De roman van Bernard Bandt

Part 14

Chapter 144,120 wordsPublic domain

"Dat is best!" zei Bernard met een glimlach van innige vreugde. "Ja, want nou," ging zijn vrind door, "moet ik je eerst nog een heelen boel vertellen van mijn reis hierheen." En hij begon een opgewekt relaas van allerlei wat hij gezien en doorleefd had op reis, telkens afdwalend, maar ook telkens weer terugkomend op zijn verhaal met een groote inwendige rust ondanks zijn uiterlijke beweeglijkheid.

En stil luisterend begon Bernard zijn ouden vrind nu langzamerhand heelemaal te zien en te herkennen. 't Was toch wel zoo: Edward was ouder geworden. Zijn hoekig, leelijk-onregelmatig gezicht was nog wat bleek-geliger en nog wat droog-magerder dan vroeger; hij had een paar dwarse plooien in zijn voorhoofd en in het trekken van zijn mond had hij iets eigenwijs-deftigdoends, iets ouweheerigs gekregen. Maar zijn oogen, die waren nog net als vroeger, mooie, donkerbruine, fluweel-zachte oogen. Zijn oogen maakten zijn leelijkheid innemend, sympathiek, maakten dat je die leelijkheid eigenlijk niet zag. De toon van zijn blik ging van droog-eerlijke goedhartigheid tot een diep-vonkelende zieleweelde. En Bernard voelde misschien beter dan ooit vroeger, dat zijn vrind een goed man was.

Even voor ze er waren zei Edward: "Je bent in die drie jaar niet dikwijls bij ons geweest, hè!...." En Bernard, licht blozend weer, bekende: "Nee, heel weinig!.... Ik heb wel 's een visite gemaakt,.... maar nu toch in een heelen tijd niet!.... Och, je weet, ik heb nooit veel tijd!" "Ja, ja! altijd die drukte van jou!" zei Edward, vroolijk-plagend, maar Bernard hoorde in zijn toon, dat hij best begreep de eigenlijke oorzaak van dat weinig-komen bij de familie van zijn vrind. En dat was, dat hij niet veel hield van de familie, vooral niet van Edwards moeder, een statig-deftige, trotsch-vrindelijke, voorname dame, die over alles sprak en bijna alles afkeurde op een onuitstaanbaren toon van gezag.

Zij was de eerste die ze zagen, toen ze aangekomen waren in de villa -- een leelijk-vierkanten massief-degelijken bouw, zonder zwier of statigheid, in een onevenredig-kleinen tuin --; ze vonden haar zitten in de zijkamer links, met een lorgnet op en een borduurwerk in de hand. Ze stond op om Bernard met beleefde vriendelijkheid te begroeten. Glimlachend vroeg ze hoe 't hem ging en hoe zijn oom en tante 't maakten, en schoof hem een stoel toe. Maar toen hij even zat begon ze: "Wat hebben we jou in geen tijd gezien! -- Wel, laat 's kijken.... dat is, geloof ik, wel een heel jaar!" "'k Geloof 't ook, mevrouw," zei Bernard en hij praatte weer zoowat over zijn drukte altijd.

"Och, maar je moest je toch niet zoo door je zaken laten ringelooren, jongelief, wat een dwaasheid!.... Zaken zijn om te leven!.... Niet andersom!.... En dan, kijk 's even aan: wij kennen je nu wel, maar heusch.... héél.... véél.... ándere menschen zullen je heel onbeleefd vinden,.... zullen je kwalijk nemen dat je ze zoo verwaarloost...."

"Nou, mevrouw, nu overdrijft u toch een beetje!.... Ik geloof niet, dat er veel menschen zijn, die over me denken, als ze me niet zien."

"Dát zeg ik ook niet!.... dát 's wel mogelijk!.... dát weet ik natuurlijk niet!.... Maar áls ze aan je denken, dan zeggen ze: wel foei, wat 'n onbeleefd heer is die jonge Bandt!.... die weet niet hoe 't hoort!.... Ja jongen, je weet wel, ik zeg 't altijd maar net zooals ik er over denk. Ik heb me altijd zoo'n beetje beschouwd als een tante van je, die je wel zoo er 's à faire mocht nemen!...."

"Maar mama," viel Edward in, "neem me niet kwalijk, hoor! maar nou vind ik toch wezenlijk, dat u zelf heel onbeleefd wordt tegen Bernard, door hem dadelijk bij zijn aankomst al een standje toe te dienen!.... De arme jongen is er beduusd van!.... Trek jij je 'r maar niks van aan, hoor Bert!...."

"Nota bene," antwoordde ze langzaam, "zeg 's, jij hebt daar uit Indië ook fijne manieren meegebracht!.... Maar al spreken die liplappen daar zoo tegen hun mama's, dat is nog geen reden om 't hier in te voeren."

Haar wat slepende, zuiver en correct uitsprekende stem was aldoor damesachtig-zacht, hoog-vrindelijk, maar Bernard voelde toch dat 't maar veiliger was gauw over wat anders te praten en dus vroeg hij schielijk: "En hoe maakt meneer 't, en Truida en Frits?" "O, dank je! heel goed," zei mevrouw, "Frits zal je vandaag niet zien, hij moest uit dineeren in Utrecht." "En hebt u goede berichten van Herman uit Hannover?" "Zóó.... zóó!" zei ze, "de jongen verduitscht me daar te veel,.... hij schijnt nogal met drinkeboers om te gaan, hij schrijft telkens over zoo'n bierkommers -- of hoe heet zoo'n ding, -- dat bevalt me niet erg. Die duitsche distinctie, dat is ook al niet dàt! -- net zoo min als de indische...."

Edward keek Bernard quasi-somber aan, zijn mond naar voren zettend om kinderlijk-deemoedige verlegenheid na te bootsen, en gaf hem toen een vroolijk knipoogje.

In de gang hoorden ze intusschen geloop van thuis-komende menschen en even later kwamen Edwards vader en zijn zuster Truida, een meisje van zeventien of achttien jaar, de kamer in. De heer van Laeken groette Bernard met een luchtige, ietwat zwierig-geaffecteerde vriendschappelijkheid, maar niet joviaal, en 't meisje zei hem heel stijfjes goeden-dag.

En ze gingen even zitten praten in een vormelijk half-kringetje.

"Vind-je niet, dat Eddy er perfect uit ziet," vroeg meneer. "Nee," antwoordde Bernard. Hij vond 't niet, integendeel, hij vond dat Edward veel ouder was geworden en dat hij er een beetje vermoeid uitzag.

"Hoe zeg je?.... vermoeid?.... ja, ja, dat kan ook wel!" zei de vader, zijn sigaret aanstekend, die bij 't binnenkomen uitgegaan was. "Hij heeft nogal besognes gehad!.... en dan de reis!.... ja.... ja!.... je moet zoowat doen in de wereld tegenwoordig!.... Maar hij heeft dan ook aardig promotie gemaakt, vindt je niet?.... Heeft hij 't je al verteld?...."

"Nee," zei Edward, "we hebben 't nog niet over de zaken gehad."

"O!.... nou maar! dat zul-je dan nog wel hooren!.... hij moet 't je maar 's precies vertellen.... Dat wordt een persoon van gewicht in Indië, hoor! Dat komt over een jaar of wat thuis met een lintje, pas op!"

Edward lachte, kort en zwaar met een beetje minachting, maar ook met iets van verlegenheid tegenover Bernard. "Ja, ja!.... Ik denk 't ook," zei hij, "maar, 't is waar, ik heb nog al geboft, en ik zal er wel komen daar.... En ik heb er ook veel plezier in," voegde hij er bij, na even zwijgen, op verhoogden toon, als wou hij die verlegenheid weggooien.

"Daar heb-je 't, zie je," zei zijn vader, "dat is 't voornaamste, dat vind ik ook!.... Waar je plezier in hebt, dat doe je goed. Als je geen plezier hebt in je zaken,.... dan zal-je ze ook nooit goed doen," zei hij, zich naar Bernard draaiend met 't glimlachend gezicht en de gebaren van een goochelaar, die een schotel met goudvisschen uit zijn binnenzak haalt.

"Die bankzaken lijken me toch anders niet erg verkwikkelijk," zei mevrouw, langzaam en vrindelijk, doorbordurend met een kalm-gracelijke armbeweging. Niemand gaf antwoord. Er volgde een stilte met wat gekuch. Truida keek met verdrietig-opgetrokken wenkbrauwen 't raam uit.

Bernard vond dat 't gezin er niet amusanter op was geworden in dat jaar van zijn verwaarloozing. Hij was blij toen de meid kwam zeggen dat de koffie klaar was. Aan zoo'n koffietafel, dacht hij, daar heb-je tenminste wat te doen. Maar 't viel ook niet mee. De stemming bleef koud. Er werd gepraat maar er was aldoor een zekere verveeldheid in de stemmen, een geluid of ze dadelijk zouden gaan geeuwen, en de ouders van Edward schenen elkaar ook niet erg meer te boeien; Bernard merkte dat veel meer dan vroeger. Het meisje zei enkel nu en dan iets over 't weer, met een vadsig-lijmige stem, alsof 't haar eigenlijk te veel was om haar mond open te doen. Bernard voelde zich alweer verlicht toen 't afgeloopen was en Edward hem dadelijk meenam naar zijn kamer, om hem allerlei dingen te laten zien, die hij meegebracht had. Ook voor hem had hij wat, een mooie kris met een gesneden ivoren heft. Bernard was er heel blij mee; hij bekeek 't mooie ding met eerbied, met iets van stille aanbidding, hij vond 't mysterieus als een lang van binnen bekeken bloem, een heerlijk bezit. Hij vond 't een genot het fijn-glooiende, scherp-gepunte staal koel te voelen in zijn hand en het snijwerk gaf hem een gevoel van jaloersche bewondering, voor die menschen, die dat daar zitten te maken in stille aandacht, zooals hij 't wel 's gezien had op een tentoonstelling, die menschen die niets doen dan mooie dingen maken en zeker zacht-weemoedig-gelukkig zijn....

"Maar nou vooruit, aan den wandel, vóór 't weer verandert," zei Edward, en haastig trokken ze hun jassen aan en gingen op weg.

En ze maakten een mooie wandeling samen, breede lanen door, langs uitgestrekte buitenplaatsen, waarvan de huizen, als wijkplaatsen van intiem genot, rustig-ver van den weg lagen, en ook door dorre, bladerlooze bosschen, stille, verlaten bosschen, over wegen, half verwoest door 't winterweer, en ook over de eenzame, wijd-naakte heigronden. En ze praatten veel, vooral in 't begin. Edward had nog te vertellen van zijn leven in Indië en van de terugreis en later begon hij te vragen naar een heelen boel menschen, die hij gekend had in Amsterdam.

Terloops, toen Edward even zwijgend doorliep, verwerkend wat hij gehoord had over een ouden kennis, zei Bernard: "Hé, je bent verleden week nog in Amsterdam geweest, nietwaar? André had je zien loopen in de Kalverstraat."

Edward keek op. "O ja," zei hij, met een zweem van verlegenheid. "Ja.... ik moest er even zijn,.... 'n boodschap doen!.... En Jan en Anna hadden me op de koffie gevraagd.... 'k Had graag nog even bij jou aangeloopen, maar.... eigenlijk hebben ze me aan de praat gehouden,.... ik kon 't niet meer halen.... Wie zag me, zeg je? André?"

"Ja," zei Bernard kort.

"Hoe gaat 't dien?" vroeg Edward.

"O, best.... 'k zie 'm zooals je weet haast allen dag!.... We eten samen met Sam van 't Hout en nog een paar lui...."

"Ja.... ja!.... Aardige vent, die André!.... 'k Mocht 'm altijd graag!.... 'n Beetje druk...."

"En een beetje oppervlakkig," zei Bernard.

"Nou ja, mijn God, kerel!.... ja, ja! dat 's wel waar, maar.... heeft hij dan toch ook ten slotte geen gelijk met zich de dingen niet te veel aan te trekken,.... waarachtig, je kunt dat ook _te_ veel doen,.... je kunt ook _al te_ -- hoe zal ik zeggen? .... degelijk is 't woord niet,.... te diep.... te zwaar zijn!...."

"Zóó? Heb jij dat ook ingezien," vroeg Bernard, licht spottend.

"Eerlijk gezegd: ja!.... Ik ben, geloof ik, wel wat luchtiger geworden!.... Misschien kwam 't wel omdat ik jou ernst niet meer om me heen voelde!.... Ik voel me doorgaans opgewekt, levenslustig tegenwoordig en erg optimistisch!.... Misschien ook is 't klimaat daar in Indië bizonder geschikt voor me!.... 't Is een feit dat ik er me lekker voel, ik kan best tegen de warmte; je weet: ik ben van ouds een koudkleum.... En dan, misschien ben ik ook wel een beetje meer practisch filosoof geworden!.... De ondervinding in 't zakenleven en zoo'n heel nieuwe omgeving met zooveel verschillende menschen,.... dat doet ook wat!.... Ik voel dat een heele boel dingen, waar ik vroeger wel mee dweepte, me nu niet warm meer zouden maken!.... Ja.... ja!.... ik weet 't wel: jij zult dat droogstoppelig-prozaisch vinden!.... 't Valt je tegen van me, maar.... ik moet 't toch wel zeggen, want 't is nu eenmaal zoo!...."

"Ja, natuurlijk," zei Bernard op matten toon. "En je zult ook wel gelijk hebben...." Maar hij wist eigenlijk niet goed wat hij zei. Hij wist niet eens precies wat Edward gezegd had. Hij had alleen zijn stem gehoord, die klonk als van iemand die iets zwaars op zij duwt. En hij had in-eens begrepen, dat zijn zwaarmoedigheid zijn vrind drukte, hij had in-eens heel duidelijk gevoeld, dat 't ook wel niet anders kon, want dat hij zwaar was, te zwaar voor anderen. Zijn gedachten, zijn idealen, zijn opvattingen van alles, waren zwaar. O, 't drukte hem zelf zoo, altijd overal dat zware.

Ze zwegen een poos en Bernard voelde 'n grijze triestigheid trekken over alles wat hij zag en over hem zelf. 't Was of er een nevel kwam voor zijn starenden blik. En hij voelde zich moe, loom. Sjokkerig en eenzaam als een landlooper voelde hij zich gaan over den weg. Al dat opgewekte van den morgen, dat verlangen naar actie, naar beweging was weer weg.

Maar plotseling -- 't bloed sloeg hem naar 't hoofd met een schok als van schrik -- neen, neen! hij wilde die stemming niet! Hij wilde zijn besten vrind niet vervelen de eerste maal, dat hij weer met hem was. Hij moest zich overwinnen, hij moest dat van zich gooien. Want anders -- die gedachte was 't die als een vlijmende pijn door zijn ziel getrild had en hij had dat voor zich gezien als een visioen -- anders zou Edward hem uit den weg gaan loopen, dan zouden Edward en zijn andere vrinden, die vroolijk waren en echt-jong, elkaar ontmoeten en lachen samen en hij, Bernard, zou er uit raken, en hij zou heelemaal, heelemaal alleen zijn. Neen,.... neen,.... dat nog niet!.... hij zou 't toch nog niet kunnen,.... en hij wou 't ook niet, hij wou Edward niet verliezen, hem afstaan aan anderen....

En hij was 't die nu weer begon te praten, -- met een opgeruimde, toonige, ietwat te hooge stem, -- te vragen naar 't leven in Indië, hoe dit daar ging en hoe ze dát daar deden. En Edward keek hem wel even schuw-verbaasd aan, maar hij gaf dadelijk op denzelfden toon antwoord, en een heelen tijd praatten ze weer door op die manier.

Maar toen ze, tegen vier uur, aan een uitspanning waren gekomen en daar een borrel zaten te drinken, begon Edward in-eens: "Zeg 's, je moet nou niet denken, dat ik niet merk, dat je je vroolijker houdt dan je eigenlijk bent. Dat doe je om mij,.... zie je, en dat vind ik toch ook niet prettig. Zoo zijn wij nooit samen geweest! Praat met mij ronduit over alles wat je hindert, en ik zal mijn best doen je.... te raden,.... te helpen...."

Dat was heel hartelijk bedoeld, Bernard hoorde 't. En toch deed 't hem pijnlijk aan, met naar-weeë schrijning. Hij wist zelf niet hoe 't kwam. Was 't Edwards stem, die 'n beetje aarzelend, zijn toon die ietwat meelijdend-beschermend was, of zijn woordenkeus!.... Hij wist 't niet.... Edward had gelijk, 't was niet prettig voor hem, bij God neen, niet prettig, prettig, prettig....

"Dank je!...." zei hij, hem even aankijkend met een matten, droomerigen blik, "je bent heel hartelijk voor me.... Je bent trouwens altijd zoo voor me geweest.... Maar.... maar.... re.... laten we toch maar liever gewoon doorkletsen! Nee, zie je!.... laat ik maar niet te veel gaan praten over me zelf!.... Ik vind dát toch eigenlijk ook lang niet prettig.... Je weet wel, ik houd er niet van!...."

"Nou, zooals je wilt," zei Edward, toonloos.

"Kom! ga je mee," vroeg hij even later. En hij betaalde. Ze stonden op en liepen verder, op weg naar huis nu. Ze waren allebei stil, zwijgend naast elkaar gaand tot Bernard weer begon. "Kom, kerel, ben je nou gek! Trek-je je dat nou wezenlijk aan?.... Wat een nonsens!.... Mijn God! ik heb toch immers niets! Ik heb toch geen kwaal, ik ben toch niet hopeloos verliefd!.... Als ik niet opgewekt ben, dan ligt dat aan mezelf en aan mezelf alleen. Waarom zou ik daar nou over loopen zeuren?...."

En Edward draaide zich half om naar hem en zei heftig, blijkbaar wat opgewonden: "Juist! Daar wou ik je hebben! Nu sla je den spijker op zijn kop! 't Doet me verdomd veel plezier, dat je 't nou zelf zegt, dat 't alleen aan je zelf ligt. Zoo is 't ook. Je bent wat melancholisch aangelegd en je geeft daar te veel aan toe.... Dat is niet goed, niet flink! Je moet je daartegen verzetten met al de kracht die in je is. Je bent nog zoo jong, kerel, je hebt nog haast je heele leven voor je, bedenk dat toch, en houdt je zelf frisch en moedig!...."

"Zeker!" zei Bernard, -- die maar blij was dat zijn vrind 't zich blijkbaar toch niet zoo aantrok en weer gewoon praatte. -- "Zeker, zoo is 't ook!.... Ik heb immers al gezegd dat je gelijk hadt.... Denk-je dat ik 't allemaal niet weet wat je daar zegt?.... Ik beloof je; ik zal mijn best doen. Kom jij, in den tijd dat je nog hier in 't land bent, maar veel bij me. Dat zal me wel goed doen...."

"Goed!.... graag! 'k beloof 't je," zei Edward. "Maar zeg me nu nog één ding: ben je werkelijk niet verliefd?"

"Nee!" zei Bernard.

"Ook niet geweest in den laatsten tijd?.... Dat 's wel een wonder voor jou!"

"Dat zou 't ook zijn," zei Bernard glimlachend. En hij vertelde met een kalme vertel-stem van de trouwpartij en van Mimi. Edward luisterde aldoor aandachtig, vol belangstelling, glimlachend als iemand die innig plezier heeft in een verhaal. Hij scheen weer heelemaal over zijn ergernis heen.... "En hoe komt 't dat dat nu zoo heelemaal bij je weg is," vroeg hij ten slotte.

"Wel, ik weet 't waarachtig niet," zei Bernard. "'t Was toch zeker niet dat!.... Ik denk haast nooit meer aan haar tegenwoordig.... Als ik morgen haar verlovingskaart kreeg, zou 't misschien even...... Nee! ik geloof eigenlijk dat 't me onverschillig zou laten. Ik zou haar een kaartje sturen, en wat bloemen.... of ook niet...."

"Je moet me haar toch 's laten kijken," zei Edward, aldoor glimlachend, "ik ken haar, geloof ik, nog wel van vroeger.... Wel ja, ik geloof haast, dat ik 'r wel 's ontmoet heb indertijd bij van den Bosch aan huis.... Ik kwam daar nog al dikwijls, herinner je je wel?.... 't Zijn familievrinden van ons.... Ik zal er weer 's gauw een visite gaan maken...."

"Wel ja, misschien zie je haar dan ook wel weer 's," zei Bernard met een stem alsof hij over wat anders dacht.

"Ik hoop 't," zei Edward. "Want zie je ik ben net in een stemming dezer dagen om gecharmeerd te worden op zoo'n soort meisje.... En als ik jou dan toch niet in de wielen rijd...." Hij keek Bernard even spottend aan, maar die zei eenvoudigweg en met een strak gezicht: "Ga jij je gang, hoor!"

Ze bleven nu doorpraten over allerlei menschen tot ze thuis waren.

Mevrouw begreep al niet waar ze bleven. "Ben je niet doodmoe?" vroeg ze aan Bernard.

Er was visite geweest. Natuurlijk! De menschen kwamen voor Edward. 't Was wel jammer dat hij nooit thuis was. Hij begreep toch wel dat er dezer dagen, en vooral 's Zondags, kennissen kwamen om hem te verwelkomen!

"We hebben een goddelijke wandeling gemaakt, mama," zei Edward.

"Dat kan ik me denken," zei ze, "'t is nu nog al een seizoen voor zulke tochten!.... Waarom heb je dan tenminste de brik niet genomen, als jelie dan met alle geweld er op uit woudt.... Geloof me, jongelief, je zult je nog ziek maken...."

Aan tafel was weer dezelfde stemming als 's morgens. Alleen was papa wat spraakzamer en zijn vroolijkheid wat natuurlijk, wat jovialer. Hij deed verhalen uit zijn jonge jaren, soms even met een schuwen blik naar zijn vrouw, die intusschen, als hoorde ze 't niet, zacht met Truida zat te praten, nu en dan over haar heen den tuin inkijkend, met een air van licht-gemelijk, maar berustend dédain.

Ze tafelden lang; er was een uitgebreid menu.

En de heeren bleven nog wat napraten, met fijne sigaren, koffie en pousjes. En meneer raakte erg op dreef. Hij vertelde een paar dingen waaruit bleek dat hij 's middags op de societeit was geweest. Hij vroeg herhaaldelijk, met vergenoegde knipoogjes, wat Bernard wel zei van Edward, of hij ook niet dacht dat hij een piet zou worden daar in Indië. Ja zeker, dat dacht Bernard ook.

Toen ze daarna thee-gedronken hadden bij de dames en net nog wat zouden gaan whisten, merkte Bernard op dat 't zijn tijd was. Och, maar dat was jammer, vond meneer, zichtbaar teleurgesteld; hij moest vooral 's gauw terugkomen.

Edward bracht hem naar den trein. Onderweg maakten ze nog een afspraak voor de volgende week. Dan zou Edward den Zondag in Amsterdam komen doorbrengen en bij Bernard, op de kanapee, logeeren.

En Bernard was weer alleen in den trein. Maar hij voelde 't nog niet dadelijk, 't alleen-zijn. In zijn warm hoofd roesde en soesde nog al 't gepraat van den dag, hij hoorde aldoor de stemmen van Edward en zijn vader. En hij gaf opzettelijk toe aan dat roezige in hem, dommelend in een hoek van de coupé; hij zat aan allerlei kleinigheden te denken en aan Edwards familie en liet niets tot volle helderheid komen in zijn geest. Hij wou den algemeenen indruk van dien dag, van den eersten dag met Edward, niet voor morgen nagaan in zich zelf. Hij wou eerst slapen. Dat zei hij telkens in zich zelf: eerst slapen. Toen hij weer in de open lucht kwam, loopend van 't station naar zijn kamer, wou 't telkens boven komen, 't denken over dien indruk. Maar met een vagen angst herhaalde hij in zich zelf: eerst slapen.

En 't lukte. Hij was moe van den ongewonen dag-in-de-lucht en die lange wandeling.

XI.

Maar buitengewoon moeilijk was hem dien Maandagmorgen 't opstaan. 't Was of de slaap hem geen rust gebracht had, hij voelde zich geknakt in den rug, van moeheid, en volkomen lusteloos. Met een onbestemd gevoel van bange benauwing -- zonder zich er in te denken -- zag hij op tegen den dag. Een heele poos bleef hij half wakker met open oogen, liggen in zijn bed. 't Was of de tijd hem niet aanging. Maar met een druk-dringend geklop op zijn deur kwam zijn juffrouw hem weer roepen, met een hoog-schelle stem, heesch van schrik en ontzetting over zijn ongewone luiheid: "Meneer!.... weet u wel dat 't bij half-negen is?.... meneer!.... meneer!"

"Ja, ja!" riep hij nijdig terug en bromde: "stik toch!" en in-eens trok hij zich de dekens tot om 't hoofd en kwam 't in hem op 't nu eens niet te doen, 't te verdommen, gladweg.... Maar -- beter wakker nu -- schoten hem met een sarrende kalmte van noodzakelijkheid allerlei dingen in, waar hij bepaald voor zorgen moest vandaag, en de bedienden konden niet opschieten, want hij had den sleutel van de brandkast in zijn zak, en er kwam hem iemand spreken, tegen tien uur.... En even later trapte hij met driftigen wrevel zijn dekens van zich af en liet zich uit zijn bed zakken.

Er was aldoor nog iets anders dan 't gewone alledag-kantoorleven, waar hij tegen op zag, maar hij liet 't niet nader komen, -- vaag voelde hij 't dreigen als wanhoopsstemmen in de verte.

En toen hij de frischheid van 't water gevoeld had en, zich afdrogend, naar een raam van zijn kamer liep om even te zien wat voor weer 't was, herinnerde hij zich in-eens zijn gister-avond-plan om nu, van morgen, -- in den kil-nuchteren stadsmorgen -- in zich na te gaan den indruk van dien eersten dag met Edward, maar, wrevelig, drong hij dat weer uit zijn gedachten, 't uitstellend onder voorwendsel-voor-zich-zelf, dat hij geen tijd had, dat hij denken moest aan zijn zaken.

Maar 't werk viel mee dien morgen, en tegen elf uur, terwijl hij aan zijn lessenaar zat te schrijven een paar brieven, kwam 't nader, àl nader, 't dreigende in zijn ziel, en 't hielp niet meer of hij al zijn best deed zijn hoofd te houden bij zijn zakengeschrijf, in-eens bonkte 't op hem neer en wrong 't zich in hem, met onwrikbare stevigheid -- als een schroef die met een domme-kracht gedraaid wordt in 't wijkende hout: -- Dat is uit, je hebt geen vrind meer!.... Er was lijdelijk, lijdend verzet in hem, hij wilde niet, maar hij moest; onmachtig onderging hij zijn scherp vaststellende gedachten. En er kwam een zacht, onhoorbaar-kreunend geklaag in zijn gemoed: Er is geen vrindschap.... Er is geen vrindschap....

Intusschen schreef hij door, korte, zakelijke zinnen, over provisiën en termijnen van betaling. Het was zijn gewone, regelmatige handschrift, groot-open, zonder krullen. Wonderlijk los was zijn bijna machinaal aan-zaken-gedenk van die zware gedachten, die als van-zelf ontstonden, zich verdrongen en ophoopten in zijn achterhoofd. 't Was of een diep-sombere stem daar sprak, toonloos, maar doordringend zijn gansche zijn: De mensch is alleen. Er zijn geen vrinden. Er is geen vertrouwelijkheid. Sympathie is bedrog. Gevoel is niet te deelen. Niemand kan een ander geven wat hij heeft zonder 't zelf te verliezen.... En telkens terugkeerend, allengs vergrijzend, weg-somberend in de doffe melancolie: De mensch is alleen....