De ridders van den halven toren

Part 8

Chapter 84,167 wordsPublic domain

Dat ging niet zoo heel gemakkelijk omdat de hond moeielijk liep en te groot was om te dragen. Wibbe draafde dus maar vast vooruit en vertelde aan mevrouw, dat Rip in aantocht was.

Mevrouw keek 'n beetje raar en kortaf zei ze: "Krijg ik dien hond ook in huis? Nee hoor, breng me dat beest maar in jullie kelder."

Waarom ook niet?

Inderhaast werd Rip naar de ridderzaal overgebracht en daar legden Wibbe en Hesse den grootsten ijver aan den dag om 't arme beest goed te doen.

Tot hun groote verrassing ontvingen de jongens bezoek!

Niemand minder dan de notaris en z'n vrouw. De laatste wilde toch met alle middelen, die haar ten dienste stonden, meewerken om dien viezen hond te verbinden of te reinigen.

Nog een bezoeker meldde zich aan--Dodo!

Die gluurde met z'n ronde oogjes den nieuwen bewoner nieuwsgierig aan.

Meestal waren de honden hem ware plaaggeesten geworden als hij in de dorpen verscheen. Maar nu begreep 't aapje, dat er van dit zieke beest niets te vreezen viel.

Rip kwam aardig bij!

De zalf verzachtte de beschadigde plekken en 't brood met restjes vleesch smaakten hem ten slotte uitstekend.

Ingebakerd werd hij neergelegd in 'n hoek van de kelder op 'n oud karpet.

"Slaap moet de rest doen," zei de notaris, "vooruit, gunt hem z'n rust."

Zacht verlieten ze allen de kelder, Hesse sloot zorgvuldig den toegang af en toen bleef Rip alleen.

"Jullie hebt 't daar heel aardig ingericht," zei de notaris, "je kunt er best 'n asyl van maken, 'n toevluchtsoord voor lijdende dieren.

"Ik word begunstiger en stort 'n bijdrage van tien gulden in de kas. In sommige bijzondere gevallen kan die verhoogd worden."

"Als de kaarsen op zijn," aldus Hesse.

"Nee, alleen voor de dieren! Zoo heb ik Dodo voor jullie gekocht. Schadeloosstelling aan den eigenaar vijftig gulden!"

De jongens keken den notaris vreemd aan.

Nu pas schoot 't hen te binnen, dat ze hem nog niet eens hadden bedankt.

Lachend weerde hij hen af en hij vertelde nu maar meteen, hoe 't gezin nog meer geholpen was om eerlijk 't dagelijksche brood te verdienen.--

Den anderen morgen vroeg zochten Wibbe en Hesse hun beschermeling op, vergezeld van Dodo.

Tot hun groote vreugde vonden ze Rip rechtop zitten en machtig mooi bewoog z'n staart toen hij z'n redders herkende.

't Ontbijt werd gemeenschappelijk gebruikt en wonder boven wonder, Dodo deed heelemaal niet schuw.

Integendeel, hij kruiste onderzoekend om Rip heen om eindelijk vlak bij z'n kop te gaan zitten, peuzelend uit z'n handpootje.

Toen de zon 'n lichtplek op 't zand in de kelder begon te werpen, moest Rip daar 'n verdere genezingskuur ondergaan.

Wel kreunde hij zacht bij 't heengaan van de drie nieuwe vrienden, maar 'n poosje later merkten de ridders, dat hij weer sliep.

Henk, Jan en Kees werden aan Rip voorgesteld en de kennismaking beloofde van weerskanten aangenaam te zullen zijn.

Kees had groot nieuws!

Hij was dien morgen 'n wolf voorbijgeloopen en die had hem toegebeten:

"Wacht maar! je zult wat beleven!"

Kees had geantwoord: "Wij wachten al lang!"

"We kunnen dus van middag zeker zijn van 'n nieuw bezoek! Allo, naar den uitkijk! Jij Henk, op den toren! jullie, Jan en Wibbe in 't dorp. Wij blijven hier! Ons fluitje is de waarschuwing."

Henk klom naar boven en met z'n bedachtzame oogen keek hij over den omtrek heen.

Jan en Wibbe vatten post bij den hoek van de lange dorpstraat die overging in den weg naar de stad.

Op zeker oogenblik ontdekte Henk 'n groepje jongens bij de brug....

Hij floot zóó snerpend 't teeken, dat Dodo en Rip er allebei van schrikten.

Hesse en Kees snelden de trap op, vatten post bij den toegang en luid klonk weer 't signaal voor Jan en Wibbe.

Haastig kwamen die terug en nu werd de toegang volkomen versperd.

Henk keerde naar z'n wachtpost terug en keek scherp uit.

Het waren de wolven!

Hij herkende ze duidelijk en--ze brachten hulptroepen mee, want de groep bestond uit tien jongens!

Dat bericht deed de ridders in verontwaardiging ontsteken.

Tien tegen vijf!

Nee, dat was geen eerlijke strijd!

Hesse beet de vrienden toe: "Wij halen er óók méér bij."

Ze konden 't beneden niet uithouden! Ze moesten ze zien naderen, en dus verschenen de vijf ridders op den toren en ja, daar naderden de wolven....

'n Woest gehuil brak los!

Boven op den toren en bij 't hek beneden.

Flip hield z'n bende tegen, want de meeste wolven wilden dadelijk 'n aanval beginnen. Hij begreep de moeilijkheid om dat steenen gevaarte te veroveren.

Ze hielden krijgsraad.

Eerst besloten ze, 'n onderzoek in te stellen naar den toestand van den ingang.

Maar nauwelijks wilden ze beginnen met 't bestijgen van de ruïne, of de luide stem van Hesse weerklonk:

"Terug! of we gooien!"

Verrast hielden de wolven halt....

Het scheen ze daar op den toren ernst te zijn.

Ze weken!

En de ridders juichten!

Maar Flip legde z'n mannetjes uit, hoe ze veilig konden naderen onder bescherming van 'n schild.

Een schild! Gemakkelijk gezegd! Waar haalden ze zoo iets vandaan?

Flip voerde hen mee achter 'n muur, waar ze veilig konden beraadslagen....

De ridders bleven in ongerustheid afwachten.

Ze begrepen wel, dat 't ernstig spelletje nog lang niet uit was, maar hoe 't zou worden voortgezet, nee, daarvan hadden ze geen idee.

Opeens, na 'n goed half uur trok 'n zonderling schouwspel hun aandacht....

Er bewoog 'n plat gevaarte....

Het leek wel beenen te hebben!

Hesse begreep 't dadelijk.

"Ze loopen er onder! 't Is 'n groot dekschild! Kijk maar! Van latten en stukken plank is 't gemaakt. Opgepast!"

Met 'n smak kletste hij er 'n stuk steen op neer.... de anderen volgden....

Niet graag zouden ze hun vijanden zoo regelrecht bestookt hebben, maar nu deze veilig onder hun schild liepen, smeten ze er op los.

Langzaam naderden de wolven den toegang....

Het werd dus tijd dien te verdedigen.

Snel vlogen de ridders naar beneden en, gewapend met stokken en steenen vatten ze post voor de versperring....

Daar begon me 'n hevige strijd--met de tongen!

Enkele slagen vielen er maar, als soms 'n wolf het waagde 'n lat aan te raken.

Nu hun schild overbodig was geworden boven hun hoofd, gebruikten ze het als beschutting vóór zich.

Verschrikkelijke stooten en slagen kwamen op schild of op de versperring terecht.

Flip begreep eindelijk, dat ze er zóó niet makkelijk in kwamen! Ze hadden den tegenstand van de vijf te licht geschat.

Juist wilde hij den aftocht bevelen, toen z'n oog op 't luchtgat viel....

Onmiddellijk had hij z'n plan klaar!

Maar ook 't zelfde oogenblik werd hij er in verhinderd door de verschijning van boer Peggers. Deze brave kerel kwam juist langs en omdat hij z'n jonge vrienden in gevaar geloofde, trok hij op de vreemde indringers af, zwaaiend met z'n geduchten knuppel....

"Pak je weg! Gauw, als de....!"

De plotselinge verschijning van den grooten boer met de harde stem en den knoestigen doornstok, veroorzaakte 'n geweldige verwarring onder de wolven.

Ze vluchtten!....

De ridders lieten de wapens zakken en boer Peggers, die eens naderbij kwam koekeloeren, vond ze met vuurroode gezichten en felle oogen achter de versperring.

Hij maakte ze 'n geducht standje en hij waarschuwde ze, met die gekkigheid op te houden. "D'r komme nog ongelukken van! En as de notaris 't heurt, dan mag jullie hier heelegaar niet meer spele."

Hesse wierp alle schuld op de wolven!

"We willen niet vechten," riep Hesse, "moeten we dan toelaten, dat zij in den toren komen? Wij hebben verlof gekregen, en zij niet!"

Boer Peggers gaf ze den raad de hulp van den burgemeester in te roepen maar hier tegen verzette zich 't jongensgevoel van eer.

Boer Peggers dacht er toen 't zijne van en hij besloot 'n wakend oog te houden op 't doen en laten van de rakkers.

Hesse kwam dadelijk met 't plan om 't luchtgat dicht te maken.

Hij had heel goed de beweging van Flip opgemerkt en begrepen, hoe moeilijk 't hun zou vallen de kelder vrij te houden.

Hij was niet zoozeer bang voor 'n overwinning van de wolven als voor Dodo en Rip, die nu overgeleverd bleven aan de wolven.

Wibbe meende, dat ze de twee dieren niet in de kelder moesten houden, maar Hesse beschouwde dat weer als lafheid.

"Er komen er nog méér!" zei hij op zulk 'n vasten toon, dat de ridders hem vreemd aankeken.

"Hoe meen je dat?" vroeg Henk.

"Ik meen, dat er zeker meer dan twéé ongelukkige dieren in de wereld zijn," antwoordde Hesse.

Tegelijkertijd wees hij op 't luchtgat en kommandeerde! "Dicht maken, vooruit!"

'n Heel aardig bevel, maar moeielijk uit te voeren, want 't moest zóó gebeuren, dat de wolven 't niet gemakkelijk open konden krijgen.

Jan vond de beste oplossing!

"We nemen hun eigen schild! Dat brengen we in de kelder en door middel van vier steunsels komt 't in de kelder tegen 't gat aan! Is 't niet goed?"

O maar, ze vonden 't uitmuntend!

Ze zeulden 't schild naar beneden, maakten 't wat steviger en toen zochten ze stukken hout om die er onder te plaatsen bij wijze van stutpalen.

Druk met 't werk bezig, verloren ze alle aandacht voor wat er aan den achterkant van den toren gebeurde.

Daar verzamelden zich ongemerkt de wolven en ze loerden om den hoek naar de ridders, waarvan er telkens één of meer in 't lichtgat verschenen om te passen en vast te houden.

'n Regelrechte aanval durfden de wolven niet te ondernemen, want ginds zagen ze de gedaante van boer Peggers nog bewegen. En voor dien reuzenkerel waren ze bang! Vandaar, dat Flip voorstelde van list gebruik te maken.

Hij wees op de gescheurde zerksteenen aan den voet, de zelfde waaraan de ridders zoo lang gemorreld hadden.

"Als we kans zien, dáár 'n gat te maken, dan kruipen we er ongemerkt door, halen de vlag neer, bezetten den toegang en nemen ze in d'r eigen kelder gevangen!"

Zoo wilde Flip z'n slag slaan.

Het kwam er nu maar op aan, om zoo'n gat ongemerkt te maken. Dat diende zonder rumoer gepaard te gaan, anders hoorden de anderen 't dadelijk.

De gespleten steenen werden nog eens nauwkeurig bekeken, allerhande manieren om te slagen overwogen de wolven....

Opeens riep Flip uit: "Ik weet 't! Je kunt zien, dat ze hier al bezig geweest zijn, maar 't is toen niet gelukt.

"Ik geloof, dat we met 'n flink breekijzer best klaar komen. Het zal hier net gaan als met 'n raam, dat je met 'n haak open wil trekken. 't Lukt niet.... 'n ander zal 't probeeren.... die kan 't ook niet.... weer 'n volgende.... 't gaat nog niet.... eindelijk komt er een, die met 'n vaartje 't raam naar beneden trekt, alleen omdat al de vorigen elk 'n beetje hadden gedaan.

"Zoo is 't hier ook! We moeten eenvoudig volhouden!

"Daarom stel ik vóór, nu weg te gaan. Van nacht komen we terug met sterke breekijzers en we houden net zoo lang vol, tot we 'n gat hebben. Wie doet mee?"

--"Van nacht? Nou, dat is me wat kras!"--zei Geert Joosten.

"Nou ja, ik bedoel met donker!" zei Flip haastig.

Er waren vier liefhebbers!

Ze spraken af, om tien uur bij den toren te zijn, en als ze laat thuis kwamen, ja, de straf, die ze opliepen, zouden ze maar geduldig dragen!....

"We zullen ze nog even laten schrikken!" zei Flip bij 't weggaan.

Met d'r allen liepen ze om den toren, voorzichtig loerend naar de ridders.

Deze waren nog vol ijver bezig en ze dachten niet meer aan de wolven. Kees klauterde juist met 'n pas ontdekt stuk plank door den toegang. Dat ging 'n beetje lastig en juist op 't oogenblik waarin hij zich omkeerde om z'n plank 'n flinke oplawaai te geven, daar zàg hij de wolven!

Onmiddellijk slaakte hij 'n woeste kreet, liet z'n plank in den steek en gilde bij de trap: "Verraad! Hoei! hoei! hoei!"

Dadelijk stormden de vier andere ridders naar boven om den toegang te verdedigen. De wolven stonden er voor en 't zou hun haast gelukt zijn binnen te dringen. Ze trokken met woest geweld 'n gedeelte van de versperring weg, maar toen ook kregen ze met Hesse te maken!

Als 'n woedende stier stormde hij op den toegang af, doordringende schreeuwen stootte hij uit en met 'n geweldige lans, niets anders dan 'n lat begon hij door de opening te stooten.

Onderwijl stoven de anderen naderbij, gewapend met steenen....

De versperring begon te bezwijken en de wolven nu door 't dolle heen, grepen de speer van Hesse beet en trokken die met 'n forsche ruk uit z'n handen.

Weer viel er 'n brokstuk op zij en 't gat werd nog grooter.

"Geef je over!" gilde Flip.

Wibbe antwoordde door 'n woeste stoot met 'n eind hout, zoodat de aanvoerder achterover tuimelde.

Dat deed de andere wolven opnieuw aanvallen.... ze waren niet langer bang voor de steenen, die om hen heen vlogen en waarvan enkele maar raakten.

De versperring hield 't niet langer.... Maar voor de tweede maal greep boer Peggers met twee van z'n knechts in. Onverwachts voelden drie wolven zich beetgepakt en achteruit geslingerd.

De ridders, die de hulptroepen hadden zien opdagen, hieven 'n juichend gejubel aan. Ze hernieuwden hun uitval en nu verloren de wolven alle bezinning.

'n Flinke hoeveelheid klappen en schoppen kwam op hen neer en haastig gingen ze er van door....

Maar buiten 't dorp kookte Flip van woede en half huilend van pijn en teleurstelling zei hij: "Van nacht maken we 't gat en morgenochtend kruipen we er door! Dan is de toren in onze macht!"

XII.

OVERWINNING.

Na den eten brachten Wibbe en Hesse nog even 'n bezoek aan Dodo en Rip, die bij elkander gekropen waren.

't Aapje kreeg nog 'n extra handvol nootjes en de hond 'n stuk of zes kaakjes.

Ze speelden er nog even mee en toen stopten ze de dieren in hun mand, sloten den toegang en dwaalden wat rond.

't Toeval voerde hen langs 't erf van 'n hofstede waar 'n aantal boerenjongens zich geweldig schenen te vermaken.

Wibbe en Hesse liepen er heen en daar zagen ze, hoe ze met steenen mikten op iets levends, dat tegen de schuurdeur bewoog.

Hesse er op af!

En tot z'n verontwaardiging ontdekte hij 'n vleermuis, die door middel van spijkers aan de deur vastgenageld hing.

Dat werd Hesse te machtig!

Hij zag de opengesperde oogjes van 't worstelende dier, tot nu toe nog niet geraakt....

Zonder eenige vrees voor de boerenlummels probeerde Hesse 't diertje te bevrijden door de spijkers uit 't hout te trekken.

Maar toen kreeg hij de wreedaards op z'n hals! Enkelen trokken hem weg en vlak daarna werd 't beest door 'n steen getroffen aan de vrije onderste pootjes....

Nu bleef Hesse zich niet langer meester!

Gillend klonk z'n roep: "Lafaards! beulen!"

Woedend rukte hij zich los, vloog voor 't gemartelde dier en schreeuwde: "Gooi mij dan dood, lafbekken!"

Door 't spektakel kwamen de boer, z'n vrouw en 'n paar knechts naar buiten.

Ze verjoegen de lummels en de boer vroeg aan z'n zoon, wat er gebeurde.

"We hadden dat leelijke beest gevangen en nou moest 't dood, zoo'n monster!"

"'t Is geen monster! 't Vangt duizenden muggen, 't doet geen mensch kwaad!" riep Hesse, "en maak 't dan in eens dood, als 't moet!"

"'t Zijn leelijke beesten, ze vliegen de meisjes in d'r haren en ze zuigen je bloed uit."

"Leugens! Heb je 't ooit gezien?.... Nou, zeg op! 't Zijn leugens! Er is geen woord van aan! De een praat 't den ander na. Ik heb 't pas gelezen, hoe nuttig die dieren zijn, en van al die verhalen is geen woord waar!"

De boer, die wel wist wie hij vóór had, trok de spijkers los en toen viel 't gefolterde dier met de gehavende vliezen en de gekneusde pootjes op den grond....

Hesse was er dadelijk bij!

Voorzichtig nam hij 't diertje op....

Ja, 't had 'n leelijk snuitje, maar hoe fijn zag 't er uit en 't deed toch niemand ooit kwaad! Het vloog 's avonds rond, laag over 't erf, en 't ving de ellendige muggen. Verder deed 't niets, dat de menschen schade berokkende of hinderde.

De boer scheen half overtuigd, want hij zond z'n zoon met 'n standje naar binnen en vergoelijkend zei hij: "Ze wisten niet beter."

Hesse antwoordde geen eens!

Hij ging heen zonder groeten, met de gewonde vleermuis op z'n zakdoek....

Mevrouw vond 't een griezelig dier, maar toen ze 't beestje eens goed bekeek, zag ze de mooie vliezen, de ronde oogjes, en 't hulpbehoevende van 't dier deed haar toch helpen.

De pootjes werden gezwachteld, de gescheurde vliezen tusschen de lange teenen glad gelegd.

Die moest de natuur weer genezen, en eerder kon 't vleermuisje niet fladderen.

De notaris toonde zich ook kwaad over de domheid van die lummels.

"Die vleermuizen dooden duizenden insecten, die de koeien en paarden anders gek maken! Zulke nuttige beesten willen ze dooden! En dan die kletspraatjes over bloedzuigen en in 't haar vliegen! Gewone verzinsels!"

Zoo bromde de notaris.

De vleermuis werd in 'n doos op wat wol gelegd en allen hoopten, dat 't gemartelde beest weer gauw herstelde.

Omstreeks kwart voor tienen sprongen vier jongens over de sloot achter de kerk.

Langs 'n omweg waren ze ongemerkt in de wei van boer Peggers gekomen. Wèl had de hond aangeslagen, maar doordat ze niet de hofstede naderden, zweeg 't dier na 'n poos.

En nu naderden Flip en drie van z'n makkers den ouden halven toren.

Sluipend bereikten ze den voet en hier begonnen ze dadelijk in 't duister met twee meegebrachte ijzeren staven te werken.

De voorspelling van Flip kwam mooi uit!

De moeite, door de ridders indertijd besteed, werd nu in haar gevolgen duidelijk, want na korten tijd liet 'n groot brok steen los....

Er ontstond 'n gat, groot genoeg om 'n jongen door te laten!

Flip gluurde naar binnen, maar hij onderscheidde niets. Geert liet 't licht uit 'n dievenlantaren in de opening vallen....

Toen kroop Flip in den toren, alleen maar voor 't gevoel, dat ze hun doel bereikt hadden. Hij klom gauw terug en met de anderen stelden ze 't brok steen weer op z'n oude plaats.

Toen verdwenen ze in de duisternis....

Den anderen morgen werd Hesse al bizonder vroeg wakker. Op z'n teenen sloop hij naar de keuken, waar 't doosje met de vleermuis stond.

Daar lag 't diertje en de vreemde oogjes staarden den jongen aan.

Dadelijk ging Hesse aan 't vangen van muggen en na 'n lange jacht kon hij er twee aan de vleermuis geven.

Even Wibbe halen!

Met den vriend zamen brachten ze het tot zeven stuks!

"Zou 't genoeg zijn?" vroeg Hesse.

Wibbe meende van niet en toch, méér muggen konden ze met geen mogelijkheid ontdekken.

"We zullen na 't ontbijt naar de slooten gaan," stelde Wibbe voor, en dus klauterden ze weer naar boven, wierpen 't raam van Wibbes kamer wijd open, en gingen in de goot zitten. Dat gaf 'n fijn uitzicht!

Je keek over de landen en als je ging staan, dan zag je net den halven toren nog.

Hesse bleef niet lang rustig zitten, maar klom in de goot overeind, half leunend tegen 't dak. Plotseling hoorde Wibbe hem 'n kreet slaken, en hij zag hem met uitgestrekten arm wijzen naar iets in de verte....

Snel kwam Wibbe naast hem en ook hij kéék. In 't eerst begreep hij niet, wàt er te zien viel, maar eensklaps vielen z'n oogen op den halven toren....

Zag hij goed?.... de vlag....? niet oranje met 'n hond, maar wit.... wit!.... met 'n wolf!....

Hesse begon ijselijke woorden te uiten, Wibbe beefde en allebei rolden haast van de goot naar beneden!....

Heelhuids raakten ze in 't kamertje en nu brulde Hesse: "De wolven! de wolven! Ze zijn in onzen toren!"

Wibbe gaf geen kik!

Hij kòn 't niet begrijpen!

"Stommelingen, die we zijn, om den toegang niet beter af te sluiten. Maar ik zal ze helpen! Ze zijn er in en nu blijven ze er in!"

Wibbe zweeg aldoor, hij staarde Hesse met verschrikte oogen aan.

Deze vervolgde: "We roepen boer Peggers en de knechts en al onze kennissen op 't dorp te hulp. Dan sluiten we den toren in en na 'n poos moeten ze zich overgeven."

Wibbe was de wijsste en zei niets. Vandaar dat Hesse hem vroeg: "Lijkt 't jou niet?"

Wibbe antwoordde: "Dodo en Rip!"

'n Schok voer door Hesse heen....

Aan den hond en 't aapje had hij niet gedacht.

"Zie je," vervolgde Wibbe, "ze zullen begrijpen dat we aan de beesten gehecht zijn en ze gebruiken om ons de baas te blijven."

"Als ze 't toch wagen om ze kwaad te doen!" zoo barstte Hesse uit.

"Ik stel dus vóór, om eerst eens poolshoogte te nemen en 't allereerste moeten we probeeren om Dodo en Rip uit de kelder te krijgen."

De woorden van Wibbe klonken verstandig. In de grootste haast kleedden ze zich aan, deden verwarde verhalen beneden, verslikten zich door 't snelle eten en eindelijk gingen ze er op uit.

Nauwelijks naderden ze den toren, of van boven klonken er helsche kreten, die hen verschrikt achteruit deden stuiven.

Verschillende hoofden verschenen over den rand en dreigende handen vertoonden brokken steen, gereed om hen te wonden.

"Hadden we nu 't schild maar niet gebruikt in de kelder!" zoo barstte Hesse los.

Ze stonden achter de boomen vrij veilig en daar dachten ze na over 't geen hen te doen stond.

De kelder bereiken ging moeielijk door 't groote gevaar om door steenen te worden getroffen.

Eén kans bleef er nog over, dat de wolven niet aan Dodo en Rip dachten.

Toch móést er wat gedaan worden.

Hesse trilde van opwinding!

Hij kon de gedachte niet verkroppen, dat de toren door de wolven bezet was.

Na 'n poos zei Wibbe: "We dienen de beesten op te geven...."

"Wat!" gilde Hesse, "opgeven? Dulden dat de wolven ze misschien mishandelen? Nooit!"

"Wat wil je doen? Wij samen kunnen ze niet uit den toren verdrijven!"

"Hulp ga ik halen, iedereen moet helpen! De wolven zijn vreemde indringers, ze mógen niet in den toren! Ga mee!"

Wibbe volgde z'n vriend, die snel achter de boomen heen liep.

Van boven klonk 'n hoonend gelach en enkele steenen vlogen langs hen heen.

Maar de jongens bereikten veilig den anderen kant en verdwenen achter de huizen.

Hesse klampte 't allereerst boer Peggers aan en die deed wel boos, maar hij kon op 't oogenblik niet helpen en evenmin de knechts door de drukte op 't veld.

Andere dorpelingen vonden 't weer zoo erg niet en gaven ze den raad er den burgemeester in te halen. Die kon den veldwachter op kommandeeren!

Alleen wat kleine jongens, die in de vacantie wat rond scharrelden, spitsten de ooren en liepen mee.

Hesse kòn de teleurstelling niet goed dragen! Hij had zóó vast gehoopt dat zoowat 't heele dorp achter hem aan zou komen, en nu niets meer dan die peuters.

Hij zou wel in huilen kunnen uitbarsten.

Wibbe troostte wat hij kon!

Die had niet anders verwacht en die wist hem eindelijk kalm te krijgen.

"Wacht nu tot vanmiddag, jò, dan komen de vrienden! Laten we alvast beginnen om schilden te maken anders kunnen we toch niets."

Wibbe bracht afleiding!

Hesse veegde woest z'n oogen uit en driftig riep hij: "Schilden, já, schilden!"

En ze trokken naar den tuin, ze hadden 'n zaag, spijkers en 'n hamer, ook beitels en boren.

Toen begon er 'n groot werk!

Ze wilden niet één schild maken, één, voor hen allemaal, neen, vijf kleine! Dus zaagden ze in 't zweet huns aanschijns plankjes, timmerden die aan elkander door middel van dwarsbalkjes, óók eerst mooi passend afgezaagd.

Onderaan kwam 'n kunstig handvat of beter gezegd: 'n armgat. Daarvoor namen ze reepen oud linnen, bereidwillig door mevrouw afgestaan. Die reepen spijkerden ze aan 't schild vast met de twee uiteinden, zóó dat 't middelste gedeelte bol bleef en daar kon dan 'n arm door.

Op die wijze kregen ze vier fijne schilden, terwijl als nummer vijf de deksel van 'n groote vuilnispot dienst deed.

Na de voltooiïng van twee stuks waagden Wibbe en Hesse 'n tweeden onderzoekingstocht. Zorgvuldig hielden ze 'n schild boven zich, terwijl ze over de puinhoopen voortstapten.

Ze bereikten 't luchtgat en probeerden nu de afsluiting om te duwen, want ze wisten dat de stutpalen gemakkelijk scheef zakten. Toch lukte hun poging niet, te minder door 't gekletter van steenen op hun schilden.

's Middags werden de vrienden met heftig ongeduld ontvangen. Dadelijk kregen die 't groote nieuws te hooren en inderhaast stelden ze samen 'n plan op, voor den aanval.

Henk zag 't zwaar in!

"We weten zelf, hoe moeilijk 't is, om in den toren te komen! En zij zijn met d'r tienen!"

"Wat wou je dan?" vroeg Hesse nijdig, "moeten we soms niets doen en zoo maar kalmpjes toezien? Ik dènk daar niet aan!"