De roman van Bernard Bandt

Part 22

Chapter 224,119 wordsPublic domain

Ze vroeg 't met een zacht-smeekende stem, in-gelukkig naar hem opkijkend. Maar in zijn hoofd kwam nu allerlei droog-practisch gedenk aan tijd en aan alles wat noodzakelijk gauw gedaan moest worden. En hij zei 't haar. Hij moest nu in ieder geval naar haar moeder gaan en haar vragen. Niet waar? dat hoorde nu eenmaal zoo.... En dan moest hij ook wel even naar oom en tante gaan en 't die zeggen....

"O! weten die er nog niets van," vroeg ze.

"Wel nee! niets!" zei hij. "En 't zou toch te gek zijn als ze later hoorden, dat ik vandaag hier ben geweest, een meisje gevraagd heb en weer weg ben gegaan zonder naar hen om te kijken.... Dat gaat toch niet!"

"Wèl nou maar, ik weet goed raad," zei ze, "je blijft natuurlijk bij ons eten, nietwaar?.... Je hoeft toch van middag niet weer naar Amsterdam?.... En dan gaan we van avond samen naar je oom en tante.... Nee, nee, dat 's waar, dat gaat ook niet," viel ze zich zelf teleurgesteld in de rede, met een kort lachje, "je dient ze daar wel even op voor te bereiden, hè?"

"Ja, natuurlijk!" zei hij, "dus moet dat allemaal een beetje gauw gebeuren.... Maar 't kan nog wel!.... Laten we nu maar eerst naar je moeder gaan, en dan loop ik nog even voor 't eten naar oom...."

"Ja," zei ze, "goed!...." En ze gingen op weg. Hij bood haar zijn arm, waar ze haar hand op lei met een zalig lachje; ze was even een beetje stil, blijkbaar vond ze 't niet prettig dat alles nu zoo haastig moest gebeuren, zag ze er wel wat tegen op.... Maar Bernard, zich nu heelemaal meester, begon met vroolijke, vaste stem te praten over den heerlijken zomer, dien ze nu samen tegemoet gingen, de wandelingen, die ze zouden maken, en de kleine uitstapjes 's Zondags, en dat wond haar op tot een stemming van stralende verrukking. Alleen, toen hij over die uitstapjes doorging, zei ze even met een bezorgde stem: "Ja!.... 't is natuurlijk altijd lastig met ma.... Die zou dan alleen zijn!.... Maar kom, we zullen wel zien!"

"Wel ja," zei hij, zonder daarover na te denken, "dat zal wel terecht komen!.... Ik stel er me zooveel van voor, zoo hier en daar 's met je heen te vliegen...."

Toen ze dicht bij 't villatje kwamen, werden ze stil. Bernard zag er een beetje tegen op, de zwak-lichte, zoekende oogen van de moeder tegenover zich te zien. Er was een flauwige, weeë schrijning van schuldbesef in zijn ziel, hij voelde dat hij wat klein, wat wuft zou staan tegenover die stille oude vrouw met haar onzichtbaren krans van verdriet, die wijs-teedere, half-heilige moeder. Zou ze niet vragen of hij Lucie wel waarlijk liefhad? En zou hij dan driest-weg ja durven zeggen met vaste stem en blik?

* * * * *

Ze zat in de tuinkamer, de moeder, stil in haar hoekje, breiende, met een boek voor zich. Lucie ging vooruit. "Ma-tje, hier is meneer Bernard Bandt, die komt u wat vragen," zei ze met een opgewonden-hooge, zenuwachtig-vroolijke stem. En meteen liep ze op haar moeder toe, gaf haar een kus en knielde schielijk naast haar neer, opnieuw snikkend van geluk. Bernard bleef staan, vaag zijn werk voor zich ziend, verward weer.

"Wat is dat?.... Wat is dat?...." zei de moeder, quasi-niet-begrijpend, met een trillende stem en teer-vriendelijken glimlach. "Dag, meneer Bandt!.... kom hier!.... ga daar zitten!.... Nou, nou!.... Lucie! kindje! wat is er nu in-eens?...."

Door de goedigheid van die stem voelde Bernard zich weer kalm worden en helder, en hij zei met een vaste, van aandoening wat schorre stem: "Mevrouw.... ik heb Lucie gevraagd.... en ze heeft ja gezegd,.... en nu hopen we maar dat u 't ook goed vindt,.... dat we trouwen...."

Ze kon niet dadelijk antwoorden, de zwakke oude vrouw. Ze bewoog de lippen, maar er kwam geen geluid. Ze huilde ook.... Met haar linker hand streelde ze Lucie's hoofd, dat in haar schoot lag, terwijl ze de rechter beverig aan Bernard toestak, met een zwijgenden knik van innige goedhartigheid.

"Ik ken je nog wel niet heel goed, meneer Bandt," zei ze eindelijk met een piepende, gebroken stem, "maar ik weet hoe m'n kind van je houdt,.... hoe ze naar je verlangd heeft.... En ze heeft me zoo veel goeds van je verteld...."

En Lucie sprong op en kuste haar drie-, viermaal, en kuste Bernard, en ging dicht naast hem zitten, en een poosje zaten ze alle drie te sniklachen van nieuw, teer geluk en aandoening.

Mevrouw Tadingh wist van Bernards briefje, ze was precies op de hoogte. "O! Bernard," zei ze glimlachend, "als je wist hoe dat kind van den winter...." "Sst, sst! stil toch ma," viel Lucie haar blij-blozend in de rede, "ik moet 'm dat nog allemaal vertellen...."

Maar Bernard moest nu naar zijn oom en tante, 't Was al laat genoeg! Maar hij zou heel gauw terugkomen. Hij bereidde mevrouw Tadingh voor op een bezoek van zijn oom, die een deftig man was en er zeker prijs op stellen zou plechtiglijk te komen vragen om de hand van haar dochter voor zijn neef en pupil.

"Wel zeker!.... Dat spreekt van zelf!...." zei de moeder, "'t zal me aangenaam zijn." Maar ze deed wat angstig-gejaagd. Ze schenen er toch wel tegen op te zien.

"Dan komt je tante zeker mee," vroeg Lucie.

"Ja, dat denk ik ook wel!.... We zullen zien...."

Haastig liep Bernard naar de villa van zijn oom. Hij werd meer en meer opgewonden, hij was overspannen-opgewekt, in een lichten roes van actie; zonder zwaarte voelde hij zich gaan over den weg.

Ze waren op 't punt van aan tafel te gaan. Oom zat, met een krant, zijn bittertje te drinken in de waranda; tante ruimde 't werk op waar ze aan bezig geweest was.... Ze schrokken verbaasd op toen ze Bernard zagen, zoo onverwacht, midden in de week.

"Gut! Bernard!.... Hé! Ben jij daar?"

Hij had een kleur van opwinding en hard loopen. "Ja," zei hij, driftig zijn hoed neergooiend, en neervallend in een rieten warandastoel. "Gaat u 's even allebei zitten, en zet vroolijke gezichten en schrikt niet!.... Ik heb gewichtig nieuws!.... Ik ben geëngageerd!.... Met juffrouw Tadingh,.... een dochter van de weduwe Tadingh, u weet wel, waar we laatst over spraken.... Ik heb haar van middag gevraagd.... En met de moeder is 't ook al in orde!"

Met open monden en groote oogen hoorden ze 't aan.

"Hè?.... wàt?...." vroeg tante. "Wat 's dat nou in-eens?" vroeg oom.

Toen zei hij 't nog 's heelemaal, wat langzamer, wat kalmer.

En tante, 't eerst van den schrik bekomen, stond op en ging hem een zoen geven, en feliciteeren met tranen in de oogen.

Oom pruttelde. "Nou ja.... hoor 's even!.... dat kan je nou wel zoo 's effen gauw in een roeffie komen vertellen.... Maar zoo gauw kan ik dat niet verwerken.... Waarom heb-je daar niet 's eerder over gesproken!...."

"Wèl, oom, waarom zou ik?.... U kent 't meisje immers toch niet!.... En als 't anders geloopen was dan had ik 't heele zaakje maar kalm voor me gehouden."

"Nou ja, maar.... zoo maar in ééns.... geëngageerd!.... Ik ben maar een ouderwetsch man.... Die gauwigheid van tegenwoordig.... En wanneer wou je trouwen, heertje?...."

"Maar Frederik, zou je den jongen nou toch eerst niet 's feliciteeren?" verweet tante. "Gut Bertje, ik ben vreeselijk nieuwsgierig natuurlijk!.... Breng je ze 's gauw hier?"

"Hé!.... wacht nou 's even!" zei oom, "feliciteeren wil ik je wel, jongen, -- ofschoon ik 't meisje nog niet eens ken --, hier! geef me 'n hand!.... Maar.... re.... maar.... re...., je kunt dat meisje toch maar niet zoo in-eens hier brengen!.... Ik dien toch eerst fatsoenlijk accès bij de moeder te gaan vragen.... Dat hoort toch zoo!...."

"Wel ja, oom," zei Bernard, "dat moet u nou natuurlijk maar net doen, zooals u 't goed vindt!.... Maar intusschen kan Lucie toch van avond wel 's een visite hier komen maken!.... We zijn dan nog maar niet officieel geëngageerd, begrijpt u wel? Maar u maakt vast 's kennis.

"Hm!.... Nou.... dat 's goed,.... dat 's goed!"

"Afgesproken," zei Bernard, "dan komen we van avond!.... En dan ga ik nu maar gauw weg.... Want ik blijf natuurlijk daar eten vandaag.... En dan kunt u beiden er intusschen nog 's over denken.... en over praten!.... Dag oom, dag tante!.... adieu!.... tot van avond!...."

En hij liep weer weg. Tante liet hem uit, schielijk in de gang nog vragend of 't een mooi meisje was, blond of bruin, en meer van die dingen.

Met een triomfant lachje kwam ze weer binnen. "Nou?.... wie heeft er nu gelijk gehad," vroeg ze. "Ik wist wel dat hij over een meisje dacht!.... Ik merk zulke dingen altijd dadelijk...."

Maar oom zat aan tafel nog een beetje te brommen. Hij had liever gehad dat Bernard een dochter van Van den Bosch had genomen, of van een van zijn andere handelsvrienden. Zoo'n juffertje Tadingh!.... Dat zou natuurlijk ook wel geen cent hebben!.... Enfin, je moest je schikken in zulke dingen....

"Ik vind je niets aardig," zei tante. "Daar net ook al! Waarom feliciteerde je den jongen niet dadelijk?.... Jelie mannen altijd met je berekeningen!...."

Maar 's avonds kwamen ze, en Lucie, met haar groote, eenvoudige goedhartigheid, haar aardige manier van dadelijk hartelijk met hen om te gaan, welwillend, voorkomend, pakte oom en tante heelemaal in. Eerst deed oom deftig. Hij feliciteerde haar niet, maar zei, met zijn visite-kraakstem, dat hij van Bernards plannen had gehoord en morgen zou komen belet vragen bij mevrouw Tadingh om die zaak eens te bespreken. Maar Lucie nam van dat stijve doen niets geen notitie, ze keek hem trouwhartig-vroolijk aan en beloofde al haar best te zullen doen om een goede dochter voor hem te worden,.... want, niet waar, Bernard was toch zoo goed als een zoon van hem.... zoodat de oude heer 't een beetje te kwaad kreeg, en gekheid ging maken om zich goed te houden. Toen zij wegging kneep hij haar in de wang, en zei dat ze een lieve meid was, en liet "de kinderen" zelf uit en kwam neuriënd weer binnen.

Ook tante was verrukt over haar.... Ze zou zich wat eleganter moeten kleeden.... ze zag er een beetje erg simpeltjes uit,.... een blauw zijdje zou haar lief staan.... of een geel zijden blouse.... of fluweel?.... ja!.... maar een aardig meisje was ze.... allerliefst!....

Bernard bracht Lucie thuis. Hij bleef nog even praten en moest zich toen erg haasten om den laatsten trein nog te halen. Hij was dof van overspanning toen hij in de coupé zat. De dag was hem als een roes, als een drukke droom....

Maar ze begonnen nu pas, de drukke roezige dagen. Donderdags-morgens ging hij weer naar Bussum, wat afgesproken was met oom die dan zijn visite zou maken. Hij bracht voor Lucie bloemen mee en een ring, waar ze kinderlijk-verrukt blij mee was. Haar blij te zien, haar dan in de oogen te kijken, vond hij een hoog-vredigend genot. Hij voelde zich aldoor heel opgewekt. En hij was een en al actie, hij kwam haast niet tot rust.

Dien Donderdag kon hij niet blijven, hij moest 's middags in Amsterdam zijn, menschen spreken, en 's avonds werk inhalen wat al was blijven liggen. 't Was moeilijk genoeg, want aan tafel moest hij 't natuurlijk aan zijn vrinden vertellen. Dat was een luidruchtige verbazing! Sam vroeg eerst of hij gek was, maar dadelijk daarop drukte hij hem hartelijk de hand. "In Godsnaam!.... jij dan ook maar!.... Jelie moet 't zelf maar weten," zei hij.

André proest-lachte eerst, zenuwachtig zwaaiend met zijn armen. Maar hij werd in-eens ernstig, feliciteerde Bernard, hem vast in de oogen kijkend, en bleef toen even voor zich uit staren, een beetje triestig. Hendrik stootte Bernard aan: "Die denkt: 'k wou dat ik al zoo ver was," fluisterde hij. Maar André, die 't gehoord had, bromde "verrek!" en dronk zijn borrel uit in één teug.

Ook Hendrik en Gerrit waren hartelijk en belangstellend en Bernard moest natuurlijk een paar fijne flesschen geven. Later dan hij gewild had, kwam hij op kantoor, soezerig, en warm van den wijn. En hij bleef lang in den nacht werken, want Vrijdags moest hij weer naar Bussum om de aankondigingen te verzenden, en Zaterdag had hij 't erg druk om al dien verloren tijd weer in te halen. En 's Zondags werd er visite gewacht, buren en familie en de beste vrinden.

Als Bernard even alleen was met zijn meisje, dan had hij 't liefst dat ze, rustig tegen zijn schouder liggend, wat vertelde, met die stem van haar, dat geluid van zuivere liefheid. Dan kreeg hij weer dezelfde aandoening als dien Zondagmiddag, toen hij met haar op en neer gewandeld had 't zwarte weggetje. Hooge vriendschap en eerbied in een grijzige omfloersing van medelijden. Hij luisterde dan maar, voor zich uit starend. Hij zag haar nog niet, hij "lette niet op haar." En langzaam, met lichte, half-zelfbewuste ophuiveringen, groeide in hem 't begrijpen van den nieuwen toestand, dien hij, als met afgewenden blik in één handbewegen, geschapen had.

Soms keek ze hem een beetje verbaasd-bezorgd aan. "Wat ben je ernstig, is er wat?" vroeg ze dan. Maar hij antwoordde: "Wel nee, lieveling, niets," en kuste haar op 't voorhoofd of op 't haar. En hij ging vroolijk met haar praten. Maar 't medelijden in hem werd grooter, met scherper huiveringen, als zij schuchter liefkoozend, zijn hoofd tegen zich aantrok, of 't hare stopte onder zijn jas, beide armen om hem heen geslagen....

Edward kwam den eersten Zondag al. Hij was hartelijk, maar erg gejaagd. Hij had zich dure, al te modieuse nieuwe kleeren laten maken, hij zag er uit als een dandy en hij rook ook naar muskus. Hij was een beetje voornaam-hoffelijk met Lucie. Ze scheen hem niet mee te vallen. Hij vond haar blijkbaar wel wat erg eenvoudig, zoo 'n echt simpel buitenmeisje, 'n beetje een schaap. Maar ze nam alweer geen notitie van zijn ietwat neerbuigend-voornaam doen, zijn oppervlakkige, overdreven complimenten en zijn mooie kleeren, en was gewoon-vriendschappelijk met hem. Hij was een vrind van Bernard, dat scheen haar genoeg reden om van hem te houden. En hij had mooie oogen, zei ze later, mooie zachte oogen.

Ook André en Sam kwamen, en een paar tantes van Lucie en eenige buren. Maar den volgenden Zondag kwamen er veel menschen, toen was 't den heelen middag vol in de kleine tuinkamer van mevrouw Tadingh's eenvoudig buitenhuisje. Lucie keek telkens bezorgd naar haar moeder, die gelig-bleek zag en suf en verward-gejaagd werd van overspanning. Toen de menschen weg waren bracht Lucie haar als een kind weg, naar haar slaapkamer en naar bed. Ze was heelemaal op en onwel van vermoeienis.

's Avonds, toen ze samen in de waranda zaten, praatten Bernard en Lucie over haar moeder. "Ze schijnt wel héél zwak te zijn," zei hij. "Dat is 't," antwoordde Lucie, "de minste inspanning pakt haar zoo aan. En ik weet zeker dat ze nu weer een paar dagen zal hebben van die akelige slapte en droefgeestigheid. Je moet maar veel komen om me te helpen haar op te beuren.... Je kunt 't zoo goed....", zei ze, met een lief lachje. Maar even daarna, angstig weer: "Hoe zullen we toch later met haar doen,.... als we trouwen?...."

"Ja," zei hij, "daar heb ik ook al over gedacht.... 't Best zal zijn haar maar bij ons in huis te nemen, hè...."

"Ja," zei ze,.... "zou je dat willen?...."

Ze zei 't op doffen toon, zonder blijdschap. Hij dacht dat ze niet wou toonen, dat ze daarop gehoopt had, maar dat ze 't toch zeker wel 't liefste zoo hebben zou....

"Dacht je dan, dat ik haar in den steek zou laten?" vroeg hij.

"Nee!.... dat niet!.... maar.... de meeste schoonzoons hebben er, geloof ik, wel op tegen hun schoonmoeder in huis te nemen...." "Ja! och," zei hij, "dat ligt natuurlijk ook veel aan die moeders zelf, nietwaar?.... Jou ma-tje zal ons wel niet tot last zijn, geloof ik; ze is zoo gemakkelijk, zoo weinig eischend, hè?.... Ik houd ook al zooveel van haar.... Ik zou haar zoo graag een prettigen ouden dag bezorgen."

"Ja!...." zei ze, en keek even nog stil, kromzittend voor zich.... Maar ze richtte zich op, met een schokje. "Je bent mijn goeie vent, hoor!" zei ze. Maar er was geen blijdschap in haar stem.

XVII.

Langer dan Bernard zich voorgesteld had duurde die eerste tijd van roezige drukte, van niet tot rust komen, van dan dit en dan dat weer. Er moesten contra-visites gemaakt worden en familie bezocht, en vrinden in Utrecht en in den Haag, en "'t jonge paar" werd uitgevraagd op dinertjes en soiréetjes, dikwijls te hunner eere aangelegd. Dan werden ze licht gefêteerd en goedig uitgelachen, hartelijk toegedronken en nieuwsgierig bekeken, en waargenomen in hun omgang met elkaar. En je zag aan de oogen wat ze er van dachten, 't was heel ergerlijk en vervelend, vond Bernard. Vooral de dames, de deftige oudere dames. O! een heelen avond zoo 'n glimlach van duf-verstarde vrindelijkheid, van weldoorvoede, zich rustig-veilig voelende eigenwijsheid, dat was om maar liever een poosje blind te zijn! En dat naar-futiele gepraat, dat jezelf een belabberden lummel voelen, fatsoenlijk, dom, fut- en fantasieloos. En dan in-eens zoo'n kriebelige lust, een vloed van vloeken en kwajongenswoorden te gooien in den glimlachend-raisonneerenden kring, dat was een temptatie.

Bernard ging er sterk naar verlangen nu met rust gelaten te worden, alleen met zijn meisje, en dan te genieten, in kalmte, van 't succes van zijn plannen, van die stichtende voldoening....

Maar Lucie scheen 't niet zoo vervelend te vinden, als ze uitgevraagd werden, telkens weer. Dan heb ik je ten minste, zei ze, dan ben je bij me! En bij de menschen praatte ze weinig, was enkel stil-lief en keek maar naar hem, met haar lichte droomoogen. Blijkbaar was ze heel trotsch op hem en verbeeldde ze zich dat iedereen hem bewonderde en dat de meisjes jaloersch waren op haar. Ze zei nooit iets tot zijn lof, en als een ander hem prees lachte ze enkel, beaamde 't niet. Want dat was immers onnoodig, iedereen wist toch wie hij was, iedereen zag 't immers aan hem, zooals zij 't gezien had, dadelijk.... Maar Bernard vond 't een beetje benauwend, dat ook. Dat zij, vervoerd door liefde, hem bewonderde, goed!.... maar anderen lachten daar natuurlijk om. O! hij zag 't zoo precies aan hun gezichten van geroutineerde hypocrieten. Lucie scheen 't nooit te zien. Ze keek naar hem, met zacht-stralenden blik....

Misschien kon 't haar ook niet schelen!....

Dikwijls als hij met haar praatte had hij 't met stugge minachting over "de menschen." De menschen geloofden dit, de menschen deden dat altijd. Dat scheen ze eerst niet goed te begrijpen, ze kon er zoo triest-verstrooid om lachen, even. Maar langzamerhand ging 't haar blijkbaar een beetje hinderen, en eindelijk zei ze 't in-eens ronduit, dat ze dat niet prettig vond. Wat bedoelde hij toch eigenlijk met "de menschen." Waren dat alle anderen, alleen zij beiden niet? Zij waren toch ook menschen! En waren dan alle anderen wezenlijk zoo belachelijk, zoo dom? Maar dat konden ze dan toch niet helpen!....

Ze vond 't wàt angstig, zei ze. Ze merkte dat ze zelf over heel veel dingen net zoo dacht als hij zei dat de menschen er over dachten. Vond hij haar dan ook eigenlijk niet dom, en belachelijk?

Bernard glimlachte, kuste haar, beschermend -- en schaamde zich een beetje.... Van dien dag af ging hij zijn best doen in zich zelf tot klaarheid en onder woorden te brengen al wat hem altijd had tegengestaan in de mannen en vrouwen, in de jongens en meisjes, die hij had gekend, om 't haar te kunnen vertellen, en zoo wende hij er aan haar te spreken over zijn intiemste gevoelens en gewaarwordingen.

Dat gebeurde meest op wandelingen, in 't maklijk voortgaan, naast elkaar, op effen buitenwegen, licht en open. Lucie begreep haast altijd dadelijk wat hij bedoelde, ook als hij tobde met het vinden van de preciese woorden, en antwoordde zonder veel zoeken, met een onbewusten eenvoud en directheid zeggend wat ze dacht van de dingen, wat ze voelde en gevoeld had. Heel bescheiden -- als een vluchtig liedje in hooge eenzaamheid gezongen -- klankten haar weinige woorden, en toch waren ze voor hem soms beschamende openbaringen van klaarheid, van teederheid of diepte. En als hij haar daar iets van zei, met een licht ontroerde stem van innige bewondering, dan lachte ze, een helderen, gul-gelukkigen lach. Dat zei hij er natuurlijk maar om! Ze wist heel goed dat ze een dom schaap was, niet waard zoo'n knappen man. Wat zou hij van haar kunnen leeren, hij wist toch alles! Of, als hij iets niet wist, dan was 't omdat 't hem ook niet schelen kon. Dát was zeker: hij kon alles, alles wat hij wou!.... Dat was haar niet uit 't hoofd te praten!.... Maar hij beproefde 't toch, sprekend over de oneindigheid van dingen, die niemand wist en niemand kon.... En zoo groeide hun intieme gemoedsbetrekking, zoo bouwden ze een huis voor hun sympathie.... 't Werd al gauw een groot ruim huis, met veel oude-vertrouwde kamers en gangen, en er kwamen lang-gekende, stille hoekjes in....

Meer en meer begon Bernard te houden van die wandelingen met haar. Op kantoor zat hij er naar te verlangen. En hij richtte zich er op in, behalve 's Zondags, nog tweemaal in de week naar Bussum te kunnen gaan, ofschoon 't moeite kostte en nachtwerk dikwijls. Hij was blij als hij dan den trein van kwart over drieën nog halen kon, zoodat hij vroeg genoeg aankwam om nog wat met haar te wandelen voor 't eten. Ze was altijd aan 't station.

Toen dat nu alles geregeld ging en de roes van visites en uitgangetjes eindelijk voorbij was, kwam er een groote rust over hem, een gevoel in jaren niet gekend, een wijde kalmte van innige voldoening, een hooge opgewektheid, een vaste zekerheid van slagen. Zijn gang werd trotscher, zijn gebaren rustig-forsch. Graag overdacht hij, als hij alleen was, met kalm methodisch denken, zijn groot plan en hij voelde dat 't gelukt was tot nog toe en dat 't ook wel gelukken zou verder. En boven zijn gedenk was dan, vaag-zweverig -- iets lichts, iets van hoop.... Maar dat was hem niet de moeite waard om over te denken; hij haalde zijn schouders op als hij 't merkte en dacht weer aan haar, aan haar alleen. Zij was gelukkig, zijn Lucie, zijn meisje. Hij voelde 't telkens als hij haar zag staan, onder de wachtende menschen aan 't station, hem dadelijk en onafgebroken aankijkend vol innigheid, tot hij bij haar was, haar vroolijk de hand toestak. Het was ook of zij blozender, frisscher, gezonder van tint was geworden. Hij kreeg er plezier in, haar nauwkeurig waar te nemen, hij begon eindelijk "op haar te letten...."

En hij zag in-eens dat ze bepaald mooier was geworden.

Hij zei haar dat ook, en ze lachte weer. "'t Komt alleen omdat jij van me houdt," zei ze, en drukte zich tegen zijn arm en liet hem even stilstaan om hem een zoen te geven.

Ze ging nu ook dikwijls op zijn knieën zitten, met haar armen om zijn hals en haar hoofd op zijn schouder. Of ze wilde dat hij zijn hoofd tegen haar aanleggen zou, "om uit te rusten." En dan keek hij naar haar, dan gleed zijn koesterende blik langs haar zalig-glanzend gezicht. Dan zag hij van heel dichtbij haar fijne blanke vel en hij bespiedde al de verschillende trekjes en lijntjes die te zamen die uitdrukking van nobele goedheid en weemoedsvolle blijdschap gaven, dan keek hij in 't lichte grijsblauw van de oogen en zag de schaduwtjes van de oogharen. Dan zag hij de teere jonge haartjes die bij de slapen uit 't kapsel gesprongen waren, en de heel kleine, wittige haartjes, die haar wangen zoo dof-donzig maakten, en hij kende al gauw elk plekje van haar gezicht, de purperen adertjes op zij van de neusvleugels, 't kleine moedervlekje aan de kin. En hij keek naar 't stille bewegen van haar gezicht als ze sprak zoo liggend, haar hoofd vlak bij 't zijne. Hij zag dat al de goedheid en al de liefheid en innigheid van haar woorden ook in die mysterieus onbewuste plooiingen waren.

En nu, als ze zoo tegen hem aanlag, in zijn stroef-stevigen arm, haar rank-soepel vrouwelijf warm tegen zijn oude beenige borst, knakkend de strakke hardheid van 't heerige overhemd, dan kwam, -- als lekkere lucht van zomer in April -- malsche zinneverliefdheid opgolven naar zijn gebogen hoofd en hij kreeg korte huiveringen van verlangen naar wellust. En hij kuste haar op de wangen, haar zacht gloeiende wangen, en drukte haar vaster tegen zich aan.