De roman van den schaatsenrijder

Chapter 7

Chapter 74,088 wordsPublic domain

Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aan Tieldeken van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.

Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa's, of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.

Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daar ergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in 't gezicht te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achter een boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween.

Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en 't zong in mij, van hoop en schoonheid.

Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om liefst de boot te nemen.

'k Was in een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en 'k glimlachte, heel teer, heel zacht.

Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoeg prikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa's en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed.

De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart!

Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van 't haardvuur, in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat was Tieldeken van Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.

De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hing er als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige "skyscrapers."

De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en 't gewoel der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was 't mij te moede alsof die strijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud.

In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen voor tien, naar Martin's en liet mij daar royaal bedienen.

Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan 't tafeltje; en samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, gespeeld op een podium, door zwartharige, olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten mede naar 't verleden, naar 't vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.

Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op 't ijs en voerde hij zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan 't schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan 't knoeien zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van 't Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde in mij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij de rekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota's op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende, verlammende schimbeelden uit 't verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen.

IV

--Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook 's winters op den vijver schaatsgereden werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker.

De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en 'k durfde niet.

Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke dagen, ter verovering van den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.

Ik merkte, of, beter gezegd, ik "voelde," zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:

--The ball is up!

The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde.

The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als 't maar geen valsch bericht is! Mijn oogen priemden in 't verschiet tusschen de villa's en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden!

Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op 't ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over 't ijs en zwierde....

Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. 't Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders, dacht aan niets anders. 't Was als een soort van dronkenheid. Ik trok een paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.

Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan 't probeeren met figuren, doch 't ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch was 't gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op 't ijs.

Toen zag ik haar, háár, eensklaps!

Ik zag haar heel op 't uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszins beschermend, begeleidend bij de hand hield.

Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.

Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende haar, glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich 'k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even 't wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.

Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op 't ijs. Ik trok enkele krullen. Het ging wel, maar onbewust als 't ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, met _mijn_ beenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij 't overige van mijn physiek wezen pasten.

Daar kwam ze weer terug, met 't kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.

--Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.

Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende 't bij-de-hand gezicht van "Auntie," die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde.

Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar "Auntie" zich met haar familieleden in 't heerlijk zonnetje zat te koesteren.

"Auntie" stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had.

Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de "old country," in België, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.

--België.... is dat in "Germany?" vroeg "Auntie" met haar intelligente, levendig-schitterende oogen.

--Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een apart koninkrijk, dat niets met "Germany" te maken heeft.

Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat inderdaad België niets met "Germany" te maken had. "Auntie" vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar man gelijk had.

Maud en 't kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.

Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot 't kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij naar het kleintje wees:

--Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed.

--Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend.

Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.

--Nou dan, zei ik.

Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde 'k weet niet welke kunsten en figuren uit.

--How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.

Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog.

Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde 't, struikelde, strekte een hand uit, die in _mijn_ bevende hand terecht kwam.

Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend naar de bank toe:

--Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!

Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.

--Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei "Auntie."

Ik gaf "Auntie" en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met 't opgetogen kleintje rond.

Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul gemaakt moest worden.

Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.

--Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.

Zij herbegon, maar het ging nog niet. "Auntie" mengde zich in de les, riep, van op de bank: "naar achter, naar achter, het linkerbeen naar achter."

--Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.

--Mag ik u soms even vasthouden? vroeg ik.

--Graag, antwoordde zij.

Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend stutten en droegen.

--Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!