Part 11
"Zonder twijfel. Zoodra hij inziet, welk gevaar hij loopt, zal hij meer voorzichtigheid in acht nemen."
"Als dit zoo is, wat dunkt u dan van een verkenning in het dorp, onderwijl ik Percy's komst hier afwacht?--Ge kunt misschien zijn pad kruisen en zoodoende kostbaren tijd winnen. Onzen grimmigen herbergier zoudt ge kunnen vragen, mij in een ander vertrek te laten wachten. Laat hem wat contanten zien, opdat hij niet verzuime, mij terstond kennis te geven, zoodra de lange Engelschman terug is gekomen."
Ze sprak zeer kalm, zelfs nu op vroolijken toon, haar plan overdenkend, tot het ergste zoo noodig bereid.
Sir Andrew gehoorzaamde zonder verdere bedenking. Instinctmatig nam het denkbeeld vaster vormen bij hem aan, dat zij de meeste veerkracht bezat. Hij gaf zich gaarne aan haar leiding over en vergenoegde zich, waar zij het hoofd was, onder haar aanwijzingen een werktuig te zijn. Hij liep naar de deur van het binnenvertrek en riep: "Hei daar! vriend Brogard! Mijn mevrouw wenscht hier een tijdje uit te rusten. Hebt ge soms een andere kamer voor haar?"
Hij tastte in zijn zak en rammelde met wat geld in zijn hand. Op het gezicht daarvan ontwaakte de kastelein ietwat uit zijn dommeling; hij nam het pijpje uit zijn mond en scharrelde de gelagkamer binnen.
Toen wees hij over zijn schouder naar de vliering boven den muur.
"Ze kan dáár wachten!" zei hij. "'t Is er comfortabel, en een andere kamer heb ik niet!"
"Niets kon beter zijn," zei Marguerite in het Engelsch; zij doorzag terstond het voordeel van een positie, die haar in staat stelde ongezien getuige te zijn van alles, wat in de gelagkamer voorviel.
"Geef hem het geld, Sir Andrew, daarboven heb ik een uitgezochten observatiepost van hetgeen hier zal gebeuren."
"Mag ik u dringend verzoeken, mevrouw, in niets haastig te werk te gaan?" zei Sir Andrew, toen Marguerite aanstalten maakte de kreupele treden van de kippetrap op te gaan. "Bedenk, dat dit gat overloopt van spionnen. Geef Sir Percy geen blijk van uw tegenwoordigheid, tenzij u zeker weet, dat ge u alléén met hem bevindt in dit hol."
"Ja," zei ze met een zwakke poging tot opgeruimdheid, "dat kan ik u wel beloven. Maak u niet bezorgd, ik zal mijn gelegenheid afwachten en hem dienen op de wijze, waarop ik denk, dat hij het meest behoefte heeft."
"Zoo ik Blakeney binnen een half uur niet ontmoet," zei Sir Andrew, "zal ik terugkomen, in de hoop hem hier aan te treffen."
Terwijl zij vlug de vermolmde houten treden beklom, die naar de vliering leidden, sloeg Sir Andrew haar gade, totdat zij boven was aangeland. Zij schoof de versleten gordijnen terzijde, en de jonkman merkte op, dat zij daar een bijzonder geschikte schuilplaats had, om ongezien te kunnen waarnemen en hooren. Met een hoofdknik tot afscheid, begaf hij zich naar buiten in den duisteren nacht.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VALSTRIK.
Het volgend kwartier ging zonder eenig voorval voorbij. In het benedenvertrek had Brogard zich een poos onledig gehouden met het opruimen van de tafel, om deze voor een anderen gast in gereedheid te brengen.
In het gadeslaan van deze toebereidselen vond Marguerite, dat de tijd meer afwisselend voortkroop. Het was voor Percy, dat nu iets werd aangericht, wat naar een souper moest lijken. Klaarblijkelijk koesterde Brogard iets, wat naar ontzag geleek, voor den langen Engelschman, daar hij zich eenige moeite scheen te geven, om het krot wat ooglijker te maken dan hij te voren had gedaan.
Zelfs haalde hij iets voor den dag, dat er als een tafellaken uitzag, en toen hij het uitspreidde en al de gaten zag, schudde hij een poos twijfelachtig het hoofd, want het kostte hem veel moeite met het laken zóódanig de tafel te dekken, dat men gaten noch vlekken kon onderscheiden.
Daarop legde hij een servet neer, al even oud en versleten, veegde er zorgvuldig de glazen, lepels en borden mee af, die hij vervolgens op den disch plaatste.
Marguerite kon niet nalaten te glimlachen, terwijl zij al deze toebereidselen gadesloeg.
Toen de tafel aangericht was--zooals het naar omstandigheden ging--overzag Brogard zijn werk met blijkbare voldoening. Hij stofte vervolgens enkele stoelen af mèt een slip van zijn kiel, roerde even in den soepketel, wierp wat hout op den vuurhaard en slofte het vertrek uit.
Marguerite was alleen overgelaten aan haar overpeinzingen, zij zat tamelijk wel op haar legerstede, want het stroo ervan was versch.
Plotseling trof het geluid van verwijderde voetstappen, die al nader kwamen, haar fijn gehoor; haar hart sprong op van vreugde! Zou het dan Percy zijn? Neen, de stap was niet zoo lang, ook niet zoo veerkrachtig als de zijne; ook wilde het haar voorkomen, dat ze twee verschillende voetstappen hoorde. Twee mannen kwamen op de herberg af. Twee vreemdelingen misschien, om een dronk wijn, of..
"Hei daar! Burger Brogard! Hola!"
Marguerite kon de nieuwaangekomenen niet onderscheiden, maar door een gaatje van een der gordijnen was een gedeelte van het benedenvertrek voor haar zichtbaar.
Zij vernam den schoorvoetenden gang van Brogard, die uit de binnenkamer te voorschijn kwam. De vreemdelingen gewaarwordend, bleef hij in het midden der gelagkamer staan, zoodat Marguerite hem goed in het oog kreeg, hij keek de bezoekers met nog verachtelijker blik aan dan waarmee hij zijn eerste gasten had aangezien, en mompelde "Sacrrée Soutane! vervl... priestertoog!"
Het hart van Marguerite scheen eensklaps stil te staan; haar groote wijdgespalkte oogen vestigden zich op een der nieuw aangekomenen, die met haastigen tred op Brogard afkwam. Hij was gekleed in de priesterlijke toga, met den breedgeranden hoed en gespschoenen, zooals de meeste katholieke geestelijken. Maar tegenover den herbergier staande, liet hij even onder zijn mantel de officieele driekleurige sjerp zien, op het gezicht waarvan de laatdunkende houding van Brogard plaats maakte voor nederige onderdanigheid.
Het gezicht van dezen Franschen curé (pastoor) deed het bloed in Marguerite's aderen stollen. Zijn gelaatstrekken kon zij weliswaar door het breedgerande hoofddeksel niet onderscheiden, maar zij herkende de dunne beenige vingers, de eenigszins gebogen houding, den gang van den man! Het was Chauvelin!
Het schrikwekkende van den toestand was voor haar een onverhoedsche slag; de vrees voor hetgeen stond te gebeuren deed haar duizelen.
"Een bord soep en een glas wijn!" beval Chauvelin op gebiedenden toon, "en scheer je weg--begrepen? Ik wensch hier alleen te zijn!"
Zwijgend, en zonder eenig mopperen, gehoorzaamde Brogard ditmaal. Chauvelin zette zich aan de tafel, die voor den langen Engelschman was aangerecht, en de herbergier beijverde zich dienstvaardig met het opdisschen van de soep en uitschenken van den wijn. De man, die met Chauvelin was binnengekomen en dien Marguerite niet kon zien, stond bij de deur te wachten.
Op een wenk van Chauvelin haastte Brogard zich naar zijn binnenkamer en de agent der Republiek gaf nu een teeken aan den man, die hem had vergezeld.
In dit individu herkende Marguerite terstond Desgas, Chauvelin's geheimschrijver, dien zij dikwerf in vervlogen dagen te Parijs ontmoet had. Hij liep het vertrek door en luisterde eenige oogenblikken aandachtig aan de deur van het binnenvertrek.
"Geen luistervinken?" vroeg Chauvelin kortaf.
"Neen burger."
Een oogenblik bekroop Marguerite de vrees, dat Chauvelin zijn handlanger zou bevelen de omgeving na te gaan; wat er gebeuren zou, indien men haar mocht ontdekken, durfde zij zich niet voor te stellen. Gelukkig, dat hij Desgas weer spoedig tot zich riep.
"De Engelsche schoener?"
"Men heeft hem bij zonsondergang uit het gezicht verloren, burger," antwoordde Desgas, "maar hij zette toen koers naar het westen, naar Kaap Gris-Nez."
"Ha! goed zoo!" mompelde Chauvelin, "en nu, wat weet je van kapitein Jutley? Wat heeft die gezegd?
"Hij heeft me verzekerd, dat alle orders, die u hem de vorige week deedt toekomen, strikt zijn uitgevoerd. Alle wegen, die naar hier uitloopen, zijn bij nacht en dag door patrouilles verkend; het strand en de riffen worden streng bewaakt."
"Weet hij, waar de hut is van dien "Vader Blanchard"?"
"Neen, burger, niemand schijnt die bij dezen naam te kennen. Er zijn een massa visscherswoningen langs de kust... maar..."
"Genoeg. Maar wat betreft het zaakje van dezen nacht?" viel Chauvelin hem ongeduldig in de rede.
"De wegen en het strand worden als naar gewoonte verkend, burger, en kapitein Jutley wacht verdere orders."
"Ga dan terstond naar hem toe. Zeg hem, dat hij de verschillende patrouilles moet aanvullen, en vooral die langs de kust, begrepen?"
Chauvelin sprak kortaf en zakelijk, ieder woord, dat hij uitte, was als een dolksteek in Marguerite's hart.
"De manschappen," ging hij voort, "moeten het scherpst mogelijk acht slaan op iederen vreemdeling, die te voet, te paard of per as opdaagt. Vooral dienen ze daarbij in het oog te houden een man van rijzige gestalte, dien ik niet verder behoef te signaleeren, want naar alle waarschijnlijkheid zal hij wel vermomd zijn; zijn lengte evenwel kan hij niet anders verbergen dan door gebogen te gaan. Heb je me begrepen?"
"Volkomen, burger," antwoordde Desgas.
"Zoodra een der manschappen een vreemdeling bespeurt, moeten twee hunner hem in het oog houden. De man, die den rijzigen vreemdeling, nadat deze eenmaal is herkend, uit het oog verliest, zal zijn nalatigheid met zijn leven boeten. Eén man maar moet regelrecht naar hier rijden en mij rapport uitbrengen. Is dit duidelijk?"
"Helder als glas, burger."
"Goed dan. Ga nu heen en zie, dat je Jutley terstond te spreken krijgt. Zorg ervoor, dat de versterkingen van de patrouilles onmiddellijk worden afgezonden, vraag dan den kapitein een half dozijn manschappen en breng die hier heen. Binnen tien minuten kan je terug zijn. Ga--"
Desgas groette en ging naar de deur.
Terwijl Marguerite, van schrik verstijfd, aandachtig luisterde naar Chauvelin's instructies aan zijn ondergeschikte, stond het geheele plan voor de arrestatie van den Rooden Pimpernel haar zonneklaar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Het lag in de bedoeling van Chauvelin, de vluchtelingen, die in hun verborgen schuilhoek de komst verbeiden van den Rooden Pimpernel, in den valschen waan te laten van een op handen zijnde bevrijding. Want de stoutmoedige samenzweerder moest omsingeld en op heeter daad worden betrapt in zijn hulp verleenen aan koningsgezinden, die verraders waren van de Republiek. Wanneer deze vangst ook al naar buiten ruchtbaar werd, zou de Britsche Regeering niet te zijnen gunste kunnen interveniëeren. Naardien hij met de vijanden der Fransche Republiek had geheuld, had Frankrijk het recht met zijn persoon naar goedvinden te handelen.
Desgas stond op het punt te gaan, maar Chauvelin riep hem andermaal terug. Het schemerde Marguerite vaag voor den geest, welke verdere duivelsche plannen Chauvelin mocht koesteren, om slechts één enkel dapper man in de val te laten loopen en twintig anderen hun gang te laten gaan. Ze keek naar den agent op het oogenblik, dat hij zich omkeerde om Desgas te woord te staan, en ze kon zijn gezicht onder den breed-geranden pastoorssteek duidelijk onderscheiden. Er stond zulk een ontzettende haat te lezen op dat smal bleek gelaat, in die kleine vossenoogen, dat Marguerite's laatste hoop verdween uit haar hart, want ze gevoelde, dat van dezen man geen genade te verwachten was.
"Ik had vergeten," zei Chauvelin, zich glimlachend de handen wrijvend, "dat de lange Engelschman zich te weer kan stellen. In dat geval geen schot, denk erom, alleen bij hooge noodzakelijkheid. Ik moet den man, zoo maar eenigszins mogelijk, levend in handen krijgen."
Hij ging voort met grijnslachen en zich te verkneukelen in het vooruitzicht zijner aanstaande zegepraal.
Zijn plannen waren goed doordacht, en wel mocht hij er prat op gaan. Geen sluipgangetje was overgebleven, waardoor zijn vijand kon ontsnappen. Iedere weg werd bewaakt, iedere hoek had een schildwacht, en in een eenzame hut, ergens op de kust, wachtte een hoopje vluchtelingen op hun bevrijder, die zelf met hen den dood in de kaken liep!
Boven alles was het hem er om te doen, den sluwen tegenstander machteloos aan zijn voeten te zien, hij wenschte te genieten van diens val. En zij, de vrouw, die hem liefhad, die de oorzaak was van alles, zij vermocht niets te zijner redding!
Niets, alleen de hoop was haar gebleven aan zijn zijde te sterven, hem in dat kortstondig oogenblik te zeggen, dat zij hem altijd had liefgehad.
Chauvelin zat dicht bij de tafel. Hij had den steek der geestelijken afgenomen, en Marguerite kon juist de lijnen nagaan van zijn mager profiel en spitse kin, toen hij zich heenboog over zijn schraal souper.
Terwijl zij hem zoo gadesloeg, trof plotseling een geluid haar oor, dat haar het hart deed krimpen in den boezem, het vroolijk geluid eener heldere stem, die de Engelsche nationaalhymne zong uit volle borst: "God, save the King!"
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE LEEUW EN DE VOS.
Marguerite's adem stokte; het was, of haar bloed stil stond, toen ze luisterde naar die stem, naar dien zang.
In den zanger had ze haar echtgenoot herkend. Ook Chauvelin had het volkslied gehoord, want hij wierp een snellen blik naar de deur, en zette in aller ijl den breedgeranden steek weer op zijn hoofd.
De stem kwam nader; in een ommezien voelde Marguerite het onstuimig verlangen in haar opwellen om de trap af te snellen, door de gelagkamer te vliegen, een einde te maken aan dien zang tot iederen prijs, den vroolijken zanger te smeeken de vlucht te nemen, zoo hij zijn leven liefhad, eer het te laat mocht zijn. Nog intijds vermocht ze dit opwellend gevoel te onderdrukken. Chauvelin toch zou haar den uitgang hebben versperd, en hij mocht eens soldaten in zijn nabijheid hebben! Haar handeling zou het onmiddellijk doodvonnis zijn geweest van den man, voor wiens redding zij haar eigen leven veil had.
"Long to reign over us, God save the King!"
ging de stem vroolijker voort dan in den beginne, kort daarop werd de deur geopend en heerschte er gedurende een paar seconden een doodelijke stilte in het vertrek.
Marguerite kon de deur nu niet zien; ze hield haren adem in, zij trachtte zich voor te stellen, wat er zou gebeuren.
Bij zijn binnenkomen had Percy Blakeney den gewaanden pastoor terstond in het oog gekregen. Hij was even stil blijven staan, doch zijn aarzelen duurde geen drie seconden, terstond daarop zag Marguerite zijn rijzige figuur door het vertrek schrijden, terwijl hij luidkeels en met vroolijke stem riep:--
"Hei daar! Is er niemand bij de hand? Waar zit die malle Brogard?"
Hij droeg de prachtige jas en het rijkostuum, dat Marguerite, zooveel uren geleden, hem te Richmond had zien aanhebben. Wezenlijk, op dit uur had Baronet Sir Percy Blakeney even goed op weg kunnen zijn naar een tuinfeest van den Prins van Wales, in plaats van voorbedachtelijk in een valstrik te loopen, dien zijn doodsvijand hem had gespannen.
Hij bleef nog een oogenblik staan in het midden van de gelagkamer, terwijl Marguerite, door schrik verlamd, nauwelijks vermocht adem te halen.
Ieder oogenblik verwachtte ze, dat Chauvelin een sein zou geven, het vertrek met soldaten te zien gevuld, en zij naar beneden moest snellen om Percy bij te staan, hem aanzetten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Maar Blakeney trad kalm op de tafel toe en den curé op den schouder kloppend:--
"Kijk... kijk... hm... Meneer Chauvelin... ik had wezenlijk nooit kunnen denken u hier te ontmoeten."
Chauvelin, die een lepel soep had geslikt, dacht te stikken. Zijn schraal gezicht werd purperrood, een hevige hoestbui kwam hem bijzonder te stade, ze redde hem uit de netelige positie om de grootste verbazing te moeten doen blijken, die hij ooit had ondervonden. Geen twijfel of deze ontmaskering door Blakeney was hem als een koudwaterstraal op het lijf gevallen en had hem voor het oogenblik geheel van zijn stuk gebracht.
Klaarblijkelijk was het een fout zijnerzijds, dat hij de herberg niet met een kordon soldaten had afgezet. Blakeney had deze strategische fout doorzien en voorzeker rijpte in diens brein reeds een plan om van deze onverwachte ontmoeting partij te trekken.
Marguerite had in haar zolderkamertje geen vin verroerd. Zij had Sir Andrew plechtig beloofd, haar echtgenoot in tegenwoordigheid van vreemden niet aan te spreken. Daar stil te moeten zitten en deze twee mannen gade te slaan, was een vreeselijke toestand. Zij had Chauvelin orders hooren uitdeelen, alle wegen en toegangen door patrouilles te verkennen. Ze wist, dat, zoo Percy nu de "Chat Gris" mocht verlaten--welke richting hij ook mocht nemen--hij geen stap zou kunnen doen, zonder door een der soldaten van Kapitein Jutley te worden opgemerkt. Van den anderen kant, zoo hij bleef, zou Desgas tijd hebben, terug te komen met het half dozijn manschappen, door Chauvelin speciaal gecommandeerd om ter plaatse te verschijnen.
De val was goed gezet. Aan Marguerite schoot niets anders over dan toekijken en in angstige gissingen zich te verdiepen. De twee mannen vormden onderling zulk een vreemd contrast, van hen beiden was het Chauvelin, die een zweem van vrees aan den dag legde. Hij was niet zoo zeer beducht voor zijn eigen persoon, hoewel alleen in een afgelegen herberg met een krachtig gebouwd man, maar hij vreesde, dat deze onbeschaamde, alles trotseerende Engelschman, zoo hij hem, Chauvelin, neervelde, zijn kansen van ontsnappen zou verdubbelen. Zijn, Chauvelins ondergeschikten, mochten er eens niet zoo goed in slagen zich meester te maken van den Rooden Pimpernel, zoo ze niet door zijn hand--zijn hoofd vooral--werden geleid. Maar Blakeney klopte hem, zoo idiotig mogelijk lachend, als een echte Joris Goedbloed, op den schouder: --
"Het spijt me geweldig..." zei hij goedlachs, "innig leed... doet het me... u zoo... hm... van de wijs te brengen... nog wel bij het eten... vervl... kost, soep... een vriend van me is er aan gestorven... èè... stikte... net als u... van een lepel soep."
En jolig lachend, zag hij Chauvelin vlak in het gezicht.
"Een beestachtig hol dit... vindt u niet?" ging hij voort. "Komaan, u zult er niets tegen hebben?" voegde hij er bij wijze van excuus aan toe, een stoel opnemend en zich aan tafel zettend, terwijl hij de soepterrine naar zich toe haalde. "Die sloomert van Brogard schijnt een uiltje te knappen."
Er stond een tweede bord op tafel, hij bediende zich kalm van de soep, en schonk zich een glas wijn in.
Chauvelin stak hem de hand toe en zei vergenoegd:
"Het doet me wezenlijk genoegen u te zien, Sir Percy. U moet me excuseeren... hm... ik dacht u goed en wel aan den overkant van het Kanaal. Zoo'n plotselinge verrassing deed me schrikken."
"Jawel!" zei Percy glimlachend op zijn manier, "daarvan kwam 't, eh... mijn... heer Chaubertin, niet waar?"
"Chauvelin--met uw verlof."
"Duizendmaal verschooning. Jawel--Chauvelin natuurlijk... Eh... ik sta met vreemde namen altijd op gespannen voet..."
Hij nuttigde bedaard zijn soep, terwijl hij doorging zich te verkneukelen, alsof hij de heele reisroute van Calais had gemaakt met de eenige bedoeling om in deze vieze herberg zijn souper te gebruiken, in het gezelschap van zijn doodsvijand.
Marguerite verwonderde zich, waarom Percy den kleinen Franschman niet van de been sloeg--er moest toch wel zoo iets, nu en dan, hem door het hoofd hebben gespeeld, te oordeelen naar de dreigende flikkering van zijn oogen, als deze een oogenblik zich vestigden op de schrale figuur van Chauvelin.
Maar het scherp vernuft, dat zoovele stoute stukjes had beraamd en uitgehaald, doorzag maar al te zeer, dat men niet onnoodig gevaarlijke kansen moet wagen. Deze plaats kon met spionnen bezet zijn; de herbergier was wellicht een handlanger van Chauvelin. Eén teeken van den agent der Republiek kon twintig man voor hem doen opdagen, hij zou gevangen worden genomen, voor hij de vluchtelingen kon helpen of waarschuwen, zoo noodig. Dit wilde hij niet in de waagschaal leggen; zijn doel was anderen bij te staan, hen in veiligheid te brengen; hij had hun zijn woord verpand, dat woord wilde hij gestand doen, en al etend en pratend, dacht hij na en beraamde zijn plan.
"Het was me onbekend," zei Blakeney joviaal, "dat u... eh... de priesterwijding hadt ontvangen."
"Ik... hé... hm!" stamelde Chauvelin. De kalme onbeschaamdheid van zijn tegenstander had hem geheel de kluts doen kwijt raken.
"Och, maar! Ik zou u altijd en overal herkend hebben," ging Percy kalm voort, zich nog eens inschenkend, "hoewel die pruik en steek u iets veranderd hebben."
"Meent u?"
"La, la! die veranderen iemand danig... maar... ik wil hopen, dat u mijn opmerking ten goede zult houden?... opmerkingen maken getuigt van slechte manieren... u neemt het me niet kwalijk, hoop ik?"
"Neen, neen, volstrekt niet--hm! Lady Blakeney wèl?" vroeg Chauvelin zich haastend aan het gesprek een andere wending te geven.
Percy at zijn bord soep leeg, dronk zijn glas wijn uit, en antwoordde eindelijk droogjes: "Heel wèl, dank u." Er ontstond een pauze, gedurende welke Marguerite de twee tegenstanders kon gadeslaan, die zich met elkander schenen te meten. Zij kon Percy bijna geheel in het gezicht zien, daar hij geen tien meter van de plek, waar zij gehurkt toekeek, aan tafel zat. Ze was verlegen met zichzelf, daar ze niet wist, wat ze moest denken of doen. Ze had de aandrift, die ze in den beginne gevoelde, om naar beneden te snellen en zich aan haar echtgenoot te vertoonen, bedwongen.
Chauvelin, die zijn ongeduld trachtte te verbergen, raadpleegde zijn horloge. Desgas kon niet lang meer uitblijven; nog een paar minuten, en deze onbeschaamde Engelschman zou door een twaalftal van kapitein Jutley's meest vertrouwde manschappen in verzekerde bewaring worden genomen.
"U zijt op weg naar Parijs, Sir Percy?" vroeg Chauvelin onverschillig.
"Neen, neen," antwoordde Blakeney glimlachend. "Ik ga niet verder dan Lille--van Parijs moet ik niets hebben... ellendige, ongezellige stad... Parijs, op het oogenblik... hè, Monsieur Chambertin... pardon ... Chauvelin!"
"Niet voor een Engelschman van uw slag, Sir Percy," zei Chauvelin met een sarkastischen grijnslach, "die zich niet bemoeit met den strijd, die daar momenteel woedt."
"Ah! U begrijpt, dat het mij niet aangaat, wat ze daar uitvoeren, en onze Regeering schijnt het geheel met uw zaken eens. U schijnt haast te hebben, meneer," ging Percy voort, toen Chauvelin andermaal op zijn horloge keek; "een afspraak misschien... Wat ik u verzoeken mag, stoor u niet aan mij... Ik heb allen tijd..."
Hij stond van tafel op en schoof een stoel bij den haard. Marguerite voelde een vreeselijken drang tot hem te gaan, want de tijd verliep; Desgas kon ieder oogenblik met zijn manschappen komen. Percy wist niets daarvan en... o, God! hoe vreeselijk was dat niet--hoe gevoelde zij zich machteloos tegenover dezen toestand!
"Ik ben volstrekt niet gepresseerd," hernam Percy luchthartig, "maar toch ligt het niet op mijn weg, meer tijd dan hoog noodig is in dit hol te verspillen!"
"Maar, meneer," vervolgde hij, ziende, dat Chauvelin ten derden male zijn horloge raadpleegde, "uw uurwerk zal er toch niet sneller om gaan met al dat gekijk. U is bepaald iemand wachtend."
"Ja... een vriend!"
Met den hak zijner laars schopte Blakeney het houtvuur wat aan, zoodat de vlammen opflikkerden in den ouden haard. Hij scheen geen haast te hebben om op te stappen en blijkbaar geheel onbewust van het gevaar, dat hem boven het hoofd hing. Hij trok nog een stoel bij het vuur, en Chauvelin zette er zich op neer met het gezicht naar de deur. Desgas was nu ruim een kwartier weg. Marguerite begreep duidelijk dat, zoodra deze kwam opdagen, Chauvelin al zijn andere plannen omtrent de vluchtelingen zou laten varen, ten einde den onbeschaamden Rooden Pimpernel in boeien te laten slaan.
"Hè, meneer Chauvelin," zei Percy opeens zeer luchtig, "vertel me eens, is uw vriendin een mooi meisje? Heel aardig kunnen de kleine Fransche vrouwtjes er soms uitzien--het mijne--"