Part 11
Dus gingen ze aan den wandel, Hendrik en Bernard en ze bleven den heelen middag uit, en dronken een borrel in Overveen. Ze waren nog nooit zoo lang samen alleen geweest. Bijna altijd zagen ze elkaar in gezelschap van anderen. En 't was Bernard of hij zijn vrind nu voor 't eerst goed zag. Wat een verbazende kalmte en goed, gelijkmatig humeur, wat een leuke bedaardheid van doorzetten wat hij wou, zonder eenigen ophef! Wat een kracht, wat een solide bezit moest 't zijn zoo'n gestel. Bernard voelde zich eerst erg onder den invloed van die emotie-verachtende gelijkmatigheid; hij voelde zich de mindere, de zwakkere, hij voelde zich een beetje kinderachtig eerst. Maar langzamerhand kwam hij dat te boven en begon 't hem te vervelen, maakte 't hem een beetje kriebelig, dat Hendrik nooit 's overdreef, nooit 's schold op iemand of bizonder ingenomen scheen met een ander. En hij ging zijn best doen dat uit te lokken, begon te praten over allerlei menschen, die zij beiden kenden en vroeg dan op-den-man af: Hoe vindt-je die? Wat 's dat voor 'n vent? Maar Hendrik antwoordde dan nooit dadelijk, maar deed een paar lange trekjes aan zijn sigaar, nam 'm uit zijn mond, keek er 's naar, klopte de asch er af en zei dan: "Och!.... hm!.... zóó!.... ik kan wel met 'm opschieten;" of: "Ik vind 'm altijd nog al geschikt als je 'm zoo 's spreekt!...." Maar Bernard gaf 't niet op -- hij voelde zich geërgerd, maar bleef heel amicaal praten -- hij begon over hun toekomst, over trouwen, en vroeg met een beetje spot in zijn stem of de ander nooit 's verliefd was. Toen kreeg Hendrik een lichte kleur en zei:
"Nou!.... nooit!.... dat 's een beetje sterk,.... ik heb wel 's zoo'n bui gehad.... ofschoon ik geloof dat ik niet van zoo'n verliefde constitutie ben als jij!"
"Nee, dat geloof ik ook niet," zei Bernard. "God, kerel, ik ben eigenlijk altijd verliefd, weet-je dat wel?" En Bernard begon zich een beetje te ontboezemen, fantaseerend nu en dan, onwillekeurig, zonder innerlijke oneerlijkheid; hij vertelde van Betsy Franck, van een meisje in Londen, van een achternichtje dat bij zijn tante gelogeerd had, maar sprak niet van Mimi. Hij hoopte dat Hendrik daardoor aangemoedigd zou worden ook van zijn liefdesemoties wat te verraden, maar de ander zweeg, luisterend, rookend met aandacht, kort lachend telkens om Bernards opgewonden taal, en bleef nu en dan even stilstaan om hem bedaard te wijzen op merkwaardigheden aan den weg.
Bernard werd warm in zijn hoofd, hij had zich een lichten roes gepraat, hij wist van geen stil-zijn meer, en hij wou, hij wou aldoor datzelfde; dien man daar naast hem uit zijn kalmte dringen. Want dat was geen stemming meer, dat was een hol harnas op een steenen stoel, daar was geen leven meer in, dat begon duf te ruiken! "Zeg Hendrik," zei hij in-eens met een ernstige stem, "ik moet je toch 's wat vragen: Ga jij dikwijls naar de meisjes?"
Weer bloosde Hendrik licht en antwoordde niet dadelijk en klopte de asch van zijn sigaar, en er was nu een zweem van korzeligheid in zijn toon toen hij antwoordde: "Dikwijls?.... Dikwijls?.... Wat noem je dikwijls?.... Ik schrijf dat niet op in m'n agenda?"
"Nee,.... nee!.... dat begrijp ik wel," zei Bernard, "dus.... zoo nu en dan, hè?.... Eéns in de maand bijvoorbeeld...."
"Ja, dat kan wel!" zei de ander, nu heel koel, 'n beetje boos blijkbaar, "wie doet dat niet, hè?.... als je niet getrouwd bent,.... 'n mensch is geen stokvisch!...."
"En is 't al lang geleden, dat je voor 't eerst...."
"Verrek toch met al je vragen," viel Hendrik nu uit, voor 't eerst dien middag, maar zijn stem klonk toch niet nijdig, "wat kan 't je schelen?"
"Och!" zei Bernard, dreinerig, "pure belangstelling!.... Maar je hoeft 't natuurlijk niet te zeggen, als je niet wilt."
Ze zwegen nu beiden een poos. Toen zei Hendrik in-eens: "Ik weet wel, jij doet 't niet.... Maar je zult er ook wel toe komen.... Wacht maar!.... Ik heb 't ook lang uitgehouden.... Maar eindelijk.... Je moet maar 's goed baloorig zijn!...."
Bernard keek hem aan. Voor 't eerst sinds hij hem kende zag hij Hendrik aangedaan. Zijn wenkbrauwen waren samengetrokken, hij zag heel bleek en zijn stem had even getrild. En Bernard voelde dat hij onbescheiden en onvrindschappelijk geweest was, en hij hield in-eens veel meer van Hendrik. Hij voelde dat wat hij gezegd had op heel ploertige opsnijderij geleken had. "Ja!.... nee!.... waarachtig!" zei hij, 'n beetje verward en heel ernstig, "daar heb je gelijk in, hoor!.... daar kan ik eigenlijk nog niet over meepraten!...."
"O zoo!" zei Hendrik trachtend op zijn beurt luchtig te spotten, om zich over zijn aandoening heen te brengen, die hem blijkbaar ergerde, "jij bent nog zoo'n jong jillesje! Ik ben meer dan vier jaar ouder, denk dáárom!"
En Bernard begon nu maar zoo gauw mogelijk over wat anders te praten, over een huis aan den weg. Hij had 't land, hij vond zich zelf jongensachtig, ongevoelig, egoïstisch, schijnheilig; hij schaamde zich erg. Ook was hun verder gepraat een beetje gedwongen en Bernard was blij toen ze thuis waren.
Daar wachtte hen de oude heer met een bittertje, en ze zaten nog een uurtje met hem te praten voor ze aan tafel gingen. Hij praatte blijkbaar 't liefst over zaken, als een echte man-van-succes, altijd optimistisch, maar zonder veel pose, luchtig-vroolijk, of in-eens vol vuur doordravend.
De andere leden van de familie kwamen weer één voor één binnen, en eindelijk kwam ook mevrouw en vroeg of de heeren kwamen eten. Bernard bood haar glimlachend zijn arm aan, en dat vond ze aardig. "Wel ja," zei ze, "laten we 's deftig doen!" En lachende, gekheid makend, gingen ze nu allemaal, twee-aan-twee-gearmd, naar de eetkamer, een kleine stoet vroolijk pratende menschen.
Bernard zat nu rechts van de gastvrouw en ze zorgde heel goed voor hem en wilde ook wel graag door hem bediend worden, en was bijna moederlijk hartelijk voor hem. Er werd weer echt-gezellig gepraat, soms door allemaal tegelijk, zoodat er een roezige volte van stemmen was. 't Viel Bernard op, dat ze elkaar vrij wel precies zeiden wat ze dachten en elkaar niet ontzagen, maar niemand werd daar boos om. Ze schenen heel veel van elkaar te houden. Maar vooral op Hendrik waren ze gesteld blijkbaar. Die had een zeker overwicht door zijn groote kalmte. Hij praatte niet zooveel als de anderen, maar als hij wat zei luisterden ze bijna altijd allemaal.
En in-eens, langs hun hoofden kijkend, zag Bernard den familietrek, die hen maakte tot één soort menschen, hij zag die familie om haar tafel even, als in een visioen, tot beeld verstard. En hij proefde de essence van hun leven-met-elkaar, hij voelde hoe zij zich voelen moesten, hij voelde dat grage opgaan der velen in de éénheid: het gezin, hij voelde de opoffering der enkelen en de glorie van 't geheel. En nu wist hij 't ook wat er ontbrak aan zijn genieten van de warme koestering in dien familiekring. Het was zijn zoo heelemaal, zoo heelemaal daar buiten leven, in treurige en onbegrepen afzondering, vreemd aan de broederliefde. Hij hield die menschen eigenlijk een beetje voor den gek, hij speelde kalm komedie, hij was niet zooals zij dachten, hij was heel anders, hij was een wereld in zich zelf en hun wereld was 't gezin. En dat was zoo'n enorm verschil. Hij kon hier zich zelf niet zijn, hij zou die menschen verschrikken, beangstigen, hij zou hen storen. Als hij ging spreken uit zijn innerlijke ingeving, gebruikend de woorden, die hij hoorde in zijn ziel, zouden zij zwijgen en zich verlegen voelen. En dat hinderde hem, omdat ze toch allemaal zulke goede, zulke eenvoudige menschen waren, met wie hij zoo graag in vriendschapsbetrekking wou komen. 't Hinderde hem dat hij die menschen voor den gek houden moest; ze waren zooveel beter waard; hij schaamde zich er over. En -- in-eens besloten -- nam hij zich voor, nooit meer terug te komen in hun kring, zich bannend, strengelijk en voorgoed, naar 't Siberië van zijn eenzaamheid.
Toen hij dat besluit eenmaal genomen had, was 't hem of hij daardoor zijn schuld al eenigermate had geboet en werd hij vroolijker en genoot rustiger. En ze brachten een heel prettigen avond door met muziek en gezelschapsspelletjes en veel gelach.
Tot ze weg moesten, Hendrik en Bernard. Hij legde bij 't afscheid nemen zooveel hartelijkheid in zijn stem als hem maar mogelijk was. En hij schaamde zich weer wat, omdat 't toch niet warm genoeg klonk, wat hij zei. Hij vond zich zelf een kouden egoïst. In den trein was hij stil en schijnbaar slaperig.
En lang lag hij dien avond wakker in zijn bed. Hij had wel willen huilen, maar zijn oogen bleven droog staren, hij werd niet week, hij kreeg geen medelijden met zich zelf. Maar soms voer er iets als wanhoop door zijn dor-denkend hoofd, een zwarte angst, een dreiging van alle kanten. "Je zult nog gek worden," zei hij in-eens, hardop in de stille kamer. En hij veegde zich met zijn droog-gloeiende hand 't angstzweet van 't voorhoofd.
IX.
Hij stond den volgenden morgen op in een weemoedig-melancholische stemming van alleen-zijn en 't innerlijk koud hebben, en die bleef zoo den heelen dag, een troosteloos rouwen zonder weten waarom ook eigenlijk, een sensatie van schimmige leegheid om hem heen, een somber dreigen van dingen, in-eens, terwijl hij er naar keek, meubelen op zijn kamer, huizengevels en aandrijvende wolkgevaarten, de piekerige paperassen die trosten aan de muren van zijn kantoor. Soms trilden plotseling door zijn ziel sensaties van gisteren en dan voelde hij 't weer, dat afgezonderde van hem, dat vreemd zijn aan 't familieleven, aan 't gemoedelijk-intieme van menschen in één huis, 't heerlijk veilige van zoo'n kamer met een paar goeie oude menschen en hun kinderen vereend om de familietafel.
En 's avonds, toen hij alleen op zijn kamer zat, en een torenklok, ver-buiten-boven zich, tien uur hoorde bonzen, langzaam in de stilte, toen voelde hij 't erg, dat leege van gemis en lang zat hij tegen zijn hand leunend er over te mijmeren. Hij wist niet: was 't alleen de menschen, die hij miste, de vader en moeder, de broers en zusters, of was 't ook -- ja hij geloofde dat 't vooral was 't gevoel, dat hij niet kende, die kalm-rustige broederlijkheid, die gemoedelijk-onbeproefde, ongevaarlijke trouw, zonder strijd, zonder twijfel zelfs, maar goed en natuurlijk. En hij hield dat gevoel van gemis voor de oorzaak van zijn triestige stemming.
Maar den dag daarop dacht hij, dat 't juist dat praten over zich zelf weer was, wat hem zoo hinderde, dat zich uiten, zich -- hoe onvolledig dan ook -- geven, aan Hendrik, op de wandeling. Waarom had hij dat dan ook weer gedaan! Hij wist immers zoo goed, dat hij daar altijd later 't land over had! Want wat een beroerd gevoel van zelfverraad, van ploertig spottende schennis aan je innigste bezitting gaf dat altijd. 't Leek, als je er aan terugdacht, op walsen in een kerk, op uitgelatenheid in den maneschijn, op hard praten naast 't bed waar een doode op ligt, -- een doode, onder witte lakens verborgen, geheimzinnig stil, beweegloos, zwijgend, maar luisterend, alles hoorend, te trotsch alleen om te spreken tegen menschen, want iedere doode is boven de menschen, is half god. -- Neen, neen, dat moest hij nu nooit meer doen. Dat zei hij zich wel twintig maal dien dag: laat ik dat nu nooit meer doen. Laat ik leven in me zelf, stil, zoo weinig mogelijk sprekend, vrindelijk, goedig-doende tegen de menschen, luchtig-lachende-pratend met hen, maar voor allen een onvermoed geheim.
* * * * *
De winter was er nu, de donkere maanden December en Januari. Bernard stond iederen morgen om half-acht, kwart-voor-achten op en soms was 't nog zoo donker, dat hij 't gaslicht aan moest steken, de schril-huiverende gele vlam tegen de grijze schemering. Dat gaf hem altijd een stemming van somberen ernst, alsof er oproer was, alsof hij moest gaan vechten of samenzweren. Met snelle stappen liep hij dan naar kantoor, diep in zijn opgetrokken jaskraag, door de steenen kilte van de nog schaars-bevolkte ochtend-straten, door 't harde, wit-grijze ochtendlicht, en daar op kantoor was weer gaslicht op, een mat-gelige schijn boven de lessenaars, en er was een langzaam warmende en dan in-eens dof-benauwende kachelhitte en de bedienden hoestten en snoten hun neuzen en de straatgeluiden sloegen somber op tegen de huizen, dof-schorre stemmen, meest van joden met sinaasappelen en "lemoen", en soms kwam een draaiorgel als een gillend hellebeest woeden onder de stille grijsheid van zijn kantoorramen.
En op de Beurs was 't voller en somberder dan ooit, door 't armoedige licht en door al de dikke donkere winterjassen. Er werd geklaagd, gemopperd; haastig werden de zaken afgekauwd, iedereen wou gauw weer weg naar zijn warme kantoor of naar een café om een borrel te drinken. Er hing een benauwd-zwoele, klam-vochtige atmosfeer en stank van menschen, nu en dan weggetocht door de gniepige kilte.
't Was een sombere winter. Soms waren er wel eens een paar opwekkende dagen van droge vorst en zuiver zonlicht over harde straten en besneeuwde daken van huizen en kerken -- mooi waren dan de boomen op de grachten, 't wit berijpte takkengewar tegen de verre, blauwe lucht, -- maar meestal was 't een bruinige slobberboel overal in de donkere straten, en was er mist of motregen of nattige sneeuwjacht, fijn als zand.
Maar 't weer had weinig invloed op Bernard, wèl altijd meer dan hij zich bewust was, maar haast nooit zooveel dat hij 't merkte; hij lette er doorgaans niet op, gewoon als hij was soezende door de straten te gaan en weinig te wandelen voor zijn genoegen.
Zijn dagen gingen voorbij als altijd. De avonden in December waren als de avonden in November en zoo waren ook de avonden van Januari en Februari. De comedie en de café's, zitten op zijn kamer met een boek of zitten praten of spelen op de kamer van een van de vrinden. Ze hadden een whist-avond, ééns in de week, Hendrik, Sam, André en Bernard. Hendrik speelde 't beste, André met veel animo, met zekere genialiteit, wagend en winnend, Sam onverschillig-weg, uit gewoonte goed, en Bernard eerst tamelijk oplettend, maar gauw verveeld, droomerig dan en niet meer met zijn hoofd er bij.
Soms ook waren zijn avonden onrustig door zinnelijkheid, koortsig brandend en kloppend onder zijn vel, gingen zijn gedachten, dreinig-onweerstaanbaar, telkens naar 't naakt van vrouwen, moest hij loopen, heen en weer op zijn kamer, of op straat in wijde, doellooze wandelingen, want 't was hem dan onmogelijk zich ergens toe te zetten, en hij wilde vooral geen kennissen zien, want hij was weeïg-wars van praten.... praten.... Niets kon hem soms zoo tegenstaan als 't maatschappelijk gepraat, 't vluchtige bête gepraat tusschen kennissen, zonder eenige kleur of diepte van intimiteit, afschuwelijk-noodzakelijk....
Nu en dan werd hij uitgevraagd op een dineetje of een soiréetje, en als hij er niet af kon ging hij er heen en verveelde zich. Hij vond zoo'n kamer met visite-dames-en-heeren niet veel beter dan 't café en soms veel minder. Hij vond haast iedereen, en ook zich zelf, bij zoo'n gelegenheid 't onbeduidendst, 't minst, 't prulligst. Die onbenullige avonden vergat hij gelukkig gauw, hij dacht er haast nooit aan terug, ze waren niets in zijn leven. Maar hij kreeg een zekere ouwelijke gehechtheid aan één, niet in 't oog vallend plaatsje in een groot café, een stoel aan een tafeltje, waar een kelner bediende die hem niet hinderlijk was door zijn uiterlijk of zijn optreden, een leuk stil hoekje, waar hij zijn krant kon zitten lezen en zitten droomen over zijn krant.
Er was ook nu en dan ijs dien winter; Sam en André deden druk aan schaatsenrijden. Maar Bernard had er dezen keer heelemaal geen lust in. Hij liet zijn schaatsen roesten in de kast. Eéns vertelde André hem aan tafel dat hij 's middags met Mimi had gereden. Toen had hij even spijt, een uur misschien, niet langer.
Liever, liefst van al nog, zat hij 's avonds op zijn kamer te lezen in 't dan stil-heerschende, rustig wijd-uitstaande licht van zijn gaslamp, waar hij schuin-onder zat, ziende zijn handen en kleeren zacht beglansd door 't warm-dichtbije licht. Hij was ook wel lid van 't Leesmuseum, maar hij kwam er haast nooit, hij zat liever op zijn kamer, en de boeken die hij lezen wou kon hij wel koopen. Lezen werd meer en meer zijn troost, zijn steun, hij kon er sterk naar verlangen als hij er een paar dagen geen tijd of geen rust voor had gehad. Ook heele Zondagen bleef hij dikwijls op zijn kamer, tot hij moest gaan eten, aldoor lezend, levend in de stemmingen, die kwamen rijzen naar zijn toegewend hoofd, óp van de wit-en-zwarte bladzijden van een boek dat voor hem lag, drinkend die stemmingen met langzaam proevende teugen tot hij er heelemaal van doortrokken was, tot hij een mooi vreemd, heerlijk vreemd leven in zich voelde, niet heelemaal een ander, niet een nieuw, koud-nieuw leven, maar sensaties nog nooit ontdekt in zijn eigen gemoed en daar plotseling zijnd, hoog-op als planten in één nacht gewassen, in den welbekenden, welvertrouwden tuin van zijn ziel, uit de mooie, ronde en gebogen bloembedden van zijn lectuur, tusschen de heesters van zijn eigenliefde, beschaduwd door den boom van zijn trots. Een hoog genot vond hij dat, zoo stil te gaan door zijn zieletuin en te zien groeien en bloeien in diep-aandachtige beschouwing al die mooie, vreemd-mooie gewassen. Hij gaf er zich heelemaal aan over. Hij deed de deur van zijn kamer op slot om vooral niet gestoord te worden. En hij hield er van om, zoo'n Zondagmiddag, na veel lectuur, als 't ging schemeren, zoodat hij de letters niet meer zien kon, op te staan van zijn stoel en te gaan loopen door zijn half-duistere kamer, met geruischlooze stappen, voelend in zijn hoofd een vreemde lichtheid, als werd 't doorwaaid van frisschen najaarswind en de kamer om hem heen als een stille kluis en dan ergens tegen den muur te gaan staan en te kijken naar de stille dingen in de kamer, de dingen die begrijpen, kennen, en zwijgend peinzen in 't slepende gewaad van de schemering. Dan zijn adem in te houden en de stilte te hooren ruischen in zijn ooren. En met zijn oogen toe te komen tot vlak bij den spiegel, en er in-eens in te kijken met groote oogen en te schrikken van zich zelf en die oogen. En zich dan om te keeren en te denken aan dat omgekeerde beeld in den spiegel. En dan zich langs een stoel te laten zakken op den grond en zoo weer naar de dingen te kijken, zich langzaam, slangig voorttrekkend over 't donkere kleed, en dan in-eens stil te blijven liggen, lang onbeweeglijk te blijven liggen, met een kilte huiverend langs zijn zijden, maar in zijn hoofd aldoor die suizende lichtheid en aldoor elkaar opschuivende, fijn-spitse, als een boog strak gespannen gewaarwordingen van nieuwe en ook oude lang-vergeten-gewaande stemmingsmomenten en gedachten, nooit vroeger heelemaal gevoeld of begrepen en nu in-eens doorproefd, hoog-zuiver als een langzaam gegeten fijne vrucht, waarvan de nauw merkbare geur binnendoor in den neus komt.
O! van die stemmingen op zoo'n leesdag, daar had hij een nooit aan zich zelf geuite verwachting van, een heimelijke hoop, heel vaag, verdwijnend als een schim, wanneer hij er het licht van zijn gedachten op liet vallen. Hij geloofde, dat 't was de hoop, dat hem iets bizonders gebeuren zou in zoo'n stemming, een openbaring, iets van de eigenlijke dingen van 't leven, die je alleen kunt bespeuren met de hoogste spanning van je ziele-aandacht, op den rand van een vaal-zwarten afgrond: waanzin.
* * * * *
Hij las veel fransch. Hij hield er van, van de taal, en van de schrijvers, ja hij voelde bepaald liefde, jaloersche liefde voor de fransche litteratuur; hij leefde er mee, hield zich op de hoogte, en hij kon niet goed hebben, dat een van zijn kennissen een fransch boek mooi vond, dat hij ook mooi vond, want dat was dan zijn boek, de ander had er niets mee te maken, wat verbeeldde die zich wel! Het deed hem genoegen dat engelsch was geworden de geurtaal van de snobs en tegelijk makkelijke mode-taal voor de bakvischjes, dat fransch was teruggebracht tot zijn ouden rang van taal der fijnere geesten. Hij hield van alles wat fransch was. Zoo'n geel boek in 't van-ouds bekende formaat -- de afwijkingen mishaagden hem -- gedrukt met een echte fransche lettersoort, zoo'n boek met den spitter van Lemerre er op, of den Hermeshoed van den "Mercure," hij vond 't op zich zelf een genot 't in zijn handen te hebben. Soms vond hij dat een aangename eigenaardigheid in zich zelf, soms vond hij 't kinderachtig, maar hij sprak zich nooit tegen dat 't bestond. Vroeger had hij zich niet kunnen verklaren, hoe 't kwam dat hij zooveel van de Franschen hield, die toch zoo heel anders dachten en schreven over vrouwen en over de liefde, zoo heel anders dan hij daar altijd over gedacht had. Vroeger had hij dat een ongeoorloofde zwakheid in zich zelf gevonden, een soort zucht naar 't verbodene, want de Franschen waren oppervlakkig en wuft, hij zelf noordelijk-diep-degelijk. Maar daar was hij al lang overheen. Hij wist al lang dat dat verschil tusschen de Franschen en hem alleen was een verschil in soort van hartstocht, dat hij even hartstochtelijk was als de Franschen, dat hij daardoor juist zooveel voelde voor dat volk. Wat hij vroeger in zich zelf had gehouden voor deugd en degelijkheid, hij had al lang ontdekt, dat dat niets dan hartstocht en trots was, of eigenlijk, alleen hartstocht, want ook die trots was niets dan dat, passie, een brandend verlangen om zich altijd te voelen boven anderen door gevoelsverfijning, door alles te zien, te hooren en te vatten met zijn gevoel, -- de tinten van zelfvoldoening in een melancholische stemming, de trillingen van jaloezie in een hoogen lach, de weifeling in een stap, het dwalen van een blik, -- een begeeren om zich te weten een gevoelslekkerbek, wien alle grove genietingen tegenstaan. En dat was ook iets waar hij van hield in de Franschen, die zucht naar verfijning, dat zoeken van 't preciese en 't exquise. Ook hij hield van 't verfijnd perverse, en veel meer nog van de verfijnde, tot zwevende engelachtigheid verragde reinheid.
Ja, dat was wel 't mooiste van de verzameling! -- Want dit gevoel leek op dat van een liefhebber voor zijn oud-porseleinen kopjes en precieus-broze beeldjes. Graag hanteerde hij zijn emoties en sensaties en bekeek ze met koesterende aandacht. Maar dikwijls ook voelde hij zijn eigen handen die er mee omgingen, plotseling dik en log, vond hij zich een eenvoudige goeie-jongen, werkzaam en veel-over-hebbend voor zijn vrinden en daarmee uit. Dan lachte hij zich uit om zijn ambities, en zijn zelfgemaakt voetstuk wankelde onder hem. Maar hij leed daar dan een beetje onder, en in een volgend uur van reactie, bekeek hij den schijnbaar egaal-grijzen, massieven bouw van zijn gemoed net zoo lang, tot hij zag dat 't was als Venetiaansch mozaïekwerk, bestaand uit stukjes en steentjes, oneindig fijn en veel en verscheiden van vorm. En dan was hij weer voldaan en trotsch.
Maar dikwijls ook kwam er een wijd verdriet, vol weemoed, over hem, omdat hij zoo weinig eenvoudig was, en omdat dat nooit meer anders worden kon.