Part 23
En dikwijls als hij op kantoor zat, of 's avonds op zijn kamer, verlangde hij in-eens met doffe klopping in zijn keel naar dat zitten, zóó, met haar....
Dat ontstemde hem een beetje; hij wilde geen verandering in zijn denken over haar en over hun verhouding. 't Stond nu eenmaal vast, hij was niet verliefd, hij was gewend aan dat idee en hield er van. In zijn denken negeerde hij nog die koortsige aandoeningen.
* * * * *
Ze begonnen nu allerlei plannen te maken voor de Zondagen, lange wandelingen en uitstapjes naar alle richtingen. Bernard had mevrouw Tadingh weten over te halen om eens, bij wijze van proef, zoo'n Zondag te gaan doorbrengen bij een paar oude-jonge-juffrouwen, die aan 't zelfde laantje woonden, een paar gedistingeerd-vriendelijke, deftig-sekure dametjes van tusschen de veertig en vijftig, die op een goeden middag, na veel lieve hoofdknikken, waren komen kennis maken met die sympathieke oude dame, met wier toestand ze zoo oprecht en innig waren begaan. De moeder had 't goedgevonden, ze mocht die meelijdende dames wel. Den eersten keer brachten Lucie en Bernard haar zelf, en de juffrouwen, die dol op "'t aardige jonge paar" waren, wisten niet wat ze doen zouden van vriendelijkheid, zoo blij en vereerd waren ze met 't vertrouwen.... Toch ging Lucie wat bezorgd weg dien morgen. Maar 't beviel best, de dames waren toch zóó lief voor haar geweest, zei mevrouw Tadingh, en ze verlangde zelf naar een volgenden keer.
Met innige vreugde vertelde Lucie dat aan Bernard. Ze vond 't heerlijk, dat dit gelukt was, dat ze nu onbezorgd met hem uit zou kunnen gaan, zoo'n heelen dag, zoo'n langen lichten zomerdag, met hem alleen. Want in de weekdagen, al klaagde ze nooit, al was ze altijd-weer enkel maar dol-blij als Bernard kwam, hij merkte toch dikwijls aan kleinigheden wat ze weer te tobben had gehad met haar moeder.
Als ze van haar sprak was 't altijd met hetzelfde teere medelijden, en met pieuse liefde en eerbied, maar soms gleed over haar ernstig gezichtje een waas van verdrietige gedruktheid, die ze dan dadelijk weg lachte, want blijkbaar wou ze niet dat hij daar iets van merkte. Maar hij zag 't en hij ging 't begrijpen door goed te letten op de moeder zelf, hoe ze naar Lucie keek en hoe ze stil voor zich uit keek en de houdingen waarin ze zat; de moeder was niet eigenlijk-melancholisch, ze was verwend, ze was gaan houden van klagen om de zachte voldoening die 't gaf beklaagd te worden en meelijdend aangekeken, en innigjes gekoesterd. Ze hield blijkbaar heel veel van "haar kind", en zei dat ook ontelbare malen, maar dat was vooral -- leek 't wel -- om nog meer recht te hebben op liefde en vertroeteling, en "'t kind" zorgde dan ook voor haar zooals dikwijls teerhartige moeders voor ziekelijke kinderen zorgen, met eindeloos geduld en zachtheid. Een enkele maal klaagde ze ook wat tegen Bernard, met een zachte, lijdende stem, met diep gezucht en stille tranen, over haar droevig lot en haar eenzaam leven, maar 't maakte Bernard ietwat wrevelig, hoe hij zich ook daartegen verzette! En hij gaf luchtige antwoorden, kortaf, als wou hij haar een beetje ruw-weg opbeuren, met vriendelijk geweld, met woorden als korte duwtjes in den rug, die wel geen pijn deden, maar toch niet zacht waren. En dat scheen te helpen. Ze werd dan kalmer, ze berustte dan maar en glimlachte teertjes met hem mee. En Bernard begreep dat langzamerhand ook wel en deed 't er om. Zoo lachend aangesproken, zoo luchtig opgebeurd te worden, daar was 't haar niet om te doen. Daarom was ze zoo graag bij de vriendelijke oude dames, die haar al maar lief bezig hielden, haar goedig beklagend nu en dan, met stille vereering.
Die Zondagmorgens dan, als 't mooi weer was, dan kwam Bernard met een heel vroegen ochtendtrein. En hij vond zijn meisje aan 't station. En dan dat wegwandelen, Bussum uit, 't Gooi in: naar Hilversum, of 's Graveland, naar Laren en Blaricum langs de breede lanen met diepe voren, met stille kudden vredige schapen, of naar Huizen over de hei, de woeste vrije hei, de zonnige, kleurige hei. Ze liepen wel tot Soest en Baarn; Lucie was even onvermoeid als Bernard.... Maar dat eerste uitwandelen, frisch en sterk, in de ijle, zuivere morgenlucht, dat was 't heerlijkste. Vlug en veerkrachtig, 't hoofd ietwat naar achteren, met een blijden blik naar de boomen en de blauwe lucht, stapte zijn meisje dan naast hem voort en zei telkens, met extase, dat ze 't zoo verrukkelijk vond.
Soms scheen 't haar bijna te machtig te worden, 't alleen zijn met haar liefde in de bloeiende zonnelanden, en 't vrij zijn, 't mogen doen wat ze wou. Dan moest ze stilstaan, begeerig opsnuiven de zomersche lucht, en hem kussen en lang aankijken. Of in-eens holde ze wild vooruit, dartel als een veulentje, tot haar japon bleef haken in een heester, of haar hoed afwoei, verfomfaaiend 't thuis zoo netjes strak getrokken kapsel. En hij holde haar achterna. 't Was hem vreemd, hij had 't sinds zijn jongensjaren niet gedaan, zoo draven, hij vond 't eigenlijk een beetje bespottelijk, en hij zei dat hij 't niet graag deed, dat hij er zoo gauw moe van werd en benauwd. Maar dan pruilde ze 'n beetje en keek hem guitig-smeekend aan, of ze plaagde hem, zeggend dat hij een deftige meneer werd, een saaie-oude. En dan liep ze weer weg met een dollen lach, en op een afstand riep ze: "Kom 's hier, kom 's kijken! Gauw! gauw dan, anders is 't weg!" Dan draafde hij er heen en dan was 't niets of enkel een mooie tor, die vadsig zat te wiegen op een blad, glanzend in de zon, of een kwikstaart, die toch al lang weer weg was. En dan zij dolle pret, schaterlachen en opnieuw weghollen, hem tartend haar in te halen en af te straffen....
Ze dejeuneerden dan, liefst zoo primitief mogelijk, ergens waar ze maar een glas melk en een oud-bakken broodje met oude kaas konden krijgen. Dat vond Lucie heerlijk, daar smulde ze aan. En hij ook, ofschoon hij 't eerst niet weten wou. Want allebei hadden ze honger van de lange wandeling in de morgenlucht.
En 's middags gingen ze lui-soezerig ergens in 't bosch liggen, of ze liepen heel langzaam en stil te praten onder de boomen.
Eens dat ze met den trein naar Baarn waren gegaan om daar in de buurt wat rond te zwerven, had ze weer zoo'n echte, dol-uitgelaten bui. Ze kriebelde hem met strooitjes in den hals en liep dan lachend weg, of ze liep een vogeltje na of een eekhoorn die van boom tot boom sprong. Ze waren in 't bosch alleen. Hij was even gaan zitten in een drogen greppel om van een wilgetak een fluitje te snijden; hij wou 's zien of hij dat nog kon; hij had er tegen haar op gesnoefd dat hij al die dingen zoo goed gedaan had als jongen. Even keek ze er naar, toen vloog ze in-eens weer op en was weg. Hij bleef zitten snijden; ze komt dadelijk wel weer terug, dacht hij. Maar na een poosje, hij had aandachtig zitten werken aan dat fluitje en 't was af -- toen riep hij: "Ben je daar?.... Lucie!...." Maar er kwam geen antwoord, 't geluid van zijn stem stierf kort in 't dichte bosch. Hij stond op en keek rond. Ze was er niet. Hij liep en hoorde 't kraken van zijn stappen op dorre takken, en riep krachtig, luid, opnieuw haar naam. Maar ze was er niet. Hij was alleen. En in eens voelde Bernard zich eenzaam, verlaten. Zijn bloed bonsde in zijn keel. Toen hij weer wou roepen kwam er een schril geluid, half verstikt. Angst schokte traag door zijn warm hoofd, zijn polsen brandden. Hij kon zich niet herinneren welken kant ze uitgegaan was, hij had haar wel hooren wegloopen, achter zich, maar hij wist niet hoe ze gegaan was. Op goed geluk af holde hij een kant uit, aldoor roepend, soms stilstaand om hijgend te luisteren.... Eindelijk hoorde hij zwak antwoorden; "Bernard!" hoorde hij roepen, links van zich, nog ver. Maar hij rende dien kant uit, dol van opwinding en blijdschap. Hij schreeuwde nu voortdurend door en hoorde ook telkens sterker zijn naam. "Ik kom!" riep hij. Hij struikelde telkens, in 't driftige loopen, viel op een knie maar was dadelijk weer op. En op 't punt een weg over te steken zag hij haar in-eens staan, op korten afstand. Maar zij zag hem nog niet, ze keek een anderen kant op. Rechtop stond ze, den grooten stroohoed een beetje achterover, met een vollen blos, in gespannen aandacht turend en zoekend met oogen van eenzaamheid, een kransje van boschbloemen in de neerhangende hand. En hij bleef ook even staan, naar haar kijkend, overstelpt door warm gevoel van rijkdom.... Weer riep ze, met angstig verlangen in haar stem: "Bernard!" Toen liep hij haastig naar haar toe, en ze hoorde hem en lachte, hem met glans-oogen aankijkend. Driftig sloeg hij zijn armen om haar heen en kuste haar op den mond. En zij had ook een arm om zijn hals geslagen. Hij kuste haar, met lange zoenen, telkens opnieuw, en hij voelde dat haar lippen warm en week waren en hij dronk haar adem, wankelend van weelde. Zwijgend keken ze elkaar dan weer aan. En toen ging zij hem kussen, op zijn mond, op zijn wangen en oogen, en gaf hem al de liefkoozingsnamen, die ze voor hem uitgevonden had.
En langzaam, arm aan arm, liepen ze toen verder. Hij vertelde haar van zijn mallen angst. Zij was ook een oogenblik angstig geweest; ze wist den weg terug niet meer, ze was de richting kwijt. Maar ze had dadelijk gedacht, dat hij haar wel vinden zou.
Zóó -- stil gaande -- kwamen ze in een mooie laan van gelijke laag-takkende dennen, een toover-stille, lange, rechte laan. En fluisterend genoten ze.
* * * * *
Dien avond, in den trein, alleen, voelde Bernard zich zacht, aangenaam-weemoedig, stil-gelukkig gestemd. En nu en dan werd zijn hoofd doorvaren van een groote gedachte, hoog-stil, licht als een zonne-morgen, geurig als de hei.... Zou 't toch nog komen?.... Werd hij nu werkelijk, nu heelemaal verliefd op haar?.... O! wat zou 't zalig zijn!....
Den anderen dag merkte hij herhaaldelijk dat hij glimlachend zat te soezen over zijn werk. Hij vergiste, verschreef zich telkens. En dat ergerde hem volstrekt niet, maar 't maakte hem vroolijk, onrustig-vroolijk. Hij zat dikwijls te lachen in zich zelf. Maar 's avonds kwam die stemming weer van blanken weemoed met lust tot stil dwepen....
Den daarop volgenden dag, 's morgens, toen hij op kantoor zat, kwam er in-eens iemand luidruchtig de trap opstormen, zoo schielijk en driftig, dat al de bedienden schrikkend opkeken en stommelden met hun stoelen.... 't Was André, warm, opgewonden, zijn hoed achterover, een en al verheugde glanzing.... Hij kwam haastig naar Bernard toeloopen en trok hem op van zijn stoel en mee naar achteren en in de gang, zonder te letten op de bedienden die nieuwsgierig-verwonderd zaten te kijken. En toen kon hij nog eerst niets zeggen, hijgend, proestlachend, sniklachend. Maar eindelijk kwam 't: "Ze wil me hebben, zeg!.... Ze wil me toch hebben!.... Hoe vindt je 't, vindt je 't niet bespottelijk?.... Zoo'n vent als ik!.... Zeg!... Zoo'n vent als ik!.... Ze heeft dadelijk ja gezegd!.... Ze houdt van me.... Hoe vindt je 't?"
Ontroerd feliciteerde Bernard zijn opgewonden vrind en lachte met hem mee, zenuwachtig, en zei dat hij 't ook eigenlijk bespottelijk vond, en ze proestten 't allebei uit. Bernard ging maar dadelijk mee met zijn vrind, 't was toch gauw koffietijd en hij was te gejaagd om nog wat uit te voeren. Op straat praatten ze over dingen, die hun geen van beiden konden schelen, en dan in-eens keken ze elkaar aan en lachten weer, en André vertelde, vertrouwelijk, in korte afgebroken zinnetjes, hoe 't gegaan was tusschen Betsy en hem in den laatsten tijd. Hij was dol-verliefd en kinderlijk-blij gestemd en hartelijk-welwillend jegens alle menschen.
En Bernard was al even vroolijk. Verbaasd merkte hij in-eens, dat in zijn denken die vrind naast hem zijn lotgenoot was, dat hij liep te luisteren naar die uitingen van opgewonden blijdschap met een glimlach van intieme verstandhouding, alsof hij 't kende, dat allemaal.... Dat hij ook heelemaal niet jaloersch was, zooals vroeger wel 's, als hij dacht aan liefde tusschen Betsy en André.
Eigenlijk ergerde hem dat weer een beetje; hij schaamde zich tegenover zich zelf en schold en lachte zich wat uit. Waar bleef nu zijn ridder-zijn, zijn koel-hoog-beschermen, zijn wijs-glimlachend gelukkig maken, zijn groot goed werk, onzelfzuchtig? Heel eenvoudig en sterk, hakend naar zijn eigen genot, zonder bijgedachten, verlangde hij naar zijn meisje, naar haar liefkoozingen, haar teedere blikken, haar hartstochtelijke omhelzingen. Hij verlangde er ook naar 't haar te vertellen, van André en Betsy, en dat hij heelemaal niet jaloersch was, want dat hij alleen hield van haar, zijn meisje, zijn mooi meisje. Want ze wist al van zijn vroegere verliefdheden. Ze had 't niet aardig gevonden, ze was er even wat stil van geweest, jaloersch blijkbaar. Maar nu zou hij haar kunnen bewijzen, dat hij nooit meer dacht aan Betsy en die anderen, dat hij alleen maar, en altijd, dacht aan haar, zijn alles....
En in de coupé werd hij niet kalmer. Hij was nerveus-opgewonden, warm. Hij dacht aan haar, aan hun samen-zijn op wandelingen. Hij drong zich diep in zijn hoek om rustig aan haar te kunnen denken, zijn oogen dicht, zijn toegeklemde handen in zijn zakken, en hij voelde 't koortsig verlangen branden in zijn polsen. Hij zag haar weer staan, zooals ze daar in die laan stond, naar hem zoekend met de oogen, in dat oogenblik even vóórdat ze weer riep. God! hoe mooi, hoe onvergetelijk diep-mooi was dat geweest! Dat stille wachten, in die wonderlijk teer-mooie rijzing van haar ranke figuur, en die glans om haar opgeheven hoofd! Hij voelde zich rijk en trotsch en forsch-verliefd. Met korte golven, elkaar verdringend als de branding, sloeg zijn verlangend denken aan haar door 't met moeite stil-liggend lijf. Hij voelde 't nu, in zijn overspanning: zij kwam dan toch nog, de hooge vreugde; het zuivere geluksmoment naderde; straks zou hij 't grijpen en zalig zijn....
Maar in-eens, met een weeë schrijning, en toen een licht-doffe huivering recht naar boven, verijlde zijn vreugde en zijn spieren verslapten in lamme loomheid. Zijn handen zweetten in zijn zakken, zijn hoofd lag warm-soezerig tegen de nare weekheid van 't fluweelige trijp. Want als een schimmig schrikbeeld eerst, en toen plotseling scherp-duidelijk, had hij 't visioen weer gezien van dien nacht in 't bordeel, van dat week-passieve vrouwelijf.... En minuten lang leed hij, stil-trachtend al zijn denken te verdooven in gesoes.... O dat onherstelbare, waarom kon hij 't nu niet vergeten! 't Was nog alleen in zijn herinnering, waarom kon hij 't niet daaruit weg doen nu, zoodat 't heelemaal niet meer bestaan zou.... En waarom, God! waarom was dat nu ook gebeurd zoo kort voordat zij kwam!
Maar toen, langzaam -- hij voelde 't al, vaag, voor hij 't dorst te aanvaarden -- kwam 't verzet tegen dat lijden, de wil er zich uit op te rukken, 't los van zich, beneden zich te voelen. En toen hij 't eenmaal had aanvaard, groeide 't, als een volksopstand tegen lange verdrukking, en werd macht. Weg met dat laffe zelfverwijt, 't had uitgediend, hij wilde 't niet langer, hij verachtte 't nu, hij trapte en spuwde er op. Hij was een krachtig, vrij man, die zijn hoogste levensmomenten voelde naderen. En, bij God! hij zou zich die niet laten bederven door kinderachtige schaamte over klein gedoe van vroeger! Hij zou genieten, ongestoord, het allerhoogste. Want dat kwam! dat kwam! Neervlijmen zou hij nu al zijn kleinheid van vroeger, met koele verachting en subliemen spot, en dan zonder omkijken, licht en vreugdevol, zingende, opgaan tot een hooger, wijder, lichter leven!....
* * * * *
Hij had een heerlijken avond met haar in Bussum. Zij wandelden samen, stil; hij zag voor 't eerst haar fijn profiel in 't maanlicht, op een eenzamen weg, in de mysterieuse zwijging van den nacht, die koel was en oneindig diep.... En later zaten ze samen onder de waranda. Daar zag hij alleen het glanzen van haar oogen vlak onder de zijne, en hij voelde haar warmen adem. En fluisterend had hij 't over later, over de zaligheid van 't altijd-samen zijn, 't zich heelemaal geven de een aan den ander. Hij hoorde 't rythmisch opgolven van haar gelukkigen lach. "En kwam mama dan bij ons inwonen," vroeg ze in-eens, zacht, leuk-guitig.... "Waarachtig niet!" zei hij, en ze lachten beiden met stille schokjes en intiem gefluister. "Nou ja!" zei hij, "ik dacht toen nog dat jij dat graag zoudt hebben..... maar we zullen wel wat anders voor haar vinden, wàt?...." En zij kuste zijn mond dicht, en fluisterde liefkoozingsnaampjes, met helglanzende oogen, vol innigheid van vreugde en geluk.
XVIII.
't Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.
Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen.
Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten. Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer ergerlijk....
Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde verwachting, vage begeerte....
Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat gedurig vulde de hooge lichte lucht.
Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch.
En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.
Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt, over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.
En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!.... O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief had en van hem was....
En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't strakke blauw....
Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in 't bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach. Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord, verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster, had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....
Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....
Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van 't teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond, haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem liefkoosden.
Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind suizend over de toppen streek.
Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de wereld, wijd-rondom.
Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t water.
Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in hand....
Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.
En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan 't sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.
+Amsterdam+, 1895-'97.
Opmerkingen van de bewerker
In dit boek komen twee vormen van nadruk voor: _cursief_ en +gespatieerd+.
De volgende veranderingen zijn aangebracht: op pagina
24 "intelgente" in "intelligente" (witte halsboorden, intelligente en domme)
60 "frische" in "frissche" (veerkracht met frissche rillingen)
63 "ombarmhartig" in "onbarmhartig" (onbarmhartig-koude bij elkaar komen)
85 "ververlopen" in "verlopen" (bewegelijke groepen meiden met verlopen kerels)
93 "Warmoestraat" in "Warmoesstraat" (terug en de Warmoesstraat door.)
114 "oogenbik" in "oogenblik" (laat mij ook geen oogenblik om 's met Bernard)
129 "zal" in "zat" (Bernard zat nu rechts van de gastvrouw)
182 "gememelijkheid" in "gemelijkheid" (verveling en gemelijkheid.)
220 "mer" in "met" (sprak met ernstig-doffe stem over)
231 "al" in "als" (vooral als hij alleen was)
242 "eigoïstisch" in "egoïstisch" (eigenlijk vervloekt egoïstisch)
251 "avondden" in "avonden" ('t Vulde de avonden zoo.)
278 "eindedelijk" in "eindelijk" (hinderen, en eindelijk zei ze)
290 "uitwuivan" in "uitwuiven" (een juichend uitwuiven van wijde).
Verder zijn een aantal leestekens gecorrigeerd.
Overigens is de oorspronkelijke tekst ongewijzigd overgenomen.
End of Project Gutenberg's De roman van Bernard Bandt, by Herman Robbers