Part 20
Hij soesde weer. Hij begreep die passie van Sam, hij voelde de kiemen er van ook in zijn eigen ziel.... Als hij dat 's ging ontwikkelen, zou 't hem dan misschien ook geen geluk geven, zou dat misschien 't middel zijn om zijn kalm-rustig leven van tegenwoordig te bevestigen voor altijd, zoo dat 't eindelijk werd een sterke burg van onverstoorbare stemming, waar je veilig in bent, en waar je altijd gemakkelijk in terug komen kunt, als je er 's uit bent gegaan, om mee te doen met de pretmakerij of 't lijden van anderen.
Hij gaf toe aan dat plan, 't rustig uitwerkend in zijn hoofd. Hij zag zich al mooie dingen koopen voor nieuwe kamers en zich ook een nieuw kantoor inrichten en alles om zich heen mooi en behagelijk-harmonisch maken, zoodat niets meer stoorde....
Maar weer, midden in dat denken, visioende in-eens voor zijn ziele-blik zijn zitten op die vensterbank over zijn moeder en hij hoorde haar blanke stem vertellen: Daar was ereis een groote koning, heel rijk en machtig, die van niemand anders hield dan van zich zelf....
En hij schaamde zich plotseling met een diep gevoel van wijd gemis....
Maar Sam blies kringetjes en zei: "Kom, drink toch 's uit en beweer 's wat.... Hoe gaat 't in de zaken?"
Bernard zette zich recht. "Sam," zei hij, "al wat je daar net gezegd hebt is toch eigenlijk vervloekt egoïstisch!...."
"God, kerel!" zei Sam, glimlachend, "denk je daar nog over?.... 't Is de moeite niet waard, hoor!.... Egoïstisch?.... ja! och maar, iedereen moet dat voor zich zelf toch maar weten, hè?.... Ik hinder, geloof ik, niemand met m'n egoïsme!...."
Er trilde even een toon van bitterheid in zijn stem. Zachter, bijna onverstaanbaar, bromde hij nog: "Ofschoon ze er mij genoeg mee gehinderd hebben...."
"Maar ik vroeg," zei hij dadelijk hard-op, "hoe 't in je zaken gaat."
En ze praatten daarover en over andere dingen tot Bernard naar huis ging. Hij was ontstemd, onrustig, onvoldaan.
En op zijn kamer gekomen, voelde hij zich weer week en plan-loos van weemoed. Op den rand van zijn bed zat hij lang voor zich uit te kijken en merkte een vage behoefte om zich op te offeren, voor 't geluk van een ander, of voor een idee.
XV.
't Was op den eersten Zondag in Juni, een zonnigen, wijd lichten zomerdag, met wat wind, zacht ruischend en ritselend in de boomen en 't riet. 't Was elf uur in den morgen. Bernard liep langs een schaars beschaduwden straatweg, in de buurt van Bussum, een vroolijken weg met villatjes hier en daar, eenvoudige buitenhuisjes, die in lustig-bonte bloementuintjes stonden. Hij liep langzaam, droomend door, klein-oogend in de zon, en liet zich lekker omgolven door 't tintelende licht, en de ongedurige koelte die van de Zuiderzee was gekomen, dartelend 't zonnige Gooiland over.... Nu en dan kwam hij donkere menschengroepjes tegen, mompelend in 't vadsige aanstappen, de kerkboeken in de handen, maar hij lette niet op hen....
Zoo kwamen daar ook twee vrouwen aanwandelen, hem tegemoet, een oude dame in 't zwart, gebogen gaand, en een jongere, een meisjesfiguur, recht-op, in teere slankheid.
Bernard zag ze even aan, verstrooid, en dadelijk vaagde een half-herkennen door zijn soezend hoofd. Hij keek beter; zij keek hem ook aan en bloosde sterk. Toen zag hij dat 't Lucie Tadingh was. Hij groette met schichtig-schielijk grijpen naar zijn hoed, houterig buigend met zijn hoofd, dat van droomen vol en zwaar was. En met blijen glimlach en helle glinstering in de oogen groette ze terug; de oude dame nijgde strak en langzaam. Dadelijk toen ze voorbij waren, keek Bernard om en zag dat ze liepen te praten samen. Lucie knikte herhaalde malen levendig van ja.
Hij was in-eens totaal vergeten waar hij over liep te denken.... Wat was 't nu ook weer?.... 't Was iets aangenaams, iets rustigends, maar wat?.... Waarom dat meisje zoo bloosde?.... God ja, dat begreep hij eigenlijk heelemaal niet, waarom kreeg ze zoo'n kleur? En ze groette bepaald met zekere blijdschap, met glinsterende oogen!.... Of lachte ze misschien om hem, en bloosde ze uit verlegenheid daarover? Had hij misschien iets geks aan of zoo?.... Hij bekeek zich, lijf, armen en beenen.... Neen, hij zag er doodgewoon uit.
Een vreemdsoortige ontmoeting....
Hoe was 't toen ook gegaan, op dat feest?.... Hij ging zich dat te binnen brengen. O ja, hij had naast haar gezeten aan 't souper.... o ja.... en toen had hij wèl een dans met haar besproken, maar ze was voor dien tijd weggegaan, ongemerkt verdwenen.... Toen had mevrouw van den Bosch hem nog over haar gesproken.... Dat ze zoo'n lief, zacht meisje was en zoo goed voor haar moeder.... Dat was zeker die zwarte dame.... haar moeder....
Na dien avond had hij haar niet meer gezien.... Wel vreemd, dat hij haar nooit meer 's tegen gekomen was in de stad!.... Ze moest wel erg afgezonderd leven, zooals ze trouwens toen ook verteld had....
Maar waarom of ze nu zoo bloosde?....
En neen, 't was geen gewone kleur van verlegenheid, er was een glanzende verheuging geweest in haar gezicht, toen ze groette. Alsof ze blij was dat hij haar herkende.... Ja, zoo was 't, dat drukte 't best uit de herinnering, die hij er van gehouden had. 't Was vreemd. Een meisje dat hij nauwelijks kende. Hij had haar maar éénmaal ontmoet, vluchtig, op een partij. Dat is eigenlijk geen kennen!....
Zoo iemand groet je dikwijls niet eens meer een paar weken later.
Hij vond 't al heel vreemd. Hij begreep er eenvoudig niets van.
't Kon toch niet.... Maar nee!.... haha! (Hij lachte bijna hard op.) Dat zou te gek zijn.... Op hem verliefd, op hem!.... Wat was er nu aan hem om op te verlieven!.... Wat had hij in 's hemelsnaam dat een vrouw kon bekoren?.... Hij had een doodgewoon gezicht, hij was niet geestig, hij was niet cynisch, hij had niets geheimzinnigs of lijdends, hij had niets interessants in uiterlijk of manieren, hij was erg gewoon....
Vroeger!.... jawèl, vroeger had hij zich wel verbeeld dat hij nogal een knappe jongen was en dat in dien tijd -- wat was dat lang geleden -- bijvoorbeeld Saartje een beetje op hem verliefd was.... en later Betsy. Saartje, dat was zijn meisje geweest toen hij nog op 't gymnasium was. Hij had met haar geloopen en haar dikwijls teederlijk gezoend. En later Betsy.... Misschien!.... Dat had hij niet eens zeker geweten. Had ze van hem gehouden of was ze alleen maar gevleid geweest door zijn vereering?.... En toen dat dartele kind in Londen! .. en 't nichtje dat logeeren kwam bij oom en tante.... Nou ja, nou ja, lustige jonge meisjes!....
Och! en dat was alles vroeger!.... Vroeger, hij kon daar nu alleen aan denken met een stil-weemoedigen glimlach. Toen was hij ook nog veel vroolijker in gezelschap, onbewust er op los levend. Toen had hij misschien wel wat aardigs gehad voor meisjes, iets curieus-losserigs, onbevangens, een dichter in den dop....
Maar nu?.... Hij begreep 't niet.
Aan de koffietafel was hij abstract, droomerig. Hij vroeg aan zijn tante: "Kent u hier een weduwe Tadingh?"
"Tadingh," herhaalde ze, verwonderd, "Tadingh?.... Nee.... 'k Heb den naam wel 's hooren noemen, maar of dat hier was.... Nee...."
"Jawèl," zei oom, "dat zal wel zijn van den makelaar in effecten, die een paar jaar geleden gestorven is.... Die hàd, geloof ik, een vrouw en een dochtertje, als ik me niet bedrieg.... jawèl C. J. Tadingh Jr., op de Prinsengracht."
"Hoe dat zoo, Bert," vroeg tante.
"Och nee, niets bizonders.... Op die trouwpartij toen, van Emma van den Bosch, u weet wel, daar heb ik een juffrouw Tadingh ontmoet en die ben ik van morgen hier tegengekomen.... Ik dacht soms dat u haar kende...."
"Nee," zei tante, nog altijd nadenkend. Ze vond 't blijkbaar gewichtig en een beetje onaangenaam, dat er iemand in Bussum woonde die Bernard interesseerde, en die zij niet kende. "Nee!.... wonen die hier?...."
"Ik weet 't heusch niet," zei hij, "'t is best mogelijk dat ze maar voor een enkelen dag zijn gekomen."
's Middags wandelde hij met oom. Maar hij was lang niet zoo rustig als anders. Die glanzige blos van blijdschap was aldoor in zijn gedachte, wat vermoeiend, als te sterk licht in een kamer. Thuis gekomen ging hij voor den grooten spiegel in de voorkamer staan, bekeek zich, oplettend. Maar hij draaide zich gauw weer om, met zekeren afkeer en wrevel. Hij had 't land aan zijn uiterlijk. 't Was te vol en te blozend, het had iets onnoozel-dikkigs vond hij altijd.... Hij voelde 't heelemaal niet in harmonie met zijn innerlijk....
En hoe iemand er ooit op zou kunnen verlieven?... Nee.... nee.... onmogelijk....
Maar hij was aldoor onrustig. Na 't eten liep hij al weer uit, tot teleurstelling van oom en tante. "Ik kom gauw terug," zei hij, "nog even een luchtje scheppen!"
Oom gromde wat van ochtend, middag en avond wandelen en tante keek ontevreden, maar hij stoorde zich er niet aan.
Toen hij buiten stond was hij zich bewust, dat hij naar dat meisje wou gaan zoeken, en hij moest er inwendig om lachen, want 't was natuurlijk een zoeken in den blinde. Snel liep hij lanen en straten door, van terzij glurend in de tuintjes en waranda's. Vruchteloos natuurlijk. 't Ging hem ook gauw vervelen. Onwillekeurig ging hij aan andere dingen loopen denken en vergat opzij te kijken. Och, ze zitten nu zeker al lang rustig in Amsterdam, zei hij, toen hij dat merkte, in zich zelf. En droomerig liep hij terug, toch een beetje teleurgesteld, een beetje triestig. Maar hij was niet ver van huis meer, toen hij in eens een heldere meisjesstem hoorde, vlak achter de hooge haag van 't tuintje waar hij langs liep, een stem die hem dadelijk weer aan Lucie deed denken. Was ze 't? Hij luisterde even. Blijkbaar was 't een meisje, dat met een hond speelde.
Ze kwam van achter de haag te voorschijn, den weg opgaande; ze was 't; ze zag hem ook en bloosde weer even sterk, nijgend, ernstig nu. En hij voelde dat hij nu ook een kleur kreeg toen hij haar groette.
Ze waren vlak bij elkaar; Lucie liep den weg op, nu niet meer lettend op 't hondje, dat keffende om haar heen draaide. En Bernard sprak haar aan, een beetje verlegen, wat beklemd; alsof hij iets verbodens deed: "Dag, juffrouw Tadingh, hoe gaat 't u?"
"Dag, meneer Bandt," zei ze, vrindelijk, stilstaand en ze gaf hem een hand, een zenuwachtig-vluchtig handdrukje.
"Ik herkende u vanmorgen niet dadelijk," zei hij.
"Jawèl," zei ze, eenigszins verwonderd-teleurgesteld, "u groette toch?"
"O ja, maar ik bedoel,.... ik liep te soezen, ik had u, geloof ik, al even aangekeken voor ik groette...."
"Ik vond 't juist bizonder merkwaardig, dat u me nog kende," zei ze, "we hebben toen maar zoo vluchtig kennis gemaakt, en 't is al zoo'n tijd geleden."
"Ja...." zei Bernard, aarzelend, "ja.... dat 's wel waar." En er was een oogenblik van stilte, terwijl ze over elkaar bleven staan. Hij was op 't punt geweest haar te antwoorden met een banaal complimentje, maar hij had haar aangekeken in de klare, blij-eerlijke oogen. En hij had zich in-eens herinnerd hun allereerste ontmoeting, met die vreemd-verwarrende emotie.... En met een korte huivering, van schrikkende herkenning, had hij weer boven zich gevoeld dienzelfden avondhemel, dien doorschijnend lichten, vreemd-witlichten droomhemel.....
"Gaat u dien kant op," vroeg hij, om wat te zeggen.
"Och," zei ze, "'t komt er niet op aan. Ik liep nog maar even den weg op met Hek,.... hier Hek!...."
En ze praatten, over die partij, en over haar leven na dien tijd. Hij zei, 't had hem verwonderd, dat hij haar nooit 's was tegengekomen. Zij zei -- even blozend -- op haar gewone, open-eenvoudige manier dat ze hem wel had gezien, tweemaal, eens met vrinden op de Leidschegracht en eens op de tram. Maar ze kwam niet veel op straat, en bijna nooit in comedies of zoo. 's Winters mocht haar moeder zoo zelden uit en 's avonds heelemaal niet. En ze bleef haar natuurlijk altijd gezelschap houden. Nu waren ze met Mei naar Bussum gekomen, voor goed, dat was heerlijk. Ze hadden een huisje gehuurd, voor winter en zomer, dat villatje, waar ze daar juist uit gekomen was.
Hij vroeg of haar moeder ziekelijk was.
"Ja, och, ziekelijk eigenlijk niet, maar erg zwak en zenuwachtig. Ze was nooit sterk geweest, maar na vaders dood leek 't veel erger geworden. Vlagen van melancolie, die erg afmatten, uitteerden.
"Dat is, meen ik, een paar jaar geleden, de dood van uw vader, niet waar?" vroeg Bernard met stillen eerbied.
"Ja," zei ze dof, "twee-en-een-half jaar is 't nu." En even liepen ze zwijgend verder, met gebogen hoofden. "Kom!" zei ze toen in-eens, "ik moet naar huis." En ze stond stil om hem goeden dag te zeggen, de hand al uitstekend. "Mag ik u nog even terugbrengen," vroeg hij.
"O!.... zeker!" zei ze weer licht blozend en een beetje verlegen lachend, maar onmiskenbaar blij.
En even langzaam liepen ze weer terug. Bernard, voelde een groote, eenvoudige vriendschap, een broederlijke liefde voor 't ranke meisjesfiguurtje, dat zoo stil-vertrouwelijk naast hem ging. Er was een bijna-meelijdend zich beschermer voelen in zijn sympathie en toch ook bewondering en groote eerbied. Hij voelde hoe oneindig goed zij zijn moest, die zoo open en eenvoudig was, en zoo natuurlijk vond 't offeren van haar jeugd aan kinderliefde. Hij zag er tegen op van haar weg te gaan, hij wou haar zoo graag helpen, steunen, wat vreugde bezorgen. Toch scheen ze daar volstrekt geen behoefte aan te hebben. Ze scheen van hem te houden en toch hem te versmaden. Ze was dood-eenvoudig en toch vreemd, bizonder....
Er was geen zweem van gewone verliefdheid in hem. Hij had geen oogenblik begeerte haar tegen zich aan te voelen en te kussen. Wel had hij haar zachtjes naar zich toe willen trekken, om haar dan uit te laten huilen aan zijn schouder. Dat kwam even in hem op; hij wist zelf niet hoe hij er aan kwam, dat ze dáár behoefte aan zou kunnen hebben. Want ze was volstrekt niet verdrietig; integendeel, ze liep opgewekt te praten. Ze wist blijkbaar nog precies alles wat hij haar verteld had van zijn eigen leven en ze vroeg vriendelijk naar zijn oom en tante en of hij daar dikwijls kwam. En ze sprak met enthousiasme over 't Gooi,.... ze hield dol van wandelen,.... 't was jammer dat haar moeder altijd zoo gauw moe was....
Bij 't hek van haar tuintje bleef ze weer staan en ze zeiden elkaar goeden dag. "Tot weerziens, juffrouw Tadingh," zei hij op vroolijk-hartelijken toon, "'k ben blij dat ik u weer 's ontmoet heb." En toen lachte ze even, een korten, gul-gelukkigen lach, en keek hem weer aan met dien blik van kinderlijke blijheid. Ze ging 't krakende schelpenpad naar de waranda van 't huisje op, terwijl hij langzaam, omkijkend, terugliep den stoffigen, zwarten kolenweg. Mooi was 't, haar slank figuurtje zoo te zien gaan langs de hooge heesters. Vlak bij 't huis keek ze schuw-schielijk even om. Hij zag 't.
En hij liep nu haastig naar huis, zich bedenkend dat zijn tante zeker al lang wachtte met de thee. Hij voelde zich bedaard-gelukkig, met een gulle goedigheid jegens de menschen, in een stemming van veel vroeger, in lang niet gehad. Hij was blij met zijn ontdekking, met de vondst van dat lieve meisje, een zeldzaam-eenvoudig, goed meisje. En er was nu geen twijfel meer aan: ze hield van hem. Hoe 't kwam, wat haar in hem zoo beviel, begreep hij niet, maar 't was duidelijk, dat ze hem heel graag zag, dat ze 'n beetje verliefd op hem was.... Wat een aangenaam-verwonderend, vreemd zacht-streelend idee was dat!....
Hij liep daar even over te soezen. Zou dat niet sterker kunnen worden en gevaarlijk, als ze elkaar meer zagen? Als hij haar weer opzocht, zou ze zich dan niet gaan verbeelden dat hij ook in haar meer zag dan een vrindin. Maar kom! Wel neen! Ze zou immers aan hem merken, ze had zeker al wel gemerkt, dat hij heelemaal niet verliefd op haar was, en hij kon daar nog meer op letten, zich geheel-en-al en altijd voordoen als een goede vrind, een broer, koel-hartelijk, gewoon-vertrouwelijk, vermijdend al wat zweemt naar manieren van een minnaar.... Gesteld al, dat ze werkelijk eenigszins ernstig verliefd op hem was, dan zou dat, bij zoo'n houding van hem, in een prettig-hartelijken omgang, wel gauw genoeg vervagen. Ze scheen niet hartstochtelijk. 't Zou nu veel te jammer zijn haar niet meer te zien, haar niet dikwijls op te zoeken. Haar vrindlijke, zacht-lijnende figuur gaf een heel nieuwe bekoring, een lieflijkheid van poëzie aan den naam Bussum. Hij zou haar bepaald weer opzoeken den volgenden Zondag, ook met haar moeder kennismaken, en haar een beetje helpen in 't opbeuren en steunen van die arme zwakke.... Zoo'n meisje als zij, een vrindin, een vrouw-vrind, een goeie zuster, dat was immers waar hij altijd naar verlangd had, soms in-eens heel sterk terwijl hij in een koffiehuis zat, tusschen lachende, fideele kennissen. En nu vooral, in zijn leven van kalme aanschouwing en stil, gelaten plicht-doen, was ze hem welkom, die vrindin, wier oogen waren als bleeke zonnen van stil-weemoedige tevredenheid.
O! 't Was niet zij, de onbekende, de vrouw van zijn droomen, van zijn overmoed, maar die verlangens waren voorbij,... ijle schimmen! Een stem van echte vrindschap, een blik van sympathie, een koele hand op zijn gloeiend voorhoofd, daarvan droomde hij nu....
Opgewekt kwam hij thuis. Hij vertelde niets van zijn ontmoeting, maar zei dat 't lekker weer was, dat 't hem altijd goed deed zoo'n avondwandeling.
En ze speelden in gezellig samenzijn, met al de gewone gezegden en uitroepjes, hun ombertje. Want dat ging winter en zomer door. 't Vulde de avonden zoo.
* * * * *
In de week die op dien Zondag volgde, dacht Bernard veel aan Lucie. Evenals vroeger vervaagden allengs de vormen en tinten van haar gestalte, maar bleef in hem over de indruk van vrouwelijke zachtheid, reine, trouwe eerlijkheid en weemoedsvolle blijdschap, wat hij voelde de essence van haar wezen te zijn. Terwijl hij zat te werken, stil, in 't stads-namiddaglicht, als hij liep te dwalen door 't somber mooi van de oude grachten in de neerzoelende Juni-avonden, of als hij, in 't onbewogen licht van zijn lamp, naar de wit-glanzende bladen van een boek zat te kijken, altijd voelde hij zich onder dien blik van teer-innige genegenheid. Dikwijls gaf hij zich over aan dat zoet, bevredigend bewustzijn, dat een lief meisje van hem hield, en glimlachte diep, starend voor zich uit. Hij twijfelde ook wel 's even of 't toch niet verliefdheid was, of 't niet passie zou kunnen worden wat hij voelde voor haar, maar dan stelde zijn geest dadelijk naast haar gestalte die van Mimi en die van Saartje vroeger en van veel vrouwen uit zijn verbeelding of uit boeken, en dan werd zijn inwendige glimlach weemoediger en voelde hij iets van medelijden voor haar.... Ook herinnerde hij zich dat hij vroeger, als hij erg verliefd was, altijd onrustig, ongedurig was geweest, met plotseling opkomende drift, met gejaagdheid, dan in-eens dol uitgelaten vreugd en dan weer stil dwepen. Maar nu was 't of zijn welbewaakte rust van de vorige weken nog grooter, wijder was geworden, bevestigd en geheiligd door 't licht van haar oogen. Zij was nu zijn troost geworden, zijn liefste gedachte. Want dood was zijn hoog begeeren.
Hij verlangde naar den Zondag. Die kwam met triestig, buiïg weer, een donkeren morgen. Hij ging natuurlijk toch naar Bussum, tegen twaalf uur. 't Had den heelen nacht en morgen geregend, de wegen buiten lagen te glimmen in 't bleek-schaduwende wittige licht dat in den middag door de dampen brak.
Oom had geen lust om, uit te gaan; hij zat zich met een leelijk gezicht de rhumatiekige armen en beenen te wrijven.
Dus ging Bernard alleen, en droomerig liep hij -- alsof dat heel natuurlijk was -- regelrecht naar 't zwarte weggetje waar Lucie woonde. Hij had zich zoo vereenzelvigd met 't idee haar weer te zullen zien dien Zondag, dat hij, pas toen hij al vlak bij 't villatje stond, begon te begrijpen hoe vreemd 't eigenlijk schijnen moest dat hij weer kwam en zoo maar binnen liep. Maar hij praatte dat vlug weg in zich zelf. Waarom vreemd? Hij mocht haar toch wel een visite maken? En dan, in de stad was 't nog wat anders, maar buiten kon dat best, want 't samenzijn ergens buiten verbroedert de menschen altijd en maakt ze losser, natuurlijker.... Haar moeder zou er wel niet zoo van opkijken.
Dus liep hij -- licht schrikkend van 't kraken van zijn stappen -- 't schelpenlaantje op. Onder de kleine, dicht begroeide waranda zat haar moeder, stil oud-vrouwtje, 't bleek-gelig hoofd gebogen, breiend. Zelf was ze er niet, Lucie. Dat was nu gek, daar had hij niet op gerekend. Maar hij kon niet terug. Mevrouw Tadingh had al opgekeken en haar stalen bril vlug rechtschuivend keek ze hem, aan, met zwakke, zoekende oogen.
Hij kwam licht-buigend en glimlachend nader, en groette, en zei op vroolijken toon: "Goeie morgen, mevrouw!.... Mag ik me even voorstellen!.... Bandt is mijn naam.... 'k Heb 't genoegen gehad kennis te maken met uw dochter en.... en nu kom ik haar 's opzoeken.... en ook 's kennis maken met u!...."
Een beetje geschrikt, verlegen doend, beverig, en licht blozend, zonder glimlach, stond de oude dame op, en stamelde met een zwakke stem: "O juist!.... ja, ja,.... ik ken u wel, we zijn u verleden week tegengekomen, niet waar?.... Wacht, ik zal even...." En ze liep naar binnen, gebogen, de rokken samengrijpend, zenuwachtig, in haar magere, bleeke hand, roepende met een piepend-hooge stem: "Lucie!.... Lucie!...."
Hij liep haar na tot op den drempel van de tuinkamer. "Maar, mevrouw!.... pardon! maar.... derangeer u toch niet!.... Ze zal immers wel komen.... Blijft u rustig zitten....," zei hij luid en dringend. Hij begon zich verlegen te voelen met zijn brutaal binnenloopen. 't Was weer echt iets voor hem! Zoo ondoordacht, zoo jongensachtig!....
't Hielp niet wat hij zei. Mevrouw Tadingh was de tuinkamer al doorgeloopen en een andere kamer in; hij hoorde, zonder te verstaan, haar praten in die andere kamer, dof, gejaagd. Hij ging een paar stappen terug. Hij zag zich alleen staan in 't intieme warandatje. 't Breiwerk lag neergegooid op 't houten tafeltje; scheef lag op den ouden, rieten leuningstoel een geborduurd kussen, platgezeten; van buiten was 't eenvoudig getimmerte dik begroeid met klimop en kers, waar nog nu en dan, stil tikkend, een regendrup aflekte.... Zonder goed te weten wat hij deed ging hij zitten op een van de andere stoeltjes, luisterend met ingehouden adem naar 't fluister-gepraat binnen, maar hij verstond niets. Toen mevrouw Tadingh terugkwam stond hij weer op: "Mevrouw," begon hij, "u is wel vriendelijk, maar...." Ze glimlachte nu bedaard. "Ze zal wel dadelijk komen," zei ze, en ging weer zitten en nam 't breiwerk weer op, den bril naar voren halend. "'t Is heel aardig van u, dat u ons 's op komt zoeken, meneer Bandt...."
"Mevrouw, ik ben blij dat u er zoo over denkt en 't niet brutaal van me vindt," zei hij. "Ik heb uw dochter verleden week even gesproken, hier op den weg.... Ze zei me dat u hier woonde...."
"Ja, ja!" knikte ze vriendelijk, "dat heeft ze me verteld."
"En toen heb ik me dadelijk voorgenomen u 's een visite te komen maken.... Ik kom tegenwoordig geregeld 's Zondags in Bussum.... En ik heb niet veel kennissen...."
"Wij ook niet," zei ze.
"Nee.... och, dat laat zich hooren, u is hier ook pas, niet waar?"
Hij sprak aldoor op vroolijken, ronden toon. Hij keek de oude dame recht in de oogen en 't viel hem op, 't deed hem goed, zoo vriendelijk, zoo in-goedig keek ze hem aan. Ze had veel in haar gezicht dat hij herkende, 't was of hij haar al meer had gezien. Misschien kwam 't doordat Lucie op haar leek, maar dat was toch zoo erg niet, ze had heel andere oogen, maar wel die zelfde regelmatige trekken om neus en mond, en 't hooge, blanke voorhoofd....
Ze praatten bedaard-vertrouwelijk door; hij vertelde dat hij 's Zondags altijd kwam bij zijn oom en tante, die in Bussum woonden tegenwoordig, want dat hij wees was; mevrouw Tadingh knikte telkens, glimlachend, alsof ze dat allemaal al lang wist, door Lucie....