Part 17
Bernard bleef eerst zitten praten over onverschillige dingen, gebeurtenisjes van den dag, met 't meisje dat naast hem zat, een praatgraag juffertje van vier- of vijf-en-twintig jaar. Hij hoefde niet veel te zeggen, zij snapte vrindelijk door. De notitie die zij van hem nam, de animo waarmee ze aldoor zich met hem bemoeide, maakte haar voor hem tot een klein toevluchtsoord in de wijd-uit witkoppende zee van zijn woedende verveling. Maar hij kon toch niet aldoor bij haar blijven zitten, hij moest nu ook 's opstaan en 's iemand anders aanspreken. Hij deed dat ook, hij ging naar de gastvrouw en naar haar dochters, en toen naar Mimi, die juist even alleen stond, en vroeg hoe 't haar ging en of ze veel schaatsen-gereden had van den winter. Hij bleef een poosje met haar staan praten. En hij voelde dat als hij wilde, als hij er maar even aan toegeven wou, de verliefdheid op haar in-eens terugkomen kon. Want hij zag weer dat uitdagend-brutale, dat pikant-dartele, verleidelijk kanaljeuse in haar oogen, haar mond, in haar heele figuur. Maar hij wilde 't nu niet, hij wilde haar haten als de rest. Wanneer hij zóó, glimlachend, met de menschen sprak, ze inwendig koel hatend, dan maakte hij hen eenigszins tot zijn dupen, en nam dus wraak......
Terwijl hij nog met Mimi stond te praten kwam Edward er bij en vertelde hem, -- kijkend naar Mimi, die hem toelachte met haar jongensoogen --, dat hij tot zijn vreugde ontdekt had, dat juffrouw van Keppel en hij eigenlijk nog heel-oude kennissen waren, dat ze elkaar als kinderen dikwijls ontmoet hadden en samen gedanst. Hij zou dolgraag weer 's met haar dansen, hij herinnerde zich nu heel goed, dat ze uitstekend walste. "Dat moest jij nou 's gaan vragen aan de gastvrouw," zei hij tegen Bernard, "of we nog niet een beetje dansen mogen, dat krijg jij wel gedaan...." "Hè ja, meneer Bandt, toe, doet u 't is," zei ook Mimi op smeekenden toon.... Bernard keek haar aan. "Ik geloof niet dat ik de rechte man ben om dat met 't noodige "entrain" te vragen," zei hij met glimlachende minachting, "maar doe jij 't, Edward!...." en hij liep loom weg naar Kees van den Bosch, die bij de piano stond. Hij voelde zich opnieuw bespot. Wel zeker, hij zou gaan vragen of Mimi en Edward niet 's met elkaar mochten dansen!.... Ze meenden dat natuurlijk niet, ze zeiden dat maar om hem te bespotten, om hem te doen voelen wat een dooie-diender hij was, want dat was hij, ja, een vervelende saaie-pias, een doodvreter. Dat ging om in zijn hoofd terwijl hij stond te praten met Kees, die een oude vrind van hem was, vroeger veel gezien, nu bijna niet meer gekend en -- in die stemming van 't oogenblik -- gehaat om zijn flinke opgewektheid, zijn levenslust van hollandschen-jongen, de kinderlijke naïviteit van zijn trachten den gasten een prettigen avond te bezorgen. "Wat dunk je," vroeg hij aan Bernard, "zullen we ze straks nog maar 's laten dansen?"
"Wel jà, wel jà...." zei Bernard.
Maar mevrouw van den Bosch stelde voor, -- met verheffing van haar vrindelijk-deftige stem, -- dat men eens een paar charades en action zou bedenken, dat vond zij altijd zoo alleraardigst. En Bernard kreeg er een indruk van alsof ze dat alleen maar verzonnen had om hem nog meer te vernederen door hem te dwingen mee te doen aan zoo'n tot idioot-wordens kinderachtig spelletje. Natuurlijk zou hij ook daarbij een gek figuur slaan. Dan zouden ze plezier hebben. 't Was een kwelling zoo'n avond. Waarom had hij die uitnoodiging dan ook weer aangenomen, hij wist toch wel hoe ze waren, die avondjes. Kijk nu die ingebeelde malle schapen en die misselijk-flauwe kerels daar staan te huppelen en te grinneken en grappig te doen voor zij uitgemaakt hebben wat voor charade ze wel doen zullen, zei hij in zich zelf. De oude van den Bosch poetst 'm! Die gaat zijn krantje lezen; wat hij gelijk heeft!
Het gezelschap werd in tweeën gedeeld. De eene helft ging de kamer uit. Bernard niet. En een poosje later kwam die eene helft weer binnen, zwijgend achter elkaar loopend, de meisjes met starren ernst, de heeren met grappigheid in hun bewegingen om eenigszins een figuur te slaan. Ze deden allemaal hetzelfde: eerst half-weg de kamer omkeeren en weer naar de deur toe gaan, en dan in plotselinge verwarring, uit de rij en in de kamer rondloopen en zoeken zonder richting of doel, met hei!-en-ho!-geroep van de heeren, die elkaar grappiglijk tegen 't lijf liepen. Dit beduidde 't spreekwoord: Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald, wat dadelijk werd geraden door 't jongste meisje van den Bosch, een brutale daad, waarvoor ze door mama met een knorrigen blik en hard fluisterende stem werd berispt en vervolgens naar bed gestuurd. Ze ging pruilend en boos schouder-schuddend weg en gooide de deur achter zich dicht; en haar zusters bloosden, ze waren er verlegen mee.
Nu moest de andere helft van 't gezelschap, en dus ook Bernard, de kamer uitgaan. En de killige rust van de gang verbrekend praatten dadelijk al die menschen tegelijk op gedempten toon en staken de hoofden bij elkaar en begonnen spreekwoorden op te geven, die geschikt waren om verbeeld te worden met bewegingen en gebaren. Bernard, die een hekel had aan spreuken, wist er geen een. En hij was verbaasd over den onuitputtelijken voorraad van de anderen, over dien dwazen stoet van lijzige, dom-banale wijsheden, die leek op een optocht van burger-vereenigingen met sjerpen en vaandels en gehuurde rokken. Eindelijk werd een spreekwoord gekozen: In het land der blinden is één-oog koning. Edward kreeg een papieren kroon op en moest één oog dicht houden, terwijl de anderen om hem heen gaand, tastend moesten loopen met de oogen toe.
Eén oogenblik kwam 't in Bernard op, dat hij ook kinderlijk mee zou kunnen doen en zonder nadenken pret maken, maar toen ze binnen kwamen loopen, tastend, met kromme knieën, en hij 't gedempte gelach en gemompel in de kamer hoorde kreeg hij tranen in zijn oogen van weeë ergernis over zooveel aanstellerij. Hij nam zich voor in geen geval meer mee te doen, maar 't hoefde ook niet, want nu gingen Edward en Mimi en nog een paar anderen naar mevrouw van den Bosch en vroegen met vrindelijk vleiende stemmen of ze nog even mochten dansen. En goedig-breed glimlachend stond mevrouw toe, als Kees dan spelen wou, en Kees ging dadelijk aan de piano zitten en begon een wals. Bernard bleef eerst landerig-hangend tegen den muur staan, maar bijna al de anderen gingen dansen en de gastvrouw wenkte hem uit de verte om toch mee te doen; loom ging hij toen naar 't meisje dat naast hem gezeten had en walste met haar.
En daarna werd er een quadrille gedanst. Bernard deed mee, heelemaal overgegeven nu aan zelf-minachtende gedachten, dat hij toch ook een gek was om te komen op zulke soiréetjes en dat hij nu ook maar mee moest doen en zich aanstellen en grinneken en galanterig zijn en grappig. En zijn stille kamer als hij er nu aan dacht, scheen hem een heerlijk-rustig toevluchtsoord van alleene mijmering.
Maar in-eens zag hij dat Edward en Mimi naar hem keken en lachten samen, en met een nieuwe heftige vlaag schoot dat gevoel van krenkend bespot worden in hem op. Hij keek naar Mimi met vurige drift in zijn bloed, heete prikking in de ooghoeken. Hij zag Mimi met haar tartende gratie zich bewegen, zich neigen, kijkend naar Edward met dien soms gevoileerden en dan in-eens wijd-open blik van vleiende verleiding, en hij had een oogenblik van trotsch-manlijke, zinnelijk-woeste, moeilijk-bedwongen woede. De lust was in hem haar in-eens op te nemen en weg te dragen, zoo snel dat ze van schrik lam zou zijn en de anderen verbaasd gapen zouden, en dan met haar alleen te zijn, waar wist hij niet, maar alleen met haar tusschen vier muren, en dan haar aan te zien, en tegen zich aan te drukken 't weerstrevende lijf en te zoenen den wulpschen mond, en haar dan te slaan, te striemen. Er was een hijgend verlangen in hem om haar te bezitten en dan van zich te stooten, weg, in de verdoemenis. Hij haatte haar nu innig, met een rood-vlammenden, liefdevollen haat. Hij was er geheel van ontroerd en na den dans dronk hij, op een stoel neergevallen, snel een glas wijn uit, in één teug, en hoorde de stem van André die zei: "'t Schijnt jou te smaken!"
André stond tegen den muur geleund, en Bernard merkte in zijn stem, die naklonk in zijn hoofd, een ongewonen klank, iets van bitterheid en stil leed. Hij keek hem aan en zag aan zijn gezicht dadelijk dat hij iets bizonders had. André was wat bleek en trok zenuwachtig met zijn mondhoeken. "Wat scheelt jou?" vroeg hij. "Och niets," zei André, "gekheid, gekheid!.... Kom vooruit maar weer!" En luid sprekend, bijna roepend, vroeg hij Mimi een dans. Bernard keek naar Betsy, die in een hoek van de zaal, zich loom bewaaiend, zat te praten met een ander meisje. Hij zag ook aan haar dat ze 't land had, hij kende nog dat gemelijke wenkbrauwfronsen van haar. Ze hebben zeker ruzie gehad, zei hij in zich zelf. En op hen beiden lettend merkte hij ook al gauw dat ze elkaar niet aankeken.
Maar Mimi en Edward dansten nu voortdurend samen en er werd hier-en-daar in de groepjes over gefluisterd en geginnegapt.
Een reactie van lakschheid was in Bernard op zijn heftig gevoel gevolgd en hij voelde nu in-eens dat hij er heelemaal niet meer instond, dat hij ontwassen was aan die verliefderige stemmingen van jongens en meisjes op een bal, dat hij hun geheime intrigetjes, hun hoopjes en wanhoopjes nu beneden zich voelde en ze een beetje minachtte, ze een beetje pijnlijk-belachelijk vond. Hij zat daar even over te denken, een glas wijn drinkend op een stoel. Eerst gaf 't hem wat voldoening, dat gevoel van ontgroeid te zijn aan kalverliefde, maar toen hij daarna opstond om een dans te gaan vragen -- ze zouden nog één wals dansen -- voelde hij zijn manlijke vrijheid als een last meer, dien hij torsen moest en waar hij een beetje onder gebukt ging, uit gebrek aan veerkracht. Hij voelde ouwelijkheid in zijn stappen.
En die ouwelijkheid deed hem onwillekeurig aan Sam denken, hij keek naar hem en zag hem zitten praten, voorovergebogen; in zijn houding was datzelfde, een verborgen geblaseerdheid....
* * * * *
De laatste dans was gedanst en er waren sandwiches en saucijzebroodjes gegeten en men ging afscheid nemen. Er werden eenige rijtuigen afgeroepen. Ook dat van Betsy. En Bernard zag met een spottend-medelijdenden glimlach dat André haar koel-buigend adieu zei. En ook 't rijtuig van Mimi, waar de genotstralende Edward haar heen geleidde, opgewonden, zonder hoed op straat gaand. En Sam kwam naar Bernard toe om te vragen of hij meeging; ze wisselden wenken met André en Edward, en alle vier bedankten ze de gastvrouw en ook meneer van den Bosch, die na 't dansen weer binnengekomen was, en ze gingen heen. En buiten, samen loopend in een ongeregelde groep, en weinig pratend eerst, ieder met zijn eigen gedachten bezig, werden ze langzaam weer van salonmenschen de gewone vrinden, dezelfde van den vorigen Zondag, Sam, André, Edward en Bernard.
Ze zouden nog een afzakkertje gaan nemen in een café op 't Rokin, dat altijd laat open was, waar ze meer kwamen 's nachts na éénen. Bernard liep met Edward en achter zich hoorde hij Sam met André praten, Sam op zijn gewonen kalm-opgewekten toon, André onverschillig, mat-landerig. Sam zei dat hij zich tamelijk wel geamuseerd had. André zei daar niets van, maar maakte alleen nu en dan kort-uitgegooide, ruw-rake opmerkingen over de familie van den Bosch en over sommige van de gasten. Hij sprak met zekeren afkeer van al die menschen en Bernard voelde weer, zonder zich er rekenschap van te geven hoe 't kwam, dat hij hield van André. Terwijl hij hem zoo achter zich hoorde praten, kreeg hij een sterk gevoel van sympathie voor hem, datzelfde van dien avond in die bierkneip, een hartelijk-welwillend meelij en toch ook zekeren eerbied.
Hij zelf zei weinig, maar naast zich hoorde hij aldoor de stem van Edward, die liep te praten over Mimi, met zijne gewone zelfingenomen mededeelzaamheid. Wat hij gezegd had en wat zij daarop gezegd had. En hoe ze daarbij had gekeken en hoe ze hem telkens de hand had gedrukt bij 't omgaan aan 't slot van de lanciers. "Zóó.... zoo!...." zei Bernard glimlachend, "je schiet al op met 'r!" "O, kerel!" zei Edward met extase, "nee, zie je, ik vind 'r een verduiveld leuke meid, en ik vind 'r mooi ook,.... jij niet!" "Jawèl," zei Bernard. "Waarachtig," bromde zijn vrind, en toen even zwijgend, en daarna uitbarstend in een zenuwachtige proestbui, riep hij uit: "Wat zou 'k een furore met 'r maken bij ons in Batavia!...." "Nou, nou," zei Bernard, "ik zou je toch raden dat zaakje wat kalm-aan te behandelen. Wou je soms nog trouwen voor je weggaat? Dat zal toch niet gaan!" "Waarom niet?" vroeg Edward. "Ik zou wel 's willen weten waarom niet!.... Alles gaat!...."
Bernard werd weer wat wrevelig. Hij zei een poosje niets, wenschend zich zelf, met vaag verlangen, kalm op zijn kamer en zijn vrind rustig in Indië. Want nu ging 't immers niet anders -- en hij had er een beetje zijn booze vreugde om -- nu moest hij hem wel even ontnuchteren. "Wat ben je opgewonden van avond, Eddy," begon hij, hem dien ouden naam gevend met zekeren spot. "Ik heb je toch immers al verteld, dat ik dien bal-avond al even ver met 'r was als jij nu. Ze gaf me net zulke hartelijke handdrukjes en keek me ook erg verliefd aan. Wat beteekent dat nou bij zoo'n geil dier van 'n meid!"
Maar 't had niet de verwachte uitwerking. Edward lachte en klopte hem op zijn schouder en zei: "Je bent, geloof ik, een beetje jaloersch, heertje! Noemde ze jou ook bij je voornaam dien avond?...."
"Nee,...." zei Bernard, "dat niet, maar...."
"Nou!" viel de ander in, "wat wou je dan beweren!.... Nee, amice, laat dat maar aan mij over, hoor!...."
Er was gekrenkte eigenwaan in Edwards stem, en Bernard, die dat hoorde, had spijt dat hij 't gezegd had. Dat was weer net iets voor hem, zoo ondoordacht!.... 't Had er nu waarachtig veel van of hij jaloersch was!.... Ba!.... Ba!.... En hij voelde zijn stemming weer versomberen en dat lang gekende van zich zelf zien, onbegrepen en alleen door de straten gaande, een vreemde voor alle menschen, dat was er weer en dat gaf hem een oogenblik van steun in melancholische zelfzucht.
Maar er huisden dien avond kwel-gedachten in zijn gemoed, die niet hebben konden, dat hij zich even rustig voelde, want dadelijk kon hij dat weer van zich zelf niet uitstaan, dat eenigszins zelfgenoegzame van iemand, die zich miskend voelt, dat tevreden met zich zelf zijn van een gewilden martelaar. Hoe dikwijls had hij daarom gelachen als hij 't merkte in anderen. En hij begon zich weer te sarren met minachtende verwijten, hij was bitter en koud-hard voor zich zelf, hij verzon verfijnd wreede sarcastische opmerkingen over zijn eigen manier van doen en leven, zonder mededoogen voor schrijning die dat gaf in zijn gemoed.
Dat hij wel degelijk jaloersch was, zei hij zich, dat hij niet velen kon, in nijdige galligheid, dat zijn vrinden 't leven genoten, omdat hij 't zelf niet kon. Want dat was 't immers! Niets anders! Hij kón 't niet, 't leven genieten, hij had er 't talent niet voor, 't zout niet in zich zelf, -- zooals zijn oom dat altijd noemde, dien hij dan uitlachte. Want dat kon hij, iedereen altijd uitlachen, over iedereen denken met minachting, in plaats van te beginnen met zich zelf uit-te-lachen, dwaas, mieserig-tobbend kantoormannetje, ellendig machteloos zotje, dat hij was!
Maar ze kwamen nu in dat café. De ingang was in een vies, donker steegje, en dan moest je 't trapje op en dan weer een trapje af, in half donker, en dan was je in-eens in 't drinklokaal, een langwerpig, laag gezolderd zaaltje, geel-rossig hel verlicht door gasvlammen. 't Was er warm en rookerig, en vol op lage stoelen lig-zittende mannen, meerendeels jonge poenen, die half-dronken, met roode koppen zwaarwichtig brommend zaten te zwetsen. Alle geluiden klonken dof en gedempt. Er was iets onzegbaar-slechts in dat, laat in den stillen nacht, zoo hel verlichte rook- en drink-hol; 't was alsof de mannen die daar samenzaten, in groepen die niet letten op elkaar, toch allen verbonden waren door één in-'t-gniep den duivel dienend doel.
Bernard en zijn vrienden gingen warmen grog zitten drinken, want 't was koud buiten, zei Edward; hij had loopen rillen. En toen André gewend was aan 't helle avondlicht en de warmte, en geproefd had 't lekkere sterk-heete uit zijn dampend glas, kreeg zijn stem in-eens den gewonen opgewekten klank, en in gewilde reactie tegen zijn landerigheid, die negeerend nu door frisch-nieuwe houding, begon hij zich op te winden, los-vroolijk te doen, een ruwe kwant die er goed van leeft. En hij herhaalde zijn opmerkingen over de menschen van de soirée in 't overdrevene, en zonder de leuke spontaniteit die er de charme aan gegeven had, en hij lachte er nu zelf om, de anderen weinig. Maar Sam begon zachtjes, op een kalmen toon van eenvoudige mededeeling, de dwaze dingen te zeggen, die hij gezien en gehoord had dien avond. En André proest-lachte, stampend met zijn eene voet, en Edward schaterde luidkeels. En Bernard lachte ook en kreeg lust zich dronken te drinken.
Ze namen allemaal nog een grog en werden lustig half-dronken en wisten niet van weggaan.
Maar Bernard zakte telkens weer weg in dof en stil gesoes, en zoo, terwijl hij half-dommelend zat te rooken, hoorde hij André fluisteren tegen Edward: "Zeg ga je nou 's mee?.... je weet wel.... waar ik je laatst van vertelde?...." En Bernard begreep dat hij van een bordeel sprak en een driftige wrevel kriebelde in-eens in zijn doezeligen kop. Daar had-je dàt weer! Nu zou hij weer weg moeten gaan, alleen naar huis, en door de anderen uitgelachen worden, in zijn gezicht of achter zijn rug, en met blikken beleedigd. En 't stond in-eens in hem vast dat nu eens niet te doen van avond, maar mee te gaan, eenvoudig mee te gaan. Waarom ook niet? Hij was wel 's meer even mee ingeloopen in zoo'n gelegenheid; daar zag je dan wat halfnaakte vrouwen zitten, wat zou dat nou nog?....
Even later stonden ze buiten. "Nou, Bert," zei André, "wij gaan nog 's even naar de meisjes kijken, jij gaat zeker niet mee...." "Och, jawèl, dat 's goed," zei Bernard koeltjes. Hij voelde dat de anderen elkaar aankeken met opgetrokken wenkbrauwen, maar hij zag 't niet, hij keek voor zich. Even had hij weer erg 't land, dat André 't hem juist zoo gemakkelijk had gemaakt om weg te gaan, nu hij eenmaal besloten was 't niet te doen.
En ze kwamen voor dat bordeel, een van de grootste van de stad, een breed huis, somber-donker gesloten van buiten. Uit een grauwig groepje lange lummels, dat voor de deur stond, kwam er een naar hen toeschieten en bromde wat over daar-niet-binnen-gaan en de verleiding en zoo wat meer, en wilde hun flodderige drukwerkjes in de hand duwen. Bernard nam er geen aan, hij was vies van dien jongen met zijn papiertjes, maar André wel. Hij zei opgewekt: "O, dank u zeer!" en toen tegen de anderen: "Zoo'n tractaatje aan 't ontbijt, dat mag ik wel," en hij stak 't ding in zijn zak en schelde aan.
Ze werden open-gedaan door een oude vrouw en gingen een holle gang door en kwamen in een groote kamer, een schreeuwend-kleurige, schel-rossig verlichte zaal. 't Geluid van hun stappen werd gedoofd in 't dikke kleed en rondom zagen ze roode sofa's waar vrouwen op zaten, half-liggend de meeste, sigaretten rookend en grijnslachend, sommige aanstonds schel-kakelend tegen de binnenkomenden. Anderen bleven indolent liggen, kijkend alleen naar hen met loerende oogen. Ze waren bijna allemaal zoogenaamd oostersch aangedirkt. Er waren er gedecolteerd, er waren er een paar met één arm en één borst naakt, er was er ook een die over 't heele slap-neerliggende, leelijk-gelige lijf niets had dan een soort van netwerk, zwart.
De vier gingen zitten in leuningstoelen, behalve André, die rondliep, sprong, danste en dol-deed, en er waren er die schel-gemaakt lachten om zijn malligheid, maar anderen, die indolent bleven liggen, loeroogend. Een logge, vleezige deern kwam poeserig dicht naast Bernard zitten, grijnsde hem aan en lei haar wee-kwabbenden, blooten arm op de leuning van zijn stoel. Hij huiverde even.
Er was koorts in zijn hoofd, maar zijn lijf was koud, rillerig. Er was verschrompeling in zijn lijf. Hij zag Edward zitten op een sofa, met zijn arm om een van de meisjes daar, en zijn hoofd op haar borst, en hij zag haar op hem neerkijken met een vreemde minachting. Hij zag Sam met een klein sletje op zijn knie; hij deed haar huppelen alsof 't een kind was. En hij zelf zat, met zijn beenige knieën vreemd ver van zijn hoofd, te kijken en begreep er niets van. En als hij keek naar die meid naast hem en even hoorde haar fleemend gevlei om mee te gaan, huiverde hij telkens licht, voelde zijn tanden zacht rammelen voor ze in-een sloegen.
André had luid-schreeuwend champagne besteld. Er werden een paar flesschen gebracht door een oudachtige burgervrouw met grijzig flodderhaar en een gelig wreed-strak gezicht, en de kurken knalden dof; veel glazen werden ingeschonken. Ook voor hem zag hij een glas staan ergens ver-weg, op een tafeltje.
Gauw daarna zag hij Edward weggaan met die meid en zij keek nog even om naar een van de anderen en grijnsde met bestiale vergenoegdheid. En even later ging André diezelfde deur door met een andere.
Geen van beiden had naar hem omgekeken. Maar Sam zat nog altijd met dat kleine sletje op zijn knie, en rookte zijn sigaar als een kalm-blije pa, vreemd-rustig en op zijn gemak.
Nu kwamen er nog een paar andere meisjes naar Bernard toeloopen en drongen zich beurtelings tegen hem aan met vadsig-zinnelijke gebaren. Toen werd hij in-eens nijdig en stootte ze ruw van zich af, zoodat er een begon te schelden, terwijl anderen lachten. Maar van den overkant van 't zaaltje lag nog altijd een jonge, tengere vrouw indolent loerend naar hem te kijken, en lachte niet en zweeg.
En toen, met een schok, stond Bernard op. In één flitsen was al zijn lijden-door-zich-zelf hem door 't moegekwelde hoofd gevlijmd, en daar was de woedende wil dat op te doen houden. Eén oogenblik zag hij zijn lijden los van zich. Zijn opstaan was een onbegrepen wanhoopsbeweging van zijn gestriemde ziel, maar in zijn gaan groeide zijn lust, een dierlijk-dolle lust, om nu neer te smijten en te vertrappen die dorre doornenkroon van godsgedachten, die altijd, altijd pijnde om zijn hoofd, om nu vaneen te scheuren, huilend te vernielen zijn ijle illusies, die hem niets dan lijden gaven, niets dan schrijnende pijn, om er een eind aan te maken, om in des duivels naam dan maar een gewoon mensch te worden en plat-weg mee te smullen van 't voor 't grijpen liggende warme-lekkere, van dat aaiende, dat weeë, weeë waar iedereen zoo van genoot. En hij ging recht door de lauwheid van de kamer naar die achterover in die sofa liggende jonge vrouw, die hem even toelachte uit haar klein-geknepen oogen, bijna zonder te vertrekken haar strak, was-bleek gezicht en dadelijk stond ze op en ging hem voor. En nog even zag hij Sam hem na-oogen met een kalm-rustigen, goedig-bemoedigenden glimlach.
Hij bleef dien nacht bij die slet. Lijfsgenot had hij er niet van, alleen een zekere voldaanheid en doffe walging. Maar in zijn ziel was een vage rust. Tegen vier uur ging hij slapen, naast haar liggend met een armoedige tevredenheid, zooals hij wel had na veel dagen van lang en laat werken -- als een afgebeuld oud paard dat zich rekt in zijn beetje stroo -- en herhaalde aldoor in zich zelf, zich met die woorden verdoovend: Ik ben er van af....
XIII.