De roman van Bernard Bandt

Part 12

Chapter 123,979 wordsPublic domain

Eenmaal in dien winter was hij getroffen door wel vaag vermoede, maar toch onverwachte, en door de plotselinge openbaring warm-goeddoende sympathie. Dat was geweest op Sint-Nicolaas-avond. Hij had gegeten met André, Sam en Gerrit. Hendrik was al 's middags naar Haarlem gegaan om 't intieme feest heelemaal mee te vieren met zijn familie. Na tafel gingen Sam en Gerrit elk naar een bevriend gezin, genoodigd den avond te komen doorbrengen, Sam met zijn hoofd vol mal-jongensachtige grappen, die hij voorbereid had. Gerrit mopperend dat men hem op kosten joeg. En Bernard bleef met André alleen. 't Was of ze dat eerst allebei 'n beetje pijnlijk vonden, wat moeilijk, hun gepraat was ietwat gedwongen. Toch wilden ze bij elkaar blijven, in een verlangen om ten minste ook een beetje gezelligheid te hebben zoo'n avond, als het weten van de stralende gezichten om de familietafels de woningen hult in een tooverglans, als al die grijze huizen, -- waarvan 't binnenlicht zorgvuldig is afgedekt met deuren en gordijnen, zoodat je 't alleen hier en daar kunt zien gloeien door een spleet of langs een plooi, -- als zooveel ontoegankelijke kasteelen van heerlijk-intieme, vrij-juichende vreugde zijn.

Bernard had natuurlijk ook naar Bussum kunnen gaan, maar had het niet gewild. Hij kwam daar tegenwoordig niet graag. Hij had te veel moeite om vriendelijk en bedaard te blijven bij die wee-onbeduidende kletspraatjes, dat bedaard-lieverig-ernstig gekibbel over niets, die in-genoegelijke zelfvoldaanheid. 't Was er hem ook te vol van fraaiigheden. 't Werd hem er dikwijls te benauwd, te zweeterig warm, als van een stijf geknoopte dikke bouffante bij lauw-mistig weer; 't kwam misschien wel omdat het heele huis egaal verwarmd werd met een watergeleiding.

Dus was hij in Amsterdam gebleven, en nadat ze een poosje nagetafeld en kalm hun koffie gedronken hadden slenterden André en hij, van 't Leidscheplein komend, langs de helle flonkering van de groote winkelruiten de drukke Leidschestraat door. 't Was er heel vol. Er waren veel burgerfamilies op straat, die de winkels gingen bekijken, en veel jonge paren en gichelende meisjes, die uit waren "onder mekaar." En André, zich een beetje opwindend, begon veel notitie te nemen van de meisjes, ze brutaal aankijkend, toelachend en in 't voorbijgaan toesprekend met een holbolle stem van goedigen oom, en hij kneep een poezel dienstmeisje in de wang en sloeg zijn arm om 't middel van een ginnegappend burgerjuffie. Bernard vond hem een beetje lastig, hij voorzag een roezigen avond en even wou hij wel dat hij lekker rustig op zijn kamer zat te lezen. Maar plotseling had André een plan. "God, dat 's waar ook," zei hij, "goed, dat 'k er aan denk; 'k heb Anna wat beloofd voor d'r Sinterklaas, en 'k heb nog niks; 't arme kind rekent er vast op!"

Bernard wist, dat Anna een kelnerin was in een Warmoesstraatsche kneip. Hij kende haar ook wel, hij zag haar dikwijls overdag zich zitten vervelen voor 't raam van 't bierhuis, ze glimlachte hem toe als hij voorbijging, want ze wist dat hij een vrind was van André en Sam, en hij was er trouwens ook wel 's geweest met hen, 's avonds. Bij daglicht, zooals ze dan zat te kniezen in de triestige donkerte van de duffe leege kneip, zag ze er wat ouwelijk en opgelapt en sletterig-kwasi-damesachtig uit, met haar gekapte haar en de half-bloote armen, versierd met blinkende armbanden, die over 't breede voorschoot bengelden, maar 's avonds, als ze in functie was, in 't avond-lichte bierlokaal, slank en licht en vlug gaande tusschen de tafeltjes met 't witte voorschoot stijf gespannen om haar borst en buik en de kleine handen geklemd om ooren van bierpotten, dan was haar vroolijk-pittige gezichtje, dat bloosde van de warmte van 't werk, prettig om te zien gaan boven de met grauwe vilt bedekte koppen uit van de nonchalante bierdrinkers, de mannen van allerlei slag, die daar samenzaten in plompe houdingen, met hun zwaar-gewichtige bromstemmen, in den rook, als verkleede poldergasten, die schaftuur houden.

"Wat wou je koopen?" vroeg Bernard.

"Wèl, ik weet het waarachtig niet! 'n Ringetje of 'n speldje, 'n goedkoop dingetje natuurlijk! Kom, ga mee, in de Kalverstraat zullen we wel wat vinden en dan gaan we 't 'r brengen!"

En nu meer in 't besef van hun samen-zijn, door dat ze een doel hadden, begonnen ze samen te praten, André en Bernard; geen geregeld gesprek was 't, maar een reeks schertsende uitroepjes, waarin ze zich toch al half gaven, waarin een toenadering klonk, een natuurlijke hartelijkheid, ongewoon tusschen die twee, die, schoon dagelijks samen, officieele vrinden, altijd een zekere koelte in hun omgang hadden gehouden, alsof er iets was dat ze elkaar nooit vergeven konden. Bernard merkte nu, dat hij toch wel veel van André hield en hij wilde zich daar nu niet dadelijk rekenschap van gaan vragen, hij gaf zich willig over toen hij hoorde dat de toon van zijn stem een weerklank vond in dien van zijn vrind. Hij vond 't goedig en gul van André om iets voor dat meisje te gaan koopen, hij was blij dat hij mee mocht, hij vond 't in zich zelf weer burgerlijk-benepen dat hij nooit 's op zulke ideeën kwam. Dat kon nu immers juist 's een zuiver genotsmoment zijn, de ongeveinsde blijheid te zien in de oogen van zoo'n arm kind, als ze 's werkelijk verrast werd, niet met een neergesmeten fooi, maar met een cadeautje, als van een broer.

Ze gingen een bazar binnen en kochten een ringetje. En toen ze daarna vlug stapten 't Rokin over en zoo naar de Warmoesstraat, naar de kneip waar Anna bediende, voelde Bernard lichte scheuten kinderlijke blijheid door de doffe avondzwaarte van zijn bewinterjasd lijf varen. En ook André, in gewild-ruw-cynische woorden pratend over 't kelnerinnetje -- waar hij wel 's mee uit geweest was -- trachtte blijkbaar een jongensachtig plezier in 't plannetje te verbergen. En ze werden zoo vroolijk samen in hun haastig voortstappen, dat ze telkens proestend liepen te lachen.

Ze kwamen in de bierkneip en zochten dadelijk Anna met hun oogen. Ze gingen naar den hoek waar zij altijd bediende. 't Was leeg in 't lage lokaal, veel stamgasten schenen van avond ten minste 's thuis te blijven. Hier en daar zaten er een paar te brommen, en aan een hoektafeltje zat, dwars op zijn stoel, een kwasi-jeugdig, grijs-kalig heertje in een viezig-ruige jas, zonder hoed, met bierdruppels hangend aan zijn dikken, over den mond rondenden snor, en zijn hand aan een pot met bier. En naast hem zat Annatje. Hij zat haar blijkbaar met een scheefgetrokken mond schunnige komplimentjes te maken; zijn dronkemansblik hing heet-kleverig aan haar smal-bleek gezichtje, dat ernstig-sentimenteel, zoet-lievig luisterend voor zich keek. Haar handen, als die van een kostschoolmeisje, lagen slap in haar schoot.

Bernard en André gingen in den tegenover gelegen hoek zitten. Ze zeiden niets. André vloekte stil voor zich heen, met nijdige gebaren, en Bernard voelde een chagrijnig sarcasme in zich oprimpelen. Driftig-hard tikte André met de knokkels van zijn hand op de tafel. Anna keek om en glimlachte flauw, zoetjes-langzaam knikkend, maar ze wendde zich dadelijk weer naar den man met den natten snor, die ook even, met een schuw-wantrouwigen blik de twee jongemannen opgenomen had.

"Stik!" bromde André.

En er kwam een andere kelnerin, een dikke meid, erg duitsch, met een vette grijns, en André snauwde haar zoo barsch mogelijk toe, dat hij twee halve liters moest hebben, maar de grijns bleef onveranderd, en toen ze terug kwam met de twee steenen kroezen, streek ze intiem-vertrouwelijk neer op den derden stoel aan hun tafeltje. "Donder op, jij, als de bliksem!" snauwde André weer met een kwaad gebaar, en opschrikkend ging ze weg, met een smalende lip, gemeene scheldwoorden prevelend, maar dat heel zachtjes, en glurend intusschen onderdanig naar den chef, die keek. Aldoor zwegen ze, maar toen André Bernard aankeek begon hij te lachen en ook Bernard moest lachen, en samen proesten ze 't even uit van schaamte over hun dwaasheid, een landerig-nerveus stikbuitje van intieme verstandhouding tusschen twee kwajongens, die samen op kattekwaad betrapt zijn. En ze voelden zich nu erg vertrouwelijk, nauwer verbonden door die kleine teleurstelling, samen gedragen, erg goeie-ouwe-vrinden, die voor elkaar geen gek figuur meer kunnen slaan. Ze staken nieuwe sigaren op. En, naar elkaar toegebogen over 't houten tafeltje, met de twee kroezen, gingen ze nu zitten praten. 't Was vooral André die zich gaf. Hij lette niet meer op Annatje, hij scheen haar vergeten. Zijn toon was ruw-onverschillig. Hij praatte over zich zelf en over de manier waarop hij den tijd doodsloeg, zooals hij 't noemde. Hij sprak met wat spijtige minachting over zijn werk, de broodverdienerij, hij zei dat hij 't leven soms wel amusant vond, maar doorgaans stomvervelend. Hij ging veel uit, bedronk zich soms, scharrelde met naaistertjes, had avontuurtjes met meisjes uit zijn eigen stand, en als hij veel geld had lei hij kleine orgieën aan met kennissen, wilde lui, die hij anders niet zag, die Bernard alleen van aanzien kende. Maar alles alleen uit verveling, bij gebrek aan beter. Hij hield dol van Betsy Franck, maar hij dorst haar niet te vragen, want ze zou wel weten dat hij zoo'n lief heer was, en haar ouders wisten 't zeker nog beter, en een blauwtje loopen of door zoo'n pa uitgefoeterd te worden, neen, daar zou hij niet tegen kunnen. Dan zou hij er bepaald heelemaal onder raken en zich verboemelen. En er was nou wel niet veel aan hem verloren, maar voor de goot was hij toch nog te goed misschien....

Bernard voelde zich meer en meer aan hem gehecht, en hij had een bijna teeder medelijden met hem, terwijl hij daar zoo zat te mopperen tegen zijn bestaan, met een quasi-stug-onverschillig gezicht, -- zooals een kind, dat een oorvijg gehad heeft, zit te mopperen tegen zijn vader, maar inwendig is 't alleen kwaad op zich-zelf. -- "Jij kunt lezen," zei hij tegen Bernard, "dat 's ten minste wat!.... Maar dat kan ik ook al niet meer!.... ik heb er geen geduld meer voor!.... Vroeger wèl, maar dat 's heelemaal uit.... 'n Boek verveelt me nu dadelijk...."

"Ja, ik zou er, geloof ik, niet best buiten kunnen," zei Bernard.

"Ik kan er me kop niet meer bijhouden," zei André weer. "Muziek, dat gaat nog wel 's.... van tijd tot tijd.... daar heb ik vroeger veel aan gedaan, en dan raak je daar niet zoo heelemaal uit.... Maar.... Ja ik voel 't wel, ik ben eigenlijk gewoon verslaafd aan 't koffiehuisleven.... en aan de meisjes.... En als dàt nou nog maar wat was!.... Maar 't zijn, godbeter 't, niets dan lellebellen hier!...."

Bernard glimlachte even.

"Nee!.... nee!...." zei André, "dat zeg ik nou niet om dat kindje daar.... och god nee! dát 's wel een aardig kind, maar ook al niks.... niks!.... Och, laten we 'r eigenlijk maar niet over praten!.... zie je, ik zou willen, dat je hier iets kon hebben zooals bijvoorbeeld in Parijs, dat dat hier bestond, dat je 'r een maîtresje op na kon houden.... Een goed kind, dat van je houdt, en die je niet iederen dag aan je kop maalt om een broche of een paar armbandjes, alleen om je toch maar zooveel mogelijk te plukken,.... en die niet plat spreekt,.... en niet zanikt over trouwen,.... en die je, als ze je verveelt, naar huis sturen kunt, zonder dat je bang hoeft te wezen, dat ze zich van kant zal maken of zoo iets theatraals!.... die je bijvoorbeeld overdoet aan een kennis! Zoo'n meisje, dat netjes je boeltje reddert, en dat een beetje smaak heeft, zoo'n beetje.... ik weet 't niet!.... ik weet 't niet!.... daar wat élan in zit, een beetje chic, een beetje savoir-vivre!.... en die 'n traan inslikken kan als 't noodig is.... Want die meisjes hier! Ba! als ze niet kijven, dan huilen ze.... of zeuren ze...."

Bernard glimlachte aldoor, een beetje triestig, achterover zittend en kalm rookend. "'t Zou je in Parijs misschien ook niet meevallen," zei hij enkel.

"Dat kan wel!.... 't Is maar zoo'n idee van me!.... Alles lijkt me daar lichter, dragelijker!.... Pf! 't leven is hier zoo zwaar!.... Nou is 't tegenwoordig ook een lamme tijd om te leven, een saaie, duffe tijd.... Ik verbeeld me altijd, dat 'k al 's meer op de wereld geweest ben.... Dat zal je gek vinden!.... Ik geloof soms, dat ik eigenlijk een Athener ben uit den tijd van Alcibiades.... Hè, kerel! zeg!.... dat was toch ook een andere tijd, hè!...."

Bernard kreeg een kleur van plotselinge warme emotie. "God! heb jij dat ook?" vroeg hij, snel vooroverbuigend, met glanzing in zijn oogen. Hij wou doorpraten, maar in-eens herinnerde hij zich toen zijn vast besluit om riet meer over zijn innigste zelf te spreken, en hij zweeg, een beetje verward, hij deed net alsof hij zich voorovergebogen had om zijn sigaar wat beter aan te steken, en hij zat wat te morrelen met den lucifer, en zakte toen weer langzaam terug in zijn vorige houding, André keek hem even aan, maar hij vroeg niets. En ze waren een poosje stil.... En in Bernards ziel rezen al dikwijls geziene visioenen van zijn eigen figuur in vroeger tijden. De middeleeuwen, o de donker-rumoerige middeleeuwen, dat was zijn tijd! Hij was een mislukte kruisridder, hij was een paar eeuwen te laat geboren.... O! in een maliënkolder op een hoog, geharnast paard te zitten, gewapend met een lans, een gevederden helm op 't fier gedragen hoofd, en in je borst een diep geloof te voelen, aan 't hooge, 't heilige van een taak, een strijd!....

Hij bleef een paar minuten voor zich staren, en toen hij weer naar André keek, zag hij dat die glimlachend zijn hoofd schudde tegen Annatje, die nu aan 't buffet stond. Het oude heertje zat met een nijdig-vies gezicht naar hem te gluren van uit zijn hoek. En toen wenkte André haar, maar ze schudde van neen en riep, om hem te plagen, de andere kelnerin, zeggende dat ze bedienen moest daar in den hoek. Die kwam aanloopen en André, om zich groot te houden, dronk zijn kroes uit en vroeg nog een halven.

Maar toen stelde hij meteen aan Bernard voor om op te stappen en ergens anders te gaan zitten. En zoo stonden ze vijf minuten later weer op straat. André met dat ringetje nog altijd in zijn zak. "Wat of dat malle kind had van avond?.... ze boudeerde blijkbaar een beetje!.... enfin, ik zal dat dingetje maar voor haar bewaren," zei hij goedig.

Ze liepen terug naar de Kalverstraat en gingen daar in een café zitten domineeren en praten, tot over twaalven, en toen bracht André Bernard naar huis, en liep nog even op, en hij vond die kanapee van Bernard van avond bizonder gemakkelijk, en hij wou nog wel een grog en hij bleef plakken tot half drie. Tot Bernard, die over hem zat, in-eens niet meer verstond, wat zijn vrind zat te beweren. Hij hoorde zijn stem als een geluid dat hem niet aanging en hij zag hem zitten, heel klein, heel ver. Er was iets angstigs in, 't had wat van een nachtmerrie. En hij stond plotseling op en zei: "Nou, ruk nou maar uit -- ik heb slaap -- ik verlang naar me bed, hoor!"

"Ik niet," zei André, opstaand, "maar ik ben waarachtig stijf van 't zitten!.... Is dat ook kletsen!.... Nou, adieu! ik ga dan maar. Slaap lekker!...."

Hij ging de trap af. De voordeur sloeg achter hem dicht.

En Bernard was weer alleen. Dat vond hij altijd een vreemde gewaarwording: alleen achterblijven na lang druk gepraat. Maar dezen keer vooral trof 't hem, 't was of hij nu pas thuis kwam, op zijn stille kamer, en in-eens hinderde hem erg de rook en de geur van den grog. Hij gooide een raam open en ging op een stoel in een hoek van zijn kamer zitten wachten tot 't weggetrokken zou zijn. Hij voelde nu pas hoe zijn zwaar hoofd gloeide, tot barstens toe. 'k Geloof, dat ik de koorts heb, mompelde hij, terwijl hij opstond om 't raam weer dicht te doen. En daarop deed hij de deuren van zijn alkoof open en kleedde zich uit op den rand van zijn bed zittend. Hij rilde en klappertandde. Ik heb bepaald koorts, dacht hij,.... anders wel een aardige avond,.... toch wel een goeie kerel André,.... maar vermoeiend,.... dat rustelooze!.... Toen hij in bed lag voelde hij 't heelemaal dat hij onwel was, koortsig, onrustig, en toch zoo moe, zoo doodmoe. En een brandende pijn in zijn hoofd. Hij sliep eindelijk in, maar 't was een slaap zonder rust, en tweemaal schrok hij weer wakker in angstige droomen. Eéns zag hij duidelijk André die aan zijn bed stond en met zijn gewone gebaar zei: Wat zoek je toch?.... Er is niets!....

Hij werd op zijn gewone uur wakker. En sufferig, doof en slap van moeheid heesch hij zich weer zijn bed uit en in de kleeren. Hij had nog hoofdpijn. Dat beroerde duitsche bier ook, liep hij te mopperen, op weg naar kantoor. En hij stuurde zijn jongste-bediende uit om kininepillen.

* * * * *

December en Januari en Februari gingen dan voorbij. En in de laatste week van Februari op een morgen dat hij zijn post zat te kijken op kantoor, daar lag in-eens weer zoo'n vierkante, roomkleurige brief van Edward. Vol blijde verwachting deed hij hem dadelijk open en ging zitten lezen. En plotseling schoof hij zijn stoel met een ruk naar achteren, en stond op, en ging aan 't raam staan, en voelde tranen in zijn oogen en een prop in zijn keel. Hij kon niet dadelijk doorlezen, hij moest dat eerst even verwerken....

Edward was al op weg naar Holland.

X.

Tegen half Maart zou Edward kunnen komen. Hij schreef, dat hij 'n dag of wat in Italië zou blijven, maar dan zonder verder oponthoud naar Holland doorsporen. Ofschoon zijn familie tegenwoordig in Baarn woonde, zou hij reizen over Amsterdam, en daar overstappen. Dat kwam zoo 't beste uit. Dus zou Bernard wel een van de eersten zijn, die hem zouden weerzien....

Vroeger hadden de Van Laeken's, Edward's familie, in Amsterdam gewoond, waar zijn vader een rijksbetrekking had, en toen waren ze alleen 's zomers geregeld naar Baarn gegaan; maar sinds een paar jaar bleven ze 'r winter en zomer en verhuurden 't huis op de Keizersgracht aan een modenaaister. Ze waren een deftige, oude familie. In 't huis waar nu japonnen verkocht werden, had meneer Van Laeken's overgrootvader al gewoond en diens vader misschien ook al.

Edward had met Bernard school gegaan, eerst op een dure lagere-school voor jongens, waar ze tot hun twaalfde jaar gebleven waren, en toen op 't gymnasium. Ze hadden elkaar altijd bijgehouden, ze hadden altijd in dezelfde klas gezeten. En zoo lang hun heugde waren ze vrinden geweest; onafscheidelijk werden ze genoemd op school. Bernard had een herinnering -- maar hij wist niet of 't geen fantasie was -- dat hij als kleine jongen zich omgedraaid had in de bank om Eddy te vragen of hij zijn vrind wou zijn, en dat de ander toen ernstig op zijn knoopen had afgeteld, ja, nee, ja, nee, en dat er ja uitkwam en dat ze sedert ook, zonder daar ooit meer over te praten, vrinden waren gebleven. Dikwijls hadden ze samen gevochten in dien tijd -- o! heel dikwijls en verwoed! -- maar altijd had dadelijk daarna elk van beiden klaar gestaan om ieder ander aan te vliegen die wat dorst te zeggen van zijn vrind. En toen ze in hun vlegeljaren kwamen -- zestien, zeventien, achttien jaar, -- toen ze begonnen te merken, met schokken van onbegrepen ontroering, de verandering die in hen gebeurde, de ontwikkeling van hun gemoedsleven, 't wilde opwassen van hun begeerten, de wording van hun wil, in dien tijd toen ze 't erg druk hadden over principes, maar dikwijls vol verwondering merkten dat ze over toch zeer belangrijke abstracties heel anders dachten dan de vorige maand, toen ze merkten ook hoeveel vrinden ze verloren en hoe weinig er maar bijkwamen, in dien tijd en wat later nog, toen was 't een maar half-bewuste, nooit gekweekte heerlijkheid voor hen geworden, dat hun vrindschap onveranderd, of althans onverminderd bleef bestaan, dat ze elkaar aldoor bijhielden, ook na de schooljaren, dat de oogen van den een altijd even graag keken in die van den ander. Dikwijls had er een vage angst in hen getrild, een vrees plotseling te zullen merken, dat ook dat was veranderd -- want zooveel dingen en begrippen, die ze vroeger bewonderd hadden, waren ze vaal en valsch en leelijk gaan vinden, -- maar dat gevoel, wat ze voor elkander hadden, was altijd nog waar en echt gebleven, in hun zielen iets hard-glasachtigs, doorzichtig-helder, iets als barnsteen.

't Plan was geweest, dat Edward zou gaan studeeren in de rechten, maar door toevallige omstandigheden, relaties van zijn vader, was hij aan een bank gekomen en daarvoor was hij nu ook naar Indië. Hij had goede kans later directeur te worden van die bank.

Voor Bernard was 't een groote gerustheid geweest toen 't bepaald was dat zijn vrind niet zou gaan studeeren. Hij had daar tegen op gezien: Edward student en hij op kantoor. Hij kende er geen voorbeeld van, een student en een niet-student, die intieme vrinden waren. Gelukkig. Edward was ook kantoorman geworden, elken werkdag 's morgens en 's middags aan zijn lessenaar, 's avonds oplevend en 's Zondags vrij.

O! in dien ontroeringsvollen tijd, toen ze negentien en twintig waren, wat hadden ze toen samen 'n wandelingen gemaakt, soezerig zwijgend soms een uur achtereen, en toch rustig en tevreden in elkaars gezelschap, soms ook pratende, luid bewerende, hardop dwepende en droomende, schetterend over alles wat ze bevatten en niet bevatten konden. En die avonden, die lange heerlijk-intieme kletsavonden. Hoe dikwijls hadden ze samen genoten, bij avondlicht in een stille kamer, verdiept in diepzinnig-philosophische gesprekken, waarbij tranen waren gelachen en tranen gehuild, en hoe dikwijls ook waren ze samen aan de fuif geweest, met anderen, maar toch altijd samen, en waren ze samen boven hun bier geraakt, en hadden ze samen in hoog-vreugdevolle stemming "bruderschaft" gedronken en zich verbeeld dat dát nu van die supreme momenten in hun leven waren, die ze nooit vergeten zouden.

En toen, nu drie jaar geleden, Edward weg was gegaan, toen zou Bernard 't liefst meegegaan zijn, maar dat kon niet en dus was hij alleen maar een klein eindje met hem meegereisd, van Amsterdam naar Leiden, want hij wou absoluut de laatste zijn, die hem de hand drukken zou, de laatste die hem zien zou in de grijze atmosfeer van 't oud-schijnende land, en toen hij hem dan ook eindelijk voor het laatst in de oogen gekeken had, toen 't portier dicht geslagen was, en de trein, eerst langzaam aan en al sneller en sneller was weg gedreund.... tot ver weg.... en dan een hoek om en heelemaal weg.... toen was 't wel de eerste keer geweest dat Bernard die in-triestige, bijna wanhopige verlatenheid gevoeld had. Hij had niet kunnen huilen, zoo was zijn gevoel verbijsterd en als verhard door die maanden vooruit geweten en toch zoo plotselinge scheiding, en maanden ook had 't geduurd voor 't bewustzijn heelemaal in hem gedrongen was, ook in zijn halve-gedachten, zijn droom-gedachten, dat Edward, zijn vrind, ver-weg was.

Ze waren elkaar natuurlijk blijven schrijven....

En nu zou Edward terugkomen, veel gauwer dan hij gedacht had. Hij zou een half jaar blijven in Holland. Hij kwam deels voor zaken, deels omdat hij 't laatste jaar buitensporig hard gewerkt en nu wat opfrissching noodig had.

En Bernard liep om den anderen dag bij de getrouwde zuster van zijn vrind aan, om te vragen of zij den datum en 't uur van Edwards aankomst al wist, en toen hij 't had gehoord begon hij de uren op te rekenen, die hem nog afhielden van dat oogenblik, waar hij zich nog maar een vage voorstelling van maken kon, omdat telkens als hij er aan dacht, zijn hoofd warm werd, en soezig van tintelend-enerveerende voorvreugde.