De roman van den schaatsenrijder
Chapter 12
Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer frisch zijn.
Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan.
Het eerste wat mij trof was 'n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een "mondaine" brief, als ik het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.
Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.
Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed.
Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord.
Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.
Het was een brief van "Auntie."
"Auntie" vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry's, wilde komen spreken! "Auntie" schreef mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou verhinderen om er te komen.
Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als 't ware de beschikking over mijn gansche verder leven.
Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als 't velletje papier waarop de ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even moest gaan zitten.
Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.
Toen las ik nog eens, voor de derde maal..
Het leed geen twijfel: "Auntie" wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten.
Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico's, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde.
Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij voelen, en zou ze "Auntie" bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....?
Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immers nog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.
't Was vreemd, 't was gek; en toch: het kón bijna niet anders: "Auntie" zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!
Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? 't Was vreemd, o, 't was zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan 't zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid, aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van 't kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in 't hare opgegaan, dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze móést geschieden; en dat die keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.
Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.
XII
Even vóór vier uur stond ik bij Sherry's ingang. Ik zou daar "Auntie" opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.
Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achter mij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen een dame op mij zat te wachten.
Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was "Auntie" dan tóch binnen gekomen zonder dat ik het bemerkt had?
Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.
--Ik had u reeds gezien, vóór 't raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen, heb ik u maar laten roepen.
Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.
Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van "Auntie": iets straks, bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.
--Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.
--Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.
--Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.
--Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En 't was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen neerstortten.
--O, schrik niet, voer ze voort; 't is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken.
Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.
--Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken--dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken.
--Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte 't mij in plotse, ontembare wanhoop.
--Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde "Auntie" droevig.
--Waarom? kreet ik dof.
"Auntie" zuchtte, aarzelde.
--Waarom! herhaalde ik dringender.
--Omdat ze reeds verloofd is!!
Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde "Auntie" roerloos aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.
--Drink even van uw thee, zei "Auntie" bezorgd.
Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.
--Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van....
--Van die Reggy? kreet ik.
--Juist, van Reggy.--Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor handelszaken en de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.
"Auntie" zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: "Auntie," die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als 't ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, met zelfbeheersching, dat hij "Auntie" dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat 't nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet:
--Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!
--Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel "Auntie" levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!
--Wat zegt u daar! kreet ik.
--Jawel, antwoordde "Auntie" eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer?
Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht, bijna op 't zelfde uur, rond hun villa gedoold had.
"Auntie" was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.
--Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn niet, zuchtte zij.
Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.
Langzaam rees "Auntie" op.
--Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.
--Ik zal u schrijven, u op de hoogte houden als u 't wenscht, beloofde "Auntie" plechtig.
Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.
--Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand.
Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in 't groote New York.
Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft "Auntie" ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....
't Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....
Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.
Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, naïef en onbezonnen! 't Was een illuzie, een roman: de roman van een Schaatsenrijder!
Nu is er slechts tragedie op de wereld....
End of Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse