De roman van den schaatsenrijder

Chapter 2

Chapter 23,962 wordsPublic domain

Bruuntje Geelewie! Ineens ging mij een helder licht op! En meteen herleefde ik vol innige emotie, weer in het ver verleden. Bruuntje Geelewie! Mijn tijdgenoot, mijn ijsmakker van vroeger, evenals Peetse Kins, evenals Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet, en zooveel anderen! Was dàt Bruuntje Geelewie, dat sukkelventje uit 't oud-mannenhuis, dat stakkerdje, dat menschenwrak! Een grenzelooze weemoed greep mij aan en 't was alsof ik mijzelf daar zag staan, oud, versleten, gebroken, een ruïne.

--O, Bruuntje, zij-de gij Bruuntje! riep ik, haast niet kunnende gelooven.

--Zeker, meniere, zeker, herhaalde het ventje, nog meer verbaasd over mijn ontdaanheid dan ik over zijn bedroevende aftakeling. En in korte, stil-geresigneerde woorden, vertelde hij mij iets van zijn leven.

Hij had zooveel en hard gewerkt. Tè veel, tè hard, om maar een hoop geld te verdienen, zei hij. Hij ging ieder jaar naar Frankrijk, om er den oogst te helpen doen. Hij en de andere Vlamingen, die met hem medegingen, werkten daar om zoo te zeggen dag en nacht; en daar was hij niet sterk genoeg voor, dat had hem geknakt. Hij was er doodziek geworden, men had hem naar zijn land teruggebracht en zoo zat hij nu in 't Armenhuis, om er zijn leven te eindigen.

Zijn leven te eindigen! Nu reeds! Hoe oud was hij dan wel?

--Twie en vijftig, zei hij glimlachend.

Twee en vijftig! Hij zag er wel zeventig uit! En hij was jonger dan ik!

Ik had daar wel willen weg zijn; en het speet mij, dat ik er gekomen was. Ik voelde ineens den afstand, het verleden, al die lange, lange jaren loodzwaar op mijn eigen leven drukken. Het kwam mij voor alsof ik nog de eenig overgeblevene, de eenig levende was in een oord van afgebeulden en van dooden. Maar ik dacht ook weer aan de anderen uit dien tijd en wilde weten wat er ook van hen geworden was.

--Guus Boevers? vroeg ik.

--Deud, meniere; verongelukt mee zijn peirden.

--Dolfke Vervoat?

--Euk deud: deudgedronken!

--Mielke Vervoat?

--Noar Amerika.

--Fontje Vervoat?

--Euk noar Amerika.

Ik zweeg. Een pijnlijk heimwee, een stille droefheid sloop in mij neer, zoo iets gelijk de stille, grijze, kille mist, die alom over het land ging hangen. 't Begon te avonden en te nevelen, een bleeke, roze schemering tintte nog vagelijk het westen en in het grijs kerktorentje van 't Armenhuis tampte in kadans een klokje. Enkele knapen bonden reeds hun schaatsen af en de sijsjes in de elzestruiken waren druk onder elkander aan het tjilpen en aan 't piepen, vóór ze zich ergens tot de nachtrust gingen wegschuilen.

Ik haalde iets uit mijn zak en gaf het aan Bruuntje. Zijn oogen glommen en hij dankte mij vurig. Ik drukte hem de hand tot afscheid.

--Zilt-e nog ne kier weere komen, meniere? vroeg hij, gretig mij nastarend.

--Zeker, Bruuntje, zeker.

Maar ik voelde wel, dat ik er niet meer komen zou.

Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel in mijn schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd. Ik heb nog niet eens definitief van den "wal van 't Oarmhuis" afscheid genomen en dat behoor ik toch te doen alvorens verder te vertellen.

Welnu, onze pret op den "wal van 't Oarmhuis" duurde tot de dooi inviel, of.... totdat Stien Smijters "de boantjes kwam vermeurden."

Stien Smijters!.... Ik wed dat nu nog, na zooveel lange jaren, onder de hedendaagsche dorpsjeugd aldaar, een traditie van angst, haat en gruwel tegen den naam en de herinnering van dien afschuwelijken man bestaat.

Stien Smijters, een voorbestemde naam! Het was, toen ik hem als knaap van vijftien leerde kennen, een oude, stoere, grijze, forsche kerel, met een kreefte-rood, als 't ware roodgekookt gezicht, waarin twee kleine, hard-blauwe varkensoogjes je valsch aanloerden. Nooit heb ik dien vent zien glimlachen of lachen. Dat kon hij niet. Altijd stond zijn tronie stug en norsch, alsof hij iedereen verdacht van kwaad en overal vijanden zag. Het was een slecht gezicht.

Hij was zoowat van alles in het Armenhuis. Toeziener, boer, werkersbaas, ik weet niet wat al. Hij had geen vaste taak, doch men zag hem overal. Soms reed hij met de paarden, soms stapte hij achter den ploeg, soms stond hij als een sjouwer hout te klooven. Iedereen, oud of jong, man of vrouw, van klein tot groot, was bang voor hem. Het heette, dat hij de menschen soms ranselde met zijn zweep en dat zelfs de nonnetjes hem vreesden. Maar zij hadden hem noodig: hij werkte als een lastdier en waakte als een hond; hij dronk niet, ging nooit uit, eischte niets voor zichzelf en dat alles verwekte een soort eerbied en een grenzeloos ontzag.

Ondanks zijn gevorderden leeftijd was hij sterk, ellendig sterk. Ik geloof niet dat er een pootiger, sterker kerel in den omtrek was te vinden. Wie onder zijn klauwen geraakte mocht beven en sidderen!

Hij zag wel ons spel op het ijs, hoewel hij zich hield alsof hij het niet zag. En ook wij hielden hem scherp-nauwkeurig in de gaten, omdat wij precies wisten wat wij van hem te verwachten en te vreezen hadden. Dat hing heelemaal af van den toestand van het ijs. Stien Smijters, die nergens bang voor was, had een doodsangst om te verdrinken. Er was geen sprake van dat hij zich op den vijver wagen zou zoolang het ijs er niet muurdik en sterk lag, maar eenmaal als 't zóóverre kwam, dan waren wij geen oogenblik meer veilig.

Hij joeg ons niet weg, schold ons niet uit, sprak geen woord, maar op een of anderen ochtend liep de afgrijselijke treurmare van mond tot mond onder de schooljongens:

--Stien Smijters hêt de boantjes op de wal van 't Oarmhuis vermeurd!

Ik herinner mij nog die droefheid, die wanhoop telkens als dat ellendig nieuws ons bereikte. 't Was om er bij te schreien en de moedeloosheid zonk ons als een onmacht door de knieën. Wij wilden 't nog maar niet zoo dadelijk gelooven, er bleef nog een kleine mogelijkheid, een zwak straaltje hoop; maar jawel.... zoodra wij bij den vijver kwamen zagen wij reeds van op een afstand de ellendige verwoesting: overal vierkante bijten met de bijl gekapt, de uitgebroken stukken alom over het ijs verspreid en meestal er reeds aan vastgevroren; en, tot toppunt van ellende, hier en daar asch en sintels rondgestrooid, zoodat alle mogelijkheid van ook nog maar eventjes te rijden onherroepelijk verkeken was.

Het is mij slechts één keer gelukt den lammeling zijn vernielingswerk te zien verrichten, want hij deed dat meestal 's avonds, gemeen en verraderlijk, nadat wij vertrokken waren. Maar dien keer, dien éénen keer woonden we 't bij en wij hebben ons gewroken, of liever: hij zelf heeft ons gewroken op een wijze waarin ik mij nu nog kan verkneuteren.

Dat was op een zaterdagmiddag, na schooltijd. Wij hadden extra-les gehad (extra-les wanneer er ijs is!) en kwamen haastig en hijgend met onze schaatsen onder den arm op den vijver aan, toen het reeds begon te schemeren.

Hij was bezig!.... Reeds op een afstand hadden wij slagen gehoord, als, van een houthakker die boomen velt. En wij dachten werkelijk dat men ergens aan 't boomen omhakken was, toen wij hem eensklaps zagen, den zwaren rug naar ons gekeerd, groote gaten slaande met zijn bijl in 't schoone, sterke ijs!

Onze woede en emotie waren onbeschrijfelijk. Eén wensch steeg als een kreet uit aller hart: "Kon hij nu toch zelf maar door het ijs zakken en verzuipen!" Doch die wensch hielp niets en een van ons, Mielken Vervaet, die meestal niet malsch uitgevallen was, schreeuwde hem razend een scheldwoord toe:

--Smeirlap!

Tot onze diepe verbazing ging hij kalm door met ijs hakken, zonder in 't minst eenige notitie van de beleediging te nemen. Eerst later vernamen wij, dat hij vrij doof was en den uitroep niet gehoord had. Maar Mielken, en wij allen, nog heviger geprikkeld door zijn ongestoordheid, holden om den vijver heen, kwamen vlak vóór hem staan en herhaalden daar een tiental keeren, met gebalde vuisten, het beleedigende scheldwoord:

--Smeirlap! Smeirlap! Smeirlap!

Toen keek hij op en verstond. Een soort van schok voer door zijn lichaam, hij sprong naar den oever, met zijn bijl in de hand, klom op den rand, zich aan de takken optillend, holde ons achterna.

Wij, natuurlijk, hadden reeds het hazenpad gekozen. Wij renden uit al onze kracht, heelemaal niet zoo zeker dat wij zouden ontsnappen, want hij zat ons nauw op de hielen, toen wij eensklaps achter ons een doffen smak en een gil hoorden en, schichtig omkijkend, hem tegen den grond zagen liggen. Hij krabbelde weer op, maar, in plaats van ons verder na te zitten, zagen wij hem stuiptrekkend tegen een boom gaan staan en daar op zijn hoofd een vuilen zakdoek drukken, die dadelijk breed-rood gekleurd was. Wij hoorden hem een paar keer kreunend zuchten en dan keerde hij zich om, zonder een blik, zonder een woord, zijn bijl onder den arm, als een dolle stier, die den genadeslag gekregen heeft.

Ik herinner mij niet meer of wij hem dan ook nog triomfantelijk nagejouwd en uitgefloten hebben. Het zal wel zoo iets van dien aard geweest zijn. Maar wèl herinner ik mij dat wij ons nooit meer, zoolang hij leefde,--en dat heeft nog wel enkele jaren geduurd--op den "wal van het Oarmhuis" gewaagd hebben.

Wij hadden ondertusschen andere oefeningsvelden ontdekt.

III

DE MEYLEGEMSCHE MEERSCHEN

Even voorbij den Lusthof, achter een soort van dam waarover, dwars door het weiland, een steenweg liep, strekten zich ver en wijd de Meylegemsche Meerschen uit.

Ik heb steeds een groote liefde gevoeld voor de Meylegemsche Meerschen. Iets,--ik weet niet wat--, heeft mij daar altijd, van kindsbeen af, aangetrokken en trekt er mij nu nog aan.

Het waren breed-uitgestrekte weilanden, met verre boomen aan den einder; gelegen tusschen den begroeiden berm van het kanaal links en de opgolvende landouwen rechts, als een wijd en stil-glanzend groen meer onder den schoonen, hoogen hemel. De strakke lijn langs het kanaal met de evenwijdig van elkaar gespatiëerde boomen, had geen bijzondere bekoring, maar de andere zijde, naar de velden toe, was een en al liefelijke poëzie. Daar golfden korenakkers, daar somberden bosschen, daar strekten zich dreven uit tot ver in 't land; daar waren intieme hoekjes, die steeds zonnelachten, daar stonden huisjes en boerderijtjes als geschilderd: roze, gele, groene, met pittoreske stroodaken en blinkende ruitjes; en er lagen twee kleine dorpen aan den rand: Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, elk met een ouderwetsch kerktorentje, het eene grijs, het ander wit, die wijd over de boomen, de landouwen en de weiden heen, als 't ware reikhalzend en een beetje naijverig, van verre naar elkaar stonden te kijken.

Meylegem-Zuid was mij 't liefst. Misschien wel omdat het verst-verwijderd en daardoor voor mij zeldzamer te bereiken was. Misschien ook wel eenvoudig omdat het Meylegem-Zuid heette en dat zuid ons meer aantrekt dan noord. Misschien ook nog, omdat het een wit kerkje had terwijl het ander grijs was en dat het witte vriendelijker schitterde tusschen het groen dan 't grijze. En misschien eindelijk ook wel om iets dat ik mij zelf toen nog niet kon bewust zijn en dat zich eerst later openbaren zou. Hoe dan ook, Meylegem-Zuid was mij het dierbaarst en een tocht in de richting van Meylegem-Noord was voor mij meestal een aanloop om verder tot aan Meylegem-Zuid te geraken.

's Zomers waren die groote weilanden vol grazende koeien, bewaakt door jonge koe-wachtertjes, die er een uitbundig vrij leven van kleine wildemannen genoten. Er was daar altijd levenspret en luide vroolijkheid; er klonk daar onophoudend juichgezang en zweepgeklap: er brandden steeds houtvuurtjes waarin geslachte kikkers en gestolen aardappelen gebraden werden en dikwijls zag men gansche benden van die bengels, in de verte klein als kabouters, met schepnetten de diepe, stille slooten en de snel-vliedende beekjes afvisschen en zegevierend naar het dorp terugkomen met glinsterende vangsten snoeken en baarzen, die nog amechtig-gapend tusschen de slijmerige mazen lagen te spartelen.

Maar in het najaar werd het er stil en verlaten en met November werden een paar sluizen in 't kanaal geopend en in enkele dagen stroomde die gansche, wijde vlakte vol blond en drassig water. Toen werd het als een echte zee, zoo ver het oog kon reiken. Een wondere zee, levend het eigen, geheimzinnig leven van een zee, nu eens doodstil zonder een rimpeltje, dan weer klotsend, schuimend, bruisend, met echte, woeste golven, maar aldoor eenzaam en verlaten, alsof het was een oord van ramp en van verdelging.

Behalve voor mij! Ik was intusschen een paar jaren ouder geworden en ik bezat een licht en elegant roeibootje, waarmee ik 's zomers op 't kanaal ging varen. En zoodra de groote Meylegemsche Meerschen goed overstroomd waren, roeide ik in mijn schuitje een eind het kanaal op, nam het er uit, droeg het op mijn sterke schouders over den berm heen en lei het daar op 't blonde water der verdronken weilanden.

O, ik herinner mij nog zoo goed die heerlijke, opwekkende tochten, die overigens niet zonder eenig gevaar waren. Ik had mijn schuitje sierlijk opgetooid, er woei een vlaggetje aan de punt,--een wit-en-rood, ik zie het nog,--en zoo roeide ik in witte trui met forsche slagen naar de dorpjes toe, die daar aan den overkant lagen te schitteren of te droomen. Het water kabbelde en spatte, de kleine boot ging met de korte golfjes op en neer gelijk een zeeschuitje en af en toe raasde het mooie vlaggetje hartstochtelijk in den wind, alsof het zich verzetten wilde tegen mijn onzinnig-roekelooze onderneming. Soms bleef ik even midden in het breede water steken. Dan zat ik ergens op een "bank" en ik moest ploeteren om er af te komen. Soms "voelde" ik als 't ware onder mij den diepen afgrond van een sloot of beek, en 't had iets griezeligs terwijl ik mij afvroeg hoe ik mij daar wel redden zou indien mijn bootje juist op die plaats omsloeg. Maar 't bootje sloeg nooit om en ik kwam eindelijk in kalmer water, langs den verrukkelijken oeverrand, waar al de pittoreske boerderijtjes en de stille dorpjes lagen.

Wat was het daar aardig en hoe leek het alles anders dan het toch in werkelijkheid was! Zoo'n dorpje, zoo'n boerderijtje, waar men gewend is als voetwandelaar aan te komen en waar men ineens met zijn schuitje komt aanleggen, 't heeft iets onwezenlijks, iets geks, dat onweerstaanbaar doet glimlachen. En dat deden ook de menschen van die dorpjes en die boerderijtjes, wanneer zij mij zoo van verre over 't water zagen aankomen. Zij stonden vóór hun huisjes of in hun boomgaarden op mij te wachten en 'k viel daar binnen als een vreemde, rare vogel, die een wondertocht heeft ondernomen. Het was zoo eigenaardig. De laatste bladeren hingen nog goud-en-bruin-glanzend aan de heesters en de boomen, en die boomen en heesters stonden tot dichtbij het water, soms tot in het water, en dat leek op mijn zoo welbekende streek niet meer; het was iets anders, iets feeërisch, iets uit de fantaisie van een droom. En het deed mij telkens zoo vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen toch dezelfde menschen waren, die ik al zoo vele jaren kende; en dat zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten; en dat daar koeien en varkens en kippen over het gras liepen; en dat daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond vóór zijn hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle waakhonden op alle boerderijen doen.

Eerst nadat ik zelf voet aan wal gezet had en den vasten bodem onder mijn voeten voelde, kreeg ik het duidelijk besef der welbekende werkelijkheid en meteen verzwond mijn illuzie en onderging ik iets als een indruk van teleurstelling. Het leek alles zoo gewoon en zoo nuchter; de droom daar, op het breede water, was veel schooner; en ik spoedde mij terug naar mijn aardig rood-en-wit vlaggend, licht schuitje; en als een vrije, wilde vogel zweefde ik er verder mee weg over de breede oppervlakte, nu eens naar den eenen oever en dan weer naar den anderen, telkens weer door nieuwe illuziën verrast en aangetrokken; en zoo kwam ik tot aan 't verste uiteinde der overstrooming, tot aan Meylegem-Zuid, dat reeds van verre zijn ouderwetsch, zoo liefelijk wit kerkje in den kalmen waterspiegel weerkaatste.

De golfjes kwamen er tot aan den voet van 't kerkhof uitkabbelen en heel het dorpje van slechts ettelijke huisjes lag daar aan den rand: witte huisjes, roze huisjes, blauwe huisjes, groengeluikt en kleingeruit, met één enkel, ietwat ruimer gebouw in het midden: een tamelijk groote, lage, geelgeverfde herberg, waarop in groote, zwarte letters stond geschilderd: _In het Gemeentehuis._

Daar lei ik vast en zeker altijd aan. Want daar was behalve 't pittoreske der omgeving, iets dat mijn achttienjarig, frisch-en-vurig jongenshart vol romantische illuziën onweerstaanbaar boeide; en dat was Tieldeken, de dochter uit 't Gemeentehuis!

Tieldeken was wel enkele jaren ouder dan ik, doch wat deed het er toe en hoeveel heele jonge mannen hebben niet hun eerste liefde op oudere meisjes of vrouwen gevestigd! Tieldeken kon zoowat vier of vijf en twintig jaar zijn en 't komt mij voor alsof ik haar daar nu nog levendig en frisch vóór mij zie staan: de wangen blozend, de oogen stralend, den mond met witte tanden naar mij toe lachend en 't bruine haar rechtop gekamd en ietwat kroezend om de slapen, het mooiste haar, dat ik mij herinner ooit gezien te hebben. Voor mij was Tieldeken niet alleen de bloem van Meylegem-Zuid, maar ook het schoonste meisje dat ik kende in heel Vlaanderen. Zij was het levende beeld-zelf der schoonheid van de gansche schoone streek; haar onverwacht verschijnen, de eerste maal toen ik daar aanlandde, was voor mij geweest gelijk een openbaring; haar wezen glansde als 't ware over 't dorpje en de gansche streek en toen ik haar gezien had begreep ik diep en duidelijk waarom Meylegem-Zuid mij zooveel liever was dan Meylegem-Noord en hoe ook het heele landschap met al zijn mooie, intieme, pittoreske poëzie alleen maar scheen te bestaan omdat Meylegem-Zuid bestond en omdat op Meylegem-Zuid Tieldeken woonde.

Ik landde aan en meestal ging de glazen portaaldeur van het Gemeentehuis als van zelf dadelijk open en daar verscheen Tieldeken op den drempel, stralend, blozend, lachend, met den geijkten groet:

--Dag, meniere. Ge zij nog ne keer gekomen?

--Joaj ik, Tieldeken. Hoe goat 't mee ou?

--Ha goed, meniere.... En blozend kwam ze naar mij toe, keek met verrukte oogen naar mijn schuitje, sloeg haar handen in elkaar en zeide:

--Ho! 'K'n weet toch niet hoe da ge dat durft, in azeu 'n klein beutsen over die greute plas!

Dan kreeg ik een kleur; dan vóélde ik mij een kleur krijgen. Want wanneer ik zelf zoo van uit Meylegem-Zuid dien grooten plas overkeek leek ook mij mijn onderneming een ontzettend waagstuk en kreeg ik den indruk dat Tieldeken wel vermoeden kon, dat mij iets zeer-bizonder boeiends op Meylegem-Zuid moest aantrekken. Wat dat zeer-bizondere was wist ik maar al te duidelijk; en, omdat ik het zoo duidelijk wist, kwam het mij voor alsof 't op mijn gezicht te lezen stond en dat maakte mij ontzettend schuchter en bedeesd, terwijl ik mijn bootje aan den oever vastmeerde en haar in de ouderwetsche herberg volgde.

Soms was het er leeg als ik daar binnen kwam en soms waren er klanten. En eigenlijk wist ik nooit precies wat mij wel 't aangenaamst was: alleen met Tieldeken of in gezelschap van anderen. Met Tieldeken alleen kwam er over mij een gevoel van knellende benauwdheid; en als er daar bezoekers waren, dikwijls ruwe, lawaaierige kerels, voelde ik mij ook allesbehalve op mijn gemak. Met Tieldeken alleen wist ik soms minuten lang geen enkel woord te zeggen, en als daar grove boerenkinkels zaten werd ik voortdurend gehinderd en geërgerd door hun onbeschaamd optreden, door hun smakelooze grappen, door hun ganschen toon en gansch hun houding, die kwetsend en als 't ware ontheiligend was, tegenover zulk een mooi, en zacht, en bekoorlijk wezen als Tieldeken. Eigenlijk voelde ik mij daar nooit zooals ik was, of wezen wou. Iets lag altijd tusschen mij en haar: de sociale afstand, de valsche positie waarin ik mij tegenover haar bevond; het besef dat zij daar in haar kring was en ik niet en dat maakte haar sterk en mij zwak en verlamde in mij elke mooie gelegenheid die ik had om van het toevallig alleen-zijn met haar te genieten. Ik kón er eenvoudig niet van profiteeren en 't minst voelde ik mij nog bekneld wanneer geen vreemde bezoekers, maar wel haar vader of haar moeder in de gelagkamer aanwezig waren.

Tieldeken's vader was een reeds bejaarde, dikke man met goed gezicht en langzame bewegingen. Men hoorde hem van 'k weet niet hoeverre op zijn klompen aankomen en telkens als ik hem zoo hoorde drong 't besef in mij door hoe gemakkelijk dat zou gaan om Tieldeken even in de zij te knijpen en te zoenen, zonder dat de oude er iets van merkte.... als ik het maar had durven wagen om eventjes Tieldeken te knijpen en te zoenen. Het was zoo gek: als ik met Tieldeken alleen was, durfde ik zelfs aan geen knijpen en geen zoenen denken; maar zoodra de vader ergens buiten de gelagkamer langzaam op zijn klompen rondliep, kittelden mijn vingers en jeukten mijn lippen om het wèl te doen. Maar ik durfde niet, ik durfde niet! En ik leed verschrikkelijk onder dat niet-durven en 't was mij als een pak van 't hart wanneer de dikke man eindelijk traag binnenklompte en daarmee de bevlieging tot zoenen en knijpen onmogelijk maakte.

Tieldeken's moeder was ook al een vrij bejaarde vrouw, met rood gezicht en afhangende wangen. Men kon merken dat zij vroeger mooi moest zijn geweest, maar een tandelooze mond ontsierde haar heel erg en daardoor had haar uitspraak iets lispeligs en brabbeligs, dat haar wel eens onverstaanbaar maakte. Zij was ook wat doof en dat deed vergissingen ontstaan. Het gebeurde herhaaldelijk, dat zij b.v. borrels bracht wanneer glazen bier werden besteld en dan ontsponnen zich soms gekke tooneelen. Met haar lispelenden mond kon zij niet goed de s uitspreken en als zij "dreupels" wilde zeggen, klonk het in haar brabbeltaal alsof zij "dreupelfs" zei.

De boeren spotlachten, bootsten haar verdraaide uitspraak na.

--Dreupelfs! We 'n hên gien dreupelfs besteld. W'hên pinten bier gevroagd.

De vrouw werd nijdig:

--G'hêt wèl dreupelfs gevroagd!

--We'n hen gien dreupelfs gevroagd!

--'t Efs zeker, g'hêt wèl dreupelfs gevroagd!

't Werd een ellendig en bespottelijk gebrabbel en gekibbel en ik leed er onder, ter wille van Tieldeken, die dat vernederend gedoe moest bijwonen. Ik had die kinkels wel een oorveeg willen geven en 't was mij telkens als een gevoel van verlossing wanneer de vader traag aangeklompt kwam en door zijn verzoenende bemiddeling aan het geschil een einde stelde.

O, die boerenkinkels, wat deden ze soms gemeen en familiair met en ten opzichte van 't mooie Tieldeken! Wat ik nooit zou gedurfd hebben: eventjes in het voorbijgaan 't mooie meisje in den arm of de lenden te knijpen, dat deden ze maar gewoon alsof het niets was en wanneer Tieldeken zich ietwat boos maakte en met klappen dreigde, lachten zij lomp en grof en maakten soms gewaagde toespelingen, die mij 't rood van schaamte en van toorn naar de wangen joegen.

Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen:

--'t Es 'n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar 't es spijtig da ze kromme bienen hêt.

Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!

--Hè-je da nog nie gezien, meniere! lachte hij om mijn verbouwereerdheid. Let-e kier op als ze weere boven komt.