De roman van den schaatsenrijder
Chapter 5
Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn schaatsen aan en weg was ik, in één adem door, naar de stad toe. Op het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter, den Grooten Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk aan 't zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden; maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij of er op mijn lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich beter zouden kunnen oefenen.
Een licht ging vóór mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal te benaderen. In mijn eentje,--dat voelde ik wel,--zou het mij lastig, zooal niet onmogelijk zijn, met haar in aanraking te komen. Maar in gezelschap van anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans op. Mijn oogen straalden en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen.
--Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens hier vandaan, vlak vóór 't kasteel van X. zei ik.
Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier rijdens, 't was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs als ik zei en werd er daar nog meer gereden?
--De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging, alsof dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen.
Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft verraden. Zij keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei spottend:
--Hohóó! En zijn er knappe meisjes onder?
Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde 't bloed onder mijn wangen gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden. Doch wat ik ook al zeggen wou, 't bleek overbodig, zij hadden mijn geheim op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de dolste pret om. Zij vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel 'k weet niet wat gegeven als ik daar nooit over begonnen was; maar 't was te laat, zij raakten opgewonden over het geval en ondanks mijn halsstarrige ontkenningen en mijn verwoede tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur, op de aangewezen plek, vóór het kasteel, zouden verwachten.
--Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip bijtend. En 'k was ook vast besloten niet te komen. Ik was zóó ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug zou zien.
Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij zóó diep ongelukkig gevoeld. 't Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets daarbij vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere illuzie, mijn schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en vernietigd had!
Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou veranderen, dat het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo heerlijk in rein-stillen hemel gestraald en gebloeid als dien ochtend en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij zeker komen, evenals het vast en zeker was, dat ook de bewoners van 't kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren.
Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. 't Werd negen uur, kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij elk oogenblik mijn horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en 't zou te laat worden, ik zou er niet meer kùnnen komen! Of zou ik wellicht toch.... al was 't maar op een afstand.... van verre.... ergens mij verschuilen.... kijken, al was 't maar om te weten of ze werkelijk gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij krankzinnig worden van onrust en ellende; en plotseling was mijn besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur, holde buiten, kwam aan 't kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn leven op het spel stond.
Nog nooit had ik zóó gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel ik als 't ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven en dood, dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen stroomden. "Die moet er zijn!" riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen heen zagen razen. Eerst toen ik in de buurt van het kasteel gekomen was, bedaarde ik een weinig. Ik kòn ook niet meer. Ik was letterlijk op. Maar ik verademde in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar rustig op 't gewone plekje aan 't rondrijden was, zonder een van mijn gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet; ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans een soort contrôle uitoefenen op hun optreden en zorgen, dat ze geen gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam verder, in de richting van 't kasteel toe.
Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, gansch badend in stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds, in mijn rijke en vlugge verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide van liefde en tranen van geluk en zelfverteedering kwamen in mijn oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef op het verrukkelijk plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in mij zelf haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk, op de wangen, op de oogen, op de lippen....
In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm, met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest eens weten, ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen mij en staakten even hun nog steeds vrij sukkelige oefening om mij na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over het ijs. Ik hoorde hun opmerking: "C'est lui, c'est le même!" en 't zwol in mij van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de eerste was en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou worden, als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten.
Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had. Zij zwaaiden naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende pret.
--Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus pathetisch galmde: "Oh bel ange, ma Lucie!" De jonge dames giegelden en lachten.
--Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn wenkbrauwen fronsend.
Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, zooals meer gebeurt met stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte zich in vrij smakelooze uitbundigheden. Omdat een haan luid kraaide op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te kraaien. Omdat een waakhond blafte gingen zij ook aan 't blaffen en omdat de babbelkous van 't herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid naar hun rumoerigen optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen 't wijf in het Fransch gekke dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan.
--Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw vóór de zon ging versmelten.
Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen zij weldra in 't zicht van het mooie kasteel kwamen dat daar gansch glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden verlustigde, scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen van voor het voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij keken al niet veel naar het kasteel en zijn mooie omgeving, maar zagen dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking kwam om haar lippen, terwijl ze scherp-critisch het viertal opnamen.
--Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter.
--Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen rok en witte trui!
--Maar 't is al een oude! giegelden de twee anderen.
Ik voelde 't bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het ijs willen wegzinken!
--Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig.
De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte verschijning, stonden zij daar even op een rijtje, roerloos, met belangstelling ons opnemend. Zij wisselden enkele woorden, glimlachten, en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage stemming van stille, onverklaarbare hostiliteit.
--Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige belangstelling naar mij toe.
--Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord.
--Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had, dat de deftige familie slechts een troepje knoeirijders was.
En zij begon sierlijk te zweven.
De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er daar wellicht nog nooit ontvangen had.
Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder het haast te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met schrik en zei:
--Laten we liever een eindje meer naar 't midden der rivier gaan, ik vrees dat we hier hinderen.
Maar de meisjes protesteerden luide:
--Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen privé eigendom?
Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg, ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd te kijken, in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou.
De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds kleiner werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van stille hostiliteit, die ik al van 't begin gevoeld had, scheen zich te accentueeren, uit te breiden! 't Was ook te gek, zooals die steedsche meisjes zich daar aanstelden. Omdat ze iet of wat konden kunstrijden, deden zij alsof ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen minachting en spot naar 't gewurm der anderen. "Niet fameus, het rijden van je belle," riep een van haar mij in 't voorbijzwieren toe, luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar wel kunnen omvergooien van woede en 't schaamterood steeg als een golf naar mijn wangen.
--Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem, in opstand komend.
Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong op een kluitje samen.
--Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter.
Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed, het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden, als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars over het glooiend grasveld naar 't kasteel toe. Ik zag hem door de glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets heel gewichtigs, wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten:
--Hij gaat ons een glas port halen!
Mijn hart klopte en mijn knieën knikten. Nog nooit had ik mij zoo grenzeloos-ongelukkig gevoeld. "Asjeblief, schei toch uit," smeekte ik, terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten nog veel harder toen ze dat zagen en vooral die ellendige stadsjuffers hadden gemeene, onmeedoogende pret.
In 't kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam, met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte dwars over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje en had een groote witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden, als een eend op 't droge, naar de anderen terugliep.
De knecht was bij den rand van 't ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam, voorzichtig en stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe.
--Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron demande si voulez patiner un peu plus loin; ça est ici pour la famille.
--Qu'est-ce que vous me chantez là! riep brutaal de Groote Dichter, spottend wenkbrauw-fronsend.
--Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend.
Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus en de drie dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand, wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte. Dicht bij den oever, op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting, de deftige familie.
--Ça n'est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu'on me commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend, op een toon van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam.
Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik, achter een der ramen, een streng gezicht met witte bakkebaarden. Onder mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en versmolt zich vagelijk in den schemerigen achtergrond der kamer, als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een sloot laat zinken.
Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij protesteerden luide en met heftige gebaren dat de rivier aan niemand toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken.
--Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht onder den neus des huisknechts wringend.
--Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij zijn natuurlijk dialect mocht spreken.
--Hawèl, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus iets los dat de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in 't gezicht trof.
--Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe.
De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de deftige familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar 't kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd de grijze bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen, zegevierend maar toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes gedragen hadden. Het kookte zóó hevig in mij van ergernis en woede, dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen uitschold voor ik weet niet meer wat en hem op staanden voet in duel provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed er niet toe, ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld het geschil op het ijs uit te vechten.
De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde mij sprakeloos met de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter werden ineens ernstig en de jonge dames waren bang en hadden tranen in haar oogen.
--Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de Groote Dichter.
--Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort en stijf, met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed ik weg, in stugge, woeste vijandschap.
Toen zakte 't eensklaps neer in mij, en 'k voelde mij ellendig slap en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet als een klein kind te schreien.
Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos op den oever zitten, in de zachtstralende winterzon.
Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot op mij neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was en in de liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem, die ik de laatste tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden, Quiline, Tieldeken, nu had ik eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe koud en hoe verlaten het ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche woestijn. Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid en 't werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef.
Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte....
Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik schreide goed en diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde ik een soort weldadige matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag naar sterkend voedsel vroeg. Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik had honger. 't Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, 't verlies van Quiline knaagde nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam, waar een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder aarzelen aan wal en ging er binnen.
Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden) een goed glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... 't begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid versmolt al ietwat in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen; en door het raam genoot ik van een prachtig vergezicht: de bevroren rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten molentje op een aardig begroeiden heuvel, het dorp met glinsterend-wit kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en links in het besneeuwd verschiet en over dat alles heen de eindelooze koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar 't Westen neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen, als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie.
Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend voor den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor afzonderlijk klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche rust en heerlijkheid.
Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle droom, mijn dolle liefde voor die freule van 't kasteel, tienmaal gekker nog dan mijn sentimenteele opwinding voor Tieldeken van Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere misschien wel tien jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een kwâjongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen.
Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als 't ware een nieuw en ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar geleden, zooals alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had mij gesterkt en 'k was een man geworden. Ik reed terug naar huis en 't was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar pas gebeurde en geledene doezelde reeds in wazige verschieten weg en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende levenslust, vol lokkende hartstochten en avonturen.
't Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer verlaten ijsvlakte glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het stille sneeuwveld langs de oevers kleurde zich met doffe, violette tinten, terwijl de gansche westenhemel roze werd, van een egaal en zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder, in lei-kleurige schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder merkbare oorzaak en lange echo's dreunden na tot in de verte, als doffe kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen driehoek in de ijle lucht, heel hoog, héél hoog, zoodat men nauwelijks het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De eerste sterren twinkelden mirakuleus....
Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen tusschen de gordijnen en 't kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte, zooals ik er in weken niet meer had gehoord. Huiverend stond ik op, schoof de gordijnen weg, wreef over 't ijs der ruiten en staarde even in den lichten hemel.
Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer schommelen en uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven, die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden.
--De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten.
--De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen van den dooi lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren, en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid weer mijn oogen sloten.
Toen ik 's ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest dàt nu 't droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke illuzies in 't verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en regende, en het woei en het loeide, en de dagen volgden de dagen in troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en rijke en sterke en frissche bleef niets dan akelige slijk en vuile weekheid over.