haar ook niet durven verzetten. Toch hoopte ze, dat de knecht in een der andere kamers mocht bezig zijn, opdat ze van dit kijkje even in het geheim mocht genieten.
Zachtjes, op haar teenen, liep ze door de gang, en als de vrouw van Blauwbaard, bleef ze een oogenblik op den drempel staan, zonderling en besluiteloos te moede.
De deur stond op een kier, zoodat ze niet naar binnen kon zien. Ze opende haar; geen geluid vernam ze. Frank was er dus niet, en stoutmoedig stapte ze naar binnen.
De strenge eenvoud van alles om haar heen greep haar terstond aan: de donkere en zware gordijnen, het massieve eiken ameublement, de kaart van Frankrijk aan den muur deden haar volstrekt niet denken aan den lijzigen man, die zich alleen in frivole gezelschappen ophield, bij de wedrennen zich amuseerde en als een dandy zijn rol speelde.
Met het front naar het raam, in het midden van het vertrek, stond een zware schrijftafel, die er uitzag, alsof ze jaren dienst had gedaan. Aan den muur links hing ten voeten uit, in breede vergulde lijst, het fraai geschilderd portret eener vrouw.
Het was Percy's moeder.
Marguerite bestudeerde die beeltenis, want zij boezemde haar belang in: daarna keerde zij zich om en wijdde haar aandacht aan het massieve schrijfbureau. Het was bedekt met een massa papieren, alle keurig saamgebonden, met den inhoud aan de keerzijde genoteerd--ze zagen er uit als rekeningen en kwitanties, in volmaakte orde gerangschikt. Het had Marguerite's aandacht te voren nooit getrokken--noch had ze het de moeite waard geacht er naar te informeeren--hoe Sir Percy, van wien de heele wereld dacht, dat hij geen hersenen had, het groot fortuin administreerde, dat zijn vader hem had nagelaten.
Sedert zij dit net, ordelijk vertrek was binnengetreden, was ze aan zoo velerlei verrassingen ten prooi, dat dit duidelijk bewijs van de administratieve bekwaamheden van haar echtgenoot haar niet meer dan een vluchtige bewondering afdwong. Maar het versterkte nu ook haar thans vastgewortelde meening, dat hij met zijn beuzelingen en dwaze praat niet alleen een masker had voorgedaan, maar met bepaalden toeleg een bestudeerde rol speelde.
Ze staarde, alsof ze voor een schrikwekkend raadsel stond, met ontsteltenis voor zich heen, een niet onder woorden te brengen vrees, in tegenwoordigheid van een vreemdsoortig geheim, maakte zich van lieverlede van haar meester. Een rilling doorhuiverde haar in dit ijzig en duister vertrek. Behalve het fraaie portret hingen geen schilderijen aan den wand, alleen een paar kaarten van een gedeelte van Frankrijk, de eene van de Noordkust, de andere van de omstreken van Parijs. Wat had Sir Percy daarmee uit te staan? vroeg zij zichzelve af.
Ze gevoelde hoofdpijn en keerde zich af van dit zonderlinge Blauwbaards vertrek, dat haar een onoplosbaar raadsel toescheen. Ze hoopte maar, dat Frank er haar niet mocht aantreffen, en met een laatsten blik wendde zij zich naar de deur. Bij die beweging stiet haar voet op het karpet tegen een klein voorwerp, dat blijkbaar op de schrijftafel had gelegen en thans door de kamer rolde.
Zij bukte zich om het op te rapen. Het was een massieve gouden ring met een plat schild.
Marguerite draaide hem om en om en bestudeerde het devies, dat op het schild was gegraveerd. Het stelde een kleine stervormige bloem voor, in den vorm, dien ze tweemaal reeds had gezien: eens in de opera, daarna op Lord Grenville's bal.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
DE ROODE PIMPERNEL.
Op welk oogenblik eigenlijk de vreemdsoortige twijfel bij haar was opgekomen, hiervan kon Marguerite zich later geen rekenschap geven. Met den ring stevig tusschen haar vingers gekneld, was ze het studeervertrek uitgesneld, de trappen af naar het park, waar ze, alleen zijnde met de bloemen, de rivier en de vogels, het kleinood op haar gemak kon beschouwen en het devies ervan, zoo mogelijk, ontraadselen.
Och! Maar het was toch eigenlijk belachelijk! Ze was bepaald onder den invloed eener hallucinatie en zag iets geheimzinnigs in de meest alledaagsche toevalligheden! Had niet iedereen in den laatsten tijd de leus bij zich gedragen van dien geheimzinnigen Rooden Pimpernel?
Droeg ze die zelf niet bij zich, geborduurd op haar kanten zakdoeken? Wat vreemds lag erin, dat Sir Percy dit devies op een zegelring had laten graveeren... en welk verband kon er dan nog bestaan tusschen haar modejonker van een echtgenoot met zijn keurige kleeding, zijn "wat kan het me schelen" doen en laten, en den alles trotseerenden samenzweerder, die Fransche slachtoffers uit de klauwen bevrijdde van bloeddorstige tijgers der revolutie?
Ze schrikte op, toen een jeugdig frisch stemgeluid haar toeriep in het park: "Chérie!--Chérie! waar ben je?" en de kleine Suzanne kwam aansnellen over het grasperk.
"Men heeft me gezegd, dat je in het park waart," ging deze voort met haar vroolijk gekakel en in Marguerite's armen snellend.
"Daarom ben ik maar komen aanvliegen, om je te verrassen. Je zult me zoo gauw wel niet verwacht hebben, is het wel, mijn lieve, beste Margootje?"
Marguerite, die haastig den ring had weggestopt, trachtte met het opgewonden meisje in evenwicht te blijven.
"Ja, zeker, mijn beste, ik vind het heerlijk je zoo geheel voor mij alleen te hebben, een heelen langen dag..."
Arm in arm begonnen ze haar wandeling door het park.
"Wat heb je hier een lieve woning, beste Margot," zei de kleine Suzanne in extase, "en hoe gelukkig moet je je niet gevoelen!"
"Ja, dat is zeker! Ik moest gelukkig zijn--is 't niet, lieve?" zei Marguerite.
"Wat zeg je dat treurig, Chérie. Komaan, ik moet onderstellen, dat, nu je een getrouwde vrouw bent, je er niets tegen zult hebben mij een geheim toe te vertrouwen. Och, och, wat hebben we met elkaar op school al niet afgehandeld! Weet je 't nog wel, dat we sommige geheimpjes aan zuster Thérèse niet openbaarden--en toch was ze zoo'n lieve zuster hé?"
"En nu heb je al een heel belangrijk geheim, hé kleine?" zei Marguerite vroolijk, "en ik weet, dat ik daarvan terstond deelgenoote mag zijn. Nu bloos maar niet, lieve," ging ze voort, ziende dat een purperrood het gezichtje van Suzanne overtoog. "Je behoeft je er volstrekt niet voor te schamen! Hij is een nobel en oprecht man, op wien je als een verloofde trotsch mag zijn, en... als echtgenoot des te meer."
"Och neen, Chérie, ik ben volstrekt niet verlegen," zei Suzanne zachtjes, "en het maakt me al zeer trotsch je zoo over hem te hooren spreken. Ik geloof wel, dat Mama haar toestemming zal geven," zei ze peinzend, "en och, ik zal me natuurlijk zoo gelukkig gevoelen--maar er valt nog aan niets te denken, voordat Papa in veiligheid is..."