De roman van den schaatsenrijder
Chapter 10
Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in 't veld was afgeloopen. Dan was de twijfelstrijd althans geëindigd en in 't gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als 't ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar middel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van "Auntie," die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.
Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op "oystersoup." Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.
Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld en dat het alles langs mijn neus zou uitkomen.
--Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.
--Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.
--Laat u 't maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet kòn.
--Neemt u 't mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.
De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden 't allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie's oogen flikkerden bijna uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo "funny" die groote meneer, die nog geen "oystersoup" kon eten!
Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een zware dobber. Papa strekte zich met de sigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over "business" te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte hij over "business." Het woord "dollar" klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als 't ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk, dat slechts door ziekte of door 't einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillende genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen.
--In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.
Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en 't was voor mij als 't komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa's gebusiness en gedollar. Maud's oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama's grijze haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie's wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het einde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door 't kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van 't jong meisje; en 't zong in mij, o, 't zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.
Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. 't Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. "Auntie" herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.
Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen "gewoon" aan en gaf ze mij "gewoon" de hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en 't was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.
VII
Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als 't ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.
Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve 't gewone verblijf aan zee en te Saratoga gedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op 't programma. En 't was reeds half April.
Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar vóór dat vertrek naar 't geduchte "society-leven" vast aan mij verbinden zou.
Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in 't gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en "Auntie!"
Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!
Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen.
Ik had 't gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden letters slechts de voornaam "Véronique" geschilderd en op het andere raam het woord "Modes."
Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie's opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl "Auntie"-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte.
Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat 'n chance "Auntie" daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijn gevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.
Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en den trots van na.
Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als 't ware in 't harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al haar glorie troonde.
Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheid en zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd "matelotje" met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze "tirty dollàr" zooals ze 't in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende.
Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde "Auntie" was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgeheven armen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen, om mij te omhelzen.
Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.
De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,--dat was gewilde eenvoud, ter wille van de deftige distinctie,--maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aan wie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.
Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En 't mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en de knieën van vermoeidheid knikten.
Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog 't matelotje bij: dat van "Tirty dollàr."
Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets leuk-ondeugends als van heimelijke verstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en 't blonde meisje begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.
Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en, daar wij in de buurt van "Sherry's" kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam.
Het was er "chic," het was er "smart," nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op den drempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.
Hier heb je nu een stuk "society," zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als 't ware, van wat deze, die ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.
--U kent hier zeker weinig menschen? vroeg "Auntie" die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.
--Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.
--Er komen hier veel lui, die wij ook 's zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde "Auntie" mij mee. 't Is nogal aardig, begrijpt u; het wordt zoo'n beetje als één groote familie.
Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jonge meneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen.
--Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en "Auntie," alsof 't een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.
--Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij "Auntie," op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.
Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:
--'n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!
--Dat zou u niet zeggen als u hem walsen zag! antwoordde "Auntie" snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante's woorden.
Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de "society," hààr "society," waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille!
Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en "Auntie" met strak-geïnspireerde oogen aan en vroeg:
--Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren, vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?
Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en "Auntie" mij, en daarna ook elkander aan.
--Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.
--Ik vind het dol, dól! jubelde "Auntie" met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend.
--Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin's, als u 't verkiest, of Waldorf Astoria, 't is mij eender.
--Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte "Auntie."
Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als 't ware midden in háár kring, in de "society" en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een oogenblik, terwijl wij opstonden om Sherry's te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en 't deed mij goed dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.
In de zachtroze lenteschemering, die 't drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud en "Auntie" tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
VIII
Papa en Mama hadden, evenals Maud en "Auntie," mijn invitatie aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken.
Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique onthaald was geweest. 't Was in de stille uren; de garçons waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in 't Fransch, wat ik verlangde.
Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.
Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.
--Cinq potages bisque? vroeg hij.
Ik knikte.
--Du saumon à la Chambord?
Ik knikte.
--Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d'agneau!
Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.
--Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend.
--Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.
--Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend:
--Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.
--Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.
--Comme rôti? ging het verder.
Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. 't Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.
--Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.
--Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken.
--Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.
Ik knikte.
Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij.
--Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem.
--Eh bien, comme nous avons dit, n'est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....
--Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen.
--Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.
Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken zin van omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens 't cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin, van om.
--'t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te dansen en te schemeren.
Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en 't oogenblik daarna stond ik buiten op 't trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie had weggemold.
Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden.
IX