De roman van Bernard Bandt

Part 8

Chapter 83,963 wordsPublic domain

Toen deed Bernard, ongemerkt, even zijn oogen dicht. Gek!.... Gek!.... Dat woord schoot hem als een visioen door 't hoofd, gek worden, sterven misschien voor een idee.... Dat bestond dan toch nog, in deze eeuw.... "Goed," zei hij dof, "'k zal 't afwachten...."

De ander haalde zijn schouders op. "Je moet 't zelf weten," zei hij.

En ze zwegen weer. Als vreemdelingen gingen ze samen over de stille gracht. Heelemaal weg was nu uit Bernard's hoofd 't somber-cynisch gedenk. Hij voelde zich gaan, hoog en trotsch als een eenzame ridder, blijmoedig als een die sterven gaat voor zijn ideaal.

En nu kon hij ook weer vriendelijk zijn en vriendschappelijk. Toen ze op zijn kamer waren was hij weer heelemaal gewoon: hartelijk en joviaal. En zijn vrind, daar blijkbaar blij om, was ook weer als 's morgens aan de koffietafel. Ze voelden wel allebei dat er wat tusschen hen was, maar ze negeerden dat. Ze dronken samen nog een droog cognacje, intiem pratend over kleinigheden, en toen werd 't bed van den student opgemaakt op Bernard's kanapee.

Onder 't uitkleeden stierf hun gesprek van zelf uit. 't Was laat, ze waren moe.

Eindelijk lag de vrind op de kanapee en Bernard in zijn bed. Het licht was uit.

Ze praatten nog even met onderdrukte bromstemmen.

"Nou.... wel te rusten," zei toen Bernard, om er 'n eind aan te maken.

"Slaap wel," zei zijn vrind.

En de stilte groeide......

Al gauw hoorde Bernard 't snurken, 't goedig-onbewuste geknor van zijn ouden schoolkameraad, terwijl hij zelf nog lag te staren in de duisternis met wijd-open oogen. Hij lag te denken aan zijn toekomst. Als "zij" niet komt dan zal ik gek worden. Hoe zal dat zijn, wat zal ik dan doen als ik gek ben? Daar lag hij aan te denken, sterk en stil.

Tot er een beest, een bij of zoo, begon te gonzen en te trillen tegen een raam van zijn kamer. Dat leidde hem af; luisterend viel hij in slaap.

VII.

Ze sliepen lang. Bernard werd wel op zijn gewonen tijd wakker, maar zich met een jongensachtige, stil-innige blijdschap herinnerend dat 't Zondag was, draaide hij zich nog 's om en zonk dadelijk weer terug in rustigen slaap, een lekker-lichten morgenslaap vol vluchtige droomen. Tegen half-elf werd hij weer wakker en zag nu, van de donkere alkoof uit, zijn vrind, den student, al heen en weer loopen in zijn kamer, in zijn onderkleeren en op kousen, schommelig plat-voetend en onhandig doend in de ongewone omgeving.

"Zoo!.... Ben jij al op?.... Morgen!...."

"Morgen!...."

"Goed geslapen?"

"Best.... jij ook?"

"Uitstekend.... Geen hoofdpijn?"

"Nou, 'n klein beetje!...."

Bernard stond nu ook op. Hij was langzaam in zijn bewegingen. Hij had een vaag gevoel alsof er iets was dat hem hinderde, alsof hij tegen iets opzag. Maar hij wist niet wat 't was, en hij duwde dat gevoel weg in zijn hoofd, achter de kleine werkelijkheden waar hij voor zorgen moest. Hij riep om de deur zijn juffrouw toe, dat ze voor twee ontbijt moest brengen, en terwijl zijn vrind nog bezig was met zijn boord en zijn dasje en zijn manchetten, kleedde hij zich haastig verder aan. Dat was even een stil gewerk en gepruts, schijnbaar zonder op elkaar te letten, maar toch een beetje gegeneerd, met kleine schokgeluiden tegen waschkommen, hout en gestreken linnen, en nu en dan een los woord over gisteren-avond, een lach of een half-in-een-handdoek-gesmoorden uitroep.

De juffrouw -- een tanige, oude burgerjuf -- bracht 't ontbijt, koppen thee en broodjes, op een oud blad, een gebladderd, namaak-japansch blad, dat ongezellig-slordig kwam te staan naast den rommel op tafel. Ze had bruinige paviljotten in 't grauwe haar, de juffrouw. Ze scheen den student niet te zien, maar ze keek met een zenuwachtig-ontstemd gezicht schuwig naar de kanapee en vroeg met een naar-schelle stem, halfnijdig, half-klagend, of meneer nog iets noodig had.

"Nee.... dank u!" zei Bernard.

En de vrinden gingen even zitten om te ontbijten, nu wat meer pratend, maar met den slaap nog in hun bromstemmen en loome bewegingen. En daarna staken ze sigaren op en gingen uit.

't Was mooi weer, de eerste zonnige, lichte dag na veel dagen achtereen van killen regen en sombere grijsheid. En Bernard voelde zich in-eens als overgoten van puur najaarslicht; hij voelde de dunne lucht met vlagen varen door zijn lijf, oplichtend zijn zwaar hart en helderend zijn hoofd als een lichte roes van een zuiveren rijnschen-wijn. Hij werd vroolijk, hij maakte lachende opmerkingen over gisteravond, hij zei herhaaldelijk: "Wat 'n lekker weer, wat 'n heerlijk weer!" En de Zondagsmenschen, 't stads-zondagochtend-publiek, dat hem anders zoo hinderen kon, zag hij nu aan zich voorbijtrekken, vreedzaam als een kudde koeien op een landweg. Hij zag ze niet als vijanden nu die menschen, hij zag ze als goedige domme dieren. Hij lachte een beetje om de ouderwetsche hoeden en wijde jassen van de mannen, en om hun lomp-stijven, lui-langzamen gang. Hij proefde 't stomme genot van dat langzame gaan op Zondag, dat gaan met een trachten naar deftigheid in de lamme plooien van 't suffisante Zondagsche goed, naar de kerk, en dan weer naar huis, en dan de jas uit en 't lijzige zitten in overhemden aan de opgeruimde tafels achter de dichte ramen, en dan 's middags de bitter en de ruzie, de zoetigheid en de verveling. Hij voelde 't contrast van dat Zondagsleven met 't roezige werkleven van allen dag en 't idiote tasten van die menschen naar genot, wat hem soms deed vloeken van ergernis en hem soms groot medelijden gaf, maar nu zag hij alleen 't komisch-domme, 't hinderde hem nu niet, hij voelde geen lust er iets aan te veranderen, 't scheen hem dwaas je 'r aan te ergeren; sentimenteel vond hij 't nu meer medelijden te hebben met menschen dan met de echte dieren, de sprakelooze dieren, hun geslagen slaven.

Ze zouden nog samen gaan koffiedrinken en dan moest de student weg, naar Leiden terug; hij moest er dien middag zijn voor een receptie. Maar eerst wandelden ze nog even wat om -- 't Rokin af en het open Damrak langs -- kijkend naar 't zonne-schitteren in 't water en in de ramen van de huizen en naar de lichteffecten van de scherp-hoekende huizengevels. Ze liepen een eindje Prins Hendrikkade en toen langs het Y. Bernard genoot van die ruimte daar, die wijde lichtruimte om hem heen, den blijen alom tintelenden zonneschijn.

Maar de student klaagde, dat hij aldoor nog wat hoofdpijn had. 't Was toch bocht dat consumabel in die koffiehuizen! Hij wou naar Kras om te gaan dejeuneeren met een haring. Goed, Bernard wou ook nog wel even op kantoor aanloopen; dus wandelden ze terug en de Warmoesstraat door. Eerst naar kantoor dan maar. Daar was alles in stille Zondagsrust. Ook van de straat kwamen geen geluiden. Hard hakten de stappen op den houten vloer en de stemmen scheurden de staande stilte. Er was iets onheilspellend-verlatens, iets somber-geraamteachtigs in dat kil-leege kantoor. De lessenaars stonden in treurige zwijging, als geduldige oude knollen in een stal, alles scheen nu nog ouder en valer, versleten en dood, alles stond te vergaan. Er hing een onbestemde geur, een menging van geuren, muffig, bedompt.

Bernard, gewoon aan die omgeving, die hij haast niet meer zag en aan die atmosfeer; die hij haast niet meer voelde, -- soms alleen zag en voelde hij 't in-eens heel scherp -- ging zijn post zitten nakijken, maar zijn vrind schoof dadelijk een raam op en stak zijn hoofd en zijn bovenlijf er uit. "'t Is hier niet bepaald om beter te worden als je koppijn hebt", zei hij nog even. Maar Bernard verstond hem niet, want hij was bezig met een belangrijken brief, dien hij in volle aandacht las. 't Was een groote order, waar hij niet op gerekend had. Er zat een goede duit winst in en een mooie nieuwe relatie. En neuriënd van genoegen om dat succes, waar zijn oom weer zoo'n plezier in zou hebben, las hij gauw ook zijn andere brieven, schoof ze toen met een duw op zij, verstond nu ook wat zijn vrind daar straks gezegd had, en riep hem toe: "Nou, laten we dan maar gauw naar Kras gaan, dan zullen we je 'n beetje restaureeren!...."

En ze zaten weer te dejeuneeren over elkaar aan hun tafeltje, net zooals ze ook den vorigen dag gedaan hadden. Maar toch was 't heel anders nu. In-eens voelde Bernard dat, zich herinnerend die stemming van gisteren, die vreugde van 't elkaar terugvinden, die ontboezemende hartelijkheid. Hij herinnerde zich zijn zich arm en onbeteekenend voelen, zijn jaloerschheid op 't leven van den student. Weg was nu dat allemaal. In zijn gevoel was hij de meerdere, de rijkere geworden in die vier-en-twintig uur. Maar hij merkte ook, dat zijn vrind, die gisteren nog zoo vrindschappelijk gezegd had, dat hij ook student had moeten worden, die zoo hartelijk gevraagd had naar alles wat Bernard aanging, dat die vrind nu een beetje aarzelend en bang met zijn woorden was geworden, een beetje wantrouwend en eigenlijk wat verlangend om van hem af te komen. Hij begreep, dat hij wel niet gauw terugkomen zou, en dat er ook eigenlijk niet veel vrindschap meer mogelijk was tusschen hen beiden. Ze zouden wel aangenaam, gul en gastvrij met elkaar blijven omgaan, o ja, ze waren nu zelfs vriendelijker en voorkomender voor elkaar dan gisteren, maar Bernard voelde dat ze heimelijk allebei verlangden naar dat oogenblik van straks, als elk weer voorloopig alleen zou zijn en vrij. En weeïg verschrompelde zijn morgen-opgewektheid bij dat pijnlijke bewustzijn. Hij wist niet: kwam dat nu alleen door dat ééne verschil van opvatting, dat gebleken was door een houding en een paar woorden, -- want een twist was 't niet ééns geweest -- of was daardoor misschien ontdekt geworden een groot verschil tusschen hun beider zielelevens, of lag 't toch niet alleen daaraan maar aan honderd kleinigheden, houdingen, gelaatsuitdrukkingen, intonaties, die zich tusschen hen hadden opgestapeld tot een muur, waar geen sympathie meer doorheen dringen kon. 't Was vreemd en 't was triestig. Want er was toch altijd zooveel overeenkomstigs in hen geweest, was dat dan dieper of niet zoo diep? Het was er toch geweest, ze hadden 't gevoeld. 't Was wel vreemd. En zou 't dan zoo kunnen gaan met alle vriendschap, vriendschap die toch óók liefde was?.... Met liefde ook?.... Zou 't altijd zoo gaan misschien, dat menschen als ze 'n poosje samen zijn weer verlangen naar scheiding?.... Er was iets in hem, dat zei, dat 't zoo ging altijd.... Wel triestig was 't!....

Zoo dacht droomerig Bernard achter zijn gewoon opgewekt gepraat om. Hij kon 't niet meer van zich zetten; als hij zat te praten hoorde hij 't koele, gevoellooze van zijn eigen stem; als hij luisterde hoorde hij 't ook in de stem van zijn vrind en hij zag 't in diens oogen. Hij voelde dat 't ondragelijk worden zou als ze niet doorpraatten, al maar opgewekt doorpraatten.

Na hun dejeuner bracht hij den student naar 't station. Ze kwamen er te vroeg aan, ze hadden zich te veel gehaast. Bernard voelde dat met een beetje schaamte. Hij verweet zich zijn onhartelijkheid, hij vond dat hij toch ook niets geen slag had om vrienden te ontvangen. Op 't perron heen en weer loopend rekten ze hun gepraat. Maar 't hokte telkens. Ze liepen de aanplakbiljetten te bekijken en maakten banale opmerkingen. Toen de trein vóór kwam te staan ging de student er dadelijk inzitten, "om een goed plaatsje te hebben." En langzaam vulden de coupé's zich verder. 't Was niet druk.

In de laatste vijf minuten keek Bernard wel twintig maal op zijn horloge.

Eindelijk kwam de lange wagenrij in stommelende beweging, boog de student zich uit 't raampje en reikte Bernard glimlachend de hand. Ze keken elkaar aan; Bernard geloofde dat zijn vrind 't ook voelde, den weemoed over dat verlorene, dat vervlogene van sympathie.

"Adieu!.... 't ga je goed!"

"Adieu!.... zien we je weer 's?...."

"Ja.... ja!"

En 't hoofd terug in de coupé. En de trein weg, somber-zwart voortschuivend tot in de verte. Toen liep Bernard langzaam 't station uit en stond buiten, onder den wit-blauwen, zon-doorwaasden hemel, alleen weer. Maar verlicht en aangenaam voelde hij zich niet, wat hij toch had verwacht. Dadelijk drukte hem zijn alleen-zijn en was hij niet vroolijk meer. Hij voelde 't met ergernis, met een heel lichte aanwaaiing van wanhoop. Wat was hij dan toch voor een man, die verlangde naar gezelschap als hij alleen was en naar alleen-zijn als hij gezelschap had!

Slenterend ging hij langs het Damrak. Nu had 't mooie weer geen genot meer voor hem en begonnen de Zondagsmenschen die de trottoirs vulden hem meer en meer te hinderen. Die onbenullige, mal-valsche opgepronktheid, die zelfs in de grinnekend glimmende gezichten was. Die armzalige, smaaklooze verkleedpartij, zonder iets schilderachtigs, leelijk, leelijk! Die handwerksmannen in hun confectie-magazijnpakken, zoo harkig en pietluttig, zoo oneindig poverder en ellendiger dan anders in hun bombazijnen alledagplunje, leukjes gelapt met gedurfde stukken, en chic-nonchalant gedragen. En de vrouwen met 'r glimmende groene-zeep-gezichten, afzichtelijk beplakt en belapt, met vette haarpiekjes en krulletjes en met veertjes, lintjes, kantjes en ordinair, grof blomgeflodder. En dan dat gaan in groepen, in families, slenterend, sloffend, van de eene kroeg naar de andere met den kinderwagen voorop. En dan ook -- niet zoo ellendig-armzalig, maar nog hinderlijker, nog aapachtig-belachelijker in hun weeë zelfvoldaanheid -- de klerken en ellejongens op-derlui-Zondags, die lachen tegen de gichel-juffies en tegen de Zondags-uitgaande meiden in 'r onhandig nagemaakte dameskleeren.

In een verdrietige stemming, zonder wil of doel, slenterde Bernard den Dam over en de Kalverstraat in. Hij gaf toe aan een half-bewuste neiging om zich zelf een beetje te sarren, te martelen. Want de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was een folterplaats, een helletje. Daar was 't fataal-onmogelijk ook maar iets fijns, iets nobels te voelen; dat was drukkend, pijnigend, radbrakend ordinair. Daar waren behalve de Zondagsmenschen in de volle straat nog 't bitter- en biervolk in de koffiehuizen, juffrouwen, die advocaatjes lebberen met ontevreden gezichten en mannen die bitter en asch morsen op hun broeken, waarover de vrouwen klagen omdat ze de vlekken er niet uit kunnen krijgen, uit 't gemeene geverfde goed. En de burgerheeren met de witte vesten en de hooge hoeden, die de krant komen lezen en de illustraties bekijken om tegen vier, vijf uur terug te komen bij hun vrouwen, met roode koppen en nijdig breede bewegingen. O, de Kalverstraat op Zondagmiddag, dat was het brandpunt van 't vadsige Zondagsleven van een kleine "groote stad" zonder vreemdelingen, een bak met menschen, die niet weten wat ze doen zullen van labberlottigheid, waar je op zoudt willen schieten om er 's wat frissche emotie in te brengen, dat was één groot, donker, vol, zweeterig, klef, kleverig café.

Bernard liep de Wijde Kapelsteeg door en zoo naar zijn kamer. Die was netjes "aan kant," 't raam stond open, maar hij schoof 't dicht, wars nu van straatgeluiden. Zijn krant lag op tafel en een paar weekbladen waar hij op geabonneerd was. Hij keek ze even door, maar hij miste de energie zich tot geregeld lezen te zetten.

O ja!.... hij wou wel 's weten of er nog iemand geweest was. Sam misschien of Hendrik. Hij deed zijn kamerdeur open en riep de gang in: "Juffrouw!.... juffrouw!"

Geen antwoord. Stilte na zijn roepen. Alleen, dof, het gerinkel van de trambel en menschenstemmen buiten.

Blijkbaar was er niemand, thuis, was de juffrouw gaan "wandelen" met haar man.

Nog eens: "juffrouw!"

Maar 't bleef stil.

Toen deed hij de deur weer dicht. En hij stak een sigaar op, schoof 't raam weer open en ging er voor zitten in zijn lagen gemakkelijken stoel, achterover, naar buiten kijkend, naar de blauwe lucht, waar hoog, heel hoog en ver, wazige wolkjes over gleden, vervluchtigend als ze kwamen bij den lichtenden zonovervloed.....

Eigenlijk had hij al in 't begin van de week plan gemaakt dezen Zondag, als 't mooi weer was, in Bussum te gaan doorbrengen. Hij had 's morgens willen gaan om er wat te wandelen, te dwalen over de hei en door de bosschen, en dan te gaan koffiedrinken bij zijn oom en tante en hun verder zijn dag te geven. Om het blijven van den student had hij dat plan laten varen. Maar die was nu weg.... en 't was wel wat laat, maar.... 't was in Amsterdam zoo'n nare Zondagsdrukte.... en hij had geen lust om te lezen.... en geen lust om straks zijn tafelvrinden te ontmoeten en na te praten over gisteren.... Hij keek in zijn spoorboekje. Om drie-uur-twintig ging er een trein, dien kon hij nog halen. En in-eens besloten zette hij zijn hoed weer op en nam zijn jas en zijn stok en liep vlug de straat op en terug naar het station. Zijn stemming, onder dat ietwat gehaaste loopen al verhoogd, kwam in den trein tot een hoogte, die hem lief was. Hij zat rustig-alleen in zijn hoekje, turend door 't intiem-dichtbije, gezellig-donkeromlijnde ruitjes-vierkant. Toen kwam die stemming, een dons-warme droomen-volte, met een onverschillig neerzien op alle verdrietelijkheden, welwillend zonder dédain, met een ietsje weemoed en een tintje bitterheid, teruggetrokken in de geheimzinnige schemering van zijn zielehuis, zoodat zijn oogen werden als donkere stille meren, waarin de namiddagtinten spiegelden van 't landschap en den hoogen hemel, zonder dat hij ze zag in onderdeelen, met de huisjes en de hekjes, en het vee en het riet en de ver drijvende, stil-strepende wolkjes.

En, in zijn droomen, daar was in eens Mimi weer en zijn verbazing, dat hij weer in zooveel tijd niet aan haar gedacht had. Toch was hij nog verliefd, was er nog een doffe klopping in zijn keel en in zijn polsen als hij dacht aan haar. Toch wist hij, dat als hij haar weer ontmoeten zou, die verliefdheid zou kunnen groeien tot een kracht, die andre krachten lam zou slaan in dollen overmoed, als een pootige wilde kwajongen die uitfluit wie 'n ernstig gezicht tegen hem trekt. Daarom.... was 't maar beter haar niet weer te zien!.... Maar juist omdat dat beter was, verstandiger, voorzichtiger, daarom juist wou hij 't niet, walgend van die eeuwige voorzichtigheid. Juist om 't gevaar hunkerde hij naar 't avontuur. En hij ging weer zitten verzinnen op plannen om haar te ontmoeten, en, even als vroeger, schoot hij er niet mee op. Hij had er altijd het toeval bij noodig.

Terwijl hij zoo doorsoezend almaar stil zat te turen door 't raampje naast zijn hoofd, had hij plotseling een gewaarwording, alsof hij iets gezien had met herkenning, iets wat hij meer gezien had of wat hem vaag teruggaf den indruk van iets anders. Dat hekje, neen.... dat huisje?.... neen.... die rij boomen daar ver achter, die rij boomen stilstaand tegen den zilverenden namiddaglicht-hemel, tegen den grijswitten, wegwademenden horizonhemel.... Ja.... ja.... die was 't? Van zoo'n rij boomen in 't oosten tegen den avond had Lucie gesproken aan de souper-tafel, juist toen Mimi en Hugo Franck hadden opgekeken en gelachen. Hij wist eigenlijk niet ééns, dat hij toen verstaan had wat ze zei, maar nu herinnerde hij 't zich.... Ja, 't was mooi, zacht-weemoedig-mooi, die rij boomen.... 't Was als een verre horizon in je ziel waar 't mooi is, blank zilverig mooi, maar waar je niet komen kunt, omdat je 'r altijd even ver van blijft, hoe je ook loopt, loopt met knikkende knieën over den slijkweg.... Heerlijk mooi, als een ver onbereikbaar verlangen was die rij boomen......

Lucie!.... zoo'n meisje veel zien, met haar praten, met haar omgaan, zoo'n zuster hebben, dat zou een steun zijn....

In-eens, kort, scherp-knarsend, stroef-stampend en zuchtend stopte de trein en stond te hijgen. "Naarden-Bussum!.... Bussum!...." werd er geroepen. En Bernard kwam er uit en gooide zijn jas over zijn schouder en liep langzaam, stil voor zich heen, in de volte 't station uit, en krakend over den grintweg brachten zijn voeten hem naar de villa van zijn oom. 't Was niet ver. Een groote, nieuwe villa, helder lichtrood, met onbegroeide waranda's en pretentieuse torentjes en fratserige piekjes en uitwasjes. Een tuin met schelppaadjes en bloemperkjes en jonge boompjes er om heen. Alles nieuw, kaal, onhuiselijk en peuterig, alles keurig netjes aangeharkt, blinkende als een nieuwe hooge-hoed. Hij deed 't piepende hekje open en stapte 't knarsende schelpweggetje over, zich in haast voorbereidend op 't ontmoeten van oom en tante, met een wat verwarde massa dingen waar hij over praten moest in zijn nog soezig hoofd. Hij schelde. Dat gaf een vol helder geluid, wat hem hielp in 't verzamelen van zijn gedachten.

Een nuffig-net dienstmeisje deed open en hij stapte binnen. En op 't geluid van zijn stem -- in de wijde marmeren vestibule -- daar kwam zijn oom hem al tegemoet, met een krant onder zijn arm, op zijn pantoffels en met een kalotje op zijn rond-kaal hoofd. Een welverzorgd oud-heertje, levenslustig gekleed en met een joviaal air. "Héérejé!.... Goeiemorgen!.... Goeiemorgen!.... dat 's nog 's mooi van je!.... Hoe gaat 't? Kom binnen.... gooi die jas neer!.... kom binnen!.... Waar is mevrouw, Keetje?.... Zeg 's gauw dat de jonge meneer er is!...."

Bernard schudde zijn oom de hand en ging mee, een kamer in, een luxueus gemeubelde kamer van rijken meneer, suffisant-prachtig aangekleed, zonder eenige artistieke bekommering, maar duur!....

"Ga zitten, jongen!.... Nee, neem dien stoel,.... dat 's een gemakkelijke, moet je 's probeeren,.... die heb ik er pas bij gekocht!.... Wat? is die niet lekker?.... je moet flink achteruit gaan zitten!.... lekker hè!.... dat doet je goed in je rug!...."

En tante kwam binnenruischen, vol en breed, 't dikke hoofd ietwat achteroverliggend in den zwellenden hals, één en al glinstering van zware zij, met breede gitten spelden in 't nog niet geheel grijze haar, dat zwart geweest was.

"Zoo Bertje!.... ben je daar! dat 's heel lief van je!.... geef me 'n zoen!.... hoe gaat 't?"

Ze wendde hem even, met bijna onmerkbare buiging van 't statige hoofd, de wang toe, waarop hij haar kussen mocht, en Bernard deed 't, eerbiedig en voorzichtig, en zei dat 't hem best ging. Nu, oom en tante ging 't ook uitstekend, ze voelden zich dagelijks meer thuis in de nieuwe villa, die zoo geriefelijk was, weet je, en oom had nu al een heelen tijd geen last meer van de rhumatiek, en ze hadden al veel kennissen, aardige lieve menschen; en toch was 't er vrij; je stoorde je niets aan elkaar, o heelemaal niet!.... Maar werkelijk, zulke lieve menschen als daar waren! daar had je dokter Stellen, o dien moest Bernard bepaald leeren kennen; nee! zoo'n allerliefste man was dat nu toch!....

"En Bertje, wat wil je 's van me hebben?.... 'n glas sherry, 'n glas port?...."

Bernard zei, dat hij 't nog wat vroeg vond, maar hij dronk toch maar een glas port om zijn gulle tante plezier te doen, en toen ging hij met zijn oom over zaken zitten praten, wel wetend dat er een rapport van hem verwacht werd, liefst in détails, van wat er omgegaan was in de laatste dagen. Er waren sommige kleinigheden, handelsfijnigheden, koopmans-slimmigheden, waar hij wist dat zijn oom speciaal nieuwsgierig naar was. Maar Bernard plaagde hem soms even door te doen alsof hij zulke dingen vergat, vlug vertellend, en dan begon zijn oom onrustig te draaien op zijn stoel en schoof zijn kalotje naar achteren, en dorst blijkbaar niet te vragen, maar deed 't dan toch maar, in-eens, een beetje verlegen: "Zeg!.... vertel dat nog 's even als je wilt.... Hoe precies heb je dien man geschreven?.... Weet je ook nog de bewoordingen?"

En glimlachend vertelde dan Bernard, die wel wist wat er ontbrak, hem alles wat hij weten wou, en dan lachte oom tevreden en schoof zijn petje weer recht en presenteerde zijn neef een fijne sigaar en een vlammetje, en begon van vroegere zaken -- van hem en van zijn vader, -- van aardige meevallertjes en slimme handige zetten te verhalen.