Part 16
Al gauw kwam schel-bellend de tram aan. Ze gingen binnen zitten, waar de drie anderen moeite hadden André, die heel druk geworden was, 'n beetje stil te houden, en ze kwamen aan 't circus, en gingen op den eersten rang zitten. De voorstelling was al lang begonnen. En ze werden gauw afgeleid, bezig gehouden, en rustiger. Edward amuseerde zich erg, kinderlijk schaterlachend om de clowns en telkens roepend met glanzende oogen en opgewonden gebaren: "Zag je dat?.... Nee, maar zeg, snap je hoe de kerel dat doet?...." zoodat Sam en Bernard elkaar soms even aankeken met glimlachende verstandhouding. André was eerst nog druk en ongedurig, maar na een poosje -- terwijl er geen notitie van hem genomen werd -- viel hij in slaap; ze moesten hem wakker maken in de pauze. Maar toen was hij in-eens weer één-en-al luidruchtige vroolijkheid: in de koffiekamer sprak hij demi-mondaines aan en wou dadelijk weggaan met een paar van die meisjes, maar Sam en Edward hielpen Bernard -- die een beetje boos werd -- om hem weer mee naar binnen te krijgen. En toen de voorstelling afgeloopen was, scheen André in-eens weer al die plannen vergeten en noodigde de anderen met aandrang uit mee te gaan naar zijn kamer, die niet ver was, om daar nog wat na te fuiven. Hij had juist lekkere whisky in huis gekregen, die bepaald gauw geproefd moest worden.
En ze gingen met hem mee en bleven lang op die kamer en werden allemaal dronken. Om twee uur lag André te bulderzingen op zijn kanapee, terwijl Sam met een ernstig gezicht al de andere meubelen ondersteboven zette, en Edward in Bernards arm op den grond, half slapend, lag te sniklachen. Edward niet gewoon aan zulke fuiven in den laatsten tijd, was 't ergst dronken. André zei, dat hij op zijn kamer kon blijven slapen, maar Bernard, jaloersch, dreef door, dat hij toch met hem mee zou gaan, en zoo slingerde eindelijk Edward, tusschen Bernard en Sam in, naar huis, naar de stille kamer op 't Rokin. Ze hielpen hem zich uitkleeden en legden hem op de kanapee, die naar den muur gedraaid en tot bed ingericht was. Edward mompelde aldoor maleisch en hollandsch door elkaar, onverstaanbaar en idiotig sniklachend, maar toen hij eenmaal met zijn hoofd in 't kussen lag, sliep hij, met een open mond achteroverliggend, bijna dadelijk in.
Toen ging Sam, die nooit zoo dronken kon zijn of hij was weer kalm als 't noodig was, bedaard weg en bleef Bernard alleen met zijn slapenden vrind.
De ongeruste zorg voor zijn gast, de koude nacht-lucht en zijn altijd bezig gedenk hadden hem bijna geheel ontnuchterd. Maar hij had een gloeiende, dof-bonzende hoofdpijn, en hij zag de dingen koortsig klein en op een afstand. Zoo zag hij ook Edward liggen met zijn open mond en zijn zweet-parelend, breed-blank voorhoofd en hij begreep 't niet, hij vond alles vreemd, 't was of 't niet werkelijk was, die roezige nacht, dat liggen daar van zijn vrind. Even dacht hij aan een winteravond toen hij had zitten verlangen naar Edward.... Die daar lag nu.... "Ik ben toch ook dronken," zei hij, heesch-hardop met een ruwen vloek. En hij gooide zijn jas uit en viel toen neer op zijn bed.
* * * * *
Hij kwam heel laat op kantoor den volgenden morgen, katterig en moe, -- Edward sliep nog, -- en 't was een morgen, dof-smartelijk van landerigheid en hoofdpijn, opkroppen van misère, moe-zwak uitstellen van denken. De bedienden keken stil en gewoon-weg voor zich, maar hij wist dat ze ginnegapten achter zijn rug. En dan was er nog een beetje dat vreemde, dat gevoel of alles onwerkelijk was, een droom.
Om twaalf uur kwam Edward hem halen om te gaan koffiedrinken. Hij was keurig-netjes afgeborsteld en hij had nieuwe handschoenen aan. Hij was heelemaal uitgeslapen en weer kip-lekker zooals hij zei. Hij had trek. Hij was heel vroolijk en sprak met groote ingenomenheid over gisteren-avond. Bernard begreep 't niet.
Ze dronken koffie met Sam. André kwam niet opdagen. En ze stonden juist op om weg te gaan, toen Hendrik aan kwam loopen met een stralend gezicht, ongewoon blozend. Hij gaf zich haast den tijd niet om behoorlijk voorgesteld te worden aan Edward, maar vertelde dadelijk zijn groote nieuws. Hij was geëngageerd. Gisteren, in Haarlem. Haar vader was in de bloembollen. Ze kenden haar niet, maar 't was een meisje, o!....
Bernard streek zich met de hand over 't voorhoofd. Hij feliciteerde Hendrik, maar 't feit drong niet heelemaal door in zijn gedachten. Hij glimlachte, begrijpend dat dat moest. En Hendrik liep weer weg, hij moest nog even naar kantoor en dan ging hij weer gauw naar Haarlem!.... Maar morgen kwam hij terug, dan zou hij wel meer vertellen....
Edward had nu niet veel tijd meer, hij had beloofd thuis te komen met den trein van één uur veertig.
Als een boodschap, die hij even gauw doen moest, bracht Bernard hem naar 't station. Ze namen haastig afscheid en Bernard holde een tram achterop, die naar de Beurs reed. Hij was bang om te laat te komen voor sommige dingen, die hij daar doen moest, noodzakelijk.
XII.
Een paar weken volgden nu van doffe melancolie, draaglijk overdag in de werkuren, die soms een stil, klein-menschelijke verheuging gaven door 't opschieten en 't slagen, pijnlijk in de avonden, de schril-schaduwende, schijn-lichte leegheden aan 't einde van den dag. Daarom werd maar veel gewerkt, 's avonds ook, of naar de comedie gegaan of naar een concert. Dat vulde, dan was 't gauw weer tijd om te gaan slapen, om met ontspannen spieren weg te zinken in 't onbewuste van den slaap, waarin alleen 't mysterieusch halflicht van droomen, vluchtig-doorleefde, gauw-vergeten droomvisioenen, die soms gaven een schimmig-bedriegelijke vreugde-ontroering bij 't eerste ontwaken.
Hij ging een beetje houden van dat soort leven, en kweekte 't weemoedig, 't gemakkelijk vindend, en 't gaf ook een zekere voldoening van stil je plicht doen, ongewaardeerd. Hij zag wat op tegen 't komen logeeren van Edward in Amsterdam. Dat zou een storing geven, onrust, schijn-genot weer en teleurstelling. 't Was maar 't verstandigst zoo te blijven voort-peuteren, van dag op dag, vlug-steelsgewijs, dat de smart je niet merkt, niet pakt. Want dat andere leven zou toch wel nooit komen, misschien.... En zij.... zij!....
Den eerstvolgenden Zondag ging hij met André en Sam naar Haarlem, naar de verlovingsreceptie van Hendrik. Ze kwamen op een van de drukste momenten binnen. De warme kamer, serre-achtig benauwend doorzoeld van bloemengeuren, was vol met menschen, met dames, zelfbewust en liefdoende, en met heeren, die in 't slungelige staan vergeefs naar deftigheid trachtten. En Hendrik, hun Hendrik van gisteren en eergisteren, was een ander, was niet hun Hendrik, niet de droog-leuke, bedaarde man van zaken, die een pose van wijsheid had door zijn bescheiden teruggetrokkene, onverwonderde kalmte. Naast zijn meisje, zijn zacht-triomfstralende, kloek-vrouwelijke, in fiere rijzing glanslachende meisje, was hij onbewust inférieur, als beschermd door haar, in zijn goedigen eenvoud een stil-pijnlijk meelij wekkend in Bernards ziel. Hij stond een beetje moe-voorover, telkens uitstekend naar een bezoeker zijn lange, blanke hand, met een reine blijheid in zijn lichte oogen, -- die wat zwak nu schenen, -- bleek van geluk, overstelpt door zijn zaligheid, nu en dan even blozend als van schaamte over zijn niet-waardig zijn, als moest hij zich verontschuldigen dat hij 't was die haar man zou worden.
En Bernard benijdde hem niet.
Hij voelde nu pas dat hij daar een beetje bang voor was geweest, dat hij daarom zwakjes opgezien had tegen de impressie van dat jonge menschenpaar tusschen bloemen en groen. 't Zou min geweest zijn en dom, jaloersch te zijn. Maar hij was 't ook niet, heelemaal niet; toen ze van die receptie kwamen had hij enkel dat gevoel van alleen-zijn en pijnlijk-overgevoelig voor indrukken van menschen en dingen, een beetje schuw, zoowat 't tegenovergestelde van een bruikbaar lid van de maatschappij, wat hij toch eigenlijk worden moest, als oom gelijk had.
Ze bleven nog wat rondboemelen in Haarlem, maar dineerden weer in Amsterdam, en 's avonds gingen ze naar 't concertgebouw, Bernard zag aldoor dat staan van Hendrik voor zich, en 't speet hem een beetje dat hij dien aangenamen allen-dag-vrind nu zou missen voortaan, maar hij was niet jaloersch. En de muziek vermooide zijn droomen. Hij had een avond van passieve overgave aan de bekoring der melodieën; soezig rustte zijn geest in klankenweelde.
Den daaropvolgenden Zondag ging hij naar Bussum en, aldoor in die stemming van zich afleiding willen geven, van niet-toegeven aan mijmering, van veel doen om den dag gauw om te hebben, praatte hij druk met oom over zaken en luisterde bedaard-aandachtig naar omslachtige verhalen van tante over de Bussumsche menschen. En bij 't weggaan haalde hij, hartelijk aandringend, oom over om hem naar 't station te brengen, zich een beetje schamend later over die huichelarij, want 't was enkel om niet alleen te zijn in den stillen, zwarten buiten-nacht.
* * * * *
Toen hij thuis kwam vond hij op zijn tafel een uitnoodiging van den heer en mevrouw van den Bosch om een soirée bij te wonen, die ze zich voorstelden te geven op aanstaanden Woensdag, mede ter eere van zijn vriend Edward van Laeken. Hij wist 't al half; Edward zou Dinsdag in de stad komen en had hem al gesproken van een avondje dat de van den Bosschen van plan waren te geven. Hij zou er heen gaan, natuurlijk. Waarom zou hij er niet heen gaan? Hij nam zoo'n uitnoodiging haast altijd aan omdat er geen voldoende reden was om 't niet te doen.
's Maandags hoorde hij van André en Sam dat ze ook gevraagd waren en gaan zouden. Sam had er niet veel plezier in, hij dacht dat 't wel op een ordinair muziekavondje uit zou draaien en -- ernstig liefhebber van muziek -- had hij 't land aan zulke avondjes. Maar André, die hoop had dat Betsy komen zou, sprak er met animo over.
En 't was die Woensdagavond. Bernard was weer wat laat, hij had een drukken dag gehad. Bij half zeven pas had hij zijn kantoor gesloten. Voor hij binnen kwam, gaande, 't dienstmeisje achter zich, door de stil-statige gang naar de deur van de zaal, de groote achterkamer in 't rijke, ruime koopmans-huis, hoorde hij al 't gedempte roezen van de stemmen, en toen de deur open ging, zag hij een hoefijzervormige rij menschen tegenover zich op stoelen zitten en naar hem kijken. In 't midden van den halven kring zat mevrouw van den Bosch, die hem breed-glimlachend aankeek en meneer stond, zijn rug naar de deur, zijn handen in zijn zakken, in een brutaal-nonchalante houding te praten met jonge meisjes. Die zware figuur was 't eenige wat Bernard zag op zij van zich, terwijl hij in vage beklemming doorliep naar mevrouw, haar kijkend in de licht-glanzende oogen. Toen hij haar zijn kompliment gemaakt had, draaide hij zich om en gaf een hand aan den gastheer, die hem luid-joviaal begroette, en hij gaf nog een paar anderen een hand, en ging toen zitten aan 't linksche eind van de gastenrij, kijkend nu de hoofden langs en knikkend tegen dezen en genen, tegen de meisjes Post en Hugo en Edward -- en hij schrok, want naast Edward zat Mimi van Keppel. Hij boog met zijn hoofd naar haar en voelde zich blozen. Zij knikte fier-glimlachend terug en ook Edward glimlachte met leuk-stillen triomf. En ze zeiden wat tegen elkaar blijkbaar over hem. Met een klopperige benauwing in zijn borst keek hij verder langs de hoofden en knikte groetend en glimlachte officieel.
Maar hij had dadelijk een ergernis en zekere walging in zich en een vasten wil om dezen avond boven verliefdheidsaandoeningen te blijven, koel en zich meester. Hij spande al zijn geestkracht daartoe in en voelde ook met voldoening den warmen blos snel wegzinken van zijn wangen. En toen Kees van den Bosch naar hem toekwam om hem even voor te stellen een paar jonge-menschen, die hij nog niet kende, stond hij kalm op en boog tegen die menschen, rustig notitie nemend van hun namen. Hij was blij-tevreden over zich zelf, dat 't hem zoo gauw gelukt was zich meester te worden, en met bedaarde opgewektheid ging hij zitten praten, een officieel leuterpraatje, met 't meisje dat naast hem zat, en nam van tijd tot tijd een teugje thee.
En nu kon hij ook koel-kalm kijken naar den overkant, naar Mimi en Edward, en hij was blij voor zijn vrind, dat hij Mimi nu ontmoette, zooals hij gehoopt had; hij was vaderlijk-blij voor Edward dat dat zoo trof. En aan zijn eigen kant hoorde hij nu ook André's stem en zag hij, langs de hoofden kijkend, Betsy naast hem zitten. En toen was hij ook blij voor André en begon hij den avond wat belangrijker te vinden.
De gasten waren uitsluitend jonge menschen, niet getrouwd en ook niet verloofd, en de tafel stond schuin in een hoek, zoodat Bernard verwachtte dat er gedanst zou worden. Maar toen even na hem nog een paar andere jongelui binnengekomen waren en 't gezelschap nu blijkbaar voltallig was, hoorde hij mevrouw van den Bosch, met een luid-vriendelijke beschermingsstem aan een van de meisjes verzoeken wat te willen pianospelen. En met een verlegen lachje stond dat meisje op en ging in een zwijgend-berustende houding naar 't koel-stomme instrument, dat lomp stond in den anderen hoek, over de tafel, en Kees ging naast haar, galantheid stralend, en sloeg de pianoklep op met een doffen, korten slag. Ze ging zitten en begon en Kees bleef naast haar om de bladen om te slaan. Ze speelde met zenuwachtige haast een lang en lastig stuk. Ze maakte geen muziek. En dadelijk was uitgestorven 't gepraat langs de hoofdenrij en allemaal zaten ze in stil-stijve luisterhoudingen. Bernard keek achter de hoofden om tersluiks naar André, die ook naar hem keek, en toen met een nagemaakten wanhoopsblik naar de zoldering.
Ook Sam keek hem even aan met een blik van verstandhouding en met een beetje voldoening over gelijk-hebben. Hij had 't wel gezegd, 't draaide uit op een muziekavondje.
Maar Bernard vond 't eerst niet zoo onaangenaam. Dansen in een kamer, daar word-je zoo warm van. En zoolang als er op de piano gespeeld werd hoefde je niet te praten en kon je rustig-stil zitten soezen. Je hadt alleen maar even te klappen als 't stuk uit was en tegen je buurvrouw te zeggen, dat 't mooi was geweest.
Maar al gauw, met vage ergernis over gedwongen niets-doen in een gedwongen houding, begon 't hem te vervelen. Het was vooral ook dat zitten als kinderen op een rijtje, en aan den overkant ook zoo'n rijtje recht-zittende jonge-menschenlijven met uitdrukkingsloos luisterende gezichten, en daar tusschen in een wee-geeuwende leegte, een ruimte hongerend naar de kamerdingen die weggezet waren. Het was dat zitten kijken, in glazige turing, met strakke of slappe of verlegen-vertrokken gezichten naar elkaars lijf en armen en beenen, en naar elkaars voeten vooral, die in een lijzige rij stonden op of lagen langs de leegte van den grond. En dan dat gevoelloos klinkklanken op die piano, met hakkelende loopjes en gerommel van akkoorden, waar iedereen verstomd naar zat te luisteren, alsof 't mooi was. Bernard voelde even driftige energie van ergernis. 't Was toch eigenlijk te stom-idioot, 't was om nijdig te worden, om te gaan vloeken en stampen of weg te loopen! Maar hij duwde dat gevoel weer weg en dwong zich opnieuw tot bedaarde verdraagzaamheid en rust.
Na de pianospeelster trad een vioolspeler op, en daarna een juffrouw, die leelijk voordroeg overbekende fransche monoloogjes, en toen een meneer die wat zong, en toen weer een andere juffrouw, die piano speelde. Maar Bernard hoorde van dat alles heel weinig. Want nu, in zijn verstarrende kalmte van stil-zitten en niets doen en zich ook niet ergeren, waren eerst met vage scheuten van herinnering, maar meer en meer onweerstaanbaar en van alle kanten komen rijzen in zijn rechtop-gehouden hoofd -- zijn zwaren kop, die netjes, heerachtig balanceerde tusschen de randen van zijn stijf-hoogen boord, -- de gedachten die hij in de laatste weken had kunnen terughouden door afleiding van werken en praten en naar de comedie gaan, die hij genegeerd had, zooals je een kennis negeert door een anderen kant op te kijken, -- maar je voelt hem toch langs je gaan, -- de gedachten aan zijn verhouding tot zijn vrinden, tot de menschen, tot de wereld en de begrippen. En hij verwonderde zich en begreep ze amper zelf, die gedachten, die opgesloten in de stille cel van zijn onbewuste denken waren gevormd en gegroeid, en verder-voltooid waren en grooter dan hij ze wist. 't Was of hij las in een boek. Dat hij vervreemdde van de menschen, dat zijn gemeenschapsbehoefte te sterven lag, dat de menschen hem niet veel meer waren en wel gauw niets meer zouden zijn. Dat hij alleen zich zelf iets was, dat al die bewegende lijven om hem heen wel interessant-kunstig gemaakte poppen waren, gaande hierheen, daarheen, lachende, pratende -- een taal die hij niet verstond --, doende dingen waarvan hij niet begreep.... het doel.... Hij hield wel van sommige menschen, o zeker, zooals hij ook hield van zijn kamer en van zijn lessenaar en van de stadsgrachten in schemeravond en van de wolken, en aan anderen had hij een hekel, zooals hij ook hekel had aan de Warmoesstraat en de Beurs en aan sommige dingen op kantoor en aan koffiehuizen-tegen-vier-uur en 't geroep van sinaasappelenjoden. Dat was nu eenmaal zoo: alles wat hij zag, of hoorde, of voelde, of begreep, daar hield hij van of hij hield er niet van. Als hij dacht dat iets hem onverschillig was, dan bedroog hij zich. Maar wat waren hem die gevoelens, dat houden-van en die kleine hekel? Wat was hem dat alles in zijn eigenlijke leven, zijn hoog-eenzaam torenleven? Als God al die menschen en die dingen met één oogenflikkeren verdoemde, met één handoplegging vernietigde, wat zou hem dat deren? Zou de vreemde vogel, die aldoor zong, mooie weemoeds-klanken, op de stille transen van zijn torenwoning, dan zwijgen?....
Maar nog proevend, scherp, den fijnen geur van die gedachten, die in zijn hoofd waren als zuivere droge kou onder een ver-wegwademenden, witblauwen winterhemel, wist hij ook in-eens, dat dit denken onnatuurlijk was, slecht, satansgedachten; dat de hooge burg van zijn trotsche eenzaamheid neerstorten zou, want dat God den overmoed niet duldt, en dat zijn heimelijk genot van nu hem veel verdriet zou kosten morgen. Hij wist, hij voelde 't al hoe hij morgen dorsten zou naar wat hij hoonde vandaag. Want hij wist dat al 't geluk wat menschen tot nu toe gevonden hadden, gekomen was van andere menschen, en dat het ook zijn lot was te tasten, zijn leven lang, naar dat geluk, 't eenige mogelijke. Hij wist dat,.... en 't leven scheen hem lang en somber en de wijde wereld scheen hem laagliggend, kaal en troosteloos. En er kwam bitterheid en onzekerheid in zijn ziel. Als hij dan niet blijven mocht op zijn toren, waarom had God hem dien dan laten bouwen onder zijn hemel? Had hij dan zijn toren niet gebouwd uit de scherp-gelijnde, diamanten klanken van Gods eigen stem? Waarom was hij dan niet een gewoon mensch en net als die anderen, die tevreden in elkaars gezelschap waren en gelukkig door elkaars genegenheid?.... Of was dat ook alles maar schijn, comedie,.... of droegen dan alle menschen maskers, en waren ze allemaal net als hij, allemaal zulke werelden van onuitgesproken wee en wijd verlangen?.... Hij wist 't niet, hij zou 't ook wel nooit weten.... Hij wist alleen zich zelf, zijn eigen denken, zijn eigen ziele-streven. Hij wist zijn liefde voor 't goddelijke, voor 't zuivere licht, hij wist zijn lichaamskuischheid en zijn verlangen en dat hij ongelukkig was en dat anderen lachten. Hij wist niet of zij gelukkig waren, maar ze zeiden dat ze genoten van 't leven. Hij had nog nooit genoten van 't leven! Hij wist niet wat 't leven was. Hij wist ook niet of de anderen 't wisten, maar hij zag hen doen alsof ze 't heel precies wisten, hij zag hun gezichten van wijze, volleerde kenners, van menschen die er zijn, die 't onder de knie hebben, hij zag hen grif-grijpen de sappige levensvruchten en ze verdeelen en verkwanselen onder elkaar. Ze waren hebzuchtig, onkuisch, oneerlijk, oneerbiedig. Maar ze deden alles flinkweg, zonder angst, vroolijk-lachende, of slim-meesmuilend en elkaar prijzend, genietend van hun doen. Hij wist niet of ze 't berouw kenden en de zelfverachting. Hij zag 't niet. En hij wenschte zoo'n ander te zijn, want God zou daarom niet minder groot zijn, en hij zou minder lijden.
Al die gedachten gingen door Bernards hoofd, elkaar verdringend, en ze wekten er veel andere gedachtebeginsels, die stierven voor zij gebaard werden, in 't vol gedrang, en er was een doffe suizing in zijn ooren, zoodat hij de klanken van de muziek en de fransche monologen onduidelijk en ver-af hoorde, en niet verstond, en zijn omgeving vergeten was. Maar in-eens voelde hij met een korte rilling een hand op zijn schouder en de stem van André in zijn oor fluisterend: "Zeg, zit toch niet zoo gek te kijken met een open mond, de lui die over je zitten lachen er om." En als met een schok teruggekomen in de warm-lichte avondkamer, zag hij de rij hoofden tegenover zich glimlachend naar hem kijken. Toen hij hen aankeek stierf 't glimlachen weg. Hij voelde zich blozen tot onder zijn dikke haren, die prikten in zijn warme hoofd. Schichtig keek hij ook naar Mimi, maar die zat stil te fluisteren achter haar waaier, met Edward die zijn hoofd dicht naast 't hare gebracht had. Ze letten blijkbaar niet op hem.
In-eens naar-leeg van gedachten nu, en in een landerige gedruktheid, zich bespot voelend en vernederd, bleef hij zitten luisteren naar de klanken van de muziek, die in onbegrepen rijzing en daling koel sloegen door zijn hoofd. Nu en dan zei hij iets tegen 't meisje naast hem, en hij vond idioot wat hij zei. Hij verbeeldde zich, dat hij er heelemaal belachelijk uitzag, hij geloofde niet dat 't alleen was geweest om zijn soezen-met-een-open-mond dat ze gelachen hadden daar aan den overkant. Een kinderachtige, chagrijnige, laf-onderworpen ongerustheid over 't figuur dat hij sloeg zoo'n avond, dreinde telkens in hem op, maakte hem gemelijk, als 't altijd weer opnieuw beginnen-te-blerren van een klein kind dat over zijn slaap is. Hij kon 't niet van zich zetten, hij voelde zich minder dan de anderen, hij voelde zich dupe, bespot, belachen. En hij vloekte inwendig, met lange, grove vloeken, tegen al die dames en heeren in die deftige, wijd-lichte avondkamer, die daar zoo zelfvoldaan zaten, luisterend met schijn-aandacht naar de muziek, en hij schold ze uit in zijn ziel, met de machtelooze woede van iemand die in zijn slaap overvallen, nu worstelend onder ligt en zich niet meer verdedigen kan, alleen nog schelden. Hij moest zich inhouden met kracht om niet te stampen op den grond en te krijschen van drift.
Maar eindelijk werd er opgehouden met piano- en vioolspelen; er werd opgestaan en rondgeloopen, de heeren naar de dames toe, met voorovergeneigde bovenlijven en vormelijk gegrijns. Er werden gebakjes rondgedragen en plombières en wijn; men pauseerde.