Part 4
Zij, Mimi, ofschoon zich met de bedwongen elegance van haar trotsch-rechte figuur aldoor hoogst correct bewegend, was dol van opgewonden danslust. Haar oogen schitterden. Ze verdeelde haar uit-tartende blikken tusschen Bernard en André. En André scheen onder haar bekoring, hij boog overdreven-diep voor haar en lachte als ze hem zoo aankeek, maar Bernard bleef heel bedaard, koeltjes buigend, en deed zijn passen afgemeten en meestal zwijgend. Hij voelde soms dat ze hem aankeek en keek dan opzettelijk een anderen kant uit. Toen ze dat merkte lette ze niet meer op André, maar deed al maar haar best Bernard's blikken aan zich te trekken, door lichaamswendingen en lachjes. Eindelijk kwam het slotfiguur, de grand' chaine. Keurig, als paardjes in een circus, op de uitgegilde bevelen van een gerokten meneer op een stoel, liepen de dansende dames en heeren om in hun quadrille-kringen, elkander tegemoet; vormelijk bogen de bovenlijven en passief gleden de gehandschoende handen in elkaar. En telkens lag ook Mimi's hand een oogenblik in Bernard's hand. Maar elken keer, even voordat die handen uiteengleden, voelde Bernard een licht drukje van verstandhouding, even maar, heel kort, maar heel duidelijk. Hij vond 't brutaal, maar 't streelde hem, hij bloosde van voldoening. Hij begreep niet, hoe ze 't durfde doen, maar 't kostte hem inspanning koel en strak te blijven, zooals hij zich had voorgenomen; vergeefs zette hij zich telkens nog deftiger en voornamer in postuur en zijn gezicht in een quasi-stroeve plooi, bij den laatsten omgang vlamde zijn blik met volle begeerte recht in den haren. En stevig drukte ze nu zijn hand en in 't voorbijgaan trof hem een oogenglanzen van kanaljeuse verleiding.
Bernard voelde zijn hart dof opbonzen in zijn borst, hij voelde zich zijn aandoening niet meer meester, bij 't "balancez à vos dames" vergiste hij zich twee maal en toen de muziek met groote drukte overging in de wals finaal, sloeg hij zijn arm driftig om Mimi's leest. Ze dansten, draaiend, deinend, met veerkrachtige passen. Dat walsen met haar was anders dan met Anna. Dit was niet de wellust van den dans alleen, maar dat vrouwelijf tegen zijn arm liggend, maakte hem dronken van genot. 't Was een roes! Duizelig stond hij eindelijk stil; hij was bijna tegen haar aangevallen. Zij lachte er om en vroeg of hij daar meer last van had. "Nee, anders nooit," zei hij. En zij lachte weer, met oogen die 't begrepen.
Ze sloten zich aan bij een van de menschengroepen, die nu, loom loopend, optrokken naar de derde zaal, de tooneelzaal, waar wat vertoond zou worden ter eere van het bruidspaar.
Voor de dames en de oude heeren waren stoelen en banken aangeschoven, maar de jongere heeren gingen tegen de wanden staan of achter in de zaal, beweeglijke zwarte groepen.
Bernard bezorgde Mimi een goede plaats tusschen Lize en Doortje, waar ze dadelijk druk zat te praten; zelf ging hij achteraan staan naast den oudsten zoon van den gastheer, Kees van den Bosch, een korte, gedrongen figuur, met het uiterlijk van een eersten stuurman, die zijn baard pas afgeschoren heeft. Hij had alleen een kort geknipt geel kneveltje. Zijn rok zat hem slecht en hij was erg warm.
De vertooningen waren gewone bruiloftsvertooningen. Toespelingen op 't intieme leven van doodgewone menschen. Meisjes die slecht verzen opdreunden en meneeren die hun rollen vergeten waren en links en harkerig deden op 't kleine tooneeltje. Kees luisterde aandachtig en dus zweeg ook Bernard uit beleefdheid. Hij verveelde zich, 't vormelijk applaus ergerde hem 'n beetje, hij verlangde terug naar de balzaal. Eindelijk, in een kleine pauze, terwijl ze van 't presenteerblad, dat werd rondgedragen, elk een glas wijn namen en even aanstootten, begon Kees, lachend: "Zoo meteen moet ik er ook aan gelooven."
O God! dacht Bernard, die ook nog! "Zoo!", zei hij, "zullen we 't genoegen hebben jou ook op de planken te zien.... als jeune amoureux hoop ik."
"Dat minder!.... ik speel voor tuinman.... O, 't is een prachtig stuk, dat begrijp je; me zwager en ik hebben 't zelf gefabriceerd."
"Hoe bescheiden dan om je zelf met de rol van tuinman te bedeelen," zei Bernard.
"Ja!.... wat zal ik je zeggen!.... Je moet 'n beetje weten te schikken!" En Kees lachte met zijn breede grijns van goedronden zeeman. "Je hebt daar net met Mimi van Keppel gedanst, hè," begon hij weer, na een paar teugjes, "hoe vind-je die?"
"Hè.... die juffrouw van Keppel, meen je?.... Wèl!.... 'n Aardig meisje, geloof ik!.... Is 't 'n vriendin van een van je zusters? 'k Heb haar nooit ontmoet bij jelie...."
Kees haalde zijn schouders op met een minachtend krullen van zijn lippen. "Vriendin?.... Och!.... ja!.... ze is een goeie kennis van me getrouwde zuster!.... Och!.... we moesten haar vragen, zie je.... Maar 't is een kat!" zei hij, schielijk fluisterend, met een plotseling nijdig gezicht opkijkend naar Bernard, die veel langer was.
"Hm!.... zoo!...." zei Bernard.
Kees keek hem weer aan, nog nijdiger, bijna dreigend. "Pas op voor die meid, hoor!" fluisterde hij weer, snel en scherp. "Ze heeft 't hier!" en hij tikte met den wijsvinger van zijn rechterhand achter den elleboog van zijn linkerarm. "Hm!" zei Bernard nog eens. En hij schoof wat van Kees af, een paar verwenschingen smorend achter zijn tanden. 't Begon hem nu de keel uit te hangen dat gezanik over haar kattigheid. Allemaal jaloezie, bromde hij in zich zelf. 't Is een weergaasch aardige meid!.... 'n pikante.... ik mag dat wel! waarom niet? Ze is heel wat amusanter dan al die vervelende schapen daar op dat tooneeltje, met 'r armzalig geteem over liefde en geluk!.... Ze weten er wat van!....
Hij keek naar Mimi en zag haar zitten. Opvallend was, tusschen de donkerder en doffer hoofden om haar heen, die volle golving van rosblond haar. 't Glansde als gepolijst rood-koper in 't helle licht. Mooi haar toch, dacht Bernard. Hij liep wat achteruit, hij wilde alleen staan. En hij keek aldoor naar dat eene meisjeshoofd. Hij lette heelemaal niet meer op de vertooning, hij stond te soezen. Hij voelde haar blik weer en haar handdrukjes. 't Waren ál warme wellustdroomen die door zijn roezige hersens togen. En hij gaf er aan toe, fantaseerend, zich meer en meer opwindend, totdat er een gevoel van brute kracht en wild begeeren in hem begon te leven. Hij dacht plotseling aan een leeuwentemmer, die hij 's gezien had bij Carré. Temmen, ja, dat is 't, mompelde hij, haar temmen,.... tot ze zoo zacht is als een duifje....
Maar in-eens hoorde hij 'n stem vlak bij zijn oor! "Zeg, wat doe je toch?.... Sta je je toost voor straks te repeteeren?"
't Was André. Hij had hem niet aan hooren komen, hij schrok even en glimlachte toen, licht blozend. "Ik stond maar wat met mezelf te praten bij gebrek aan beter," zei hij.
"Vervelende vertooningen, hè?" zei André, zijn hand door zijne bruine haren strijkend en zich dan geeuwende omdraaiend op zijn hielen.
"Nou!" zei Bernard.
"Nee!.... dan dans ik nog liever den heelen avond, hoor!.... Wat?.... Zeg! aardig kindje, die Mimi, hè?"
"Kindje?.... zeg maar gerust kind!"
"'k Geloof dat jij 't leelijk te pakken hebt, ouwe jongen," zei André, weer lachend.
Bernard trok een minachtend gezicht. "Geen kwestie van, hoor!.... Maar.... re.... zeg! je hadt daarnet Kees moeten hooren? Die is, geloof ik, zoo bang als een wezel voor dat juffie.... ik moest oppassen voor haar, zei hij, ze had 't achter de mouw!"
Ternauwernood onderdrukt proestgelach van André deed de menschen vóór hem even omkijken.
"Sst?.... sst! kerel!" zei Bernard, zelf glimlachend.
"Hij is patent!" zei André. "Nou, je hoeft er dat jong dan ook maar op aan te kijken!.... Zijn rok zit 'm of 't een gehuurde is!.... Hij is stom ook, geloof ik, is-t-ie niet?"
Bernard gaf geen antwoord, maar na 'n poosje begon hij weer: "Wat zie ik jou weinig met Betsy van avond."
"Hm!.... Nou ja:.... och! zoo meteen ga 'k 's met 'r dansen!.... kalm aan! kalm aan!...."
"Ze bevalt je anders altijd nog al, dacht ik."
"O! Wat dat betreft, ze is charming!" zei André met een gebaar als wierp hij Betsy een kushand toe. "Een meisje, zie je, om mee te trouwen, maar niet om zoo 's een aardigheidje mee te hebben.... om zoo ereis mee uit wandelen te gaan.... zooals die Mimi...."
"Ho!.... ho!.... die zal je ook wel aan zien komen met je wandelingetjes!"
"Wat wed je? Nou, hoor!.... Die gaat dadelijk mee!"
"Met jou?" vroeg Bernard, spottend.
"Waarom niet?.... Dacht je soms liever met jou?"
"Misschien wel," zei Bernard.
"Zie je nou wel, dat je verkikkerd bent," plaagde André weer. "Maar je moet je haasten, hoor! Ze heeft me onder 't dansen heel wat vriendelijke oogjes gegeven en bij de grand' chaine telkens een allerhartelijkst handdrukje...."
"Dat lieg je lekker!" zei Bernard, geërgerd.
"Hè? Nou nog mooier! Wat zou dat nou voor een flauwe mop zijn!.... 't Is waarachtig waar."
"Opsnijderij," zei Bernard.
"Nou goed! opsnijderij dan!.... Maar ik zou de eerste anders lang niet zijn, hoor! Er zijn er genoeg die 's met 'r uit geweest zijn."
"Verrek!" zei Bernard.
En hij liep wat naar voren als om de vertooning beter te zien. Juist kwam Kees op als tuinman; er ging een luid-juichend gelach op.
Bernard keek nog even op naar André, die kalm was blijven staan, zijn handen in zijn zakken, wiegend zijn lange slanke figuur op zijn hielen, leuk lachend stil voor zich heen, als dacht hij aan toekomstige avontuurtjes. Zijn vroolijke bruine oogen glinsterden van inwendige pret.
IV.
Toen de voorstellingen voorloopig afgeloopen waren, gingen de feestmenschen aan een aantal tafels, die in den tusschentijd klaargezet waren, in de groote zaal zitten soupeeren. Bij groepen van twaalf of zestien zaten ze aan de witte tafels, verspreid door de zaal, in rustig-roezend praatgegons. Ieders plaats was aangewezen. Bernard had Lucie Tadingh aan zijn rechterhand en Lize Schot aan zijn linker. Mimi zat aan een andere tafel, hij kon haar zien zitten, half van terzij. Ze zat tusschen Hugo Franck, dien langen zwarten Huug, met zijn gesoigneerd uiterlijk en zijn allures van handig boulevardier, en Samson, ook een kennis van Bernard, een man van vijf- of zes-en-dertig jaar, een echten oude-vrijer, een cynischen aap van 'n vent, erg leelijk en coquetteerend met zijn leelijkheid. André zat over haar, naast Betsy.
't Was Bernard gelukt aan 't slot der vertooningen Mimi te bereiken en hij was met haar de groote zaal binnen gekomen. Hij had gehoopt ook met haar te kunnen soupeeren. En toen hij 't kaartje met zijn naam had zien liggen en aan weerszijden de namen van Lize en Lucie, was hij erg teleurgesteld geweest. Mimi had 't gezien aan zijn gezicht en ze had gelachen, triomfantelijk en verleidelijk. Toen hadden ze ook haar plaats opgezocht en hij had gebogen en was teruggegaan naar de zijne, tusschen Lize en Lucie.
Daar zat hij dus nu, wat landerig en stil in 't eerst, soezig luisterend naar 't stemgegons, trachtend den wrevel van teleurstelling weg te praten in zich zelf. 't Was immers heel natuurlijk! Waarom zou hij nu juist naast haar gezet zijn, nonsens, nonsens! Op Lucie lette hij haast niet, hij zag haar naast zich zitten zonder zich te herinneren wie ze ook weer was. Zij zat met haar rechterbuurman te praten. Ook Lize liet hij over aan haar andren buur. Quasi-bedaard-onverschillig zwijgend deed hij alleen wat zijn plicht was aan tafel, en zat wat te kruimelen en te spelen met zijn brood.
Maar langzaam-aan begon hij zich te schikken en toen dacht hij in-eens -- hij hoorde haar stem -- aan dat oogenblik van verwarring toen Anna hem had voorgesteld aan Lucie. O ja!.... dat was dat meisje.... met die zachte oogen.... 'n lief meisje blijkbaar.... Waarmee had ze hem ook weer verlegen gemaakt?.... Och, gekheid, dat lag aan hem!.... Zij was een eenvoudig meisje, een lief eenvoudig meisje!...... Hij moest haar toch 's aanspreken.... Dat was niet meer dan zooals-'t-behoort.
Hij deed 't ook, dadelijk, terwijl ze zich juist even naar zijn kant wendde en hem schielijk van terzij even aankeek. Hij vroeg met een vriendelijke, bedaarde stem, zich dwingend tot een gelaten kalmte, of ze zich goed amuseerde, of ze hield van partijen. O jawèl, gaf ze antwoord, ze hield er wel van, ze hield veel van dansen, ze vond 't alleen maar niet prettig dat ze zoo weinig menschen kende. Maar dadelijk -- zeker wou ze voorkomen dat hij zijn complimentje herhaalde -- zei ze er bij dat dat ook heel natuurlijk was, want ze ging haast nooit uit, ze leefde alleen met haar moeder, stil, bijna afgezonderd van de wereld. Ze had nog wel vrindinnen, ze kwam nog wel 's hier en daar aan huis, maar natuurlijk! de meeste tijd kwam haar moeder toe, die haar beste vrindin was. Bernard, wat verwonderd weer, door haar dadelijk eenvoudig-weg vertellen van zich zelf, en 't geluid van haar stem herkennend met onzegbaar-lichte ontroering, zei kort en stil dat hij geen moeder had. Toen keek ze hem in eens meelijdend aan, en weer hadden haar oogen dien vochtigen glans, alsof er een traan over heen gegleden was. Och! dat vond ze erg treurig. Ze wist 't wel wat 't was zoo'n verlies, want ze had haar vader verloren twee jaar geleden. "Dat moet vreeselijk zijn," zei Bernard,.... "ik heb mijn vader ook niet meer..... maar ik heb hem eigenlijk nooit gekend." Ze schrok weer. "Heelemaal niet gekend?.... En is uw mama al lang dood?"
Haar stem veranderde bijna niet door 't spreken over die treurige dingen. Er was niets in van 't gewone teemend mede-lijden gehuichel, alleen een lichte trilling van innigheid en groote aandacht.
"Ja!.... al lang!" zei hij. "Ik heb maar een heel vage voorstelling van me moeder,.... ik was vier jaar toen ze stierf.... 'k Ben toen door 'n oom en tante in huis genomen, ziet u, die hadden geen kinderen, en die hebben me opgevoed alsof ik hun eigen zoon was...."
"Hoe lief!.... En.... wat herinnert u u nog van uw mama?"
Bernard glimlachte even, weer een beetje verward. Hij was verbaasd. Hij vond haar een vreemd meisje. Hoe waren ze toch in-eens aan zoo'n gesprek gekomen aan 'n vroolijk souper op een bruiloft!...... En waarom vroeg ze dat zoo.... Wat kon 't haar schelen....
Maar hij vond 't niet onaangenaam. Er was een zachte streeling van sympathie in zijn gemoed.
"Wel!.... ik herinner me," zei hij nadenkend, "dat we in een breede vensterbank zaten, zoo'n vensterbank met kussens, geborduurde kussens, vol met gele en witte bloemen.... Me moeder zat in den eenen hoek en ik in den anderen. Ze had 'n lichtgroene.... ja, 'n doffe grijzig-groene japon aan,.... ze had 'n ovaal gezicht en zachte oogen, heel zachte oogen (bijna had hij er bij gezegd; zulke oogen als u, want zoo zacht, zoo innig-aandachtig keek ze naar hem).... En ze vertelde allerlei vertelseltjes.... en las voor van Prins Vriendelijk en de prinses met de lange haren.... Ja, dat is geloof ik 't eenige wat ik me goed herinner...." Hij zweeg en keek even droomerig voor zich uit, kruimelend met zijn brood. Maar dadelijk schoot hij weer op, want achter hem kwam een kelner staan met een schotel, en hij bediende zijn dame en zich zelf. En van den overkant werden grappige opmerkingen gemaakt, waar ze allemaal om lachten. Daarop sprak Lize hem aan. Ze was een heel jong, heel vroolijk meisje, -- ze werd door de anderen geplaagd met haar opvatting van een rolletje in een van de vertooningen. Sam hield quasi-ernstig vol dat die opvatting oneindig tragischer had moeten zijn. Ze riep Bernard te hulp.
"Nee! wat zegt u nou, meneer Bandt?...." Bernard gaf haar volkomen gelijk en was dadelijk druk mee in 't gepraat over dat rolletje. Hij had juffrouw Lize ternauwernood opgemerkt op 't tooneel, maar dat was natuurlijk geen reden om geen opinie over haar spel te hebben aan 't souper op een danspartij. Er werden nog wat grappigheden gezegd. Sam erkende dat zijn "aantijgingen" monsterlijk waren en werd gestraft met een poenitet, en 't chapiter was afgehandeld. Bernard schonk Lize en zich zelf nog eens in en keek naar Mimi. Hij zag dat André over de tafel gebogen vol vuur tegen haar zat te beweren. Zij altijd recht-op. En Hugo Franck zat te lachen achter zijn servet, blijkbaar om 't gepraat van André, wiens stem soms hoorbaar was als 't algemeen gonzende geroes wat daalde.
"U heb ik, meen ik, heelemaal niet gezien op 't tooneel, juffrouw Tadingh," begon hij toen weer.
"Nee," zei ze, even lachend, "dat 's niets voor mij.... Comediespelen vind ik iets verschrikkelijks...."
"Hoe dat zoo?.... Vindt u 't zoo lastig 'n rol te onthouden.... of?...."
"Och ja!.... dat ook al!.... maar heelemaal: dat positief iets komen zeggen in 't publiek!.... ik vind 't altijd iets aanstellerigs, iets onnatuurlijks.... Of eigenlijk; ik ben te verlegen, daardoor komt 't.... Ik ben zoo akelig verlegen, moet u weten...."
"Alleen ongewoonte!" zei Bernard.
"Mogelijk wèl, ja.... Maar 'k weet 't toch niet, 't zit geloof ik, ook in me natuur. Ik heb er altijd bepaald van gehouden in gezelschappen stil te zijn, alleen maar te luisteren naar wat anderen zeggen, zoo als-'t-ware begraven onder hun stemmen.... ziet u, zoo weg te zakken.... O, ik had dat als kind heel sterk!.... Ik weet niet of u 't kent, dat gevoel...."
"Ja zeker," zei Bernard, die datzelfde zachte gestreel van sympathie weer merkte, "dat ken ik heel goed.... dat vind ik ook heerlijk.... maar ik heb me altijd verbeeld, dat 't eigenlijk niet mocht.... 't Is, geloof ik, ook wel 'n beetje egoïstisch."
"Vindt u?" zei ze, droomerig, wat verwonderd naar 't scheen.
"Ja.... dat vind ik wèl.... als je in gezelschap bent hebben de menschen recht op je, dan moet je je 'n beetje geven."
"Heel goed," zei ze kalmpjes, "als ze dan tenminste wat aan je hebben, als je geestig bent.... of knap, of alleen mooi.... maar...."
"O!" zei Bernard, "en dat is u allemaal niet?" Hij zei 't 'n beetje ironisch, 't bedoelend als gewone galanterie.
"Nee," zei ze, heel eenvoudig, bedaard-dof, "nee, heelemaal niet!.... dat zult u trouwens ook wel zien en merken...."
Van ieder ander meisje had Bernard dat soort van praten altijd voor heel ordinair hengelen naar complimentjes gehouden, maar zij zei 't alles zoo zakelijk, zoo kalm, zoo effen voor zich heen, dat hij er dat niet in hoorde, er niet aan dacht dat er in te zoeken. Hij vond haar juist heel ongewoon. Hij voelde duidelijk dat ze veel beter was dan hij, eenvoudiger, eerlijker.... en dan was er nog iets wat hij vaag voelde: Ze was wel erg bescheiden, maar toch scheen ze te leven met groote begrippen alleen, minachtend 't kleine, maatschappelijke, en dat ongewild, onbewust.... Hij zat daar even over te soezen, hij dacht: zoo'n zuster hebben, zoo'n zachte verstandige zuster om mee te praten over alles....
Maar Lize klampte hem weer aan. "Maar, meneer Bandt, hoe vindt u dat nou: meneer van der Hoeven beweert dat Mimi van Keppel rood haar heeft."
"Wel nee!" zei Bernard, "'t is rossigblond, niet rood! Rood is heel anders."
"Nou! dat zeg ik ook!.... hoort u 't, meneer van der Hoeven!"
En Bernard's gedachten in eens weer naar Mimi. Hij zag haar weer zitten. Hij vond haar profiel heel mooi. 't Was misschien niet zuiver mooi, volgens de eischen, maar hij vond dat nu mooi. Maar die groene baljapon stond haar toch eigenlijk niet. Ze moest in 't donkerrood zijn, in een granate ochtendjapon bijvoorbeeld.... zoo'n wijde, met soepele plooien. Wat had ze 't nu druk met Samson. Enfin, die was onschadelijk, dat monster....
Aan de hoofdtafel was in-eens stilte; een dikke oom stond op en ging toosten. Toen breidde de zwijging zich ook over de andere tafels uit en was er een poosje alleen 't deftig-langzame preek-gepraat, 't zeurige zinnetjes-zeggen van den vromig doenden oom. Hier en daar alleen aan de uithoeken der bijtafels onderdrukt gegichel en toen 't uit was een verruimd opstaan, algemeen, een woelig geschuifel met stoelen en geloop naar 't bruidspaar om te klinken, een druk gedrang en geroep.
Op zijn terugweg kwam Bernard Mimi tegen, en glimlachend klonken ze samen, en hij keek haar heel brutaal in de oogen daarbij, wat ze even brutaal teruggaf.
"Bevalt de tafelschikking u nogal?" vroeg hij.
"Ja zeker," zei ze, "u ook?" "Bizonder," zei Bernard. Maar haastig keek hij even om of Lucie 't gehoord kon hebben, want 't bewustzijn hinderde hem dat hij haar voor den gek hield. En doorloopend naar zijn plaats voelde hij Mimi's blik nog met zekere schaamte. Er was iets van de geheime verstandhouding van twee gauwdieven in geweest.
Toen ze weer waren gaan zitten, begon hij dadelijk een levendig gepraat met Lucie. Over boeken ging 't. Hij vroeg haar of ze dit gelezen had, of ze dat kende. Het meeste kende ze niet, en daar moest hij dan van vertellen, wat 't was. Zij vroeg al maar door, tot hij zelf weer over een ander boek begon.
En zij vroeg, of hij soms kende Lubbock: The Pleasures of Life. Nee, zei hij, en vroeg ironisch glimlachend of dat zoo mooi was. Ja! o! dat moest hij bepaald lezen! Dat was haar bijbeltje! Daar stond in dat 't de plicht van een mensch is gelukkig te zijn. Was dat niet mooi? Zij haalde een paar zinnen aan uit het boek. Ze sprak 't Engelsch zuiver uit en hij vroeg glimlachend of hij haar daar wel een compliment over maken mocht.
Toen kreeg ze 'n kleur. Nee.... nee.... dat zei hij er maar om.... Ze sprak 't natuurlijk erg schoolsch uit, dat wist ze wel......
"Integendeel, ik verzeker u, u doet 't uitstekend!.... Ik weet 't wel zoo'n beetje!.... ik ben verscheiden malen in Londen geweest...."
"Ja?" zei ze toen met blij stralende oogen, met die zelfde kinderlijk-echte blijheid weer, "nou, dat doet me plezier!.... Ik houd ook veel van Engelsch...."
Dat laatste had Lize Schot gehoord. "O! ik ook," zei ze dadelijk. "Engelsch! heerlijke taal, hè? En kent u 't land ook? Bent u er geweest?"
"Nee," zei Lucie, "ik ben er nooit geweest."
"O, ik wel!.... 'n heerlijk land!.... 't Eiland Wight, hè, verrukkelijk!.... En al dat spelen wat ze doen op die groote groene velden daar, tennis, crocket, football...."
"Nou, nou," zei Bernard, "football zult u toch wel niet mee gedaan hebben!...."
"Zeker wèl, waarom niet?.... Onder ons meisjes, natuurlijk. 't Is heerlijk!" En ze gingen in dien hoek zitten praten over football.
Maar Bernard keerde zich dadelijk weer naar Lucie, vertrouwelijk doorpratend: "Bent u heelemaal nooit op reis geweest, juffrouw Tadingh?"
"Nee, meneer, nooit!.... Maar 't moet heerlijk zijn, dat geloof ik wel.... Ik hoor er zoo graag over spreken.... Sommige menschen, die anders altijd even kalm blijven, worden enthousiastisch, als ze over 'n ander land beginnen.... Toch is 't onze ook mooi, vindt u niet?.... O, ik houd zooveel van mijn Amstel en mijn Vondelpark, en 'n wandeling naar 't Kalfje met mooi weer vind ik verrukkelijk...."
Bernard zei, dat hij 't zoo zelden deed. Hij kwam er niet toe. Weinig tijd....
"Dat 's jammer," zei ze, "'t is er zoo mooi, vooral in den zomer, en dan 's middags om 'n uur of vijf, zes, als 't wat koeler wordt en rustiger, als 't water niet meer zoo in 't volle zonlicht is, maar alleen van die smeltende goudglansen in de golfjes tegen den kant en op één plek 'n groote wemelende schittering.... O, dan is 't licht zoo mooi om de boomen heen, en de boomenrijen in de verte die zijn dan zoo verrukkelijk, vooral in 't oosten, waar de lucht dan al grijzer en koeler wordt.... als er dan geen wind is,.... als ze zoo stil staan, de boomen, als ze zoo stil staan te wachten in de ijle lichte lucht...."
Dat zei ze met wijde oogen recht voor zich kijkend, met iets van extase in haar zachte, bijna fluisterende stem.
Maar terwijl ze nog sprak zag Bernard in eens dat Mimi, zich half-omdraaiend op haar stoel, spotlachend naar hem keek. Ook André en Hugo keken naar hem en lachten. Waarschijnlijk had André haar opmerkzaam gemaakt op de ernstig-pratende gezichten van hem en van Lucie. 't Ergerde hem, hij werd wrevelig en warm in zijn hoofd; ofschoon 't maar even duurde; de rechte trotsche figuur werd bijna dadelijk weer afgewend met een air van onverschillige meerderheid.