Part 21
Toen hoorde hij haar aankomen, zacht ritselend in de tuinkamer, en in-eens stond ze vlak voor hem en gaf hem een hand. "Dag meneer Bandt," zei ze, "hoe gaat het?...." Hij stond vlug op. Glimlachend drukten ze elkaar de hand.
Er was nu niets van verwondering of verlegenheid in haar blik, maar een rustige, heldere blijdschap. Blijkbaar had ze zich vlug wat opgeknapt; een vroolijk-wit lintje was strak om 't halsboordje gehaald en het zwarte haar, dof-glanzend, liep gladjes, gelijkjes naar de vaste wrong op 't achterhoofd. Ze zag er frisch uit, 't was of ze wat voller was geworden, of haar lippen en wangen van frisscher rood dan vroeger waren. Ze wisselde even een goedigen blik met haar moeder en ging toen op een houten stoel zitten praten en luisteren, en ze keek hem aldoor aan....
"Die Bussumsche lucht doet u goed," zei Bernard, "u ziet er uitstekend uit...." Toen keek ze weer even naar haar moeder, met verhoogde blijdschap, en over 't oude gezicht met den stalen bril gleed een teere glans van innige, weemoedsvolle vreugde. "Ja, ja," zei Lucie, "we knappen hier op, niet waar, moesje?" Die knikte weer. "Ja, ja, zeker!.... zeker!...." Maar daarna zuchtte ze. "'t Doet mama ook zoo goed, die lekkere lucht hier," voegde ze er bij, zich weer naar Bernard keerend. "'t Is hier veel beter dan op de Prinsengracht."
En ze gingen zitten praten, rustig en vertrouwelijk, over Amsterdam en allerlei andere dingen, Lucie en Bernard. En hij voelde, dat 't er eigenlijk heel weinig op aan kwam wat ze zeiden; 't samen-zijn, 't elkaar zien en hooren, dat was 't enkel. De moeder ging, met stillen ijver, door aan haar breiwerk, nu en dan zacht wat zeggend, fluisterend bijna, beamend iets wat Lucie zei of Bernard.
Hij wist nu zeker, dat ze op hem verliefd was. Ze keek hem aldoor aan, als kon ze zich daaraan niet verzadigen. Zonder schuwheid, open en recht, met groote, innige warmte keek ze hem aan. En hij voelde zich groeien en gedijen in haar blik. Hij merkte dat zijn stem meer klank kreeg, dat zijn armen, die anders meestal slap neerhingen of stijf-stil-lagen, levendige gebaren maakten, hij voelde met lichte huiveringen van welbehagen, dat hij natuurlijk was en trotsch zich-zelf. En hij zag, met halven blik, opzij, dat haar moeder nu en dan met een stil-weemoedigen glimlach van innerlijke tevredenheid steelsgewijze naar Lucie keek, dan even naar hem en dan weer op haar werk.
Hij voelde zich in een atmosfeer van warme liefde, lief-bezorgde teederheid, stille trouw. Meer en meer kwam dat nieuwe gevoel over hem en vulde zijn gemoed van een vreugdigen trots, die licht beklemde,.... ontroerde.... En plotseling werd 't hem te machtig, kon hij 't niet meer verdragen, dat gevoel, wou hij er uit,.... weg,.... alleen-zijn.... Midden in 't gesprek stond hij in-eens op en zei dat hij nu gaan moest, dat hij zijn oom had beloofd nog wat met hem te zullen biljarten, en hij nam schielijk afscheid van mevrouw Tadingh, die dadelijk weer zenuwachtig en gejaagd, met verbaasde teleurstelling, naar hem opzag, verward wat zeggende van wèl de complimenten, en zoo.... En Lucie, blozend nu voor 't eerst, en op den grond kijkend, liep naast hem tot aan 't hek van het tuintje. Daar keek ze op en zag hij in haar oogen de spijt dat hij al wegging. En een innige warmte van medelijdende teederheid sloeg van hem uit, zoodat hij er zich heelemaal in voelde staan, en zijn oogen werden vochtig. "Ik kom gauw terug," zei hij met een doffe, licht trillende stem, "adieu Lucie,.... ik mag toch wel Lucie zeggen, nietwaar?...." "Graag!" zei ze, in-eens weer vroolijk, en haar dof glanzende blik zweefde over hem heen, verward van aandoening, "doe je 't heusch?.... 't Zal mama ook zoo'n plezier doen!.... Dag Bernard!"
Nog nooit had hij zijn naam hooren uitspreken zooals zij het deed; wat een mooi woord maakte zij er van....
Ze gaven elkaar de hand. Toen zag hij haar vlug terugloopen naar de waranda, zonder omkijken. En zelf ook doorloopend nu, 't zwarte weggetje af, had hij dadelijk spijt, dat hij al weggegaan was, want 't was heelemaal niet noodig!.... Waarom had hij dat nu weer gedaan? 't Was daar zoo goed geweest, o! zoo goed, zoo weldadig.... Dat was 't eenige waarvan hij zich bewust was in die eerste momenten; hij kon nog niet verder denken; hij voelde zich boordevol verwarde, onherkenbare gedachten, als had een kind, spelend, in zijn brein gewoeld, dooreengegooid al zijn voorstellingen, begrippen, gevoelens. Toen hij op den weg kwam waaraan de villa van zijn oom lag, dacht hij in-eens met een weerzin aan 't terugkomen daar, en hij ging den anderen kant op en liep door, zonder doel, niet lettend op den beplasten, week modderigen weg, in stil gesoes....
En langzaam-aan kwamen toen zijn gedachten te bezinken en begonnen ze zich weer samen te voegen tot 't gewone, lang gekende complex.
En toen merkte hij 't in-eens; er was wèl gevaar. Zooals ze hem aldoor had aangekeken, zooals ze zijn naam had gezegd, -- was 't zijn naam wel geweest, dat woord met dien heel nieuwen klank? -- neen, dat had niets van zusterlijke vriendschap, dat was innige, diep-brandende teederheid, vol zoet verlangen,.... liefde.... En hij? O! hij hield van haar, hij hield heel veel van haar, nu al. Hij voelde weer hoe oneindig goed en nobel, hoe hoog-beminnenswaard ze was. Hij zou zeker meer, aldoor meer van haar gaan houden. En dat ze hem zoo liefhad, dat deed zoo goed, dat was een ware weldaad aan hem, den eenzame, dat had een warm-opslaande, trouwe dankbaarheid in zijn ziel gevestigd. 't Was meer dan gewone vriendschap nu tusschen hen, 't was zuivere, lichtende sympathie, 't was een verliefdheid van zielen.... Maar, -- of hij de gedachte al ontweek, 't gaf niet, hij wist 't toch, 't was als 't hoonend gegrijns van een duivel achter de rozenhaag van zijn geluk -- hij kon haar aanzien zonder begeerte, hij verlangde niet haar te bezitten, haar ziel en lichaam van zich te weten, als een jaloersch minnaar.... Aan haar terugdenkend zag hij haar wonderlijk precies nu, en hij vond dat ze lang niet leelijk was, maar die helle trilling, die al-vermooiende glans van verliefd-zien was niet om haar hoofd. Als hij dacht aan 't nobel welven van haar mooien mond, kreeg hij een weldadig gevoel van zoete rust, niet de begeerte in heete kussen wellust te drinken van 't meegevende lippen-vleesch.
Er was wel gevaar. Er was een stem in hem, een stem als van een oud man, die koel, vast-emotie-loos zei: "Dit wordt uw vrouw." Zou 't zoo zijn? Moest dat zoo? Waarom? En wat dan?
En hij had weer oogenblikken van verwarrende opwinding waarin hij niet denken kon, onmogelijk.... Langzaam kwam hij dan weer tot bedaren, en begon opnieuw.
Wat was er eigenlijk, wat was er gebeurd, wat stond vast? Zij was verliefd op hem. En zij scheen niet te merken dat hij niet verliefd was op haar. Als ze 't gemerkt had zou hij dat wel gezien hebben in haar oogen. Neen, ze had 't zeker niet gemerkt. Ze was heel blij geweest, dat hij weer kwam, 't had haar hoop gegeven, veel hoop, o zonder twijfel! Blijkbaar was haar liefde al zóó sterk, was ze er zóó van bevangen en ontroerd, dat ze leefde als in een droom, half verblind en verdoofd. Maar hoe kwam 't dan toch dat hij dat gevoel had doen geboren worden in haar, wier zieleleven van zoo'n stil-pralende pracht, van zoo'n weemoedige distinctie scheen te zijn, een teer-blanke kelke-bloem, bescheiden geurend, onwetend van haar wonderen bouw.... Hij begreep 't niet, maar 't was zoo en 't streelde hem als zacht fluweel, 't doorklankte hem als aangehouden vioolgeluiden, 't doorgloeide hem als zuivere zonnestralen, 't bewust-zijn dat gevoel te kunnen wekken in zoo'n vrouwenziel, en 't hief hem op, 't droeg hem door de lichte lucht, hoog, hoog, zoodat hij zich niet meer verbeelden kon ooit vermoeid te zullen zijn, zoodat alle inspanning hem een gemakkelijk, spelend bewegen scheen en 't leven een dag, zoo groot werd zijn kracht door dat bewustzijn.
Maar in-eens, stilstaande, stampte hij, fel-driftig, met zijn linkervoet, die dof sloeg tegen den weeken grond, woedend dat hij nu niet verliefd was op dat meisje!.... Zóóveel maal had dat zoet-betooverende gevoel zijn lijf doortrild, soms met krachtig begeeren, soms nauwelijks merkbaar, fijntjes als een zachte, vreemde geur, maar dan juist vol genot.... En nu, nu hij 't noodig had, nu dat het eenige scheen wat ontbrak aan matelooze zaligheid, nu kwam dat niet, nu was hij leeg van dat gevoel, nu scheen dat weg uit hem,.... dood, verstikt, verdroogd?.... hij wist 't niet, maar 't was niet om uit te staan! 't Was om dol te worden, om te gaan razen!....
Maar weer kwam hij tot bedaren en begon zich dan triestig en moedeloos te voelen. Wat moest hij nu doen? Hoe zich gedragen? Hij hield zooveel van haar, en haar liefde deed hem zoo goed; hij vond 't zoo heerlijk, zoo iets onverwacht-nieuw-heerlijks bij haar te zijn, dat hij er haast niet aan denken kon haar voortaan te ontwijken. Och, 't zou gemakkelijk genoeg zijn! Als dat ook al weer moest, als hij die vleug van poëzie ook weer moest verbannen uit zijn dor bestaan! Hij had dan eenvoudig niet meer zoo iedren Zondag naar Bussum te komen, zijn oude lees-Zondagen weer te beginnen.... Maar neen, hij voelde dat 't niet gaan zou. Dat hij al niet meer buiten haar kon. Zoo gauw had hem de teederheid verwend.
Maar wat dan? Haar wèl zien, haar dikwijls weerzien? Maar dan zou ze toch eindelijk wel gaan merken dat hij niet verliefd was, dat hij bleef op den afstand van een goeden vrind, en die teleurstelling zou groot voor haar zijn, te groot misschien.... Ook zou ze dan 't recht hebben hem te verwijten.... Neen, dat niet! verwijten zou ze 't hem niet, hij voelde dat ze dat nooit zou kunnen doen, maar hij, hij zou de teleurstelling zien in haar oogen, 't verdriet, de wanhoop misschien, en.... O! dat zou hij heelemaal niet kunnen, nooit!....
Maar wat dan?
Hij wist 't niet.... hij zag geen oplossing.... geen uitkomst.... Een oogenblik speet 't hem dat hij haar ontmoet had, maar dadelijk verdreef hij die gedachte ook weer, want dan had hij ook nooit misschien geweten, dat hij zoo'n liefde kon brengen in een vrouwe-ziel. En dat zou toch voortaan zijn z'n groote troost in zijn bescheiden-plichtdoend alleen-leven.... Tobberig-peinzend liep hij door langs den weeken weg. 't Begon weer te regenen. En in-eens een geweldige stortbui. Hij schuilde onder een boom, maar hij werd toch langzamerhand doornat; hij voelde 't kille plakken van zijn natte kleeren aan zijn armen, zijn schouders en zijn rug. En al lang waren zijn beenen stijf van klamme vochtigheid, die optrok van den natten weg, en zijn voeten gevoelloos van kou. Hij begon te rillen en te klappertanden, zich onwel te voelen. Dat was hem een niet-onaangename afleiding. Daardoor kon hij wat klein medelijden hebben met zich zelf en die gedachten aan zijn verhouding tot Lucie van zich zetten, uitstellen, zonder 't zich te verwijten. Hij moest altijd oppassen dat hij niet ziek werd, want wie zou zijn werk dan doen; hoe zou 't moeten gaan met de zaak; oom zou weer aan 't werk moeten, allen dag.... En die oude man had waarachtig genoeg geploeterd.... en eigenlijk zat hij er niet zoo goed meer in.... Dus liep hij, zoodra de bui wat afnam, hard naar huis, denkend aan wat hij doen zou met zijn natte kleeren, en wat als hij 's ziek werd, als hij niet weg zou kunnen van avond.... Er lag een brief op zijn lessenaar waar hij aan bezig was, en waarvan hij nu alles precies in zijn hoofd had, maar hoe dat aan een ander te vertellen, uit te leggen....
Oom stond uit te kijken, voor de deur, tante voor 't raam. Ze waren boos, ze bromden erg. Ze vonden 't bespottelijk en heel verkeerd je zoo moedwillig ziek te maken. Was dat een weer om te gaan rondloopen op buitenwegen, nog wel zonder parapluie! Tante was bepaald heftig, maar ze bedaarde gauw, want ze werd heelemaal niet tegengesproken; Bernard vond dat ze groot gelijk had.
Maar alles liep los, hij werd niet ziek. En 's avonds in den trein kwamen al die gedachten van 's middags terug en schenen hem nog ernstiger.... gewichtig.... zwaar.... Hij tobde er over, hij zag nergens een oplossing. In zijn bed lag hij er nog lang over te denken, en hij stond er den volgenden morgen mee op.
Wel scheen toen alles helderder, minder gewichtig, en volstrekt niet dringend, en werd hij verkwikt door lichte scheuten alleen-aan-haar-denken, aan haar mooi figuurtje, haar lieven lach, en haar oogen.... Maar tegen den middag, onder zijn werk, begon hij er weer over te tobben en 's avonds kon hij nergens anders aan denken, was 't een drukkende zorg geworden.... En hij zag maar geen uitkomst,.... geen plan van handelen....
En vreemd! dat kwam in-eens, Dinsdag, in den morgen. Hij stond even voor zijn kantoorraam naar de grijze straat te kijken, toen 't plotseling in hem stond, opslaand als een hel vuur, en verjagend zijn klein-ernstige tobberijen als laag, min volk. Dat meisje met haar liefde had God gezonden, hem tegemoet op zijn weg, dat hij zijn groote, nog ongebruikte kracht, zijn ongemeten schat van opofferende, zelfzucht-looze liefde eindelijk zou kunnen gebruiken. O, dat hij dat niet dadelijk had begrepen! Zich geven aan haar met opperste gulheid, haar brengen de durende levensvreugde met een sereen-ridderlijke toewijding, die als een aangehouden volle toon doorklinken zou zijn heele verdere bestaan, dat was de hooge taak hem opgelegd. 't Was of een witte duif zacht klapwiekend neergestreken op zijn schouder, 't hem had ingefluisterd. In één trilling van gedachten had hij besloten, vast en voor goed, zijn leven te offeren aan dat puur-mooie, hooge, reine ideaal. Even staarde hij voor zich uit met wijde oogen, ontroerd door de heiligheid van dat levensmoment.... Toen ging hij weer zitten werken; aan zijn lessenaar, met stille, rustige bewegingen. En de rust groeide in hem met wijde stilte als in een hooge kathedraal.
XVI.
Dien middag vonden zijn tafelvrinden dat Bernard in langen tijd zoo vroolijk niet was geweest, zoo rustig-vroolijk, zoo open en helder van blik. Ze waren een beetje verwonderd, maar over zulke dingen spraken ze natuurlijk nooit. Ze hadden 't over de nieuwe Beurs.
Bernard verlangde er naar gauw te beginnen met de uitvoering van zijn groot plan. Hij hunkerde naar de voldoening van 't eerste succes. Zóó, verbeeldde hij zich, moest een kunstenaar te moede zijn, die een nieuw werk voelt, rijp geworden in zijn ziel, en al proeft -- als wijn in den mond -- de stemmingen die 't maken hem geven zal.
Dien avond nog schreef hij een briefje aan Lucie. Dat hij haar spreken moest en niet wachten kon tot Zondag. Of ze dus morgen tegen vier uur wou komen in een zeker laantje -- hij duidde 't haar nauwkeurig uit -- een stil laantje, dat hij kende, niet ver van de villa van oom.
En den volgenden morgen, vóór hij ging koffiedrinken, gaf hij den sleutel van "de zaak" aan den boekhouder en verzocht hem voor 't sluiten te willen zorgen, want dat hij naar Bussum ging en dadelijk van de Beurs naar 't station moest, om den trein van kwart voor drieën te halen.
Hij was in dezelfde stemming als gisteren, strak en helder als de blauwe lucht. Hij had geen oogenblik van aarzeling.
't Was nauwelijks half vier toen hij al heen en weer liep in 't laantje. 't Was een stil, vergeten weggetje, smal, dicht-beschaduwd, aan den eenen kant een sloot en een rijtje wilgen, wijd-betakt, aan den anderen 't plankerig getimmerte van een oude tuinheining, donkergroen, iets meer dan mans-hoog.
Langzaam, soezend, wandelde hij op en neer, kijkend naar den grond en soms even, tusschen de boomen, 't weiland over, dat frisch-wijd-uit in 't helle zonnelicht lag. Eerst voelde hij zich een beetje beklemd, maar in 't rustige wachten -- hij wist dat ze niet voor vier uur komen zou -- ging dat over.
't Was een warme namiddag. De verre koeien graasden, rustig, zonder ophouden, met altijd eendere zwaaiing van koppen en staarten, zonder geluid. Een paar malen kwam langzaam sloffend een krom-gaande arbeider voorbij en mompelde 'n groet. Anders was 't stil. Wat gonzen van insecten alleen, en nu en dan verwijderd blaffen of kargeratel, dof, gedempt....
't Viel hem op zoo stil, zoo vredigend stil als 't was.... Hij dacht even aan de schreeuwerige beurs-drukte daarnet nog. En hij glimlachte stil-weemoedig, soezerig starend langs 't laantje.
Hij dacht er zoo min mogelijk aan, wat hij zeggen zou straks. Nu en dan kwamen onwillekeurig boekige zinnetjes in hem op, die hij zou kunnen gebruiken, maar die verdrong hij met een gevoel van wrevel.... Neen, zóó zou hij 't juist niet zeggen, geen vooruit klaargemaakte zinnetjes, dat was al te wee banaal, te komedianterig. Niets vooruit bedenken; 't zeggen, zooals 't in hem opkwam, zonder liegen.... als dat kon....
En toen hij haar in-eens -- 't was nog vóór vieren -- den hoek omkomen zag, kwam zijn beklemming sterker terug, want hij voelde dat hij nu eenmaal niet wist wat hij zeggen zou.... Hij bleef staan, vreemd-loom, abstract en dof....
Ze kwam nader, slank gaande, blootshoofds -- den grooten stroohoed in de hand -- zoodat telkens kleine zonplekjes glansden op 't strakke zwarte haar. Toen ze dicht bij was, zag hij haar met een diepen, geluk-glanzenden blos hem aankijken....
Nog ging hij haar niet tegemoet.... Dof-verward sloeg hij de oogen neer en keek niet op voor ze vlak bij hem stond. "Hier ben ik, Bernard," hoorde hij haar zeggen, met een stem, fluisterend van aandoening. Toen zag hij haar aan en stak haar zwijgend zijn hand toe, waar ze langzaam de hare in legde. Hij voelde dat haar hand klam was en hij zag haar in-eens bleek worden, met iets van onrustige spanning in de oogen. Hij begreep nu dat zijn blijven staan en zijn verwarring haar verschrikt, beangstigd hadden. Toen trachtte hij te glimlachen en zei, aarzelend, zoekend naar zijn woorden: "Heel lief van je om hier te komen,.... ik dank je wel,.... vond-je 't niet gek, dat briefje?...."
"Gek.... Nee!.... Maar wat is er?" vroeg ze. En ook in haar stem hoorde hij de onrust, den angst dat 't niet dàt zou zijn, maar.... iets anders.... En die onrust streelde hem weer zoo, dat hij er even half-bewust van genoot en 't plan in hem opkwam er nog geen eind aan te maken, maar bijvoorbeeld te zeggen dat hij haar om raad kwam vragen of zoo iets.... Maar dadelijk verwierp hij 't weer, dat wufte spelletje; 't gaf hem wat nieuwen wrevel....
Even was er stilte....
Hij schopte met zijn rechtervoet tegen den stronk van een omgekapten wilg, kort-scherpe schopjes.... Hij voelde haar schielijk-ademend naast zich staan en in zijn hand de hare, klam-warm. Toen in-eens was hij zich weer meester, en terwijl hij haar nu aanzag met vasten blik en helder-rustigen glimlach, zei hij: "Je weet best, wat er is,.... je begrijpt heel goed, wat ik je kom vragen!...."
Met plotseling verheugd glanzen dwaalde haar blik verward af, staarde langs hem heen. En hij drukte haar hand, en zei zacht: "Lucie,.... mijn lieve Lucie,.... mijn vrouw!...."
En ze keek hem in-eens aan met hel-gloeienden blik, die snel verdofte achter tranen, en ze sprak zijn naam uit met een half verstikte stem. "Wil je me?" vroeg hij op denzelfden toon, zacht, diep-ernstig. "Ja," fluisterde ze. Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn linkerarm om haar heen. Toen lei ze 't warme, diep-blozende voorhoofd tegen zijn schouder en snikte, met lange, hijgende snikken; hij kuste haar op 't strakke zwart dat haar hoofd overkapte en noemde haar zijn schat, zijn goeie engel, en hij drukte haar hand, die nog in de zijne lag, beschermend tegen zijn borst.
Maar toen ze, haar gezicht verbergend, snikken bleef, langer dan hij begreep, werd hij een beetje ongerust.... Had hij 't niet goed aangelegd,.... te schielijk?.... Hij begon haar zacht-kalmeerend toe te spreken, met een niet-begrijpende stem, vragend hem nu eens aan te zien. Maar ze schudde 't hoofd, opnieuw snikkend, wilder. Hij vroeg fluisterend of ze nu niet blij was en gelukkig. Toen knikte ze, aldoor zonder opkijken. En hij zweeg, opnieuw wat beklemd; hij begreep 't niet, dat lange snikken.
Maar in-eens hief ze 't hoofd op, veegde met de linkerhand een paar tranen weg en keek hem aan, en over haar smal gezichtje, rood van 't huilen, lag nu zoo'n wijd-zachte zaligheid, zoo'n groot en innig geluk, dat hij er van ontroerde. Tranen kwamen nu ook in zijn oogen, terwijl hij haar weer toesprak met liefkoozingsnaampjes, en haar kuste, zacht, op 't voorhoofd. "Je zult 't wel vreeselijk gek van me vinden, die huilbui, hè," zei ze met een zenuwachtig lachje, "ja, ik vind 't eigenlijk ook heel mal van mezelf.... Ik weet niet hoe 't kwam in-eens.... Maar 't is ook alles zoo plotseling gegaan, zoo overweldigend.... En 'k heb zóó lang naar je verlangd...." Langzaam, fluisterend, zei ze dat laatste, met een diep trillenden klank van innigheid.
"Heb je dan dadelijk al zooveel van me gehouden," vroeg hij met hoog-blijde verbazing.
"O! dadelijk! dol!" zei ze met extase. "Ik weet 't nog precies. Ik had je eerst niet gezien.... of op je gelet.... Toen kwam in-eens Anna van der Hoeven met je aan, recht naar me toe. En ik wist 't dadelijk, toen ik je aangekeken had!.... O, ik heb 't vroeger zelf nooit willen gelooven, dat 't mogelijk was, en als ik 't las in boeken heb ik er wel 's om gelachen, en toch was 't zoo, toch is 't zoo!.... Van 't eerste oogenblik af dat je voor me stond heb ik van je gehouden, zóóveel, zooveel als ik niet wist dat ik ooit van een man houden kon!...."
"Lieveling!" zei hij, "vrouwtje!.... En toen heb je trouw gewacht tot-ie kwam?...." En weer kuste hij haar met vaderlijke teederheid, zacht-voorzichtigjes op 't voorhoofd, en drukte haar hand.
"Ja.... natuurlijk....," fluisterde ze.
En zwijgend keken ze elkaar een poosje aan. "En jij," vroeg ze toen, zalig glimlachend, "wanneer ben jij van me gaan houden?.... Want je houdt toch van me, hè?.... Je hebt 't me nog niet eens gezegd!...."
"Hoeft dat dan wel," vroeg hij.
"'k Zou 't je zoo graag hooren zeggen," zei ze, en ze leunde weer tegen hem aan, haar gezicht verbergend, en vroeg zacht: "Zeg 't 's!.... Bernard!.... Heb je me lief?...."
"Ja,.... ik heb je lief....," fluisterde hij toen, zijn oogen even sluitend. Weer waren ze een poosje stil.
"Hoe komt 't toch dat je nu in eens van me bent gaan houden," vroeg ze weer, glimlachend opkijkend naar zijn toegewend gezicht. "Op die partij toen heb je niet veel meer naar me omgekeken.... Je hadt alleen oogen voor Mimi van Keppel.... Ja, ik zag 't wel!.... Heb je haar later niet meer ontmoet?"
"Jawel!.... nog eens, ook op een soireetje bij van den Bosch...."
"En was je toen weer niet verliefd op haar?"
"Nee, o! heelemaal niet!", zei hij lachend.
"Je bent een gekke jongen, hoor!.... Heb je gemerkt dat ik van je hield?"
"Een beetje...."
"Ja, ik dacht 't wel," zei ze ietwat teleurgesteld, maar met aldoor zacht stralenden blik, "'t was ook zoo iets onverwacht heerlijks, dat ik je hier in-eens vond!.... En dat je notitie van me nam, dat je me opzocht!.... Want o! ik heb zoo naar je verlangd, die acht maanden!.... En ik zag je natuurlijk haast nooit!.... En als ik je zag, lette je niet op me.... Je keek over me heen!.... O! ik moet je daar natuurlijk nog veel van vertellen,.... nog heel veel,.... ik heb vreeselijk veel met je te bespreken!...."
"Maar als we nu 's naar je moeder gingen," opperde hij.
"Hè?.... Nu al?...." zei ze, met een vleiende stem, "toe, laten we nog wat hier blijven!.... 't Is hier zoo heerlijk rustig, vind-je niet?...."
"Wat zou je moeder er van zeggen?.... Zou ze 't dadelijk goed vinden?"
"Wat?.... Mijn moesje?.... Goed vinden?.... Ze vindt 't zeker bijna net zoo heerlijk als ik!.... Ze weet er natuurlijk alles van, moet je denken!.... Den heelen winter heeft ze met me moeten praten over jou.... O! mijn moedertje, die ken je nog niet.... Dat is mijn beste vrindin, altijd geweest!.... Toe, hè, blijven we nog even hier?.... Wat een heerlijk laantje, zeg! Ik kende 't heelemaal niet!.... Toe, laten we nog even blijven!...."