De roman van Bernard Bandt

Part 13

Chapter 133,996 wordsPublic domain

Dikwijls onder zijn werk en 's avonds dacht hij aan dien vroegeren tijd, en veel momenten van hun samenzijn kwamen met de omgeving en allerlei kleinigheden wonderlijk duidelijk terug in zijn geest. Hij herinnerde zich precies den klank van Edwards stem bij een ruzie die ze gehad hadden en hoe hij gekeken en gelachen had andere keeren. En God ja! dat was me 'n geschiedenis geweest toen Edward verliefd was op dat meisje in Baarn, die niets van hem wou weten!.... Toen had hij hem heel wat zorg en tobberij gegeven.... Want 't was heel ernstig geweest, Bernard had 't net gevonden of hij zelf een blauwtje geloopen had en hardop tegen zichzelf redeneerde, alles wat hij zei tot zijn vrind.

Hij wist 't nu: Maandag den zeventienden Maart, 's morgens om drie minuten over half twaalf zou Edward aankomen. 't Was ellendig jammer dat 't juist trof in zijn druksten tijd. Hij zou in de week bijna geen tijd hebben om aan Edward te geven. Maar 's Zondags! Ja, de Zondagen zouden weer ouderwetsch worden, lange wandelingen zouden ze maken, heerlijk verre zwerf-tochten, over de hei, tegen zonsondergang....

De dagen van Maart kropen, maar ze kwamen om, ze waren ten slotte verduwd, de taaie dagen. En dien Zondag, den dag vóór Edwards aankomst ging Bernard naar Bussum, omdat hij er dan weer een heelen tijd weg kon blijven, zonder dat ze 't onhartelijk gingen vinden, en ook omdat hij niet geweten zou hebben wat hij moest doen in Amsterdam. Want hij zou niet kunnen lezen en onmogelijk zijn hoofd kunnen houden bij 't gepraat van zijn Amsterdamsche kennissen. Hij was een en al zenuwachtige ongedurigheid. In Bussum ging hij wandelen, in zijn eentje, in 't gure regenweer en maakte zijn oom en tante ongerust door zijn gejaagde opgewondenheid.

Oom sprak er over tegen tante. Hij was bang dat de jongen zich overwerkte, en nu weer die vrind, juist in den drukken tijd, hij had daar geen tijd voor nu; hij was op 't oogenblik overspannen-opgewekt, maar je kan je zelf toch zoo niet forceeren.... en zoo.... Maar tante zei, met een breeden glimlach, dat zij er 't hare van dacht, en toen oom dom-verbaasd opkeek: "Ja.... ja.... enfin!.... ik weet niets, hoor!.... we zullen zien!...." En oom, haalde zijn schouders op en zei met wat ongeduldige ergernis: "Jelie vrouwen denkt, geloof ik, dat jonge menschen eeuwig en altijd verkikkerd zijn!...." "Nou, en is dat dan niet waar," vroeg tante. Daarop zweeg oom, nog wat pruttelend alleen van: man van zaken.... andere dingen aan zijn hoofd.... maar heel zachtjes.

En den anderen morgen al om kwart over elven was Bernard op 't perron. Ziende de drukte daar, 't haastige bewegen van menschen, die weggingen en menschen die aankwamen, en onverschillige dienstdoenders in uniform, schaamde hij er zich even over, dat hij zoo vroeg was, weer scherp voelend zijn gebrek aan, "altijd man van zaken zijn," businesslike, clever, up to the market.... ja, die Engelschen weten 't. Even bleef hij staan, vaag hopend Edward zoo te zullen zien komen, alleen naar hem die alleen was. Maar zoo ging 't natuurlijk niet. Even later kwam de getrouwde zuster met haar man en daarna ook Edwards vader uit Baarn en nog later een van zijn broers, die in Utrecht studeerde. Ze gaven Bernard en elkaar de hand en stonden quasi-kalm, vroolijk-luchtig te praten met kleine uitroepjes, intusschen allemaal telkens kijkend naar den kant van waar de trein moest komen, allemaal in de spanning van de laatste minuten voor een ontroerende gebeurtenis. 't Werd half twaalf, 't werd drie, 't werd vier en vijf minuten over half twaalf. Ze begonnen op hun horloges te kijken, beurtelings constateerend hoeveel minuten de trein al over zijn tijd was. 't Duurde lang. En eindelijk wist geen van de wachtenden iets meer te zeggen. Die vage ongerustheid, die vooraf gaat aan alle lang verbeide momenten, dat plotseling angstig-nabij voelen van 't in de dagelijksche soesa bijna vergeten noodlot, 't wreede toeval, verlamde hun praatvermogen, maakte hun 't wachten tot een tijdelijke manie; ze deden niets dan wachten. Nu en dan was er een gefluit in de verte en rekten ze hun halzen uit, maar ze zagen niets. 't Duurde lang.

"Daar-is-t-ie!" riep Bernard eindelijk. Werkelijk was een trein, een ronden hoek makend, in-eens in 't gezicht gekomen. De zwarte machine, als een laagvliegend monster, kwam snel-groeiend, recht op hen af; de grond onder hen begon te dreunen en in de lucht daverde een schurend gestamp. En, nu zelfs voor ze 't zich nog heelemaal bewust waren, stond de trein stil met heesch gehijg. Toen 't ongeregelde openstooten van de portieren en in-eens begon 't perron te wemelen van menschen, een beweeglijke grauwe massa, een plotseling-verwarrende herrie. Juist werd een andere trein afgeluid. Allerlei geluiden sloegen tegen elkaar met een verbijsterend kabaal....

Maar daar! daar was hij, Edward; 't was Bernard, die hem 't eerste zag, maar hij liet de familie voorgaan om hem te begroeten, zich met moeite op zij houdend. Maar een blik van herkenning had hij toch al gehad van zijn vrind en zijn hart bonsde met doffe dreunen op naar zijn keel. 't Waren de oude oogen. En daar hoorde hij ook de stem, klein onder 't gedaver van den vertrekkenden trein, zeggend: "Dag vader!" 't Was de oude stem. En, een paar seconden later, daar keek hij recht in die oogen, en daar voelde hij die vaste, prettig-droge hand in de zijne, en daar stonden ze elkaars armen te schudden, en te huil-lachen, en met vertrokken monden woorden van groet en hartelijkheid uit te hijgen. "Ben jij daar ook weer?" hoorde Bernard, "kerel!...... hoe gaat 't?.... hahaha!.... ja, ja!.... hoe gaat 't!"

't Was wel heelemaal Edward, Edward van vroeger, zijn vrind. Maar ouder, angstig ouder, veel ouder dan Bernard zich had voorgesteld. Hij was mager geworden, 't kon zijn dat 't daaraan lag. Zijn trekken waren veel scherper geworden, zijn oogen lagen dieper en vooral zijn voorhoofd was veel ouder. Bernard had een gevoel of zijn vrind nu ook ouder was dan hij. Hij zag bewegingen van hem, een manier van rechtop loopen, die hij niet kende, bewegingen van bereisd man, van iemand van ondervinding. Alle slapheid van jeugd was er uit. En in zich zelf voelde Bernard nu in-eens met een loom-landerige schaamte, nog heelemaal de oude jongensachtigheid.

Hij had zich ook voorgesteld, dat hij wat met Edward zou kunnen praten. Maar daar was geen gelegenheid voor. Natuurlijk omringden hem dadelijk zijn vader, zijn broer, zijn zuster en zwager en vroegen naar allerlei en zeiden hoe ze vonden dat hij er uitzag en zoo meer. En ze hadden heelemaal maar zeven minuten voor de trein naar Baarn vertrok. Dat kwam doordat die trein van Edward zoo over zijn tijd was. En daarbij moest er nog gezorgd worden voor zijn bagage. Dat nam Bernard toen maar op zich, want hij kon toch niet praten met zijn vrind. Hij deed 't vlug, oplettend en secuur, als om zich zelf afleiding te geven in die zorg. Want achter zijn koortsig-tintelende blijdschap kwam nu al somberen een gelig-grijs verschiet van teleurstelling, en toen de familie haastig in den trein gestapt was, die dadelijk wegreed, -- de student en de getrouwde zuster gingen mee, -- toen hij daar stond, los en koud naast dien bijna onbekenden man van Edwards zuster, den vertrekkende nog even nawuivend, en toen hij zich daarna omdraaide en dien vreemden man een hand gaf en goeden-dag-zei, en langzaam 't station afliep, de onverschillige straat op, terug naar zijn kantoor, toen was er in plaats van den verwachten gloed van vreugde een weeë leegte in hem, waarvan hij wel had kunnen huilen. Alles was gewoon, hard-gewoon op straat; de menschen liepen en praatten en lachten alsof er niets was gebeurd. En op kantoor zat een duitsche reiziger op hem te wachten, die hem verwelkomde met veel strijkages en luidruchtige complimenten. Hij was onaangenaam kort, een beetje onhebbelijk tegen dien man. Hij stuurde hem gauw weg, liefst had hij hem de deur uit laten gooien. En met knorrige onverschilligheid keek hij de post door, die intusschen gekomen was, en gaf een paar korte standjes aan bedienden en ging toen weer weg, koffiedrinken, niet aan zijn gewone tafeltje, maar ergens anders, alleen; hij wilde niemand van zijn kennissen zien.

En daar zittend, tot rust komend onder 't wachten op 't bestelde dejeuner, begon hij zich te troosten, en kreeg langzaam aan de blijdschap weer de overhand. Maar kalmpjes, akelig tam, heelemaal geen fontein van lichtgedachten, zooals hij 't zich had voorgesteld.... Dat hij nu ook juist zoo weinig tijd had dezer dagen!.... Edward had in de haast nog beloofd dat hij gauw zou komen.... Wat was gauw komen?.... Was dat morgen of overmorgen of aanstaanden Zondag pas?.... Hij had geen tijd van de week naar Baarn te gaan!.... Maar.... Edward was er weer, dat was ten slotte de hoofdzaak.... Hij was er weer voor een half jaar, hij bleef den heelen zomer over, en dan althans zou hij 't niet zoo overkropt druk hebben.... O neen! al gauw niet meer, al in Mei niet meer! Hij zou Edward zien over te halen tegen dien tijd in Amsterdam te komen logeeren, bij zijn getrouwde zuster bijvoorbeeld.

Dat vooruitzicht verlichtte zijn stemming weer, zelfs kwam er een sinds lang niet gekende, rustige vroolijkheid in hem, terwijl hij -- lezend, onder zijn dejeuneeren door, de woorden van een krant die naast zijn bord lag -- zat te droomen van de komende middagen en avonden met Edward. Telkens dacht hij even terug aan die aankomst in die haastige herrie op 't perron, en dan kwam ook weer die schimmige leegheid van teleurstelling als een vlaag van killen tocht, maar daarom drong hij dat aldoor weg uit zijn gedachten, en hij ging zacht zitten fluit-neuriën om zich gemakkelijker te houden in die luchtige stemming van aangename vooruitzichten. En zoo liep hij ook naar de Beurs en vertelde daar 't nieuwtje van Edwards aankomst aan dezen en genen die hem kenden, met een glans van vroolijkheid in zijn oogen.

Maar 's middags op kantoor, terwijl hij weer net als altijd moest zitten werken, en denken over zijn zaken, en zorgen voor zijn zaken, toen voelde hij met machtelooze ergernis zijn stemming weer zakken. Er was niets aan te doen. De komende dagen, de werkdagen, 't altijd noodige ploeteren van 's morgens vroeg tot 's avonds laat drukte hem. Hij maakte er zich verwijten van. 'n Ander, dacht hij, zou niet weten wat hij deed van halfdronken blijdschap, als zijn beste vrind terug was gekomen, na jaren van ver-weg zijn, maar ik zit dadelijk weer te tobben, ik akelige, ontevreden egoïst!.... Maar toch was er niets aan te doen, zijn stemming werd ál triestiger; zittend aan zijn schrijftafel bij 't raam van zijn kantoor voelde hij de vervelende zaken-beslommeringen met overstelpende massa's opgestapeld rond zijn lijf, en de straatgeluiden vielen loom-somber in zijn zwaar-zorgend hoofd.

's Avonds weer op kantoor -- zoo ging 't nu dikwijls! -- werd 't hem helder hoe 't kwam. Hij had er zich veel te veel van voorgesteld, hij had nooit met onbenevelden blik over dat supreme moment van weerzien heen kunnen kijken. In zijn droomerige verstrooidheid had hij iets bizonders, een anderen levenstoestand verwacht na dat moment, maar dat was natuurlijk niet gekomen. Alles was net als vroeger. Alleen woonde nu een goede vrind van hem niet meer in Batavia, maar in Baarn en was er kans dat hij hem in de komende maanden eenige malen zou zien. Anders was er niet. Hij voelde 't nu precies. De werkdagen waren als altijd vroeger en zooals ze ook wel altijd zouden blijven, een onophoudelijk weer leegloopend Danaïdenvat van zaken, van inkoopen en verkoopen, van omzet-vergrooten, relatiën uitbreiden, oppassen voor de concurrentie, een altijd maar opruimen, afdoen van allerlei papieren en papiertjes. Ja, een eeuwig en altijd rommel-opredderen....

En ook de avonden waren net als vroeger; hij was er niet minder alleen om of Edward nu al in Baarn woonde, als hij toch immers niet bij hem was.

Hij wende daar weer aan in een paar dagen.

Maar met een plotselinge pijn-schrijning als van ruwe steen langs de huid, en dadelijk daarna met de benauwing van een nieuwen berg levensondervinding, onverwacht opdoemend uit den mist, en waar hij nog doorheen zou moeten tobben, hoorde hij een vraag, los-weg gedaan door André, een dag of wat later. Of Edward niet bij hem geweest was dien dag, want hij had hem zien loopen in de Kalverstraat, alleen. Neen, Edward was niet bij hem geweest. Hij zei 't onverschillig, mat, zonder opkijken.... Maar waarom niet? God, waarom niet? Waarom is hij niet gekomen, vroeg hij zich dadelijk. Was dan toch ten slotte 't oude gevoel bij hem verminderd, weggeslonken of verdord en weggekild misschien binnen de wanden van een aan-zaken-alleen-denkend bankiers-hoofd, de als roestig ijzer ruig-kille muren van een cijfer-en-paperassen-bergplaats? Neen, neen, zoo was Edward toch nooit geweest. Was hij hem dan misschien te-zwaar-op-de-hand geworden, had hij al amusanter kameraden gevonden om zijn vacantie mee te passeeren, vroolijke vrinden, die 't leven begrepen?.... Er was innige bitterheid in Bernards overdenkingen terwijl 't gewone gepraat ging aan hun tafeltje van vijf. Hij was stil, maar hij zorgde er voor net zooveel nog te zeggen nu en dan, dat ze zijn stilheid niet merkten.

Dien avond moest hij weer laat op kantoor zitten. En toen zijn bedienden al een heelen tijd weg waren zat hij daar nog, schuin onder zijn lamp, allerlei dingen af te doen. Hij trachtte aan niets dan zijn werk te denken, maar hij werd moe; de dag was lang geweest, hij raakte op. En in-eens overmand door slapte, als verlamd door dof-loomenden weemoed en zelf-meelij, liet hij zijn schrijvende hand omvallen op 't papier en snikte even achter de andere, waarmee hij zijn hoofd steunde. Hij kon veel verdragen, maar dit was te hard, klaagde hij in zich zelf. Hoe had hij verlangd naar 't weerzien van Edward, zijn eenigen vrind -- dat had hij hem toch zoo dikwijls geschreven en altijd had de toon van 't antwoord zuiver teruggeklonken! -- hoe had hij naar hem verlangd en wat 'n teleurstelling was 't voor hem geweest, dat hij hem maar zoo'n paar enkele minuten had kunnen zien aan 't station!.... Was er dan niets in Edwards ziel geweest, noch van dat verlangen, noch van die teleurstelling?!....

't Duurde maar even. Toen hij uitgesnikt had en weer doorging aan zijn werk, met wat schaamte, 'n beetje ergernis over dat kinderachtig verdriet, werd hij bedaarder en al gauw heel kalm. Zoo wordt men immers wijs, zei hij tot zich zelf, nog vol bitterheid, maar niet meer week. Wijs zijn zij die geen illusiën meer hebben. Dat alleen zijn de wijze, de welbewapende en gepantserde menschen. Illusiën zijn niets dan even zooveel kwetsbare plekken aan een menschenziel.

En bedaard ruimde hij kort daarna zijn boeltje op, en sloot zijn kantoor en ging naar huis, eenzaam door de stille nachtstraten, met een hoog-rustige, streng-verstandelijke wijsheid in zijn hoofd, met zijn gevoel als weggesloten achter de grendels der staal-koele overdenking van zijn verhouding tot de menschen. Hij was alleen, goed, hij zou alleen zijn. Dat was nog geen ramp. Er waren misschien veel menschen, die alleen zijn, zonder dat je 't ze aan kunt zien. Hij zou 't leven wel doorkomen alleen. Niemand zou ooit weten, hoe hij had geleden. Maar hij zou minder lijden, want er was veel stil genot in 't alleen-zijn, alleen met jezelf, met de wereld binnen in je. Hoe zuiver vormden zich je voorstellingen in de eenzaamheid en hoe mooi, hoe fee-mooi werden je ideeën onder den stillen arbeid van je hersenen, zooals een rotsblok wordt tot schoonheid, met stille aandacht bebeiteld door den eenzaam-werkenden kunstenaar. Hij zou alleen zijn, goed, hij kon alleen zijn -- hij had 't goddank geleerd.... En in een met fijn gedenk, kunstmatig mooi bewaarde rust legde hij zich dien nacht te bed, en hij sliep vast en zonder droomen.

* * * * *

Maar den anderen dag -- och! daar was zijn gevoel weer en bezat zijn arme ziel. Daar was zijn gewoon-menschelijk verdriet weer om dat niet-komen van Edward. En nu -- als een moeder die haar kind sust -- zat hij zich te beduiden dat 't immers best kon zijn, dat Edward geen tijd gehad had. Dat hij op een bepaald uur hier of daar had moeten zijn, bij zijn zuster bijvoorbeeld, of dat hij zaken had af te doen, of.... ja, honderd andere gewone toevalligheden die hem belet hadden naar Bernard te gaan! Anders zou hij 't stellig wel gedaan hebben!.... Ofschoon,.... eigenlijk wist hij wel, dat Bernard feitelijk geen tijd zou gehad hebben om hem te ontvangen. Want zoo was 't immers! Als hij bij hem op kantoor was komen oploopen, wat zou hij er aan gehad hebben?.... De bedienden om hen heen zouden alle intimiteit weggenomen hebben en na een kwartier of een half uur zou Bernard dat gevoel hebben gekregen van: ik moet werken, er is werk dat baast heeft.... Dat had niets dan een gedwongen gepraat met pijnlijke zwijgingen kunnen geven, en bij Edward het gevoel dat hij hem van zijn werk hield, dat hij te veel was. En nieuwe teleurstelling zou er geweest zijn bij hun scheiding.

't Zou immers veel beter -- o natuurlijk veel beter en aangenamer zijn dat Edward 's bij hem kwam als hij tijd had, als 't er niet op aankwam hoe laat 't werd, als ze rustig zouden kunnen samen-zijn en praten, zonder aan tijd te denken.

Ook 's Zondags daarop kwam Edward niet.

Bernard had 't hem kunnen vragen met een briefje. Hij had 't niet willen doen. Hij had ook naar Baarn kunnen gaan, maar wie weet of hij soms stoorde 'n familiefeest; niemand had hem gevraagd. Hij bleef dus in Amsterdam, hij bleef op zijn kamer dien Zondag, wachtend, lezend, met lange tusschenpoozen van droomerig denken.

Een nieuwe week van haastig-hard werken volgde. Er kwamen nu telkens van die dagen waarvan Bernard toen geschreven had aan zijn vrind. Er zat lente in de lucht. Je voelde je soms onverwacht omwaaid van een zoetige-zoele koelte, licht van jonge frischheid en zwaar van zomergeuren; er zat iets nieuws in de lucht, iets vreemds, lekker aandoend en dan weer in-eens beklemmend, beangstigend bijna, niet-te-grijpen, niet-te zeggen, maar zuiver te voelen, en dan weer in-eens weg. Een hoopvolle verwachting van zomersche malschheid, die lang strijkt en streelt langs 't gelaat, bijna ongemerkt, en dan in-eens door 't willige lijf vaart en koortsig hijgen doet naar bevrediging van begeerten-waar-geen-woorden-voor-zijn. En in de lichter wordende avonden, de dampige, vreemd-geluidenvolle avonden, een plotselinge kilheid verraderlijk aanstrijkend over 't water, als de hoonende aanraking van den ouden, ijzig-dorren winter, die nooit weggaat, die alleen maar wacht, met cynische rustigheid van ouden man, tot het spelen weer uit is, tot zijn rijk weer is hersteld....

Bernard ging door de straten van zijn kamer naar zijn kantoor en van daar naar zijn restauratie en naar de Beurs; ergens anders kwam hij haast niet. Maar toch voelde hij de lente, de lekkere lucht die aaide langs zijn rug en langs zijn borst, die vluchtige begeerten naar lust van liefde los liet over zijn gedachten, waar ze dan even mee speelden als naakte nimfjes met een boschgod, de lentelucht, die zijn ademhaling korter maakte en zijn slapen en polsen deed gloeien en kloppen, en soms in-eens zijn voor hem liggend werk verhulde in een trillenden nevel, een rossig gewirwar, zoodat hij moeite had 't aldoor te blijven zien en er aan door te gaan met ijver en aandacht. En soms als hij buiten was, midden op den dag, kwam er een warm-uitslaande, loome volheid in zijn lijf, en in zijn hoofd een uit het niet gerezen, ernstige verwachting, als zou er iets bizonders met hem gebeuren.

Maar er gebeurde niets.

Alleen, 's Zaterdags van die week, kreeg hij een briefje van Edward: "Waarom kom je toch niet 's naar Baarn? Ik verlang er zoo naar je te zien, je bij me te hebben! Ik had je bepaald verwacht den afgeloopen Zondag, en reken nu op je voor morgen."

En Bernard kreeg een gloed van schaamte naar zijn hoofd, om al zijn harde gedachten over zijn verhouding tot zijn vrind. Wat een ongemotiveerd wantrouwen was dat geweest, niets dan gekrenkte trots en ijdelheid. 't Was 'n schande.... Eigenlijk moest hij zich zelf verbieden te gaan morgen.... Maar hij zou 't toch maar doen.

* * * * *

Dat was dus de laatste Zondag in Maart, een sterk-lichte dag van zon en wind en aldoor wisselende luchten, van glijdend drijvende wolkgevaarten, waar je hel en hemel in zien kon, donker-rotsige afgronden en stralende tronen omkranst van engelen. Bernard zat in den trein aldoor stil naar buiten te turen. Snel zeilden de scherpe schaduwen over 't zwarte voorjaarsland, dat fel opkwam in 't harde licht, snel als groote vogelen, die vliegen, breedwiekend, laag over de vlakte. Er was onrust, er was actie in de buiten-dingen. En Bernard voelde zich meelevend in die actie, in sympathie met zijn omgeving, opgewekt, bijna vroolijk en met verlangen naar veel beweging. Toen hij aankwam in Baarn zag hij dadelijk Edward staan, die hem afhaalde, hem al op eenigen afstand de hand toestak en hem begroette met lachende, beweeglijke hartelijkheid. En, dadelijk druk pratend, liepen ze samen naar de villa van de familie, die midden in 't dorp lag.

't Had Edward ook erg gespeten, dat hij Bernard aan 't station te Amsterdam maar even had kunnen zien. Ja, dat kwam ook door dat late aankomen van dien beroerden trein! Maar 't was jammer; en nu was hij waarachtig al veertien dagen in 't land en had hem eigenlijk nog niet eens gesproken. Maar waarom was hij dan ook niet naar Baarn gekomen? "Och-god ja! geen tijd, dat's waar, dit is juist je drukste tijd, hè?.... Kerel, wat een brief was dat, die laatste van je, die van October.... neen, maar kolossaal, je was op dreef, hoor!.... 't was geloof ik wel 'n twintig zijdjes...."

Bernard lachte 'n beetje pijnlijk; de luchtige herinnering aan dat moeitevol geschrijf deed hem onaangenaam aan. "Ik dacht.... dat je.... dat je zoo iets ook van me hebben wou," zei hij, even blozend.

"Zeker!.... Dat is ook zoo!.... O, zulke brieven heb ik zoo graag!.... Je hebt er mij erg veel genoegen mee gedaan...." Edward lachte even, zenuwachtig. "Ik proefde uit alles zoo mijn ouden Bert!.... nee-maar, waarachtig, kerel, ik was er erg trotsch op dat je mij je eenigen vrind noemde...."

"Maar," vervolgde hij na even zwijgen, met een licht, heel licht-ironisch glimlachje, "je zult me wel toegeven, dat je stemming nu niet van de allervroolijkste was toen je dien brief schreeft, hè!.... Kom, kom, zoo denk je niet altijd over de dingen!.... Zóó beroerd heb je 't ook niet, is 't wel?.... En je eenige vrind! Wèl ik ben er verduiveld trotsch op, maar ik had toch eigenlijk nog veel liever dat je rondom dik in de vrinden zat!.... En ik geloof ook eigenlijk-gezegd niet, dat je je daarover zoo te beklagen hebt.... Ik geloof om je de waarheid te zeggen, dat je wel een beetje erg ondankbaar bent, zoo nu en dan, hè?.... Nou ja! ik weet wel wat je zeggen wilt!...."

"'k Geloof 't niet, dat je weet wat ik zeggen wil," begon Bernard, "je kunt er wel gelijk in hebben dat ik ondankbaar ben,.... o ja!.... maar ik weet toch zeker dat ik heel dankbaar ben voor sommige dingen...."

"Als bijvoorbeeld een brief van mij!" vulde Edward weer aan op luchtigen toon, "ja zeker! dat weet ik ook wel, hoor!.... Maar kom!" zei hij weer met dat haast onmerkbaar-ironisch lachje, "laten we daar van middag nog maar 's over praten.... Want van middag moeten we weer 's een echte ouwerwetsche lange kuiering maken, hè, ouwejongen?"

En dat zeggend keek Edward zijn vrind even van terzij aan, zoo heelemaal met de oude, lang-gekende vrindenoogen, dat hij met dien blik 't opgekomen gevoel van niet-begrepen-zijn terugdrong in Bernards gemoed, achter warme emotie van zich geliefd voelen.