De roman van den schaatsenrijder
Chapter 4
Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd is.... Ik herinner mij slechts vagelijk haar snerpenden angstgil en zijn razend gevloek en beider struikelende vlucht over het ijs, naar den nabijen oever toe. Ik meen dat hij nog even, toen hij mij ontdekt had, met woeste verwenschingen op mij afkwam, maar spoedig weer terugkeerde, toen hij zag dat ik op schaatsen stond en hem in elk geval de baas zou zijn. En haar,--dat althans herinner ik mij duidelijk,--haar zag ik verder vluchten, vluchten, tot zij de herberg van haar ouders had bereikt, en de deur openrukte en met een rinkelenden smak weer dichtgooide. Het oogenblik daarna was alle licht daar uit en op het spookachtig wit-en-zwarte torentje van Meylegem sloeg het langzaam in de nachtelijke stilte tien uur: dat herinner ik mij nog heel goed, heel duidelijk.
Toen reed ik langzaam heen, gedrukt, en droef, en zwak, en ongelukkig zooals ik nog nooit in mijn jong leven was geweest. De koude, strakke ijsvlakte lag daar vóór mij als een vergane en uitgedoofde wereld, waarop geen mensch meer leven kon. 't Was de totale eenzaamheid, de absolute doodschheid en verlatenheid, de wanhoop en vernietiging van alles; en ik snikte, ik snikte hardop in die groote desolatie; ik snikte om ook maar voor altijd dood en voor eeuwig vergeten te zijn.
O Meylegem-Zuid en o Tieldeken-schoon, wat is dat alles lang en lang verleden! Wat heb ik later dikwijls met mijn wanhoopsmart van toen gespot en wat heb ik het meer dan eens betreurd, dat ik toen nog zoo jong en dom was en in mijn nuchtere, sentimenteele onervarenheid niet guller heb genoten van wat gij toch wel geven kondet en ook geven wildet.
Want ik ben toch tot u teruggekomen, weet ge 't nog wel, o Tieldeken; en gij zijt goed en lief geweest voor mij, zooals gij goed en lief waart voor den pummel en voor nog veel anderen (dat heb ik eerst later geweten, o Tieldeken) maar ik was toen veel te jong om wat ge mij wel wildet geven naar waarde te schatten, en daardoor heb ik meer bij u geleden dan genoten, Tieldeken; doch nu, na al die jaren, blijft alleen het goede en lieve in mijn geheugen over en ik denk weer aan u met teederheid en weemoed; en ik zie weer uw mooie oogen die ik dicht zoende, en ik voel nog uw zacht en lenig lichaam dat ik zoo hartstochtelijk omhelsde; en zelfs uw beenen zie ik nog, o, Tieldeken: uw beenen die van boven welgevormd maar langs onder ietwat krom waren, het eenigste wat u een beetje ontsierde en mij uw verlies (ik zal het u thans maar bekennen) toen ik u toch eenmaal verliezen moest, niet troosteloos-ondragelijk maakte.
Waar zijt ge nu, o Tieldeken? Leeft ge nog en àls ge nog leeft, wat is er van u geworden in de afgrijselijke ramp die 't schoone vaderland geteisterd heeft? Zijt gij gevlucht, als zooveel duizenden en duizenden, in nood en armoede, ergens in 't verre onbekende; of zijt ge gebleven waar gij waart, op het mooie, poëtische Meylegem-Zuid, waar nu de vreemde overweldiger, de vijand, heerscht? Zijt gij geworden als uw moeder, een oude, vervallen vrouw, met nog overblijfselen van vroeger schoonheid, maar met ingevallen, tandeloozen mond, die "dreupelfs" bestelt en nijdig met de klanten kibbelt; of ligt gij reeds lang in uw graf, ge weet wel, Tieldeken, daar op 't lieve kerkhofje onder het oud en blank kerktorentje, dicht bij het ouderwetsche huis waar gij altijd gewoond hebt en waar mijn eerste jongelingsliefde zoo vurig voor u heeft gegloeid! O, Tieldeken, ziet gij nog wel ooit de weidsche, overstroomde Meylegemsche Meerschen? Komt daar nog wel ooit van verre een schuitje aangevaren, licht als een vogel, met een wapperend en klapperend wit-en-rood vaantje op de scherpe punt; en verschijnt daar 's winters, als alles glinsterend bevroren ligt, nog wel eens een kunstrijder, die er voor 't oud gemeentehuis komt ronddraaien, omringd door een opgetogen schaar bewonderaars, welke nog het legendarisch en fabelachtig boerke-van-Meylegem meenen te zien?
Wie zal het mij nu zeggen!....
IV
HET LAND IN
Die teedere herinnering aan 't mooie Tieldeken en aan het poëtische Meylegem-Zuid heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd voorbijgeloopen en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat nog tusschen toen en nu ligt.
"Les fleuves," zei Pascal, "sont des chemins qui marchent." De ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken. Hoe is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom de vreugdewegen uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich maar heeft te laten gaan, om spoedig en gemakkelijk te komen, waar men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen bij te wonen, die men anders niet zal zien en niet zal bijwonen!
Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar 't kanaal, dat hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte, tot weldra de open geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend dicht lag, hard-dicht, als één lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met boomen beplante oevers van 't kanaal.
Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden; en bovenal zou er niet vóór het goed sterk was, een sleeper doorheen varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen hoop als ijle rook vervliegen deed?
Somtijds, helaas! helaas! kwam er op 't allerlaatste oogenblik werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend, een schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder opkomt, gansch rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld. De handen waren verkleumd, de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen straalden en met mijn schaatsen onder den arm liep ik naar 't kanaal toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd.
Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn beenen verlamde en den adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en akelig-langgerekt, als een noodkreet van verwoesting: de stoomfluit van een sleeper!
Hoe was het mogelijk! 't Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het gelooven en holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een akelige zinsverbijstering van mij was.
Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en onder die rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door 't mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen had ik kunnen snikken van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde oppervlakte boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als 't ware schreien onder 't kraken; ik zag de van elkaar gerukte schotsen naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos vernietigen van al die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds werkelijkheid was; en zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar het werk van de vernielers en aan de zwarte, vuile mannen daar op 't dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar den kelder wenschte. Zij lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen, oorverdoovend lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder in het dorp, de brug voor hen ophaalde.
Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop het ijs aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons genot kende geen grenzen meer.
O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland!
Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers was er omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende, poëtische Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat over het land heen lag uitgeslingerd met langs haar grillige boorden de schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de verrukkelijkste vergezichten welke een artiesten-ziel zich droomen kan.
O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes, zooals gij u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte klokgaten-oogen; lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast niet meer denken, zóó zwaar drukken mij heimwee en vrees. Maar zooals ik u tóén zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer van wit, en roze, en mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud, zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit!
Het was een wonder en ontroerend leven. Evenals de natuur zelve, schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe wezens van de menschen. Er ontstaat ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch vertoont zich, schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der schoone winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond, zonder wrange spijt noch wroeging na te laten.
O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs nog mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in 't voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende oogen; eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt weer verder, naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een vrije vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het vulde een uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach en een streeling, een opwekkende prikkeling der zenuwen, iets als de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo licht en verrukkelijk maakte. Want de grond en de basis van al dat heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor en waarop het gebeurde: het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer wegwoeien, zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een openbaring, en als 't ware een verovering. Bij ieder dorp, in elke kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen; en telkens hoorden wij, evenals vroeger te Meylegem-Zuid, uit de bewonderende scharen den kreet opgaan: "'t Es boerke van daar of van daar!" want ieder dorp, elk gehucht, hoe klein en onbeduidend ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand ooit gezien had, maar dien allen kennen wilden en in elken knappen, vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken.
Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna vergeten! En ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar 't was reeds dàt niet meer, de vrijheid trok, de onrust kwelde, de groote ijswegen van 't schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen, hoe ruim en heerlijk ook, waren reeds te klein geworden.
Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in.
V
DE GROOTE, DEFTIGE IJSLIEFDE
Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij ten slotte van uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote, drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra verkeerde ik er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder, den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen hartstochtelijke schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren midden in een elegante drukte van dames en heeren, die ook reden en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van kennissen zich uit en wij werden allen mondaine rijders en weldra zag men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten mantels en 't werd een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag, waaruit,--zoo werd gefluisterd,--wel een paar chic-que huwelijken zouden kunnen voortspruiten.
Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama's er aan, terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien wel dachten de meisjes zelven aan iets dergelijks, want haar oogen straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch wij.... neen.... wij dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en een beetje los en aardig flirten.
Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque met paarse viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig, frisch wezentje met appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van figuur met fladderende krullokken, zooals een musicus betaamt, kleefde vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat stijf en stroef in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts!
Nog niets bepaalds, maar wel iets in 't zicht!....
Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen, langs de vele en sierlijke lussen en bochten der poëtische rivier, rezen menige villa's, buitens en kasteelen op, die 's zomers allen vroolijk bewoond, maar bijna zonder uitzondering 's winters stug en dicht gesloten waren.
Bijna allen, maar toch niet àllen! Een was er, ongeveer halverwege tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar door werd bewoond. 't Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen, maar hem zelf nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en 't kon mij trouwens ook niets schelen.
Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier, die daar een breeden inham maakte. 's Zomers moest men er voorzeker van een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het water en de alomliggende weiden, bosschen en landouwen. Maar zelfs in 't barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde mij niet, dat de familie er 't gansche jaar door bleef wonen. Ik keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed en alleen verbaasde 't mij dat de menschen die daar leefden niet de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van 't ijs te profiteeren. Hoe is 't mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen: "Maar, menschen, komt nu toch op 't ijs, niemand in den ganschen omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak vóór zijn deur!"
't Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs kwam, waren zij werkelijk aan 't schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet, maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat "zij" het waren. Dat voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven waren ze: een jongeling van zeventien of achttien, twee meisjes van dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als een gouvernante en ten slotte een jonge dame van misschien acht en twintig of dertig, een beeldschoone vrouw.
'k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed, verliefd geworden op het ijs, maar zóó totaal en overweldigend-verliefd als ik dáár werd op 't eerste zicht, neen, dàt was mij nog niet overkomen. Ik had maar één plotse afschuwelijke, alles-vernietigende vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde oogenblik dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere meisjes familiair haar naam "Olga! Olga!" uitroepen en het streek als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart.
Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen, en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig, donker haar, en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige gezien had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren, om haar te bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar, dat mouleerde haar mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden!
Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend, maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus, wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij reed heen en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden, evenals de gouvernante trouwens, die met moeite kraste en krabbelde, en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje, poogde zich te oefenen in 't kunstrijden, maar 't was armzalig, hij kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk oogenblik te zullen vallen.
Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok dan plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze 't goed konden zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste, allergecompliceerde kunstfiguren.
Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als 't ware pal van verbazing en bewondering.
--Olga! Olga! tu as vu, ça! riep een van de meisjes, in 't Fransch, tot de ontroerende schoone.
Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret, reed een eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat, als het lukte, een van mijn gróót-triomfen was.
Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl ze zich nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat er nog meer zou gebeuren.
Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts meer bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd, tè veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk kon en ik hijgde en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het uiterste geprikkeld en gescherpt en 't zou mij welkom zijn geweest als er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking, een klein accident, iets dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een kunsttoer, iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er voor dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde, en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken was. Ik remde midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en hinkte op één been naar den oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in 't oog, ik merkte duidelijk een spijtige, teleurgestelde uitdrukking op de gezichten en hoorde deze mij zoo zoet in 't oor klinkende woorden:
--Quel dommage! Il a cassé un de ses patins!
Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: "Zouden ze zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt er?".... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje staan kijken, wellicht wachtend of ik het gebrek kon repareeren en weer met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets van kwam, keerden ze zich weldra om en gingen kalm weer aan 't knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het was zoo mooi begonnen, 't liep alles zoo prachtig van stapel en nu, juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een nachtkaars uit! Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik dàt niet doen moest. Nu was er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener. Nu konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog met elkander over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op, met mijn rechterschaats onder den arm en op mijn linkerbeen alleen, dat 't sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en krachtig nog ondanks mijn ongeval, waardig en zelfs groot,--ik voelde het,--in den onverdienden tegenspoed die mij getroffen had. Even voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn gemoed zwol van trots en ik ademde diep. Ik voelde dat ik indruk had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van kleine huisjes aan den rand van 't water, waaronder een herbergje. Ik wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe, groette mij vriendelijk, praatte dadelijk over 't mooie weer en vroeg mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te doen had,--juist wat ik op dit oogenblik verlangde,--bestelde iets en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar bij 't kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was.
--Ha da ès toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide handen op haar heupen zettend.
Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat "zij" het was, dat "zij" het wezen moest. Het kon niet anders.
--Is dat de oudste van die jonge dames! vroeg ik, mij met inspanning zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend.
--Joa 't meniere; joa 't meniere, bevestigde de struische waardin. En zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw Quiline, een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron, inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo vriendelijk met alle menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, "en zuk 'n scheun vreiwe-meinsch, meniere, as 't 'n boeremeiske woare dat den helft van 't dorp d'r zot van zoe leupen!"
Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen daar, als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen gingen heerlijk zacht-verleidend vóór mij open; horizonnen van geluk en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst!