De roman van Bernard Bandt

Part 5

Chapter 53,887 wordsPublic domain

Maar hij kon nu niet goed meer luisteren en doorpraten. Hij kreeg last van de warmte, hij werd roezig, abstract, gaf verstrooide antwoorden. Er werd nu ook druk getoost, hij kon dus rustig stil zijn.

Hij zei dan ook niet veel meer. Lize zat meest met haar andren buurman te praten, en er was geen intimiteit meer tusschen Lucie en hem. Hij kreeg meer en meer 't land, een chagrijnig gevoel van dupe-zijn kwam zich webben in zijn ziel. Als gewoonlijk ging hij zitten schelden op zich zelf en zich plagen met nuchtere denkingen. Hoe sullig, hoe bespottelijk kinderachtig was weer zijn houding tegenover Mimi. Een ander zou haar 't hof gemaakt hebben -- hij kon niet anders dan fantasietjes verzinnen in zijn soezige hoofd, jongensachtig, onzinplannen, romantisch a la opéra-comique -- en ze lachte hem uit, natuurlijk!

Na 't souper werd er nog wat vertoond en muziek gemaakt in de tooneelzaal -- er was heel weinig aandacht, aldoor gepraat en gelach onder de heerengroepen -- en toen gingen ze weer aan 't dansen; de tafels waren weggenomen in dien tijd.

't Was al laat, half twee; de dansen waren kort; er werd haast gemaakt. Bernard danste een duitsche polka met Frieda, deftigjes, stil, met prenterige houdingen en zware passen, zonder eenige animo. Van Frieda ging een verstijving uit, die hem nog verdrietiger maakte. Hij voelde zich vereenzaamd, niet op zijn gemak, dupe -- en zoo warm.

Toen kwam zijn polka mazurka met Betsy. Zij was hartelijk en prettig-vertrouwelijk als altijd, maar hij zocht tevergeefs naar een praatje in zijn dof-verwarde hoofd. Hij was stil, een saaie partner, bijna triestig. Betsy vroeg of hij hoofdpijn had. Ja, een beetje, loog hij.

Daarna walste hij met Lize Schot. Dat deed hem weer wat opleven; 't was 't genot van den dans, 't lekkere walswiegen. In-eens begreep hij zelf niet waardoor hij eigenlijk zoo landerig was geworden; hij begon weer opgewekt te praten met dat dol danslustige, echt jong-vroolijke kostschoolmeisje. Na den dans bleef hij nog wat bij haar zitten, haar levendig al-maar-door gebabbel aanmoedigend met een uitroepje of een paar plagende woorden, zich bewuivend met haar waaier. Toen ging hij Lucie zoeken, want de tweede lanciers zou gedanst worden. Maar hij zocht haar vergeefs, ze was weg. Hij vroeg de gastvrouw naar haar. Ja, Lucie was weggegaan. "Och! weetje," fluisterde de goedig-praatzieke oude dame hem in, "ze werd door een kruier gehaald, 'n beetje vroeger dan de rijtuigen komen, dan kon ze zoo ongemerkt wegsluipen, dat 's net iets voor haar, weetje, zoo doet ze haast altijd. Maar je moet er maar niet over praten, hoor!.... 't Is anders 'n lief meisje, vindt-je niet?"

"Zeker," zei Bernard, "zeker!.... Ze schijnt wat stil...."

"Ze is erg stil," zei mevrouw van den Bosch, "ze is erg stil,.... maar heel lief.... en voor haar moeder moet ze 'n engel zijn...."

Bernard zag Samson zitten, in-z'n-eentje, lui-achterover op een sofa, en hij ging naast hem zitten.

"Zoo!.... moet jij niet dansen, balvlinder," zei Samson.

"Mijn dame is er van door," antwoordde Bernard.

"Daar zijn er anders nog wel 'n paar disponibel," zei de ander weer, met zijn hoofd wijzend naar een groep oudere dames, die zich zaten te bewaaien in een hoek van de zaal, met oogen klein van den slaap.

"Après vous," zei Bernard.

"Ik?.... Nee, jong, ik doe er niet aan, hoor! Dansen, dankje!.... ik houd van me gemak, weetje...."

"Ik mag 't wel", zei Bernard.

"Mág 't wel! Mág 't wel!.... Je zult me toch zeker niet willen wijsmaken dat je 't voor je plezier doet, dat malle rondspringen!.... 't Is natuurlijk alleen om 's 'n aardige meid in je armen te hebben! Nou, ik zal niet zeggen dat ik daar nou bepaald vies van ben,.... maar op me gemak, zie je! Zonder dat afmattende gehuppel...."

Bernard zweeg. Hij was zulke praatjes gewoon, ergerde er zich niet meer aan; hij luisterde er amper naar, hij hoorde alleen 't gewild lijmige, vadsig-zelf-genoegzame van de stem, wat hem weer wrevel gaf. En dan dat vermoeiende gewiebel en door elkaar geloop van menschen vlak voor hem en de gierende muziek en de warmte! Hij begon zich weer teleurgesteld te voelen, chagrijnig-willoos. Hij zag Mimi. Haar carré was aan den anderen kant van de zaal, maar toch kon hij haar nu en dan zien. Zij lachte dan altijd en hij ried, hij proefde haar lokkende blikken, haar wulpschen oogopslag. Hij verlangde er weer naar. Hij voelde dat hij in zijn fut-looze roezigheid nog erger aan haar verslingerd raakte, dat zij macht over hem had, dat hij meer en meer verliefd op haar werd. Toch ging hij niet naar dien anderen kant van de zaal, maar bleef naast Samson zitten, achterover, loom, warm, landerig.

Samson zat opmerkingen te maken over de dansende menschen. "Kijk die vent daar met dien kalen kop zich aanstellen met Liesje Schot!.... Nou, die zal 'n lief leven hebben als hij thuis komt, kijk z'n vrouw 's zitten loeren,.... zie je wel, die lange gele, hahaha!...." Maar Bernard bleef wrevelig zwijgend voor zich kijken.

Na de lanciers kwam er nog een wals, die hij danste met Jo Dalbret, een mooi, 'n heel mooi en gedistingeerd meisje, met zwart haar, groote donkerbruine oogen en 'n matte, zuidelijke tint. Maar hij keek over haar heen naar Mimi, die met Hugo Franck danste. En daarna nog een pas-de-quatre, die hij had met Doortje Post.

Maar al vóór den laatsten dans begonnen veel menschen afscheid te nemen; het werd stiller in de zaal; loom wandelden de paren rond. De meisjes zagen er moe uit, de bloemen waren verlept en slap, de kunstige kapsels afgezakt en een beetje verward. De heeren werden nonchalanter in hun manieren. De oude dames trokken leelijke gezichten om 't geeuwen te bedwingen. Er werd bouillon gepresenteerd. Het feest liep op zijn eind.

En toen het dansprogram heelemaal afgeloopen was, begonnen de menschen bij groepen weg te gaan; namen werden afgeroepen met ruw-brutalig geschreeuw; de zaal werd leeg en ongezellig; bruid en bruigom en de gastheer en de gastvrouw stonden handen te geven, moe-glimlachend.

Maar drie of vier paren, waarbij de zusjes van de bruid, opgewonden door 't dansen en door 't slagen van 't feest, niet wetend van uitscheiden, riepen aldoor nog om een wals. De muzikanten, met ontevreden slaperige gezichten, deden of ze doof waren. Maar plotseling, daar begon de muziek weer. Kees van den Bosch had een van de violen genomen. En dadelijk speet 't toen Bernard, dat hij daar niet aan gedacht had in zijn landerigheid, dat hij geen extra-dans gevraagd had aan Mimi. Snel liep hij op haar toe. Ze zat alleen op een sofa kalmpjes zich te bewuiven met haar zwart-kanten waaier. Ze was heel bleek, maar dat maakte haar mooier. Plaagziek, spottend glimlachte ze, toen ze Bernard aan zag komen.

"Mag ik 't genoegen hebben, juffrouw van Keppel."

"'t Spijt me erg, meneer Bandt, maar ik heb voor dit extra-walsje al met André.... met meneer ten Deen afgesproken...."

Bernard boog stijf en trok zich terug, zich bijtend op de onderlip en fronsend zijn wenkbrauwen. Een oogenblik wou hij ruzie gaan maken met André. Maar in een opwelling van zijn gewone goedhartige jovialiteit moest hij er om lachen. Zoo'n handige bliksem, zei hij zacht in zichzelf, ze noemt 'm waarachtig al bij zijn voornaam.

Toen ging hij afscheid nemen van den gastheer en de gastvrouw en van de bruid en bruigom en gauw schoot hij tusschen de menschen in de garderobe door, hier en daar een hand gevend, een korten groet wisselend, en was hij uit de drukte van de vestibule, waar de menschen in den vochtigen tocht stonden te wachten op hun rijtuigen, de mannen heen-en-weer loopend, opgewonden en luidruchtig, de meisjes kijkend uit haar kappen en omgeslagen doekjes met stille, moeie oogen.

En daar stond hij, daar liep hij weer in de stilte van de gracht, in de wijde nachtstilte, opnieuw alleen. 't Was nog altijd datzelfde weer, dat drukkend-dampige weer. Snel stapte hij door, langs de gesloten huizen van de leege, grijze gracht, en door een paar uitgestorven zijstraten, waar zijn stappen vreemd-hard opklonken, naar 't stille huis op 't Rokin, waar zijn kamer was. Hij was moe en dof, in een vage gedrukte stemming, teleurgesteld, hij wist niet waardoor.

Op zijn kamer lag alles nog net zoo als hij 't er gelaten had. 't Was er rommelig. Hij had nu spijt dat hij zijn uitgetrokken kleeren zoo maar neergegooid had. Lastig, morgenochtend, dat bij elkaar zoeken. Want nu had hij er niets geen lust meer in.

Morgenochtend, naar kantoor, bijtijds; de mail zou arriveeren......

Zijn gewone bestaan begon weer. Maar hij voelde 't nog niet. 't Contrasteerde te veel met zijn feestkleeren, die hij nu ook uittrok, loom en rukkerig.

V.

Het kantoor van de firma Vermeet & Co. in de Warmoesstraat was een laag vertrek op een eerste verdieping. Vroeger waren 't twee kamers geweest, maar de breede porte-brisée was weggenomen, zoodat 't nu één langwerpige ruimte was geworden, met drie ramen vóór, aan de straat, en één groot vierkant raam, een raam met negen ruiten, achter aan de binnenplaats. In de achterkamer was de ingang voor 't publiek.

Onder dit kantoor was een ander kantoor, en boven waren de magazijnen van de firma, die handel dreef in allerlei goederen voor export.

Vermeet & Co. was een van de voornaamste huizen in sommige branches. Het was een oud, degelijk, soliede huis.

Het was ook nog zoo'n ouderwetsch huis, zeiden ze op de Beurs, zoo'n huis met een onbegrensd krediet, maar anders geen chic. Aan luxe op 't kantoor was geen geld besteed, maar er was nog nooit een wissel teruggestuurd of het bedrag was niet accoord en de trekker niet soliede geweest. De patroons hadden nooit een privé-kantoor gehad, hun schrijftafels stonden op een halven meter afstand van de bedienden-lessenaars en een bezoeker kon amper een plaats en een stoel vinden, maar in de woonhuizen van de Vermeets waren altijd veel ruime kostbaar gemeubelde kamers geweest. En de tegenwoordige Vermeet, die kinderloos was en daarom zijn neef Bandt in zijn firma opgenomen had, bewoonde nu in Hilversum een pracht van 'n villa.

Oud waren al de dingen op het oude kantoor. De lessenaars die jaar-in jaar-uit stonden te leunen tegen de muren, hadden een onbestemde, grauwgele kleur, bruinig bevlekt hier en daar met jarenoude vlekken van inkt en andere morsigheid, onherkenbaar. Ook op de vale, kaalgeloopen vloerbekleeding van linoleum waren inktvlekken en op het hout van de krukken en de splinterige pooten van de lessenaars, en op de groote bordpapieren plakkaten, die er bovenop lagen ter beschutting. Onder en boven de lessenaars dikke liassen met, scheef er over heen, kromgetrokken goorgele borden, waar de grijzige en blauwige paperassen slorderig onderuit piekten. Op de borden de conventioneele allegorische voorstelling, nauwelijks herkenbaar door onooglijken ouderdom. Mercurius en Neptunus tegenover elkaar liggend, en om hen heen vaten en kisten en masten en zeilen, en in 't midden met van die mooie krulletters [waar-de-menschen-nu-geen-tijd-meer-voor-hebben] al de soortnamen van de documenten, die ze bedekten: facturen, quitanties, cognossementen.... Gaslampen met stoffige kappen stonden op de lessenaars naast de rij van inktkokers, inktfleschjes van allerlei formaten, de bakken met drukwerken en de pennenhouders en potlooden en carletten. Houten prullenbakken in de schemering onder de lessenaars en in het midden van 't vóórvertrek een ronde tafel vol met monsterdoozen en anderen zakenrommel.

In een hoek stond een groote potkachel met een rossigen ronden buik en een glimmende pijp, die scheef langs den muur naar boven liep.

Het gekalkte plafond was indertijd wit geweest, beweerde de boekhouder, de eenige, die 't weten kon. En het behangsel, nog zichtbaar hier en daar tusschen de lessenaars en 't plafond en achter de kachel, was benauwd-vol leelijke ornamentieke bloemen, van een verschoten bruin-groen, valig, donker, op drie of vier plaatsen opgelapt met frisschere stukken, die niet patroonden.

Aan de ramen vóór stonden over elkaar de twee schrijftafels van de heeren, hun leeren, platgezeten armstoelen er voor en hun prullemanden er naast, alles oud, oud, lang gebruikt en vaal.

Dien morgen na 't feest was "de jonge meneer" laat. 't Was negen uur en hij was er nog niet, tot groote bevreemding van den boekhouder, die dikwijls op zijn horloge keek en 't aan zijn oor hield, twijfelend of 't soms niet te gauw liep. Want de jonge meneer was anders nooit zoo laat. De andere bedienden zaten te praten en te lachen, draaiend en wiebelend op hun krukken, maar de boekhouder, een ernstig man, ergerde zich aan dat geginnegap en keek nu en dan knorrig om, over zijn bril heen, naar den correspondent, die dan toch ook al een getrouwd man was en zich toch niet meer zoo aanstellen moest met die kwajongens.

Een van de "aankomende bedienden", een jongmensch met dom-dik gezicht en blauw overhemd en boord zat, lui zich rekkend en geeuwend, te bluffen op zijn katterigheid, op te snijden van 't aantal glazen bier, dat hij den vorigen avond naar binnen geslagen had. De correspondent hield hem voor den gek, met spotlachende uitroepen van verbazing, en een tweede jongmensch met een vlekkerig-rood gezicht en een vies boordje zat er om te grinniken met zijn groote roode handen op zijn knieën, zijn magere beenen lummelig bengelend langs zijn kruk. De "jongste bediende", een klein tenger ventje met een armoedige, grijze tint luisterde, stil, angstvallig loerend, gebogen over 't copieboek dat hij registreeren moest, en als hij even tersluiks dorst mee te lachen, kreeg hij een tik van den correspondent, op zijn vingers, met een platte liniaal.

In 't schemerlicht van 't achtervertrek -- 't was een donkere morgen -- zat nog een zesde bediende, met zijn ellebogen op zijn lessenaar en zijn hoofd tusschen zijn handen, ingespannen te lezen een viezig, verwaarloosd, kwalijk-riekend boek: "De Groote Iza" van Bouvier, gehuurd à één cent per dag.

"De baas is laat van morgen!" zei die met 't blauwe hemd na een langen geeuw. "Ook aan de fuif geweest van nacht.... Hij zal 't er nou zeker 's van nemen!... Ja! dat kan _hij_ doen!...."

Maar dadelijk daarna hoorden ze iemand de trap opkomen. "Daar heb je 'm?" riep de correspondent. De roman werd in een la gegooid, de krukken werden schielijk aangeschoven, en toen Bernard binnen kwam, zaten ze allemaal, schijnbaar in werk verdiept, met ernstige gezichten te schrijven aan hun lessenaars.

"Goeiemorgen," zei Bernard vrindelijk. "Morgen, meneer!" zeiden de bedienden, even opkijkend en buigend met hun hoofden.

Bernard bracht de post mee, die hij ging zitten lezen en sorteeren aan zijn schrijftafel, zijn jas nog aan, zijn hoed nog op, een beetje achterover. Hij was nog heelemaal niet in de kantoorstemming, hij zag nog de kleuren, het licht van de feestzaal, en de dansmuziek zong nog in zijn ooren, 't was hem of hij zijn rok nog aan had en zijn dansschoenen. Nonchalant, met een zekere traagheid, scheurde hij zijn brieven open en liep ze door met een vies gezicht. Hij las ze niet goed; och, hij wist dat immers allemaal wel, dat was die geschiedenis, dat was die kwestie.... Hij verzette zich nog tegen de zakenzorgen, die hij wist dat komen moesten, hij negeerde ze nog, met zekere minachting, de plichten, wier dreigend naderen hij vaag voelde. Nog even was hij man van de wereld, en nog even was hij ridder, droomend van zijn dame. Midden in een belangrijken brief, een brief van een nieuwe connectie over condities en courtage en termijnen van betaling, las hij driemaal een zin over, die maar niet tot zijn bewust denken doordringen wou, zich aldoor precies herinnerend een houding en een blik van Mimi in de quadrille en hij kreeg een warmen blos van genotvol herdenken. Zijn blik dwaalde over den brief heen en even keek hij glimlachend voor zich uit. Maar een van de bedienden liet een liniaal vallen en in-eens schoot toen de kantoorstemming, 't bewustzijn van moeten werken, in hem op, en hij kuchte deftig en fronsde de wenkbrauwen om weer een patroonsgezicht te krijgen, en las dien brief nog eens van voren af aan en deponeerde hem toen bij de stukken, die hij zelf straks zou behandelen. En vlugger las en sorteerde hij verder, zich inspannend om de zaken snel in zich op te nemen, want 't was al laat.... God! 't was eigenlijk veel te laat, hij wist niet hoe hij nog klaar zou komen....

Hij was dien morgen wakker geworden, na herhaald kloppen en roepen van zijn juffrouw, moe en loom en zwaar van den slaap. Landerig, zichzelf beklagend, had hij zich langzaam 't bed uitgeheschen. Maar toen hij een paar minuten had staan flodderen en plassen met zijn hoofd en zijn handen in 't koude water, waren de lust en de veerkracht met frissche rillingen teruggekomen, en hij had zich in-eens weer in die overmoedige, behagelijk-verliefde stemming gevoeld, waar hij zooveel van hield, met dat streelend bewustzijn van zoo iets geheims te hebben met een meisje, een pikante verhouding tot een mooi-meisje, een verhouding zonder naam, niet te zeggen met woorden, maar toch bestaand, werkelijk bestaand. Hij kleedde zich met meer zorg dan anders, met aandacht kiezend zijn schoonen boord en manchetten. Hij herinnerde zich wel even met een gevoel van vage leegheid zijn sombere bui van na het souper, maar hij begreep dat nu niet meer, terwijl hij fluitend zijn kleeren stond af te schuieren. Hij had waarachtig een soort plezier in zichzelf. Hij was toch maar niet zoo'n gewone degelijke kantoorman, dapper op de Beurs en in 't koffiehuis, maar onhandig en verlegen met meisjes. Hij wist wel met ze om te gaan....... Die handdrukjes van Mimi...... dat was toch maar aardig!......

Na zijn ontbijt, dat de juffrouw op zijn kamer bracht, liep hij naar zijn kantoor. Op straat, in 't nuchter-heldere morgenlicht en de onbarmhartig wakkerschuddende drukte, de stads-morgendrukte van vuilniskarren en groentenkarren en blaffende honden en kinderen die naar school toe gaan, zakte zijn stemming weer wat en kwamen nu en dan lastige duivels van herinneringen aan houdingen en woorden van hemzelf, waarvan hij nu pas besefte hoe dwaas en dom ze geschenen moesten hebben, en een twijfel of 't wel zoo zeker was, dat ze zich aan hem gelegen liet liggen, een twijfel of ze hem niet voor den gek gehouden, zich wat met 'm geamuseerd kon hebben, merkend dat hij onder haar bekoring was. Want natuurlijk had ze dat gemerkt. En ze was zoo coquet, zoo dol-coquet! En dan was er André met zijn opsnijderij. Och, nonsens! die had dat maar gezegd om hem te plagen, wel wetend dat hij er deeg van hebben zou. Maar o neen!.... nu zou hij zich juist tegenover hem heel leuk houden, alsof 't niets was geweest, een grap voor 'n avond.... En dat was 't dan toch ook eigenlijk...... Weljà, weljà.... Of zou hij probeeren haar nog 's te ontmoeten ergens?.... Hij zou dolgraag nog 's met 'r dansen!.... God! wat 'n genot was dat!....

Zoo liep hij met zichzelf te praten, telkens gestoord door meiden die kleeden klopten, en door allerlei andere straatdrukte, maar telkens weer terugkeerend tot zijn verliefd gedroom. En veel te gauw stond hij voor de deur van zijn kantoor. Hij had 't wel voorbij willen loopen. Dat kwam even in hem op, maar werktuigelijk liep hij naar binnen en naar boven, zacht neuriënd op de trap een walswijsje.

Toen hij zijn brieven gelezen had, trok hij zijn overjas eindelijk uit en hing zijn hoed op en gaf iederen bediende wat hij hebben moest van de post en besprak 't werk met den correspondent en den boekhouder. Hij dicteerde brieven en schreef er zelf eenige en sprak een paar reizigers en liep rond en keek 't werk na van de aankomende bedienden en telephoneerde en stuurde den kleinen jongen op boodschappen uit. Hij was zelfs een tijd lang met zoo'n animo bezig, dat hij aan niets anders dacht, en dat voelde hij ook in-eens met verbazing. Maar toen hij wat tot rust gekomen was, zittend aan zijn schrijftafel, kwam dat soezen over haar weer, nu soms in-eens met een krachtig, ongeduldig verlangen, dat droog brandde in zijn polsen en binnen in zijn handen, en dat beklemmend bonsde in zijn borst, en soms met een plotselinge verslagenheid, een zich niet opgewassen voelen, een dreinerig-verlammenden twijfel of hij wel een dragelijk figuur geslagen had naast André, die zoo'n handige drommel was, zoo'n leuk-onverschillige, chic-nonchalante flapuit van 'n jongen met zijn losse manieren, vrij, op 't brutale af, waar sommige meisjes zoo dol op zijn.... O, maar zij niet! Daar was zij immers veel te gedistingeerd voor om door zulke manieren geboeid te worden langer dan een avond....

Soms dacht hij ook even aan Lucie, en hij vond haar een lief meisje, een interessant meisje.... Als Mimi er niet geweest was, dan zou hij misschien zelfs wat verliefd zijn geworden op haar.... Misschien!.... Of althans.... Maar nu wás Mimi er geweest!....

Hij ging koffiedrinken ergens in de Kalverstraat, en onderweg liep hij plannen te bedenken om haar te ontmoeten. Hij dejeuneerde in-zijn-eentje, droomerig peinzend op die plannen, maar hij schoot er niet mee op. Blijkbaar placht ze niet te komen bij iemand dien hij kende, behalve de van den Bosch'en. En daar was ze nog niet eens bizonder gezien, en veel zou ze er ook wel niet komen.... Schaatsenrijden?.... Hij was geen lid van de club, hij had toch haast nooit tijd!.... Maar dat was tenminste iets; hij zou zien; als er ijs kwam.... Eigenlijk reed hij niet schitterend.....

Ook zou hij informeeren of ze gewoon was in 't Concertgebouw te komen.

Maar verder kwam hij niet met zijn plannen en hij voelde zich een beetje ontstemd en gedrukt daardoor toen hij naar de Beurs liep. Hoe lang zou 't misschien nog duren voor hij haar weer ontmoette! En hij ergerde zich nu weer aan zich zelf. Waarom was hij ook altijd zoo laks en bedeesd in die dingen! Waarom had hij haar niet met meer beslistheid zijn hof gemaakt, waarom had hij niet beproefd haar heelemaal in te pakken en een afspraak met haar te maken of tenminste 's gevraagd waar hij haar weer zou kunnen zien! Dat zou toch ieder ander gedaan hebben!.... Ba, nee! hij was toch eigenlijk een lummel! Ze had hem zeker achter zijn rug uitgelachen om zijn gereserveerdheid. Hij liet zich nu ook letterlijk altijd de kaas van 't brood eten. Hij met zijn droomerig doen kwam altijd te laat!....

En toch!.... hij was nu eenmaal zoo!.... een droomer....

Hij deed op de Beurs wat hij er te doen had, maar 't stond hem vandaag al bizonder tegen, dat drukke, die handelsroezemoes, dat snelle praten over zaken alleen, en geld, en geld, dat geschreeuw, dat leven van maak-dat-je-'r-bijkomt, dat hard-werkelijke, onbarmhartig-koude bij elkaar komen van menschen om gewin alleen, dat haastige gedribbel van mannen in 't zwart, met zenuwachtige gezichten, die smart zonder tranen, die vroolijkheid van jij gisteren ik vandaag, dat brutale lachen om bofferij, dat zuur-zoete lachen om galgenhumor en galligen spot. Hij kende verscheidene van die menschen particulier, toch voelde hij zich eenzaam. En zoo gauw mogelijk ging hij weg, moe en suffig, dof-verlangend naar zijn kantoor, naar zijn plaats aan zijn schrijftafel, om daar zijn middag rustig door te brengen, rustig, en nu en dan even soezend. Hij was blij toen hij er weer zat. En er kwam weinig storing. Zijn middag verliep in stil gewerk en stemmingen van vage treurigheid en onbestemd verlangen.