Part 9
Intusschen had tante al nu en dan een poging gedaan om er een paar woorden tusschen te krijgen, want ze was verlangend naar een relaas van de trouwpartij. En Bernard had haar al een paar maal -- terwijl oom zijn sigaar aanstak of zijn neus snoot -- vlug 't een en ander weten mee te deelen over dat feest. Maar nog lang niet genoeg, zij hunkerde naar meer. Telkens dacht ze haar kans schoon te zien en deed ze den mond al open, -- wat ze altijd deed, voor ze wat zeggen ging, -- maar dan begon oom weer over wat anders -- altijd over zaken -- en sloot ze den mond weer, met een ongeduldig wenkbrauwfronsen. En toen oom, die erg op dreef was, aan Bernard voorstelde nog een eindje om te wandelen voor het eten, was tante blijkbaar een beetje gepiqueerd. Met een goedig-knorrende stem zei ze: "Je laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard te praten!.... Ik wil toch ook wel 's wat weten!.... Je hoort hier ook anders nooit 's iets!...."
"Nou ja, lieve kind! straks.... straks!.... We komen immers terug!.... De jongen loopt niet weg!.... We komen eten, zoo meteen!...." En lachend verwisselde oom zijn kalotje tegen een grooten grijzen flaphoed en troonde Bernard mee.
Buiten werd 't zelfde gesprek voortgezet, door den oom met veel animo, door den neef met geduld en reverentie en 'n beetje plezier door den terugslag. Was 't een oogenblik stil, dan groeide in Bernard 't stille genot van de avondstemming om hem heen, 't zachte klagen van de avondkoelte in de boomen, de langzaam verschietende kleuren aan den hemel, den gloed in 't westen, die lange schaduwen vaagde over den rossig-geel getinten weg. Soms bleef hij even staan om ten volle te genieten, zacht-zeggend als tot zichzelf: "Wat is dat weer mooi!...." "Ja zeker, zeker is dat mooi," zei oom dan, ook even stilstaand en rondkijkend, alsof hij op een tentoonstelling was, "maar wat zei je daar over Jansen in Semarang? Die is best, wel zeker!.... hij stelt graag wat uit!.... Maar je hoeft je niets ongerust te maken .... dat komt terecht, hoor!...."
Thuis gekomen dronken ze nog even samen een bittertje in ooms kamer -- zijn studeerkamer, zooals hij zelf zei, omdat er een kastje boeken stond -- en gingen aan tafel, waar tante al wachtte, rechtop zittend met een statig-tevreden glimlach in 't prettige vooruitzicht, dat nu haar beurt kwam.
En al onder de soep begon 't. Ze moest alles weten van de partij. Wat Bernard zich niet herinnerde van 't menu en van de toiletten, dat vulde ze aan door net zoo lang te vragen tot hij zei: "Ja, ja! dat was 't, geloof ik." Ze had haar opmerkingen over al de menschen, die er geweest waren, over familie-bizonderheden of in 't oog vallende karaktertrekken. Soms meende oom dat tante zich vergiste in de identiteit van een van die menschen en dan kibbelden ze samen een beetje, waarbij tante met een groote koppigheid op haar stuk bleef staan, bewerend zich niet te kunnen begrijpen, hoe oom dit of dat zeggen kón. Ook liet ze zich door zulke uitweidingen niet van haar apropos brengen, maar vroeg aldoor weer geregeld verder en 't scheen haar ietwat te verbazen dat Bernard niet met al die menschen lange gesprekken gevoerd had, dat ze hem niet allemaal hun volledige levensgeschiedenis hadden verteld.
Ze vroeg ook met wie Bernard gedanst had en naast wie hij had gezeten aan 't souper, met een aandachtig, uitvorschend gezicht lettend op zijn antwoorden. Maar dat wist Bernard vooruit; hij noemde al die meisjes koel-bedaard op, sprak ook Mimi's naam uit zonder eenige uiterlijke ontroering of trilling in zijn stem en praatte een beetje door over Lize. Dat was nu toch zoo'n aardig vroolijk meisje geworden, zoo'n lief meisje en zoo mooi! Toen glimlachte tante beteekenisvol en keek oom aan en die trok zijn wenkbrauwen op, waarmee hij bedoelde een guitig gezicht te trekken, en zei: "Zou dat niets voor jou zijn, jongen?"
"Hoe bedoelt u," vroeg Bernard droog-weg, "om te trouwen?.... wel nee! 't is immers nog zoo'n jong ding!.... Wie weet wat 'n nuf 't nog wordt."
Toen glimlachte tante nog breeder en begonnen haar oogjes te tintelen. Maar ze nam zich dadelijk voor Bernard niet te plagen met dat meisje; daar hield ze niet van; 't had soms juist een glad verkeerd effect, dat had ze al zoo dikwijls gemerkt bij anderen. Neen, de charme van 't geheime moest blijven bestaan.
Zij gingen thee drinken, achter, in de besloten waranda. 't Was bijna heelemaal donker nu, ze namen van binnen een petroleumlamp mee. 't Werd rustig daar in de koele waranda. Oom en tante wisten wat ze weten wilden, ze hadden weer genoeg om een paar dagen rustig over te soezen en nu en dan wat te kibbelen. Tante zat voor 't theeblad, dicht onder de lamp te haken, met haar bril op en een gewichtigen trek om den mond; oom en neef rookten hun sigaren, achterover in gemakkelijke rieten stoelen.
't Was een mooie, stille avond. Zacht windgeruisch en soms 't rommelen van een rijtuig op den weg waren de eenige geluiden. Al gauw was 't heelemaal nacht en 't werd koeler.
"'t Zal wel de laatste keer zijn, dat we hier in de waranda thee drinken," zei oom, traag-sprekend, "'t is vandaag een bizondere dag, morgen zal 't wel weer kouder zijn, en over een dag of wat zitten we midden in 't najaar!"
Bernard knikte even, zwijgend, langzaam zijn sigaar heen-en-weer bewegend onder zijn neus.
"Heb je op den tuin gelet, vind-je niet dat hij er nog lief uitziet," vroeg tante.
"Ja," zei Bernard,.... "heel lief!.... heel mooi!...."
En 't was weer stil, ze raakten nu alle drie aan 't soezen. Bernard gaf toe aan de halve-bedwelming van den sigarenrook, hij voelde zich behagelijk-passief genietend van zijn rust. Na een poosje vroeg oom: "Bevalt je kamer je aldoor nog goed, jongen?"
"O ja!" zei Bernard langzaam, "'t is een heel geschikte kamer,.... gemakkelijk overal dichtbij...."
"En zijn de menschen nog al geschikt op den duur?"
"Dat gaat wel,.... 'n beetje zeurig...."
"En je eet nog altijd daar op 't Leidscheplein, hè?"
"Ja oom!"
En ze zwegen weer, de mannen stil rookend, tante met een ernstig gezicht, een strak gezicht met vaste ouwelijke plooien, turend naar 't haakje dat in haar dikke vingertjes rusteloos bewoog. Ze scheen niet geluisterd te hebben, maar een paar minuten later zei ze in-eens zonder opzien -- haar stem klonk vreemd-hard door 't lange zwijgen: -- "Dat moet je toch wel vreeselijk gaan vervelen altijd dat kamer-leven en dat eten in zoo'n café,.... je moest toch werkelijk 's gaan trouwen, Bertje!"
Bernard keek verbaasd op. Hij voelde zich opgeschrikt uit zijn behagelijk gesoes, in-eens vervelend leeg en wrevelig. Hij gaf niet dadelijk antwoord, trekkend aan zijn sigaar, die hij toen met een rukkenden zwaai van zijn arm voor zich uit bracht, terwijl de rook om zijn hoofd bleef hangen.
"Hebt u soms een meisje voor me op 't oog, tante," vroeg hij met een poging om de zaak maar gauw in 't gekke te gooien, een poging, die hij hoorde mislukken in zijn stem, want hij zei 't te scherp en te vlug.
"Hè?.... och wel nee!" zei tante, die 't hartelijker bedoeld had dan Bernard vermoedde, een beetje geraakt, "een meisje op 't oog!.... Dacht-je dan dat ik daar ooit op zou willen influenceeren?.... 'k Zou me schamen!"
Tante was werkelijk wat boos; zenuwachtig liet ze 't haakwerk in den schoot vallen en verzette al de kopjes op 't blad met kleine bonsjes. "Nou ja.... nou ja...." zei Bernard sussend, even naar haar omkijkend, "Nee jongen," zei oom toen ook, "dan begrijp je tante verkeerd, hoor! We hebben 't er samen al dikwijls over gehad!.... Zoo 'n lang jongeheerenleven deugt niet.... voor niemand!.... Je moest trouwen.... maar natuurlijk met wie je maar wilt, dat spreekt van zelf!...."
Bernard gaf geen antwoord. Hij rookte door met lange halen. Zijn behagelijk gesoes was weg en bleef weg, maar langzaam werd de leegte verdreven door den ontwakenden stoet zijner dagelijksche overpeinzingen, zijn verlangen, zijn angst, zijn verwachtingen, en ook dat wee-klagende, dat wanhopige van 't banale was er weer.... Hij voelde zich thuis komen in zijn ziele-omgeving van allen dag.
"Je vader zou 't je zeker geraden hebben," begon oom weer.
"En je goede moeder ook," zei tante.
"Ja," zei oom, hoofdschuddend, "die arme menschen!"
"Ze waren zoo in-gelukkig met elkaar," vulde tante aan, haar haakwerk weer opnemend, "'t was wezenlijk een ideaal paar, wat dat betreft.... En dat op 't eerste gezicht, dat komt toch zelden voor, hè? 's Middags werden ze aan elkaar voorgesteld en 's avonds waren ze geëngageerd."
Bernard zei aldoor niets. Achterover, zijn hoofd tegen de rieten leuning van den stoel zat hij voor zich uit te kijken, alleen zijn arm bewegend als hij zijn sigaar uit den mond nam.
Hij had dat natuurlijk al dikwijls gehoord, dat van zijn vader en moeder. Maar altijd weer deed 't zijn gansche gemoed ontroeren, was hij blij-bewogen en trotsch als een prins die hoort gewagen van de glorie zijns vaders, den heldenkoning. Maar dat gevoel mocht niemand merken, allerminst zijn tante, die er immers niets van zou begrepen hebben, die 't geval vertelde als een weemoedig-interessante anecdote met iets beschermend-meewarigs in haar stem. En o! te denken dat menschen, die hem zoo na waren, zijn ouders, zijn vader, op wien hij veel moest lijken, en zijn moeder, de moeder van zijn herinnering, dat gekend hadden, liefde, groote, wederzijdsche liefde op 't eerste aanschouwen, dat hoogste, heerlijkste geluksgenot, die ziele-zaligheid, die glorie volkomen, die als een zon rijst aan de kim van 't leven en niet meer ondergaat, nooit meer ondergaat! Want dood.... wat was dood?.... Dood is 't eeuwige raadsel, is niets positiefs, een abstractie, even onpeilbaar als 't leven. Maar liefde, dat is het groote positieve, een bijna tastbare geluksstaat, voelbaar, hoorbaar, als de brand, die de tastbare dingen verteert.
Er was geen zweem van medelijden in Bernard als hij dacht aan zijn ouders, die beklaagd werden door de menschen omdat ze maar zoo kort hadden kunnen genieten van hun geluk. Alsof niet een uur van liefde een menschenleven waard, alsof levens-geluk een kwestie van tijd was! Bernard benijdde zijn ouders; zichzelf beklaagde hij, die alleen was gebleven; niet hen die gestorven waren. Want o! zoo te sterven, liggend achterover in je witte kussen, met die lichtheid van liefde in je hoofd, doorklankt van die éene, éene stem, zoodat je 't voelt liggen je hoofd, zoo zuiver-licht, zoo leeg-licht, zoo door-schijnend puur als 't kristallijne water van een bergbeek, en dan je leven te voelen vergaan, wegwademen in licht-prikkelende boschgeuren....
Maar hij voelde in-eens, dat hij iets zeggen moest, dat 't geluid van zijn stem werd verwacht, met eenige spanning. Hij kon 't niet langer uitstellen.
"Als u 't ernstig meent met dat trouwen van mij," zei hij eindelijk, "spreekt u er dan niet meer over.... Ik zal trouwen.... of ik zal niet trouwen, maar met praten zal daar toch nooit iets aan te veranderen zijn."
Meer zei hij er niet over. Hij vond 't eigenlijk al te veel. Dat driemaal herhaalde woord trouwen gaf hem al een gevoel van tegenzin. Wat had eigenlijk dat trouwen te maken met zijn droomen van verlangen.
't Werd nu al gauw te koel in de waranda. Ze gingen binnen zitten en 't licht ging op. En 't duurde niet lang meer of ze zaten aan 't gezellig-groen belakende speeltafeltje te omberen. Oom en tante waren verzot op dat spel; Bernard kreeg telkens ernstige lessen over 't ruilen, over 't tegenspelen van "sans prendre's" en zoo meer. Hij spande zich zeer in, maar hij was toch telkens abstract, zoodat zijn oom zich een beetje ergerde en een ietwat knorrige opmerking maakte en tante deftig-breed glimlachte, want ze dacht dat 't kwam door Lize, dat aardige, vroolijke meisje. Ze moest zich bedwingen om dien naam niet 's te noemen, maar dat was immers zoo verkeerd, en Bertje had trouwens verzocht niet over die dingen te spreken. Hij was 't zeker nog niet met zich zelf eens en dan moet je zoo iemand stil laten gaan en niet storen.
De winterdienst was al in werking, Bernard moest dus vrij vroeg weg. 't Afscheid was heel hartelijk, hij moest vooral toch gauw terugkomen; liefst hadden ze dat hij iederen Zondag kwam. Oom zou misschien van de week ook 's in de zaken komen kijken. Ofschoon hij wel wist, dat hij 't gerust over kon laten, dat was 't niet, hoor!
Ze lieten hem samen uit tot aan de voordeur, en Bernard liep den donkeren weg naar 't station op met een warm gevoel van vriendschap en dankbaarheid jegens die twee goedhartige menschen, die al zoo onnoemelijk veel voor hem hadden gedaan, wel geen groote dingen, maar och, wat zouden ze ook! Alles was met hem zoo gewoontjes, zoo kalmpjes geloopen tot nog toe! Maar hoe hadden ze altijd hun best gedaan met kleine zorgen, hartelijkheidjes, en altijd zoo eenvoudig en kiesch, zooals zoo veel ouders 't niet doen voor hun kinderen....
Zoo liep hij aan hen te denken. Maar zacht schuifelde de nachtwind in de boompjes en struiken op zij van den weg, geheimzinnig schemerig flikkerden lichtjes in de verte, en achterin de stille tuinen lagen de villa's in nachtelijk zwijgen. En in-eens voelend de stilte, de wijde nachtstilte om hem, en denkend aan de stad, waar hij heen ging, waar hij straks aan zou komen, in de woelige drukte van Zondagavond, van menschen, die "uit zijn" en rekken hun roes van plezier, opgewonden negeerend 't einde van den dag, van galmende troepen bezopen kerels en geil-gillende meiden en vigelantgeratel en heesch-hoog trambelgerinkel, bleef hij staan en genoot van de stilte, en opziend naar de sterren, die twinkelden bij honderden tegen 't diepe intense zwart, zag hij den nacht, in zijn gansche grootsche majesteit. En 't was hem of hij dat nooit te voren zoo gezien had. Hij kreeg er een geweldigen indruk van. Een gevoel dat hij anders nog alleen gekend had -- een enkele maal -- bij 't hooren van muziek, dat had hij nu ook, staande alleen in den nacht; hij voelde zich groeien. Toen hij weer doorliep voelde hij zich lichamelijk grooter. Rechtop liep hij, diep ademhalend, zich geheel gevend aan 't genieten van de zwarte stilte. Hij kreeg er zoo'n sterken indruk van, dat 't hem was als schreed de nacht, belichaamd, in rustige grootheid, met hem voort. En hij voelde sympathie voor den nacht, als voor een grootsche persoonlijkheid, onbegrepen.... En hoe kwam 't dat hij nu in-eens weer dacht aan zijn vader en moeder, en nu met een week-innige teederheid, een gevoel van één-zijn dat verbroken was, een wijd en vaag-smartelijk verlangen....; 't was of de nacht hem helpen kon om hen te vinden....
Plotseling scheurde scherp gefluit zijn stemming, en een hoek omgaande zag hij dat 't station voor hem lag. Maar opgewekt, als een die 'n onverwacht geluk gehad heeft, stapte hij nu vlug door. Op 't perron was 't al vol menschen, die mee moesten met den laatsten trein. Bernard voelde de stad al in die volte. En toen dacht hij met een gevoel van heimwee aan den donkeren weg, dien hij afgekomen was. Hij vond 't plotseling een dwaasheid terug te gaan naar die stad, waar hij nu een afkeer van had. Waarom bleef hij niet liever hier, waarom ging hij niet wandelen, de landwegen op, dwars door de velden, alleen met de boomen en de hekjes en slootjes en de verre sterren, alleen in den nacht, in die heerlijke hal van diep zwart en stille flonkering-zonder-licht?
Hij liep 't perron zoo ver mogelijk af en staarde voor zich uit over het open veld. Maar de koele nachtwind kwam aanstrijken langs den grond en kou kroop op langs zijn beenen en hij kreeg een rilling en in-eens een niet-te-bedwingen-verlangen naar zijn bed. Hij ergerde zich er aan; in zichzelf vloekend kwam hij terug onder de menschen, die stonden te kletsen en te lachen onder de kap van 't perron. Uit een van de gichelende groepen riep een zwarte meid, in-eens haar bovenlijf naar hem toebuigend, met een loeistem: boe!.... en ze gilde 't uit van de lol. Hij begreep dat 't was om 't norsche gezicht dat hij trok, en tegen wil en dank, zich weeïg ergerend, moest hij meelachen.
Toen dadelijk daarop de trein aankwam, schuur-stampend, blazend, sissend en kreunend als een bezeten beest, haastte hij er zich heen en zocht een hoek-plaatsje op, waar hij dadelijk op zijn gemak ging zitten, met zijn oogen toe, willend de ergernis in dof gesoes vergeten. Een paar minuten schreeuwerig lawaai en door stampte de trein weer, rhythmisch dreunend over 't ijzer, door naar de stad. Want treinen stormen van stad tot stad; ze gaan in donderende vaart de stille duisternis der velden langs, der vereenzaamde wijde-werelden, die zij dom verachten in hun heete haast. En de menschen, die er in zitten weten niets van de geheimen die fluisterend gaan van de stille sterren naar de struikjes en grasplantjes op 't land en naar de krekels en de veldmuisjes, zij vermoeden niet 't intieme leven van 't riet dat aan de slooten staat en de waterplanten in de plassen van 't moeras, en de torren en kikkers...., maar Bernard dacht aan dat allemaal, stil soezend in zijn hoek, gehinderd door 't gebabbel van de anderen in de coupé. En weer voelde hij 't onzinnige van zijn rijden naar de stad en zijn groote genegenheid voor 't stille donkere veldenland.
Maar zijn gesoes werd doffer, 't gepraat ging verder, hij viel met knikkend hoofd in lichten slaap.
Toen de trein de stad naderde met schel-gillend gefluit werd hij wakker en keek naar buiten en zag het rossig-gelige schijnsel dat boven de stad hing. Daar dan, daar onder die geheimzinnige lichtschering, lag 't groote hol waar 't bezeten treinbeest hem heenbracht in hijgende haast. Daar lag de stad, de sombere steenen stad. Daar wachtten hem ook weer zijn werk en zijn zorg, zijn getob en zijn kleine genietingen van allen dag, en geen enkele groote vreugde. Daar leefden ál de menschen, tobbende, zorgende menschen, onder en boven en naast hem, huis aan huis, straat aan straat. Daar woelden ze en werkten ze, zochten geluk en vonden kleine genietingen. En dien rossigen schijn boven de stad zag Bernard toen in-eens als een lichtglans om 't hoofd van een martelaar, die, onbewust geheiligd door smart, zich pijnigt, zich afbeult, niet willend 't genot wat voor 't grijpen is, maar enkel de zaligheid.
VIII.
Toen Bernard dien Maandagmorgen weer op zijn ouden leeren kantoorstoel zat, voor zijn schrijftafel, die met stapeltjes paperassen en allerlei zakendingen dicht bedekt lag, toen hij daar weer zat te werken en te piekeren, kijkend nu en dan over al dien grijzigen rommel heen, in even-opkomend gesoes, naar buiten, naar de oude viezige straat in 't bleeke, vaag-schaduwende Octoberlicht, naar de zwarte raamgaten van de vaal-donkere overkanthuizen, die vol schenen te zijn van kil-spokerige duisternis, toen voelde hij in-eens een spitse spijt, dat hij dien vorigen dag, dien vrijen Zondag, niet beter gebruikt had, dat hij niet 's een poging gedaan had om Mimi te ontmoeten, 's middags bijvoorbeeld, in 't Concertgebouw of ergens anders, en al was 't maar één blik op te vangen, één zoo'n metaal-koel neer-huiverenden spotblik, één zoo'n blik van uitdagenden trotschen overmoed en geheim-perverse verlokking, één zoo'n blik van haar langs de verstandig pratende hoofden en achter de hulpelooze halzen van degelijke menschen, die geen dwaasheden doen. O! zoo was 't nu altijd met hem! Hij deed niets, hij was te passief, veel te akelig laksch in zulke omstandigheden! Daardoor kwam 't, dat hij nooit 's -- zooals anderen zoo dikwijls -- een pikant avontuurtje had, een opfrisschend, afleidend liefdegevalletje.
Maar hoe kwam 't dan toch dat hij, die anders toch zoo energiek was, die aanpakte en doortastte, dat hij altijd zoo'n wachtende houding aannam in alle zaken van gevoel? Dat hij dan loom werd en besluiteloos, lethargisch, onverschillig? Hij ergerde er zich weer aan, hij had 't land aan zichzelf -- maar hij vergat 't in zijn werk. Want hij had 't druk, en soms, midden in gesoes, kon zijn werk hem in-eens boeien en hem dan uren lang niet loslaten. Dan ging met vollen geregelden gang de staal-gladde machine van zijn intellect en hield zijn aandacht strak gespannen. Hij dacht bijna nooit aan het klinkende geld, maar het slagen van zijn zaken was hem een verstandelijk genot, een bijna zinnelijke bevrediging van zijn hersenbehoeften.
Toen hij 's middags naar 't Leidscheplein liep om te gaan eten, dacht hij weer aan Zaterdagavond en hij zag 'n beetje op tegen 't ontmoeten van zijn tafelvrinden. Van André vooral, en van Gerrit Volle, die zoo plagend plat, zoo blasé-ongeloovig grinneken kon. Hij liep tegen zich zelf te redeneeren dat 't nonsens was bang voor die lui te zijn, dat ze toch eigenlijk tegen hem opzagen, dat ze jaloersch waren op zijn kracht. Maar hij geloofde dat toch niet heelemaal en bleef een beetje beklemd -- tot zijn ergernis. Hij voelde zich pas ruimer worden, toen ze hem heel gewoon en als altijd ontvingen. Ze vielen hem erg mee. Ze waren vol nog over gisteren, ze hadden elkaar 's middags weer getroffen en hadden een roezig-dollen dag gehad met André's broer; en de schilder was ook weer mee geweest. Bernard werd zelfs even getroffen door den echt vriendschappelijken toon van verwijt, toen ze hem vroegen, waarom hij ook niet was gekomen. Hij had die goeie jongens miskend, hij schaamde er zich wat over. Ze waren toch eigenlijk beste, hartelijke kerels. 't Was toch wel waar dat hij van hen hield en zij van hem.
De week of wat, die nu volgden, waren een dagenreeks zoo geregeld en eenvormig als een rij flesschen in een apothekerskast, alle dagen even lang, door de gelijkheid van de dagverdeeling, de een alleen wat voller dan de ander, voller van werk dat gedaan en van woorden die gezegd waren, een dagenreeks zonder feiten, zonder een enkele daad, maar verschillend in hoogte van stemmingstinten; de eene dag helderder door een roes van actie, door opwekkende lectuur, muziek of een paar woorden van goedheid en vriendschap, de ander grijzer door kleine teleurstellingen, door droomenwolken van twijfel, angst, weerzin van 't werkelijke, zelf-minachting en door verveling die kwam van menschen en van dingen; de eene dag doorsprenkeld van lichtvlekjes als een beukenlaan in de zon, scheutjes zonnige verliefdheid, golfjes heldere emotie van levensrijkdom en kracht, de andere, als een kreupelboschje in den mist, doorsiepeld van koude druppels, onverwacht vallend. Géén dagen van een en al zonneweelde, géén dagen ook van een en al kille treuring; altijd dóór wisseling van stemmingen, kleurrijk als een regenboog of licht contrasteerend, als een sober vrouwentoilet.