De roman van den schaatsenrijder
Chapter 3
Ik lette op en ja, waarachtig, er was wel iets van aan. Je kon het eigenlijk meer raden dan zien; maar toch, er ontbrak iets aan de mooie, rechte lijn, die bij zulk een mooi, flink meisje paste. Hoe gek, dat ik het nooit had opgemerkt! Nu zag ik het wel degelijk, ook aan haar gang, die een ietsje waggelachtigs had, als van een lief, jong eendje. Maar tot dusver had ik nooit zoo bizonder naar Tieldeken's beenen gekeken. Wat mij in haar boeide was haar frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooie glimlachende tanden en ook haar poezelige buste en haar malsche heupen, waarin ik zoo graag eens had geknepen. Dat vond ik hèt mooie in haar, het ideaal en meteen werkelijk--mooie; en de beenen, ach, dat was dan nog voor mij meer 't alledaagsche, het gewone, het laag-bij-den-gronde.
Die ruwe pummel, helaas, had met zijn lompe opmerking, iets aan de volmaaktheid mijner illuzie verstoord. Wat ik nu ook deed, voortaan zag ik altijd, naast Tieldeken's frissche schoonheid, het minder sierlijke harer ietwat kromachtige beenen. En dat bedroefde mij, terwijl het mij tevens toch ook een soort van troost bracht. Want daardoor werd ik soms iets minder smoor-verliefd op Tieldeken en voelde niet zoo sterk meer de schrijning bij het afscheidnemen van mijn tot dus verre absoluut volkomen en volmaakte ideaal. Er bleef mij trouwens nog ruim voldoende liefde en illuzie over.
O, dat afscheid van Tieldeken, ik in mijn licht schuitje en zij aan den oever van het breede water! Ik was slechts achttien jaar oud, doch ik kende reeds de legende van Lohengrin en romantisch zong de zwanezang in mijn verliefde ooren, terwijl ik statig wegroeide en haar gestalte zag verminderen, verminderen, tot het zich in 't grijze van de vroege avondnevelen versmolt. En dan liet ik verder mijn gedachten met het bootje op het water gaan, en alles scheen mij zoo frisch en zoo schoon en zoo zalig; er was in mij zulk een rijkheid van kracht en van leven, dat het mij scheen alsof de gansche wereld mij daar toebehoorde. De laatste teerroze gloed van den zonsondergang doezelde zacht-glanzend over het ouderwetsche blank kerktorentje van Meylegem-Zuid in de verte; de kleine ruitjes in de pittoreske boerderijen tintelden nog even langs den wegdeinenden oever, een klokje tampte en een wilde-vogelenvlucht streepte hoog met fijn geschreeuw naar 't westen; en over het somberend water, dat met vale glanzingen tegen den zijkant van mijn schuitje aanklotste, dreef ik midden in een grootsche eenzaamheid naar huis terug, mijn gele spanen lichtend-glijdend, mijn rood-en-witte vaantje flikkerend en wapperend en mijn gemoed vol van heldhaftige gevoelens, waarin het beeld van 't schoone Tieldeken oprees gelijk een vizioen van heerlijkheid, dat met mij meedreef en mij tot in de nuchtere realiteit van het weer vasten voet aan vasten wal zetten boeiend bleef begeleiden.
En 's winters, als het lang en sterk genoeg bleef vriezen, vroren ook de Meylegemsche Meerschen dicht!
Dat was een der grootste en gewichtigste gebeurtenissen in ons jonge-schaatsenrijdersleven.
Dat was dan iets waar je van trilde als van een wonder, dat bijna niet kón gebeuren. Wij gingen kijken, drie en vier maal daags, wij waagden ons een eindje, maar griezelden van al de verraderlijke, diepe slooten en putten die vol zwakke plaatsen en bedriegelijke wakken onder de spiegelgladde oppervlakte verborgen lagen, tot het eindelijk als een heldenmare alom verkondigd werd: "Die of die boer van Meylegem-Zuid is op schaatsen over 't ijs tot aan ons dorp gekomen!
Wat 'n emotie! Wij kwamen aan de groote vlakte, wij reden op, zoover als we gewend waren te durven rijden; en daar waar onze krassen en kringen eindigden, zagen wij, over het donkere, maagdelijk ijs, recht vóór ons uit, in de richting van Meylegem, voor het eerst andere krassen, die niet van _onze_ schaatsen waren!
Het leken als 't ware kabalistische teekens, forsch-gedurfde schreven van een kerel die zijn moed daar in het ijs gebeiteld had; en wij volgden die nauwkeurig met ontzag en eerbied, zooals men volgt de schreden van den eersten onverschrokken pionier door de gevaarlijke woestijn. De breede vlakte strekte zich vóór ons uit, als 't ware eindeloos. Wij waren daarin als kleine, donkere, verloren stippen. Soms kraakte 't ijs, dat op zijn water viel, alsof er een kanonschot was gelost en dan stonden wij allen even roerloos, bang en aarzelend. Maar de harde, witte krassen van den koenen kerel, die ons daar was voorgegaan, liepen ondanks alles steeds verder en verder door en de gedachte dat hij daar in zijn eenzaamheid en vóór alle anderen dezelfde gevaren had getrotseerd, staalde onzen moed en dreef ons met hardnekkigheid naar het verwijderd doel. Wij kwamen aan lage plaatsen, waar het ijs om zoo te zeggen op den grond lag en waar de grassprietjes van 't weiland soms doorheen schoten. Dat gaf ons het gevoel van veiligheid dat wij op vasten bodem reden. Maar 't oogenblik daarna stonden wij pal vóór een ijs zoo zwart alsof het open water was en niemand durfde er over heen. Daar lag een diepe put of sloot en wij zagen tot op den helderen bodem, waar bronskleurige waterplanten hun gestolde vormen afteekenden als grijpende handen die ons in de griezelige diepte wilden trekken om ons daar vast te houden. Wij draaiden er omheen en reden op en neer in de hoop van ergens een minder akelige plek te vinden; doch overal, dwars door het weiland, was het daar dezelfde breede, zwart-heldere diepte, waarin wij soms, onder het ijs, groote, donkere waterkevers zagen zwemmen, met een zilverig luchtblaasje onderaan hun staart. Zij zwommen dwars, met pootenkrabbeling, naar den bodem waar de sinistere, bronskleurige grijpplanten stonden en dat maakte onzen afkeer nog veel heviger en de wanhoop greep ons aan, omdat wij verder wilden en niet durfden. Maar ook over die plaats van angst en van gevaar, rechtuit, zonder de minste afwijking, streepten de koene, forsche krassen van den onbekenden held die daar voor 't eerst den weg gebaand had en ten slotte volgden wij ook een vóór een zijn voorbeeld, met kloppend hart, met flauwe beenen, elk oogenblik verwachtend door het barstend ijs in 't diepe water neer te plonsen. Eerst toen 't gevaar voorbij was lachten wij om onzen flauwen angst en van lieverlede schrikte 't onbekende ons niet meer af en steeds verder en verder volgden wij de sporen van den vermetelen voorganger, tot het zoo vurig-verlangde doel, het schoone, blanke, ouderwetsch kerktorentje van Meylegem-Zuid eindelijk, als een zalige veiligheidsbaken, in 't zicht kwam.
O liefelijk Meylegem-Zuid, nog steeds en meer zou ik hymnen ter uwer verheerlijking willen zingen! Al de poëzie van mijn gezonde, frissche jeugd schijnt zich daar in mijn herinneringen te kristallizeeren. Ik ken er elk huisje, elk boompje en de harmonieuze golvingen van 't landschap er omheen deinen nog als 't ware wiegend en zoet-streelend na in mijn geheugen. Want ik heb er mijn eerste liefde gekend en er ook mijn eerste liefdesmart geleden!
O, die dagen, die dagen, die schoone, rijke dagen! Heel het land lag wit-besneeuwd, maar de Meylegemsche Meerschen waren eerst na den sneeuwval dichtgevroren en dat was een feerie midden in een feerie, want van op het heerlijk ijsveld zag ik, onder blauwen hemel en stralende zon, een Vlaanderen dat ik nog niet kende, een droom-Vlaanderen, een Vlaanderen uit een sprookje.
De kleurige huisjes langs den oever stonden op een zacht-glooiend, glinsterend-blank tapijt, midden in boomgaarden van tintelend-berijpte boomen, die overweelderige bloeisels van ongekende lentepracht schenen te dragen. Dat leefde, dat fonkelde en tintelde van miljoenen en miljoenen kristalheldere lichtfacetten en men snoof met ruime longen de scherp-prikkelende lucht op, alsof men bedwelmend heerlijke geuren inademde. 't Was leven, léven en genieten; de wangen bloosden, de oogen straalden en door het gansche lichaam stroomde een jonge, forsche kracht, die onuitputtelijk en onvermoeibaar scheen.
Ik reed en reed en 't woelde en 't duizelde in mij van overweldigende heerlijkheid. Soms reed ik einden lang in vollen gang recht vóór mij uit, zwierend en deinend, licht als een vliegende vogel; soms hield ik mij een heele poos op een mooi, klein plekje op, en trok daar, omringd door een troepje bewonderaars, sierlijke krullen en kringen, als een artiest, die een kunstwerk ciseleert. En zoo kwam ik, als altijd, aan 't heerlijke Meylegem-Zuid; en daar, vlak vóór Tieldeken's herberg, was een verrukkelijke plek, uit den wind en glad als een spiegel, waar ik aan mijn wild talent den vollen teugel vieren kon.
Ik was zeer zeker, in al die jaren, de knapste rijder van de streek geworden. En voor de kinkels, die daar pijprookend, met de handen in hun broekzakken langs den oever stonden, maar bovenal voor Tieldeken, die ook kwam kijken als 't daarbinnen in de herberg niet te druk was, vertoonde ik mijn stoutste kunsten en genoot van een triomf welke de eerste in mijn leven was.
--Ha, meniere, gij keun rijjen, zille! klonk het om mij heen. En soms sloeg Tieldeken haar handen van bewonderende verbazing in elkaar en riep geestdriftig uit:
--Ha moar meniere toch, woar hè-je gij da geleerd!
--Hij rijdt zeu goed as boerke van Meylegem! beweerden enkelen.
--Hij 'n doet: boerke van Meylegem ree nóg stirker! hielden anderen vol.
Boerke van Meylegem! Die naam klonk herhaaldelijk en hardnekkig in mijn ooren en ik kon maar niet te weten komen, wie boerke van Meylegem eigenlijk was. Wanneer ik er naar vroeg werd mij steeds vaag en ontwijkend geantwoord. Boerke van Meylegem was de beste schaatsenrijder uit de streek, dat wisten zij allen; maar als ik informeerde waar hij woonde, en hoe oud hij was, en of hij nog wel reed, en of hij reeds dat jaar op 't ijs geweest was, klonken de antwoorden verward en tegenstrijdig. Jonge knapen beweerden van ja, en dat zij hem gezien hadden, de week te voren, bij Meylegem-Noord en dat hij wonderbaarlijk reed, zoo, met zijn eene been in de lucht en zijn eene hand tegen het ijs. Hij sprong over drie mannen en vier stoelen; hij reed zóó snel, dat geen renpaard hem zou kunnen inhalen; hij vloog als 't ware over 't ijs. Maar oudere mannen zeiden dat het allemaal onzin was, dat boerke van Meylegem inderdaad wel bestaan had, maar reeds lang gestorven was. Het prikkelde mij, dat ik niet achter de preciese waarheid kon komen; ik had dat vermaarde boerke willen zien; ik had vooral willen weten of hij werkelijk sterker was dan ik, en in die onzekerheid spande ik mij overweldigend in, haalde kunsten uit waarbij ik hals en been dreigde te breken, om toch niet, in Tieldeken's oogen, voor dat mysterieus en onuitstaanbaar boerke van Meylegem te moeten onderdoen.
Eens zag ik hem, bijna! 't Was op een zondagochtend, na de hoogmis. Ik was daar, evenals tal van andere lui, op schaatsen tot aan het oude kerkje gekomen, en had er de mis gehoord. O, 't was toch zoo eigenaardig en poëtisch! Van op het ijs, waar de jeugd dolle pret vierde, zag je, over het glooiend kerkhofje met half-ingesneeuwde zerken, door het openstaand portaal, in de schemering der kerk, de waskaarsen op het hoogaltaar branden. Je hoorde 't orgel en de plechtige gezangen, het was alsof het kerkje zelf zijn vrome ziel naar buiten uitzong, je zag de wemeling der sombere menschenmassa en de opstijgende wierookwalmen verspreidden hun aroma's tot in de frissche, prikkelende zonnelucht over het ijsveld. En terwijl je daarbinnen was, zelfs nadat de deuren dicht gesloten waren, hoorde je nog het pretgejoel der jeugd door alles heen en voelde je je beenen jeuken om er weer aan mee te gaan doen. En nauwelijks had de pastoor het "Ite missa est" gezongen of drommen menschen stroomden in de laatste galmen van het orgel buiten en met hijgende haast werden opnieuw de schaatsen aangebonden.
Ik had de mijne juist aan en zwierde als een losgelaten vogel door de drukte heen, toen plotseling de kreet klonk in mijn ooren:
--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem!
Mijn hart stond van emotie even stil. Ik zag een zwarte menschenmassa, vlak vóór Tieldeken's herberg en vloog er naartoe. Een schaatsenrijder,--een gewone boerenpummel--was daar met groote arm-en-been-bewegingen aan 't zwieren, maar van het eerste oogenblik bemerkte ik dat het niets te beteekenen had, dat het in de verste verte geen kunst was, dat het niets was dan overdreven en onsierlijk slingeren en zwaaien, zooals de eerste de beste rijder kon die maar ietwat stevig op zijn beenen stond en niet bang voor vallen was.
Boerke van Meylegem! Was dàt nu het beroemde boerke van Meylegem, de dooddoener waarmee men zoo vaak mijn eigen, schoone kunst wilde verkleinen! Mijn teleurstelling was zóó diep, dat ik eerst geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken; en wat mij griefde, wat mij ergerde, wat mij deed kroppen van minachtende verbittering, was dat Tieldeken daar op den oever midden in de foule ook te kijken stond; te kijken en te bewonderen, met haar mooie donkere oogen en haar frisch-blozende wangen, te kijken, te bewonderen en te genieten, alsof ze nu voor 't eerst zag schaatsenrijden, en heelemaal vergeten was, dat ik het toch oneindig veel beter kon.
--Es dà nou boerke van Meylegem? vroeg ik eindelijk, met van emotie hikkende stem, aan een oud ventje, dat naast mij stond.
--Moar nie nien 't meniere; 't'n es moar nen beslagmoaker; ge keun gij veel scheunder rijjen, meniere, antwoordde 't mannetje met overtuiging.
Dat deed mij goed. 't Was als een balsem op mijn wonde, als een zacht-lavende weelde van troost, die verkwikkend door mijn gansche lichaam stroomde. Ik zei niets, maar glimlachte en stil schoof ik mij door 't gedrang in 't open plekje en begon daar ook te werken. Nog nooit had ik mij sterker, lichter, veerkrachtiger gevoeld. Ik vloog en zweefde letterlijk over het ijs en 'k zag de menigte, eerst wat verbouwereerd, van lieverlede haar aandacht van den pummel afwenden en op mij zich vestigen. De pummel zelf, in zijn triomfgenot verstoord, keek mij dadelijk met valsche, vijandige oogen aan. Hij poogde mij te overtroeven; hij overdreef nog zijn onsierlijke, niets-beteekenende bewegingen; hij raasde langs mij heen alsof hij mij omver zou rijden en in 't niet doen verzwinden; maar ik voelde mij licht, licht, en vlug en handig, en zoo vast en zeker in mijn kunnen: ik was als van de aarde opgetild en op wieken gedragen; ik zwierde en dreef en zwaaide en zwenkte; ik zag daar Tieldeken op den oever staan en voelde als 't ware heel mijn leven en mijn toekomst in haar handen; 't was overwinnen of niet meer bestaan en ik wilde bestaan en ik wilde overwinnen.
Eensklaps een kreet, met wild-opstijgend proestgelach. Ik hoorde den kreet en zag meteen wat er gebeurde: de pummel, de lompe pummel, midden in een van zijn dolste, gekste prul-bewegingen als een massa op 't ijs neergesmakt en daar over zichzelf heenbuitelend en spartelend, met slingerende armen en beenen, alsof hij letterlijk ontwricht werd. Zijn dikke pet vloog af en verre van hem weg en toen hij pijnlijk weer opkrabbelde bleek zijn broek gescheurd, maar zóó, dat het hem niet mogelijk was zich nog verder te vertoonen.
De menigte stoof lachend uit elkaar en even kraakte 't ijs onder het woest gedrang. Ik hield mij goed; ik hield mij kalm, deftig. Nooit heb ik scherper het heerlijk gevoel van victorie gesmaakt; nooit heb ik er uiterlijk minder van laten blijken. Ik wisselde een blik met Tieldeken, één enkele, en in haar mooie, geestdriftige oogen las ik volop den glans mijner algeheele, onbetwistbare overwinning. Dat was mijn heerlijke belooning. De pummel was verdwenen en ik bleef zegevierend op het veld van eer mijn schoonste kunsten maken; ik, en ik alleen nu, was omringd door honderden bewonderaars, en thans galmde weer alom de kreet, die me bij mijn komst op 't ijs zoo diep ontroerd had:
--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem!
Verbaasd keek ik op. Was hij daar nu toch werkelijk, de ijsheld, de geduchte dooddoener, de sterkste onder de sterken, die alom tegenwoordig scheen te zijn en nergens kon benaderd worden! Ik keek, en zocht, en merkte niets; ik speurde vorschend ver over de hoofden heen, maar vruchteloos. En toen begreep ik eindelijk dat ik, ikzelf nu, boerke van Meylegem was; en dat boerke van Meylegem een mythe, een symbool, een legendarische verschijning was: een personage die niet bestond en wellicht nooit bestaan had, maar in wiens abstracte wezen zich, volgens het landelijk bijgeloof, al de kunde, al de opgewekte joligheid en al de roekelooze waaghalzerij van het heerlijke schaatsenrijden vereenzelvigde.
Nu moet ik eventjes mijn oogen sluiten en denken. Als mijn oogen open zijn staat tusschen mijn blik en het heerlijk verleden te veel gewone, nuchtere, alledaagsche realiteit. Maar als mijn oogen dicht zijn, zie en voel ik weer alles zooals 't was, zonder dat iets mijn verbeelding komt storen of hinderen. Dan ligt er als een doffe, doodsche vlakte tusschen nu en toen en aan den schoonen einder, terwijl niets mijn aandacht afleidt, rijst het beeld dat mij geboeid houdt in al zijn zuivere, heldere, levende en trillende duidelijkheid op.
't Was op een vroegen avond, een maandagavond, ik herinner mij nog heel goed den dag.
De volle maan rees blozend als een groote sinaasappel in het lage oosten op en de lucht was sonoor in de stilte en al de sterren bloeiden in het eindeloos donkerblauw uitspansel.
Ik had den ganschen dag gereden en was moede. Maar 't was zóó schoon geweest den ganschen dag, zoo rijk van kleur en zon en reine winterweelde, dat ik, hoewel moe, niet rusten kon en na mijn avondmaal weer buiten ging, om ook nog van de nachtelijke schoonheid te genieten. En plotseling ontstond een plan in mij, een wel zeer overdreven en zelfs gek verlangen om nu nog eens, ondanks al mijn moeheid, in de maan en in de nachtelijke eenzaamheid tot aan Meylegem-Zuid te rijden.
Ik aarzelde geen oogenblik. Zoo kwam het plan op; zoo moest het worden uitgevoerd! Ik rende terug naar huis, nam mijn schaatsen, vertelde 'k weet niet wat aan mijn verbaasde en vrij ontevreden ouders en enkele minuten later stond ik alweer kant en klaar, vóór de wijd-uitgestrekte ijsvlakte.
Hooger was de volle maan in den helderen hemel gerezen en zij werd kleiner en lichter van glans en vertoonde haar oud en welbekend gezicht, dat steeds met stillen, meelijdenden spot op de wereld daar beneden en het menschelijk gedoe schijnt neer te zien. Het eenzaam ijs glinsterde vaag, met diaphane, lichtblauwe en violette glanzingen. Bij plaatsen hing een fijne, bleeke nevel die alle contouren verwazigde en dan weer verder waren 't groote, koele, klare lichtvlakten, als van een uitgestorven wereld, zonder atmosfeer. De oevers droomden in een grijsachtig, als het ware rook-omneveld onbestemde weg. Een bosch stond zwart gelijk een hoogen muur van bazalt en de glooiende sneeuwvelden tintelden soms, alsof zij met zilveren stuifmeel werden overpoeierd.
Ondanks het reeds gevorderd uur, waren hier en daar nog menschen op het ijs. Knapen stoeiden en ravotten nog, in de buurt van huisjes waar weemoedig gele lichtjes pinkten en een enkele schaatser kwam over de wijde vlakte in de sonore stilte aangereden, reeds in de verte hoorbaar lang vóór men hem zag en dan van lieverlede uit de feerische atmosfeer opdoemend, eerst klein als een kabouter, met gekke arm-en-been-bewegingen, maar langzamerhand groeiend tot een flinke en krachtige verschijning, tot een soort van reus-in-eenzaamheid, die als het ware zwom en roeide over een fantastisch meer van dood en stilte, waar hij het eenig overblijvend levend wezen was.
Ik vond het tochtje heerlijk. Het was nog veel aangrijpender en schooner dan ik mij had voorgesteld. Alle gevoel van moeheid was uit mij verdwenen en ik had wel zoo den ganschen nacht willen doorzweven!
Reeds vertoonde zich het torentje van Meylegem-Zuid in de verte. Wat leek het lieflijk-intiem en poëtisch: de eene kant in 't duister, de andere kant gansch tintelend-zilverwit, met den pikzwarten rechthoek, van 't klokgat, dat staarde als een oog in den glanzenden nacht. Daaronder een paar zwakke, gele pitjes en even verder, aan den rand van het ijs, dat vagelijk glinsterde, de drie verlichte ramen der gelagkamer van het Gemeentehuis. Tieldeken was dus nog op; ik zou haar zien en ook nog eens van hààr schoonheid met mijn oogen genieten. Wat zou ze verbaasd en verrast zijn, mij daar nog zoo laat te zien aankomen!
Als een geboeide vlinder vloog ik over 't ijs, recht naar die lichten toe. Zóó sterk was ik er door geboeid en als 't ware verblind, dat ik een oogenblik niets anders om mij heen meer zag en niet eens merkte twee personen, een man en een vrouw die, innig omarmd, recht vóór mij uit over het ijs wandelden. Ik zag het pas toen ik heel dicht bij hen was en meteen hield ik stil, terwijl een geweldige emotie mijn knieën deed knikken en den adem in mijn keel verkropte.
Droomde ik? Was ik de speelbal eener nachtmerrie, of zag ik een abominabele werkelijkheid gebeuren?.... Was dat Tieldeken, omarmd door een man, door.... plotseling herkende ik hem.... door den pummel,--het kwasi boerke-van-Meylegem--dien ik nog pas geleden op het ijs zoo smadelijk overwonnen had!.... Het schemerde vóór mijn oogen en ik weifelde en twijfelde. Ik wilde twijfelen, ik wilde niet gelooven, ik kón den dood van al mijne illuziën, in die romantische omgeving, in dien ongeëvenaard-heerlijken winternacht niet als een werkelijkheid aannemen.
Ik sloop hen na, als een dief op de loer. Zij hadden mij niet gezien, niet gehoord; zij schoven verder over 't ijs, teeder omarmd, amoureus-fluisterend; zij kwamen bij den oever aan een boschje, dat zwart en hoekig op het ijsveld uitsprong.
Nog steeds bleef ik twijfelen, wìlde ik twijfelen. Het kon niet, het mocht niet, het zou niet. Ik schudde woest het vreeselijk denkbeeld van mij af; ik had kunnen huilen en ik had kunnen razen en vloeken van akeligheid en ellende. Mijn oogen stonden van afschuw wijd opengespalkt, mijn mond gaapte wijd open om te brullen.
Zij waren in den neveligen maneschijn om den hoek van 't donker boschje blijven staan. Door het gewirwar der naakte twijgen heen zag ik, tegen 't lichte sneeuwveld achter hen, duidelijk hun sombere gestalten afgeteekend. Ik voelde mij als 't ware niet meer leven. Het scheen mij toe alsof mijn gansche wezen aan een draadje hing.
Ik zag, dat hij haar eensklaps met zijn beide armen omstrengelde en wild tegen zich aandrukte. En meteen zag ik, dat hij haar een langen plakzoen drukte op den mond! Ik zag dat, en ik wilde schreeuwen, maar geen klank steeg uit mijn keel. Het bloed suisde in mijn ooren en een seconde sloten zich mijn oogen. Ik voelde mij alsof ik flauw ging vallen. Maar 't duurde slechts een oogenblik. Ik kwam weer bij en toen zag en hoorde ik een soort van worsteling, en ik vernam heel duidelijk haar stem, hààr welbekende stem:
--Nie nie g'n meug nie, Frans; hier niet, wa peist ge dan!
Ik wist dat zij het was, ik hoorde 't aan haar stem, dat zij het was, en nog kón ik, nog wilde ik het niet gelooven. Maar hij werd hartstochtelijker opgewonden, hij greep haar beet en haar rokken, die opwoeien, ontblootten even haar ietwat scheeve enkels. Ik zag dat, en toen eerst wist ik, toen eerst begreep ik; en ik slaakte een kreet, een rauw gegil dat brulde door 't sonore van den helderen vriesnacht, alsof een beest vermoord werd!