De Roode Pimpernel

Part 10

Chapter 103,920 wordsPublic domain

Nu vroeg zij zich nieuwsgierig af in welke herberg hij wel zijn intrek mocht hebben genomen, dan wel of het hem gelukt was reeds een schip te huren en hij zoo onderweg naar Frankrijk kon zijn. Ach, ze overwoog ernstig, of ze al niet te laat was gekomen!

De eenzaamheid van de gelagkamer maakte haar zenuwachtig, het eentonig getik der huisklok was al wat de stilte van den nacht verbrak.

Ieder ander in huis, behalve zij zelf, moest nu wel in diepen slaap verzonken zijn. Mr. Jellyband was een oogje gaan houden op haar koetsier en bedienden en had daarna post gevat in de gang. Blijkbaar wilde hij de komst afwachten van Sir Andrew Foulkes, maar toch kon Marguerite bij het langzaam getik der klok ook de geregelde ademhaling vernemen van den nauwgezetten kastelein.

Een poos daarna kwam zij tot de ontdekking, dat op den fraaien, warmen Octoberdag een ruwe en koude nacht was gevolgd; van lieverlede, naarmate de uren verliepen, werd het weder onstuimiger en drong het geraas der branding tegen den pier der Admirality, hoewel op eenigen afstand der herberg, tot haar door. Ook hoorde men in de verte den donder rommelen.

De wind was komen opzetten, deed de in lood gevatte vensters rammelen, en de massieve deuren van het ouderwetsche huis kraken.

Een plotselinge beweging van buiten wekte haar uit haar mijmeringen. Zeker was het Sir Andrew Foulkes, die juist in dolle haast scheen te zijn aangekomen, want ze hoorde de hoeven van zijn paard trappelen op de steenen van den straatweg Londen-Dover.

Een oogenblik nu kwam Marguerite het vreemde harer positie voor den geest. Er lag zulk een zonderling contrast tusschen het ernstige van haar taak en de vermoedens, die bij den braven Jellyband moesten post vatten, dat voor het eerst sedert uren, om niet te zeggen dagen, een glimlach om haar mondhoeken speelde. Toen dan ook kort daarop Sir Andrew in zijn eigenaardig kostuum de gelagkamer binnentrad, riep ze lachend uit:

"Mijnheer mijn lakei, ik ben met uw voorkomen tevreden!"

Mr. Jellyband was Sir Andrew op den voet gevolgd en keek als iemand, die het in Keulen hoorde donderen.

Hij ontkurkte de flesch wijn, zette de stoelen gereed en wachtte.

"Heb dank, waarde vriend," zei Marguerite, nog steeds lachend bij de gedachte, wat er in het hoofd van den waard op dit oogenblik moest omgaan, "we hebben niets meer te verlangen, hier is iets voor de moeite, die ge u voor ons hebt gegeven."

Ze stak Jellyband twee goudstukken toe, die deze eerbiedig aannam.

"Wacht even, Jelly," bracht Sir Andrew in het midden: "Lady Blakeney, ik vrees, we zullen iets meer moeten eischen van vriend Jelly's gastvrijheid. Het spijt me te moeten zeggen, dat we van nacht niet kunnen overvaren."

"Van nacht niet overvaren?" herhaalde Marguerite verbaasd. "Maar we moeten, Sir Andrew, we moeten! Er kan geen sprake zijn van niet kunnen, en wat het ook kosten moge, we moeten zien van nacht een schip te charteren."

Maar de jonkman schudde treurig het hoofd.

"Het zal geen kwestie zijn van kosten, Lady Blakeney. Er waait een ruwe storm van de Fransche kust, we hebben den wind vlak tegen, er valt met geen mogelijkheid te zeilen bij zulk weer."

Marguerite werd doodsbleek. Dit had zij niet voorzien.

"Maar we moeten gaan!--we moeten!" herhaalde ze driftig, "ge weet toch, dat alles ervan afhangt! Kunt ge er niets op vinden? Is er dan geen kans hoegenaamd?"

"Ik ben al naar het strand geweest," zei Sir Andrew. "Welken zeeman ik ook aansprak, allen verzekerden ze me, dat van uitzeilen geen kwestie kan zijn. Niemand," voegde hij erbij, Marguerite veelbeteekenend aanziende, "niemand zou van nacht in zee kunnen steken."

Lady Blakeney begreep terstond, wat met "niemand" bedoeld werd. Chauvelin evenmin als zij. Zij knikte Jellyband toe.

"Welnu, dan moet ik er wel vrede mee hebben," zei ze tot den herbergier. "Hebt u een kamer voor mij?"

"Wel zeker, Milady. Een lieve, gezellige, frissche kamer. Ik zal er dadelijk werk van maken... En voor Sir Andrew is er ook zoo een--beide geheel in orde."

"Nu, Jelly, dat vind ik uitstekend," zei Sir Andrew vroolijk, den gastheer op zijn schouder kloppend. "Je maakt de twee kamers open en laat de blakers met de kaarsen maar hier. Je zult wel doodmoe zijn, en Milady moet wat eten, voordat zij ter ruste gaat."

"Ik zal er terstond voor zorgen, Sir," zei hij. "Heeft Milady het noodige voor een souper?"

"Alles, dank u, waarde vriend, en ga, daar ik honger heb en ook doodmoe ben, nu maar heen en zorg voor mijn logies."

"Vertel me nu eens," drong ze aan, zoodra Jellyband zijn hielen gelicht had, "zeg me, Sir Andrew, al wat ge weet."

"Er valt niet veel meer te vertellen, Lady Blakeney," hernam de jonkman. "De storm verhindert ieder schip om nu uit te gaan. Maar als wij van nacht niet naar Frankrijk kunnen oversteken, dan zit Chauvelin in hetzelfde parket."

"Hij kan zijn uitgegaan, voordat de storm losbrak."

"Dat geve God!" zei Sir Andrew met leedvermaak, "want dan is hij ook bepaald uit den koers gedreven! Wie weet? Hij kan zelfs nu op den bodem liggen van het Kanaal. Maar alle zeelui, die ik heb aangesproken, zeiden me eenparig, dat sedert uren geen schoener van Dover was vertrokken. Van den anderen kant is me gezegd, dat een buitenlander, die per postrijtuig dezen namiddag was aangekomen, ernaar geïnformeerd had of hij ook naar Frankrijk kon oversteken."

"Dus zou Chauvelin in Dover zitten?"

"Zonder twijfel. Zal ik gaan en hem overhoop steken? Dat zou wel de meest practische manier zijn om uit de moeilijkheid te geraken."

"Neen! Sir Andrew, laten we niet gekscheren. Helaas! sedert den laatsten avond heb ik mezelve op den wensch betrapt, dat die duivel mocht sterven. Maar wat u aangeeft is een onmogelijkheid!"

Sir Andrew overreedde haar te gaan zitten, iets te eten en een glas wijn te drinken. Deze gedwongen rust van minstens twaalf uren, tot het eerstkomend getij was zeker moeilijk te harden in den hoogst opgewonden toestand, waarin de Lady verkeerde. Hij maakte haar recht gelukkig door over Percy te spreken. Hij haalde in haar tegenwoordigheid op van de stoutmoedige ontsnappingen, die de dappere Roode Pimpernel voor de Fransche vluchtelingen al had uitgedacht en uitgevoerd. Hij liet haar vroolijk lachen over de vele vermommingen, waarmede hij de scherpst toeziende schildwachten aan de barrières van Parijs had verschalkt. Het laatste feit, de ontsnapping van de Gravin de Tournay en haar kinderen, was een waar meesterstuk geweest.

En zoo verliep er een uur. Er waren er evenwel nog meer voor den boeg. Met een ongeduldigen zucht stond Marguerite van tafel op.

Zij dacht er over, waar Percy nu kon zijn. De Day Dream was een hecht gebouwd, zeewaardig jacht. Sir Andrew gaf als zijn meening te kennen, dat het buiten twijfel over het Kanaal was gekomen vóór het losbreken van den storm, en anders rustig te Gravesend moest liggen.

Briggs was een ervaren zeeman en Sir Percy wist een schoener even goed als de beste gezagvoerder te besturen. De storm zou hen niet in gevaar hebben gebracht.

Middernacht was lang voorbij, toen Marguerite eindelijk zich ter ruste begaf. Zooals ze had voorzien, daalde geen slaap op haar oogleden en zamelden zich de somberste gedachten op in haar vermoeid en geteisterd brein.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TE CALAIS.

De vervelendste nachten, de langste dagen komen vroeger of later ten einde.

Na een slapeloozen nacht stond Marguerite vroegtijdig op, voordat iemand in huis zich nog verroerde, in vreeselijk opgewonden toestand, met brandend verlangen de reis te aanvaarden.

Naar beneden komend, trof ze Sir Andrew Foulkes, die reeds in de gelagkamer zat. Hij was een half uur vroeger uitgegaan naar den Admirality-Pier en had gehoord dat geen vaartuig Dover nog kon verlaten. De storm was toen op zijn hoogtepunt, en het getij verliep. Zoo de wind niet minderde of veranderde, zouden zij, alvorens men zee kon kiezen, nog een half etmaal moeten wachten tot het volgende getij. En de storm minderde niet, en het getij liep snel ten einde.

Marguerite geraakte bijna tot wanhoop, toen ze dezen treurigen tegenspoed vernam. Alleen haar standvastig besluit verhoedde, dat zij den moed geheel en al liet zakken en aldus den angst van den jonkman mocht vergrooten. Sir Andrew trachtte die bekommering te ontveinzen, al bemerkte Marguerite zeer goed, dat hij even bezorgd was als zij, om tijdig zijn makker en vriend te bereiken. Deze gedwongen werkeloosheid was vreeselijk voor beiden.

Hoe zij dien vervelenden dag te Dover doorbrachten, kon Marguerite later nimmer verklaren. Zij was bang zich in het openbaar te vertoonen, uit vrees, dat Chauvelin's spionnen op den uitkijk zouden staan. Daarom maakte ze gebruik van een afzonderlijk zitvertrek, en zat zij daar met Sir Andrew, uur aan uur, na lange tusschenpoozen iets gebruikende, met niets anders te doen dan denken, gissen en nu en dan eenige hoop te koesteren.

De storm was juist te laat gaan liggen. De eb was te ver ingetreden, om eenig vaartuig zee te laten kiezen.

De wind was gekeerd en veranderd in een frissche noordwestelijke bries, juist de geschikte wind om spoedig mee naar Frankrijk over te steken.

En daar waren deze beiden nu wachtende, uitziende of het uur ooit zou slaan om eindelijk te vertrekken. Een gelukkige tusschenpoos had zich tijdens dien langen vervelenden dag voorgedaan, en dat was toen Sir Andrew andermaal naar den pier was gegaan en daarop terugkwam, om Marguerite te zeggen, dat hij een handigen schoener had gehuurd, gereed om zee te kiezen, zoodra de vloed kwam opzetten.

Van dat oogenblik was er minder hopeloosheid in het wachten. Eindelijk dan, tegen vijf uur in den namiddag, vonden Lady Blakeney en Sir Andrew Foulkes hun weg naar den pier.

Eenmaal aan boord, deed de fijne, frissche zeelucht haar weldadig aan.

De zonsondergang was prachtig na den storm, en toen Marguerite de krijtheuvels van Dover van lieverlede uit het gezicht zag verdwijnen, gevoelde zij zich kalmer en hoopte bijna weer op een goeden uitslag van haar ondernemen.

Langzamerhand begon Frankrijks grauwe kust weer uit den avondhemel te dagen en kort daarop landde Marguerite aan den Franschen oever. Ze was weer terug in haar land, waar op dit oogenblik haar landgenooten hun medemenschen bij honderden ter slachtbank sleepten, onschuldige vrouwen en kinderen bij duizenden onder de moordbijl deden sneven.

Uit de blikken der bevolking, zelfs in deze afgelegen stad aan het zeestrand, sprak het ziedend schuim der revolutie. De mannen droegen allen roode mutsen met de driekleurige kokarde links, en zagen er somber en argwanend uit.

Zonder meer dan enkele woorden te wisselen, geleidde Sir Andrew haar recht door de stad, naar de tegenovergestelde zijde, waar zij geland waren, op den weg naar Kaap Gris-Nez. Tijdens den storm was er veel regen gevallen in den afgeloopen nacht, en Marguerite zonk somwijlen tot over de enkels in de modder, want de wegen verkeerden in een verschrikkelijken toestand en waren niet verlicht.

Maar zij sloeg geen acht op deze onbeteekenende ongerieflijkheden.

"Wij kunnen Blakeney ontmoeten in de "Chat Gris", had Sir Andrew gezegd, en zij wandelde als op rozenbladeren, want zij zou hem nagenoeg terstond ontmoeten.

Eindelijk bereikten zij hun doel. Sir Andrew kende blijkbaar den weg, want niemand had hij eenige inlichting gevraagd. De duisternis was reeds te zeer ingevallen voor Marguerite, om het uiterlijk van die herberg te onderscheiden. De "Chat Gris" was blijkbaar een kleine aan den weg gelegen kroeg, op geringen afstand van de kust, want het geruisch der zee scheen van verre tot hen door te dringen.

Sir Andrew klopte met zijn rotting op de deur; een brommend geluid, gevolgd door eenige vloeken, ontsnapten niet aan Marguerite's oor.--Sir Andrew klopte andermaal, ditmaal krachtiger; meer vloeken volgden en daarop hoorde men iemand met langzame schreden zich naar de deur begeven. Deze werd geopend, en Marguerite stond op den drempel van het vunzigste vertrek, dat ze ooit in haar leven had gezien.

Het behangsel, zooals het was, hing aan flarden van den muur, er scheen geen enkel meubelstuk in het vertrek aanwezig, dat op "heel" kon aanspraak maken. De meeste stoelen hadden gebroken rugleuningen of geen zitting; een hoek der tafel werd gesteund door een stuk brandhout, omdat er een poot aan ontbrak.

In een hoek van de gelagkamer hing een soepketel over het vuur. Aan één zijde van het vertrek, hoog bij de zoldering, bevond zich een soort vliering, waarvoor een gescheurd gordijn hing, van blauw en wit gestreepte kleur. Een versleten trap leidde naar dien zolder. Het vertrek zelf werd flauw verlicht door een viezen reuk afgevende olielamp.

Op de groote kale muren zag men hier en daar met krijt en in groote letters de woorden geschreven: "Liberté--Égalité--Fraternité"--de befaamde, holklinkende leuze "Vrijheid--Gelijkheid--Broederschap".

"Engelsche reizigers, burger!" zei Sir Andrew in het Fransch tot het individu, dat de deur had geopend, een ouderen, stoer gebouwden boer, gehuld in een vuilen blauwen kiel, met voeten in zware klompen, waar rondom stroohalmen uitstaken, vieze bruine kousen en de onvermijdelijke roode muts met de driekleurige kokarde op het hoofd. In zijn mond stak een stomp houten pijp, waaruit een geur steeg van knastertabak, die de reukzenuwen op een zware proef stelde. Met groot wantrouwen gluurde hij naar de twee reizigers en mompelde binnensmonds; "Sacrrrés Anglais!" daarbij op den grond spuwend, om zijn onafhankelijkheid van geest te kennen te geven; niettemin ging hij op zijde om de "Sacrrrés Anglais" binnen te laten, zonder twijfel wel wetende, dat deze "Vervloekte Engelschen" altijd wel gevulde beurzen hadden.

"Vreeselijk!" zeide Marguerite, het vertrek binnentredend en haar zakdoek voor den neus houdend, "wat een schrikwekkend hol is dit! Bèn je wel zeker, dat het de plaats is?"

"Positief zeker," antwoordde de jonkman, een stoel afstoffend voor Marguerite, "doch ik moet bekennen, dat ik nooit in mijn leven afzichtelijker krot heb gezien."

De waard van de "Chat Gris"--Brogard--had van zijn gasten geen verdere notitie genomen; hij onderstelde, dat ze aanstonds wel wat eten zouden bestellen, maar hij zou immers geen vrij burger geweest zijn, indien hij eenige wellevendheid, beleefdheid, of hoe men het noemen wilde, aan den dag had gelegd tegenover wien ook, althans niet jegens een welgekleed individu.

Over den haard neergebogen, zat een in lompen gehulde gedaante, naar alle waarschijnlijkheid een vrouw. Ze zat daar, in zichzelf mopperend, en nu en dan de soep roerend, om deze tegen aanbranden te behoeden.

"Hei daar, vriend!" zei Sir Andrew ten laatste, "we zouden wel wat willen eten... De burgeres ginds," voegde hij er bij, terwijl hij op de vrouw in vodden wees, die bij den haard zat, "maakt, als ik me niet vergis, daar een heerlijk soepje klaar, en mijn meesteres heeft sedert uren geen voedsel genuttigd."

Brogard had eenige oogenblikken noodig om het vraagstuk te overwegen. Een vrij burger staat maar niet zoo terstond klaar, om zich naar het verlangen te voegen van hen, die iets van hem moeten hebben.

"Sacrrrés aristo's!" mopperde hij, toen hij naar een glazen kast scharrelde, daaruit een oude tinnen soepterrine te voorschijn haalde en die, zonder een woord te zeggen, zijn oudje aanreikte, die even zwijgend dat voorwerp met de soep begon te vullen.

Marguerite had al deze toebereidselen met onverholen walging aangezien.

"Onze gastheer en gastvrouw zijn geen vroolijke menschen," zei Sir Andrew, den blik van afgrijzen op Marguerite's gezicht ontwarend. "Ik wenschte u een smakelijker maal te kunnen verschaffen, maar ik denk wel, dat u de soep genietbaar en den wijn goed zult vinden."

"Maak u omtrent mij niet bezorgd," zei ze minzaam. "Mijn hoofd staat er volstrekt niet naar, om me over eten te bekreunen."

Brogard legde een paar lepels neer en zette twee glazen op tafel. De gewaande lakei veegde een en ander zorgvuldig af. De kastelein had ook een flesch wijn en wat brood voor den dag gehaald, terwijl Marguerite een poging deed haar stoel bij de tafel te schuiven en aanstalten maakte om wat te eten. Sir Andrew vervulde daarbij de rol van lakei en stond achter haar stoel.

De soep was werkelijk niet kwaad, ze voldeed aan geur en smaak. Marguerite zou ervan genoten hebben, indien de omgeving niet zoo afstootend was geweest, ze brak evenwel het brood en dronk van den wijn.

Brogard, na het strikt noodige op tafel te hebben gezet, scheen zich niet verder om zijn gasten te bekommeren. Moeder Brogard was stilletjes het vertrek uitgesloft, de man drentelde over den vloer, zijn walgelijk riekend pijpje smokend, somtijds Marguerite den walm in het gezicht blazend, zooals hij, als vrij burger en ieders gelijke, meende te mogen doen.

"De duivel hale dien kerel!" zei Sir Andrew, terwijl Brogard al rookend tegen de tafel leunde.

Hij had Marguerite's raad gevolgd en was naast haar gaan zitten, beiden namen ze den schijn aan, alsof zij aten en dronken.

"Zie dat je den vent in zijn humeur houdt," zei Lady Blakeney, "opdat hij de vragen beantwoorde, die we hem moeten doen."

"Ik zal mijn beste beentje voorzetten, maar liever gaf ik hem een trap. Zeg eens, vriend," zei Sir Andrew in goed Fransch en Brogard fideel op den schouder kloppend, "zie je nog al eens luidjes van ons gehalte in deze streken? Ik bedoel veel Engelsche toeristen."

Brogard keek over zijn schouder naar den spreker, deed een paar trekken aan zijn pijp, en mompelde:

"Peuh!--somtijds!"

"Ja, Engelsche reizigers weten altijd, waar ze goeden wijn kunnen krijgen.--Vertel me eens... mijn mevrouw zou graag weten, of je bij geval een goeje kennis van haar hebt ontmoet, een Engelsche heer, die nog al eens voor zaken naar Calais komt, hij is een rijzige man, hij ging onlangs naar Parijs--mijn mevrouw dacht hem te Calais aan te treffen."

Brogard nam zijn tijd voor een antwoord, daarop kwam het langzaam bij hem eruit:

"Een lange Engelschman? Vandaag?--Ja."

"Heb j'em gesproken?" vroeg Sir Andrew achteloos.

"Ja, vandaag," mompelde Brogard knorrig. Daarop nam hij kalm Sir Andrew's hoofddeksel van een nabij staanden stoel, zette dit op, trok aan zijn smerige kiel, alsof hij met het een en ander wilde aanduiden, dat het individu in kwestie mooie kleeren droeg. "Sacrré aristo!" mopperde hij, "die lange Engelschman!"

Marguerite kon nauwelijks een luiden schreeuw inhouden.

"Dat is Sir Percy, het kan niet duidelijker," prevelde ze voor zich.

"Ja wel, vriend," zei Sir Andrew, Brogard met dezelfde gemaakte luchtigheid toesprekend, "mijn meester draagt altijd mooie kleeren; de lange Engelschman, dien je gezien hebt, was bepaald de vriend van mijn mevrouw. En hij is vertrokken, zeg je?"

"Hij ging heen... ja... maar hij komt terug... hier--hij heeft avondeten besteld..."

"Hier!" bracht Marguerite eensklaps in het midden. "Hier--zei je niet, dat de Engelsche heer hier terugkwam?"

"Peuh!" mompelde Brogard, "hij heeft eten besteld--hij komt terug... Sacrré Anglais!"

"Maar... waar is hij?--Weet je dat soms ook?" vroeg Marguerite.

"Hij ging een paard en wagen halen."

"Hoe laat zoo wat?"

Maar Brogard had blijkelijk genoeg van het verhoor. Hij achtte het niet passend voor een burger--die ieders gelijke was--om op die manier ondervraagd te worden door die sacrrés aristos, al waren ze ook rijke Engelschen.

"Dat weet ik niet," antwoordde hij norsch. "Ik heb genoeg gezegd... Hij bestelde avondeten. Hij ging uit.--Hij zal terugkomen. Voilà!"

En met de afscheidsbeweging van zijn vrij burgerschap en rechten, die hem veroorloofden zoo brutaal te zijn, als hij verkoos, klotste burger Brogard het vertrek uit en sloeg de deur achter zich dicht.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HOOP.

"O, Sir Andrew!" riep Marguerite uit, toen Brogard zich had verwijderd, "ik zou kunnen dansen van pleizier! Neen, nu hebben we niets meer te vreezen. Onze sloep ligt aan het strand, onze schoener aan de ree, en Blakeney zal hier komen, onder ditzelfde dak; binnen een half uur misschien. Neen! er is niets, dat ons in den weg staat, Chauvelin en zijn bende zijn nog niet aangekomen."

"Neen, Milady, ik vrees, dat we dit niet weten."

"Wat wilt ge daarmee zeggen?"

"Chauvelin was te Dover, gelijk met ons."

"Toch ook als wij opgehouden door den storm?"

"Precies. Maar ik heb het u te voren niet willen zeggen, uit vrees van u ongerust te maken--ik zag Chauvelin aan het strand, een vijf minuten voordat wij ons inscheepten. Al was hij vermomd als een curé, een volmaakt dorpspastoor, ik had hem toch in de gaten. Ik hoorde hem onderhandelen over een schoener, die hem spoedig naar Calais moest brengen; hij zal zoowat binnen een uur na ons van wal zijn gestoken."

De vreugde van Marguerite's gelaat had spoedig plaats gemaakt voor naamloozen schrik. Het ontzettend gevaar, waaraan Percy was blootgesteld, nu hij zich op Fransch grondgebied bevond, stond haar in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Chauvelin zat hem op de hielen; hier in Calais werd hij almachtig, één woord slechts van hem en Percy was gearresteerd en...

Het was maar om één uur te doen--het ééne uur, dat Marguerite en Sir Andrew voor hadden op hun tegenstanders--het uur, binnen welk Percy moest gewaarschuwd worden tegen het gevaar, dat hem dreigde en men trachten moest hem te overreden, af te zien van de roekelooze onderneming, die alleen kon uitloopen op zijn eigen verderf.

Maar dit eene uur was thans verstreken.

"Chauvelin kent deze herberg uit de papieren, door hem gestolen," zei Sir Andrew ernstig, "en zal bij zijn aankomst terstond er op afgaan."

"Hij is nog niet aan wal," zei Marguerite, "we zijn hem een uur vooruit en Percy zal aanstonds hier zijn. We kunnen weer midden in het Kanaal zeilen, vóór Chauvelin zal bemerkt hebben, dat we tusschen zijn vingers zijn doorgegleden."

Haar jeugdige vriend schudde bedenkelijk het hoofd.

"Weer stilte, Sir Andrew?" zei ze met eenig ongeduld. "Hoe komt ge het hoofd weer te schudden en zoo neerslachtig te kijken." "Heusch, Milady," antwoordde hij, "'t is alleen, omdat u bij het maken van uw rooskleurige plannen vergeet met den voornaamsten factor rekening te houden."

"Wat, in 's hemelsnaam wilt ge hier nu mee zeggen?--Ik vergeet niets... Welken factor bedoelt ge?" vulde ze met nog meer ongeduld aan.

"Zoudt u denken, dat Blakeney van Calais zal vertrekken zonder volbracht te hebben, wat hij voornemens was hier te verrichten?"

"Ge wilt zeggen...?"

"De oude Graaf de Tournay..."

"De Graaf...?" prevelde ze.

"Armand St. Just... en anderen."

"Mijn broer!" riep ze met een hartverscheurenden angstigen kreet.

"De hemel zij me genadig, ik had vergeten..."

"Al deze menschen wachten op dit oogenblik met volkomen vertrouwen op de komst van den Rooden Pimpernel, die zijn woord van eer heeft gegeven, hen behouden over het Kanaal te brengen."

Inderdaad was ze het vergeten. In de laatste vierentwintig uur had maar één gedachte haar bezig gehouden--zijn redding.

"Sir Percy Blakeney zou niet de vertrouwde, geëerde leider zijn van een twintigtal Engelsche heeren," zei Sir Andrew, "zoo hij hèn in den steek liet, die op hem vertrouwen als op een rots. De gedachten alleen, dat hij zijn woord kan verbreken, is zoo schandelijk mogelijk!"

Er heerschte een oogenblik van pijnlijke stilte. Marguerite zat met beide handen voor het gelaat en liet haar tranen langzaam langs haar bevende vingers glijden. Sir Andrew sprak geen woord, hij wist, dat Blakeney ieder gevaar zou trotseeren, eerder het onmogelijke zou beproeven dan zijn woord breken.

"Sir Andrew," sprak Marguerite eindelijk, alles in het werk stellend om haar tranen in te houden, "gij hebt gelijk, en ik zou mezelf moeten schamen over mijn onbewuste poging hem van zijn plicht af te brengen. Zooals ge zegt, het zou ook vergeefsche moeite zijn. God schenke hem kracht en overleg! Intusschen meen ik, dat we geen tijd moeten verliezen. Ik geloof altijd nog, dat zijn redding en behoud afhankelijk zijn van zijn wetenschap, dat Chauvelin hem op het spoor is."