Part 6
Na vier uur werd 't heel stil op 't kantoor. Allen zaten ze aan hun lessenaars als geruischloos werkende machines, met gezichten zonder uitdrukking, de mondspieren slap neerhangend door 't lange zwijgen. Alleen 't jongste-bediendetje fluisterde soms, stil ginnegappend, met een van de aankomenden en nu en dan brak Bernard's stem de stilte met een korte vraag of een rustig bevel. Op straat werd 't van tijd tot tijd wat rumoerig door geschreeuw achter karren met koopwaar en hei-! en ho-!-geroep en fluitende jongens, maar die geluiden stierven dan weer weg, met naargeestige nagalmen, en dan voelde Bernard weer des te meer hoe stil 't om hem was. Hij kwam tot rust. Hij kon er zich nu haast niet meer indenken, hij begreep 't niet meer, dat hij nog zoo kort geleden uren achtereen had doorgebracht in een wijde balzaal, doorgolfd van licht, muziek en kleurige toiletten, hij kon er zich niet meer indenken, soezend onder zijn werk door, aan zijn ouden lessenaar, tusschen de wanden van zijn saai kantoor, kil en kleurloos in den wegschemerenden middag. Zoo'n bal was als een betoovering, hij zou 't misschien voor een droom gehouden hebben, als hij niet aldoor had gevoeld dat vreemd-zware in zijn ziel, die lekkere beklemdheid, meegebracht uit die balzaal. Daardoor wist hij dat 't alles werkelijkheid was, Mimi en die handdrukjes en dat dansen. Hij zocht haar adres op in 't adresboek, en zat er over te soezen waar ze nu zijn zou, of ze nu zou loopen winkelen misschien in de Leidschestraat en gegroet worden en glimlachend aangesproken door leegloopers en rijke patsers.... verdomd!....
En dan keek hij op zijn horloge en vond den middag lang, ellendig lang en vervelend!
Toen hij eindelijk gesloten had en op weg was naar zijn tafel, verlangde hij in-eens naar de afleiding van gezelschap en voelde een neiging om over zijn verliefdheid te praten, zoo vol was hij er van. Hij schrok, bang voor die neiging. Laat ik dat toch vooral niet doen, dacht hij, met een gevoel alsof hij op 't punt gestaan had iets te verliezen.
En nauwelijks had hij zijn tafelvrinden zien zitten, of hij verlangde weer naar alleen te zijn.
Ze zaten in 't café, bitterend voor ze gingen eten, André en Sam, Hendrik Schot en Gerrit Volle. Bernard groette bedaard en ging er bij zitten. Hij bestelde zijn borrel en zwijgend zat hij een poosje te luisteren naar de anderen, die 't druk hadden over een kwestie, den vorigen dag in den Gemeenteraad besproken. André zat heftig, bijna schreeuwend, te praten, met een ernstig gezicht, wat hem vreemd stond. Hij had 't tegen Sam, die verontwaardigd keek en antwoordde met "Och, wel nee!.... dan heb je 't niet begrepen!.... dat was heelemaal de kwestie niet!" En toen begonnen ze tegen elkaar in te redeneeren, maar André overschreeuwde gauw de correct bedwongen stem van Sam. Gerrit zat te grinneken om hun getwist, kluivend op den knop van zijn parapluie, Hendrik proefde met een quasi-deftig gezicht, vol aandacht, zijn jenever. En Bernard begreep in-eens niet wat of hij eigenlijk te maken had met die menschen en hun gepraat; wat konden ze hem eigenlijk schelen, er was er geen een bij, dien hij zou kunnen zeggen wat hij voelde; ze zouden er eenvoudig niet naar luisteren....
Toch hield hij van die vier menschen, wel 't meest van Sam, den beschaafden grappenmaker, den fijn-voelenden, pretensieloozen scepticus, maar ook van André, opgewonden man van indrukken, met zijn oppervlakkige, toch goeddoende hartelijkheid. En ook Hendrik Schot mocht hij graag, een kalmen, droog-leuken man-van-de-daad, joviaal zonder vertooning. En zoo ook, schoon wel 't minst, Gerrit Volle. Want al was die dan wat schriel en wat gesloten, om zijn domheid te verbergen, hij was toch ook erg goedhartig, hij had soms iets stil-gezelligs, hij zou je nooit tegenspreken vooral als je hem zoo nu en dan ook 's gelijk gaf, wat hij altijd erg prettig vond. Toch hield hij van alle vier en van nog veel meer jonge-menschen die hij gewoon was te ontmoeten, in koffiehuizen en bij zijn kennissen aan huis, met wie hij gewoon was vriendschappelijk om te gaan, zonder eenige intimiteit. Want -- hij voelde 't nu weer -- hij had maar één vrind en die woonde in Batavia. O, als hij Edward maar hier had....
Ofschoon die kwestie, waar André 't met Sam over had, nog niet opgelost was -- of juist daarom misschien -- keerde André zich in-eens naar Bernard met 'n luidruchtig, uitdagend vragen: "Zoo, jongeneer! heb-je goed geslapen na dien avond vol dansgenot?"
"Dankje," zei Bernard koeltjes, "best, jij ook?...."
"Nou, jong! prachtig hoor! Ik heb gedroomd van dat aardige kindje, die Mimi!...."
Hij noemde haar nog met een ander epitheton, wat Bernard een strak gezicht deed zetten, en fluisterde Gerrit, die naast hem zat iets toe, en toen lachten ze beiden, kijkend naar Bernard. Die voelde zich boos worden, maar hij bedwong zich, vragend aan Sam hoe 't hem bevallen was gisterenavond.
"Zoo.... zoo...., matig!" zei Sam, "'t souper was nogal gezellig, vond ik, de dames waren nogal spraakzaam, en de wijn was goed...."
"Nee! zoo'n partij! wat jelie daar nou eigenlijk aan vindt," viel Hendrik in, zijn glas neerzettend, "dat begrijp ik waarachtig niet! Dan zit-je toch véél gezelliger in Polen of zoo, 'n potje te whisten of te domineeren, wàt jij, Gerrit?"
"Ik ga er nooit heen -- ik bedank altijd voor zulke invitaties," bromde Volle. "Je hebt er niets aan en 't kost-je nog geld ook; 'n rijtuig, 'n paar handschoenen, 'n fooi, 't komt je al gauw op 'n tientje, zoo'n avond!.... Dat is toch eigenlijk veel te duur!...."
"Betrekkelijk," zei Sam, "als je nou houdt van dansen.... en je hebt niets beters te doen zoo'n avond...."
"Heb-jij soms weer niet d'een of anderen mallen streek uitgehaald, gekke Sam," vroeg Bernard.
Toen bewoog Sam zijn mooie witte rechterhand langzaam langs zijn gesoigneerden knevel -- een eenvoudig gebaar zonder fattigheid -- en zei, met oogen die kinderlijk-vroolijk lachten: "Ik?.... welnee!.... iets mals?.... nee, hoezoo?.... Van dien hoed, meen je?...."
"Ik weet van niets?.... Wat was er van dien hoed?...."
"O, 'k dacht dat je dat bedoelde!.... 'k heb bij vergissing een verkeerden hoed meegenomen,.... later bleek me dat-ie van den ouden heer Van Daalen was, 't stond er in,.... 't was ook een hooge zijden en ik bedacht me dat ik me slappen hoed opgezet had.... en die zat ook nog in den zak van me jas...."
Hendrik barstte in schaterlachen uit. "God ja!.... dat 's waar ook!.... Was jij daar niet meer bij, Bandt!.... Waarom was je ook zoo gauw uitgeknepen?.... Je hadt 'm moeten zien met dien hoed,.... hij was 'm een half hoofd te groot!...."
Ze lachten allemaal behalve Sam zelf, die met een quasi-ernstig gezicht opmerkte: "O maar,.... dat was niets!.... 'k Heb 'm netjes aangevuld met couranten!.... 'k Heb er vandaag den heelen dag mee geloopen, en op de Beurs heb ik eenvoudig even aan den ouden heer Van Daalen gevraagd of hij soms bij abuis mijn hoed opgezet kon hebben, want dat ik twijfelde of ik de mijne wel had......"
"En wat zei-die," vroeg Gerrit.
"Wel, hij zei dat-ie niet hield van die aardigheden en zoo wat meer.... En dat ik zijn hoed ophad.... Hij was een beetje grof.... Nou ik heb 't ding dadelijk door een kruier aan zijn kantoor laten bezorgen met de boodschap, dat hier meneer z'n hoed vast was, dat meneer zelf straks wel kwam...."
"Poeh!.... dat ouwe nijdasje!" lachte Hendrik nog.
Een paar minuten later stonden ze op en liepen naar de restauratiezaal, waar ze gingen zitten eten, pratend weer over die gemeenteraadskwestie en over de menschen van de partij, en over 't nieuwe boek van Couperus, en over een kennis, die aan een ander tafeltje zat met een juffie, en over de groenten, die aangebrand waren, en over den kelner, die te langzaam was en volgens André's dictatoriaal decreet geen fooi zou hebben. Maar ze gaven hem later toch allemaal een fooi, behalve Gerrit, en daarna gingen ze weer naar de andere zaal hun koffie drinken. Met warme hoofden zaten ze daar nog een poosje te lachen en elkaar wat voor den gek te houden en schuine moppen te tappen.
Sam ging 't eerst weg, want hij moest zich gaan verkleeden om naar een soirée te gaan.
En André geeuwde en rekte zich uit en gaf in ruwe termen te kennen, dat hij slaap had en gauw naar bed wou gaan. Toen stonden ze allemaal op en Bernard liep nog een eind met Hendrik mee en ging toen naar zijn kamer. Hij stak er 't licht op en ging op zijn kanapee zitten, half-liggend, met een stapeltje tijdschriften en boeken voor zich op tafel. Hij was al begonnen aan een interessant artikel in de "Nineteenth Century," een artikel over de Oostersche kwestie, en dat wou hij van avond uitlezen. Maar al gauw gooide hij de aflevering neer en ging met zijn handen in zijn zakken soezend voor zich zitten kijken.
Waar zou hij haar nu weer ontmoeten en wanneer?.... Hij was moe, warm-doezig en suf, hij kon niet goed doordenken over zijn plannen, hij voelde zich erg leeg en onvoldaan en lusteloos....
Lang zat hij te soezen, half-slapend. Hij hoorde al de geluiden van de partij en van de Beurs en van André's druk gepraat dof, als op een afstand; en ook al zijn stemmingen van gisterenavond voelde hij terug in verwarde volgorde en in een grijs waas van verledenheid.... 't Was hem of hij Mimi in een heelen tijd niet gezien had....
Op zijn kamer was 't stil, nacht-stil, als altijd. Met strakke, wijze rust keken de kamerdingen op hem neer. Hij voelde zich dikwijls zoo dwaas ongedurig, zoo kinderachtig tobberig tegenover al die stil-staande, stil-hangende dingen, die daar altijd waren, in hun onbewegelijkheid zonder begin, in hun somber-geheimzinnig gepeins.... wachtend.... wachtend....
Als er maar iemand bij hem kwam, dan ging dat weg, maar als hij alleen was drukte 't hem, dat zwijgend wachten. En van avond benauwde 't hem bizonder, werd 't als een last op zijn borst.
Ook buiten was 't stil. Hij hoorde een kerkklok loom bonzen tien uur. De sombere nagalm hing laag boven de huizen....
Zij woonde op de Keizersgracht,.... hij had 't immers dien middag opgezocht in 't adresboek....
Och nee, lezen! Hij kon 't niet van avond....
Maar...., hij wou toch wel 's zien dat huis waar ze woonde......
En hij stond op -- licht schrikkend van zijn eigen gestommel -- en trok zijn jas weer aan en zette zijn hoed en zijn kraag op. En zacht loopend ging hij de trap weer af en naar buiten.
't Was een gure, vochtig-koude avond. Hij liep met zijn handen in zijn zijzakken soezend door. De avond-straatgeluiden, 't gerinkel van de trambel, 't eenzaam-zeurig zingen van een slenterenden straatjongen, voelde hij in zich wegdroomen zonder herkenning. Hij keek de menschen niet aan die hij tegenkwam. Hij was heelemaal weg nu in zijn week gesoes, hij was te moe om zich te verzetten, om iets anders te willen dan haar te zien of iets van haar, om naar iets anders te verlangen, dan naar haar.... Hij wist wel, dat 't kinderachtig was en belachelijk, goed, 't ging immers geen mensch aan, hij was alleen....
Nu liep hij langs de gracht en las de nummers van de huizen. En hij vond 't hare, een hoog vierkant huis, met een platte gevel, wit-bepleisterd, en zonder hooge-stoep. De naam "van Keppel" stond met krulletters op den post van de deur geschilderd. 't Was een deur met traliewerk, waarachter matglas, zoodat je de gaslichtschemering in de gang zag. Ook waren er lichtstrepen aan de kanten van de ramen beneden, waar zware gordijnen voor hingen. En dicht langs het huis gaande hoorde hij pianomuziek; een vroolijke melodie was 't.
Toen keerde hij om en stak over naar den waterkant, schuw-vlug stappende door 't zwak-gelige licht van de straatlantaarn, en hij bleef een poosje staan in de zwarte schaduw van de boomen voor het huis. Hij voelde zijn hart met vreemde volheid bonzen, op naar zijn keel, zijn handen gloeiden in zijne wijde jaszakken. Maar er kwamen menschen aan en hij begreep 't zotte van zijn staan kijken daar, zonder eenig doel of verwachting, want ze zou immers toch niet naar buiten komen op den laten avond!.... En dan nog!.... 't Was of hij de vrijer van de meid was!....
En dus droop hij weer langzaam af, zoo diep mogelijk in den kraag van zijn jas.
Maar hij wilde niet dadelijk naar huis gaan; loom liep hij de grachten af en straten door, luisterend nu droomerig naar de stervende geluiden van den avond.
En hij merkte dat langzaam-aan zijn voorstelling van Mimi vervaagde en verder wegging, dat zijn gedachten telkens van haar afgedwaald waren en met een onbestemde aandoening gingen over de vele vrouwenfiguren die als zwakbelijnde verschijningen tegen het wolkenland van zijn herinneren uitkwamen; hij voelde zijn verlangen naar dat meisje-van-gisterenavond wijder worden, wegtrillen dan in een zenuwachtig haken naar bevrijding van alleen-zijn, naar 't samen-zijn, 't intiemste, met een vrouw, een vrouw die zich gaf aan hem en aan wie hij zich mocht geven.... Het werd weer zijn lang-gekend, stil-gekoesterd verlangen naar haar, de onbekende, de vrouw die hem lief zou hebben, naar den diepgloeienden, toch zoo teer-innigen blik van haar oogen, en naar haar aanraking, o de aanraking, van haar handen, van haar armen, haar lippen, van haar heele lieve lijf, 't tengere, 't slanke, 't gladde, 't dofglanzende, 't week-warme, zacht-geurige lijf, dat zij hem zou geven. 't Was er weer, droog in zijn keel en brandend binnen in zijn handen, dat verlangen naar bevrediging van zijn zinnen en zijn ziel tegelijk, in één supreem moment. Maar telkens vlamde 't zinnelijk begeeren boven zijn ziels-verlangen uit en sloeg lauw-verdoovende walmen op naar de hooge lanen waar zijn gedachten gingen, die dan verbijsterd dwaalden en tastten naar verruiming....
En 't verlangen greep hem in de borst en beklemde hem telkens wanneer in de zwak verlichte avondstraat een vrouwenrok langs hem ruischte....
En de plotseling-dichtbije geluiden deden hem schrikken, maar die uit de verte waren als een diep-weemoedig, vreemd-klagelijk geroep.... Toen voelde hij zich in-eens beangstigd door den somberzwarten nacht die de levensgeluiden doofde....
Haastiger liep hij door, klam-bezweet in vage, koortsige benauwing.
Hij kwam weer op 't Rokin, waar hij woonde. En hier kwam soms in-eens een donker-flodderige vrouwengestalte met schichtige snelheid recht op hem aanloopen en hoorde hij 't geschuif van rokken vlak bij zich en kleverig wee-laf-lokkend gelispel van duitsche liefkoozingsnaampjes. Dat verergerde nog zijn nerveusen angst en 't deed hem aan met afschuw, dat dat kon, dat zoo'n vrouw in-eens maar voor hem stond en dorst te lachen met haar gemeen-berekenende oogen en haar flemerig-vertrokken mond, dorst te lachen met een beestachtige gemeenzaamheid, tegen hem!.... O 't platte, o 't leelijke, gemeene, dat gniepig uit de schaduw kwam schieten, dat altijd en overal zich opdringen dorst.... en dreigen.... Nog haastiger liep hij door en hij was dadelijk verruimd en rustig-blij toen hij weer op zijn kamer was, eenzaam tusschen de zwijgende dingen in 't stille licht, ongenaakbaar voor den nacht en 't vijandige platte....
Hij ging weer zitten op zijn kanapee,.... hij was erg moe....
Toen hij het tijdschrift open op tafel zag liggen, schaamde hij zich een beetje over dat malle uitloopen, dat weeke toegeven aan zijn jongensachtig verliefd gesoes. 't Was jammer, hij had dat stuk eigenlijk zoo graag uit willen lezen.... Och God, en er was nog zoo'n boel anders, zoo'n boel wat je lezen moest, wat je weten moest......
Maar nu was hij toch te moe. Hij was buitengewoon moe, heelemaal op. Hij voelde 't nu pas goed, nu hij weer zat. Zijn hoofd was zwaar van slaap en zijn voeten brandden.... Hij ging maar naar bed.... En hij sliep dadelijk.
VI.
De volgende dag was een Zaterdag. Op 't kantoor van Vermeet & Co. was dat een drukke dag, de betaaldag. Voor Bernard ging de morgen voorbij in roezige drukte, af- en aangeloop van bedienden, gestommel op de trap, veel stemmen, allerlei stemmen, en daaronderdoor het moeten schrijven van brieven, het doen van werk dat haast had, dat klaar moest voor morgen, gejaagd, nerveus-vlug. Nuchter, scherp-helder denkleven, bij de zaken, bij de werkelijkheid, waar alle gedroom, als 't even in je opkomt, kinderachtig, sukkelig, belachelijk bij schijnt. Bernard dacht even aan zijn oom, die dikwijls zei dat hij nooit den tijd had gehad om te droomen, dat hij wel wat anders had te doen altijd. De man was dan ook overal bekend om zijn waakzaamheid en zijn ijver. Maar nooit den tijd om te droomen, dat is de hel, dacht Bernard.
Pas toen hij op straat liep om te gaan koffiedrinken, kwam hij tot zich zelf, wat een weldadig gevoel was. Zoo eindelijk even al dat gedoe uit je hoofd kunnen zetten en je armen langs je lijf laten hangen, werkeloos, en met bewustheid de frissche lucht opsnuiven en merken dat je trek hebt, verlangen naar versch brood en warme koffie. Hij herinnerde zich nu ook weer Mimi, en dat hij den heelen ochtend niet dan in de bijna wegschemerende verten van zijn innerlijk bestaan met haar was geweest, en door den drukken morgen was zijn geestesleven opgewekt tot zoo groote intensiteit, dat hij haar in eens weer zag precies zooals hij haar voor 't eerst had gezien, met dat pikante, dat verlokkend-uitdagende, en was zijn zenuwachtige energie zoo toegenomen, dat hij er geen weg mee wist en een oogenblik ernstig van plan was haar morgen een visite te gaan maken en de geschiedenis door te zetten.... haar te vragen....
Maar 't was ook maar een oogenblik.
Hij voelde bijna dadelijk, hoe hij zou staan tegenover haar, zeggend dat hij haar liefhad, en vragend of zij hield van hem.... o! dat zou nooit kunnen, onmogelijk!.... En 't zou ook immers allerdwaast zijn en trouwens ook heelemaal niet te pas komen!.... Want hij had haar niet lief,.... och, wel neen, daar had 't niets van....
Maar toen vroeg hij zich wat hij dan eigenlijk wèl wou. Hij voelde een drang naar haar en tegelijk toch ook een zekere vrees voor haar, hij zou bij haar willen zijn om met haar te coquetteeren, om zijn geestkracht te stellen tegenover de hare en dan te genieten van de overwinning -- maar hij voelde ook dat hij waarschijnlijk een straatje om zou loopen, als hij haar plotseling aan zou zien komen. Hij had een onbestemden angst voor 't ongeluk waarop, als hij er mee doorging, de geschiedenis uit zou loopen, en toch ook een verlangen naar 't avontuur en een minachting voor zijn angst.
Maar wat wou hij dan toch eigenlijk?....
't Werd hem niet helder. En 't was hem een welkome afleiding, toen hij in 't koffiehuis waar hij gewoonlijk dejeuneerde, een ouden vrind vond, een schoolkameraad, nu medisch student, al van 't zesde jaar, in Leiden. Wetend dat Bernard doorgaans in dat hoekje kwam zitten koffiedrinken, had de student hem daar opgewacht. Een hartelijke begroeting volgde. De Leidenaar had veel te vertellen, ze hadden elkaar in maanden niet gezien. Bernard liet hem uitpakken, zelf ook nu en dan wat zeggend over zijn leven van den laatsten tijd, met een doffe stem, als terloops, zich een beetje schamend over de onbelangrijkheid van die dingen van zijn eigen dagelijksch sleurleven, zoo eentonig, zoo gewoon, zoo niet-de-moeite-waard in vergelijking met dat studentenbestaan, rijk aan feiten, aan dingen gezien en dingen gedaan, aan oogenblikken van intense emotie, rijk aan allerlei openbaring van weten, van kennen, van leven. Hij voelde zich een beetje bitter, miskend, niet door menschen, maar door het leven. 't Had immers ook aan hem zooveel kunnen hebben. Hij had daar immers bijgehoord, hij had immers ook student moeten zijn. Waarom had hij toch, zich zelf niet begrijpend, koopman willen worden?.... Hij was wat jaloersch op zijn vrind, maar hij liet 't hem niet merken, luisterend naar zijn verhalen met belangstellende aandacht en opmerkingen van sympathie, hartelijk in zijn toon en manieren. De ander, daar blijkbaar door getroffen, zei plotseling dat 't toch zoo jammer was, dat hij, Bernard, ook niet was gaan studeeren, waarop Bernard, licht blozend, glimlachte en zei: "Ja!.... ja!.... och, maar dat ging nou niet!.... En misschien zou 'k er toch ook niet voor gedeugd hebben.... Ik weet niet of 'k wel een studiekop heb,.... 'k geloof 't eigenlijk niet...." Toen vroeg de student hem naar zijn zaken, en hij zei dat 't er best mee ging, en sprak er vlug over heen, en drong er op aan dat zijn vrind, die plan had 's middags naar Leiden terug te gaan, aan zijn tafel zou blijven eten en den avond met hem en zijn vrinden zou doorbrengen. Hij kon ook best bij hem logeeren, hij had een heel geschikte kanapee.
De student gaf toe, ondanks eenige bezwaren, en beloofde Bernard te zullen komen afhalen van kantoor om zes uur. Want hij moest nu weg en Bernard moest naar de Beurs. Hartelijk, beiden blij-geroerd door elkaars teruggevonden vrindschap, drukten ze elkaar de hand. En Bernard liep haastig naar de Beurs, want 't was weer laat geworden.
Zijn middag ging weer om in werken, praten, roezige zakendrukte. Hij schreef brieven, keek facturen na en maakte zijn kas op. Er scheelde vijf-en-dertig cent en hij had net gevonden, waar dat in zat, toen 't al zes uur speelde buiten, en zijn vrind, de Leidenaar, oploopen kwam en vroeg of hij meeging. Toen opruimen en nog een paar kleinigheden afdoen, en nog wat zeggen tegen de weggaande bedienden, terwijl de student daar al stond, leunend tegen een lessenaar in een beklemmende wachthouding.... Goddank! eindelijk kon hij de deur achter zich dichttrekken en sluiten en de zaken uit zijn hoofd zetten en een borrel gaan drinken met zijn vrind. Ze bitterden ergens in de Kalverstraat en gingen toen de anderen opzoeken aan hun vaste tafel op 't Leidscheplein.
Ze waren er allemaal, Sam, André, Hendrik en Gerrit, en er was ook nog een broer van André, zijn broer die aan 't Ministerie van Binnenlandsche Zaken was; die was overgekomen van Zaterdag tot Maandag om, zooals hij zei, de peentjes 's op te scheppen in Amsterdam, om 's los te zijn, vrij en uit. Want in den Haag, zie je, in een dergelijke positie, moet je zóó oppassen! Ze hebben je dadelijk hier gezien en daar gezien, en dat doet je dan geen goed in je carrière.
Aan tafel was een drukke, soms wat luidruchtige vroolijkheid. De Amsterdammers, gewoon aan vreemde gezichten, deden net als altijd, of eigenlijk nog wat nonchalanter en ongegeneerder om den Leidenaar en den Hagenaar te laten zien, hoe jonge menschen leven in een groote stad. 't Scheen den student wel te bevallen. Hij was vroolijk mee-in-'t-gesprek, maar gaf zich toch niet heelemaal; een zekere zucht om af te steken door correctheid, door netjes doen en netjes praten bleef hem eigen. Maar de Hagenaar had zich dadelijk overgegeven, hij deed mee als had hij 't modieus-voorname pakje van zijn Haagsche manieren thuis aan den kapstok laten hangen. Hij trachtte zelfs de anderen te overbluffen door al boven zijn bord-soep een schuine mop te vertellen. Maar dat ging niet hard op. Sam beduidde hem op zijn gewone manier van welopgevoeden grappenmaker dat men in Amsterdam zulke moppen pas bij de pousjes voordiende. De ander lachte luidruchtig, maar hield den heelen avond een soort van wantrouwende rancune tegen Sam.