De ridders van den halven toren
Part 5
Langzaam sjokte hij met den slingerenden lantaren door 't middenpad naar den preekstoel en klom naar boven.
De trap kraakte van ouderdom en de leuning gaf wat mee.
Halverwege bleef Van Offelen staan en hij giegelde om z'n lange schaduw, die door de heele kerk viel.
Nu begon hij zoo goed mogelijk te vegen en volgens z'n eigen denken deed hij 't keurig.
Na 'n minuut of tien vond hij 't welletjes, nam den lantaren weer op en wilde naar beneden stappen.
Maar Van Offelen had niet genoeg stuur meer over z'n beenen en z'n oogen zagen dubbel. Hij miste de vierde trede bij de ombuiging [1] van de wenteltrap.... hij viel.... de lantaren viel mee.... de kaars liet los en bleef beneden brandend liggen.... Van Offelen rolde tweemaal om z'n as, plofte toen op den rand van de onderste trede.... 't fleschje jenever brak en de rest van 't leelijke goedje vloeide van de trede in de richting van de kaarsvlam, vlak bij den looper. Van Offelen verloor 't bewustzijn....
En de looper begon te smeulen.... te branden.... 't droge eeuwenoude hout van den preekstoel vatte vlam....
Door dat ook de kleeren van den koster brandden, kwam de man tot bewustzijn.
Waanzinnig door 't zien van 't vuur, en door de pijn, vloog hij naar de deur, naar de groote deur, die gesloten was.
Hij dacht niet meer na, hij verloor alle bezinning, rukte zich de kleeren van 't lijf, beukte op de deur en gilde om hulp....
Onderwijl greep 't vuur om zich heen.... de preekstoel stond in volle vlam.... 'n roode gloed verlichtte de ramen.... de rook bolderde langzaam door 't gewelf....
En de ongelukkige koster holde door de paden, gillend van angst, tot hij de achterdeur vond en nu klonken z'n wilde kreten door de stilte van 't dorp....
Wibbe werd 't eerst wakker door 't rumoer. Hij ging rechtop in bed zitten en z'n slaperige oogen tuurden door 't half open raam.
Zag hij goed?.... was de lucht rood?....
In een wip stond hij voor 't venster en daar zag hij de vlammen uit de kerk slaan, hij hoorde luide kreten....
Dadelijk schudde hij Hesse wakker: "De kerk brandt, kleed je aan, gauw!"
Hesse keek hem verbaasd aan, zoodat Wibbe hem even schudde en hem naar buiten wees. Toen begreep Hesse den toestand!
In 'n ommezien waren de twee jongens gekleed en holden ze de trap af.
De notaris wilde hen juist roepen, met d'r drieën gingen ze naar buiten en ze mengden zich onder de toestroomende dorpelingen.
't Kerkgebouw brandde met 'n fellen gloed en de oude toren stak boven 't vuur uit alsof hij ongenaakbaar was. Maar de vlammen blakerden hem leelijk en ook 't binnenwerk begon te smeulen--toen sloegen de vurige tongen uit z'n geheimzinnig binnenste.
De ongelukkige dorpsbrandspuit kwam aangereden, voortgetrokken door 'n groep mannen--de slang werd naar 't slootje geleid en uit alle macht begonnen twaalf kerels te pompen, telkens afgelost door anderen.
In den rooden gloed van de brandende kerk leken 't duivels. [2]
Zoo scheen het de jongens ten minste, die geweldig onder den indruk raakten van 't tooneel. Ze hoorden de brandmeesters hun bevelen uitschreeuwen, ze zagen de mannen met hoog ernstige gezichten heen en weer hollen, 'n groep vrouwen met angstige gezichten.
De brandspuit gaf maar 'n droevig beetje water en ook de later aanrukkende spuit uit 't naburige dorp kon de machtige vuurzee niet beheerschen.
'n Paar flinke kerels drongen nog in de consistoriekamer om 'n paar dingen van waarde en de boeken te redden.
Hesse en Wibbe stonden aan den kant van 't dorp 't schouwspel aan te zien. Gevaar voor andere huizen bestond niet want de wind joeg de vonkenregens landwaarts.
Daar bezweek 't dak! Onder 'n heftig geraas stortte het in de brandende diepte.
Op 'n gegeven oogenblik renden de brandmeesters naar de menschen bij 't groote hek.
"Achteruit!" gilden ze, "de toren valt!"
Verschrikt stoof alles terug en alle oogen vestigden zich op 't hooge gevaarte, dat schijnbaar ongedeerd als 'n zwart monster in 't laaiende vuur bleef staan.
Maar z'n ouderdom deed 'm bezwijken!
Plotseling klonk er 'n kreet van schrik, de spits bewóóg.... eenklaps zakte ze ter zijde en voor de oogen van de toeschouwers brak de oude toren midden door, alsof 'n reuzenhand hem op halve hoogte met 'n geweldige moker had geraakt.
Hij viel als 'n oude soldaat, die niet langer kàn. De verbindingen lieten los en in stukken en brokken stortte de helft van den toren voor 'n deel in de brandende kerk of op 't oude kerkhof.
Maar nu ook verminderden de vlammen en de twee spuiten bluschten ten slotte toch 't vuur, dat af en toe nog even oplaaide.
Dikke rookwolken dreven over 't veld, de omtrek van de kerk werd afgezet, alleen de spuitgasten bleven pompen....
Zachtjes aan overwon de nacht met z'n donkerte, 't schitterende schouwspel van 'n brandende kerk veranderde in 'n tooneel van verschrikking. De kale muren met de gebogen kerkramen zonder 'n enkele heele ruit, de gapende ruimte waar eens 't dak was en vooral de ingestorte toren in 't toenemende duister, de nog steeds kronkelende rook, 't naargeestig overschot van de vroegere dorpskerk, wekte bij alle toeschouwers 'n gevoel van treurigheid.
Vele dorpelingen trokken zich 't geval persoonlijk aan. Kooten bloeide toch al niet, en nu weer deze ramp. Waar haalden ze ooit 't geld vandaan om 'n nieuwe kerk te bouwen.
Toen kwam daarbij 't gissen naar de oorzaak.
Er liep 'n gerucht, dat Van Offelen krankzinnig uit 't gebouw was komen hollen.
Had hij den brand aangestoken?
Nu 't indrukwekkende van 't schouwspel voorbij was, en 't droevig overschot van 't kerkje zwart en somber voor hen stond, voelden de meesten 'n woede in zich opkomen.
Maanden en maanden zouden ze met die ellendige ruïne blijven zitten. 's Zondags dienden ze heele einden te loopen om ter kerk te gaan. En dat alleen om dien koster, die gek geworden was.
Waar zat die ellendige kerel? Hij had méér van die buien. Zou 't toch waar zijn, wat gemompeld werd.... zou hij 'n stille drinker zijn? Was hun lief oud kerkje dáárom ten onder gegaan?....
Wibbe en Hesse moesten eindelijk mee naar huis.
Het was half een.
Zij hadden niet veel meer gedaan dan kijken, al maar kijken. Ze waren moe door 't ongewone gebeuren en toch konden ze vooreerst niet in slaap komen.
Nog altijd zagen ze de brandende kerk en den doorgebroken toren en in hun droomen begon 't zeldzame voorval zich uit te breiden.
De brandgasten werden duivels, die in 't vuur dansten, zij zelf waren opgesloten onder in den toren en Hesse bleef bij 't vluchten vastzitten in de nauwe spleet....
Geen wonder, dat ze niet al te frisch wakker werden, maar de herinnering aan 't nachtelijk voorval dreef ze met groote haast naar buiten.
Nog vóór 't ontbijt moesten ze even met eigen oogen zien, of 't werkelijk waar was. En ja--al dadelijk lag 't treurig overschot van 't eens zoo aardige kerkje voor hen.
Nog dwarrelden er kleine rookwolkjes tusschen de verkoolde balken en de brokken steen uit. De muren stonden nog, maar met diep uitgekartelde randen.
Ook de toren, zwart van de rook, plompte met afgebrokkelde bovenkanten en met z'n halve grootte somber tegen de heldere lucht.
Het was dus wáár!
Zwijgend liepen ze om 't overschot van 't kerkje heen. Te dicht mochten ze de ruïne niet naderen op bevel van den veldwachter. Nog nooit werd Kooten zoo druk bezocht als dien Zondag.
Alles wat maar weg kon, trok er heen, om de gevolgen van den brand te zien.
In tweewielige karretjes, op fietsen, in auto's kwamen de bezoekers aanzetten.
Wibbe en Hesse voelden zich gewichtig door deze algemeene belangstelling. Meermalen werden ze ondervraagd en dan deed Wibbe heel bescheiden, terwijl Hesse 'n lief beetje opsneed.
Van Offelen scheen er leelijk aan toe, want 't ging als 'n loopend vuurtje door 't dorp dat hij krankzinnig geworden en weggevoerd was.
's Middags groeide de stroom nog meer en plotseling stonden Wibbe en Hesse tegenover hun oude vijanden: Flip en z'n bende.
Even hielden beide partijen halt en 't had er veel van of ze 'n gevecht op leven en dood zouden beginnen, maar de menschenstroom voerde hen van elkaar.
Toch herkenden ze elkander af en toe, gelukkig op 'n afstand.
Ook Henk en de vrienden kwamen aanrukken en na de eerste beschouwing van de verwoeste kerk, werden ze op de hoogte gebracht van de aanwezigheid der algemeene vijanden.
Henk mompelde: "Wat doen ze hier? 't Is onze toren."
Dat vonden ze rake woorden van Henk!
't Was hun toren, zeker! Zij hadden immers al plan gemaakt er zich in te nestelen.
Wibbe merkte op: "Onze halve toren."
De jongen had gelijk, en met meer aandacht dan eerst, bekeken ze 't rampzalige overschot.
"Wordt hij weer opgebouwd?" vroeg Kees.
Die vraag bracht de hoofden van de vijf bij elkaar.
't Was Hesse, die als 't ware vuur in 't kruit wierp door de opmerking:
"Eer hij opgebouwd wordt, mogen wij er gerust in."
Daar had je 't!
Wie ter wereld zou hen beletten over 'n poos, als de nieuwsgierigheid uitgewerkt was, de puinhoopen te beklimmen en door den vroegeren kerkingang den toren binnen te gaan? Zoozeer namen de nieuwe vooruitzichten hen in beslag, dat ze de bende van Flip vergaten.
Met d'r vijven stonden ze op 'n hoopje en ze luisterden naar de plannen van Hesse. Met drukke gebaren en met 'n stem, die al luider en harder klonk, ontvouwde Hesse z'n plan om van den halven toren 'n prachtige schuilplaats te maken, 'n echt oud ridderslot moest 't worden en zij zelf zouden ridders zijn.
Henk riep toen: "Ridders van den halven toren!"
En die woorden vonden bijval!
Het klonk goed!.... De ridders van den halven toren!
Met vuurroode hoofden wekten ze bij elkaar toekomsttafereelen op.... ze zagen zich al in den toren genesteld.... ze rukten uit om--já, om wat te doen?
Henk vroeg 't kalm: "Bedoel je, dat we roofriddertje gaan spelen?"
Hesse antwoordde niet. Om de waarheid te zeggen, hij wist werkelijk nog niet goed, op welke manier ze dat ridderspel moesten uitvoeren.
En géén van de vijf kon 'n bepaald plan aangeven--'t bleef bij vage uitroepen en duistere verzinsels.
Ze spraken af, omdat ze voorloopig toch niet in den toren konden komen, om 'n bijeenkomst te houden, waarin elk 't een of ander plan moest ontvouwen....
In 't vuur van hun gesprek hadden ze niets bemerkt van Flip met z'n volgers. Die hadden gezien, hoe de vijf afzonderlijk aan 't redeneeren waren en naar allen schijn over 'n gewichtig onderwerp.
Flip waarschuwde z'n vrienden en even later sloop hij zelf naderbij, terwijl de anderen op 'n afstand bleven wachten.
En zóó slim wist Flip dichterbij te komen, dat géén van de vijf erg kregen in den spion, die 'n goed deel van 't gesprokene afluisterde.
Met 'n triomfblik in de oogen, kwam Flip bij de bende terug en 't eerste wat hij zei was: "Zien jullie dien ouden toren? Zij willen er 'n ridderslot van maken!
"Moeten we dat dulden? Hebben wij niet even veel recht om er ons spel te spelen?"
De hoofden gingen bij elkaar en ook dáár werd afgesproken, 'n bijeenkomst te houden....
En die arme halve toren stond er weerloos bij waar twee troepen jonge helden recht tegen elkaar in, over hem beschikten en hem wilden maken tot 'n tooneel van den strijd.
VIII.
IN 'T DONKER.
Met toestemming van burgemeester en notaris mochten Wibbe en Hesse de puinhoopen van de afgebrande kerk als 'n speelterrein beschouwen.
'n Week na 't onheil ondernamen de twee hun eerste onderzoekingstocht en beklommen de ruïne met de gewone behendigheid van jonge snuiters.
Mevrouw had ze nog gezegd: "Waag je er niet op in je goeie kleeren want 't is er vreeselijk vuil."
Ja, hoe zijn jongens? Ze luisteren maar half of ze vergeten 't dadelijk weer, omdat ze met hun hersens altijd bezig zijn met de een of andere heldendaad.
Dus klauterden Wibbe en Hesse als katten over de zwarte balken en over de steenklompen. Ze verdwenen als dwergen tusschen de stapels steenen, waaruit half verbrande latten uitstaken, en vuil dat ze werden!
Nog lagen er drabbige vieze plassen, ontstaan door 't bluschwater, en juist geschikt om jongensvoeten 'n aardige opfrissching te geven. De afscheidingsmuren tusschen de deelen van de kerk waren voor 'n goed deel blijven staan, maar met brokken en gaten.
Dat gaf 'n prachtkans om telkens den hals te breken en de restjes van verbrande of beschadigde voorwerpen verlokten ze tot 'n vernuftig smijten door 'n raamgat.
Na 'n poos geklauter kwamen ze dicht bij den toegang tot den toren, maar 'n hevige teleurstelling overviel de twee, toen ze merkten, dat deze versperd was door neergestort puin.
Ietwat vies, 'n heel klein beetje griezelig bleven Wibbe en Hesse naast elkaar zitten op 'n stuk balk, vol smerige brandplekken.
Ze staarden naar den half verborgen toegang en ze begonnen de heele onderneming zwaar in te zien.
"We zullen 'n tunnel moeten graven," meende Wibbe.
"Of toch 'n dynamietpatroon gebruiken," opperde Hesse.
Wibbe keek hem van terzijde aan en hij zei: "Welnee! aanpakken! die rommel moet op zij, dat 's alles!"
Ze begrepen na eenig nadenken, dat er niets anders op zat en toen ze later de vrienden ontmoetten, wisten die al vast, dat er gewerkt moest worden als paarden.
Op de plechtige bijeenkomst ten huize van den notaris, trad de heer Hesse als voorzitter op.
Wibbe had hem al dagen te voren zien prutsen en 't was hem niet gelukt te weten te komen, waarmee.
Op zijn vragen kreeg hij van Hesse alleen ten antwoord: "Dat is voor jou ook 'n geheim."
Geen wonder, dat hij heel nieuwsgierig was en met spanning de groote openingsrede van den voorzitter aanhoorde.
Hesse bezat 'n radde tong, die hij uitstekend wist te gebruiken, maar nu scheen hij toch zelf onder den indruk van 'n gebeurtenis, die door z'n verbeelding al bizonder belangrijk zou worden.
Wibbe stráálde!
Hij leefde in spanning en dan, 't ging nu toch zóó, als hij vroeger in z'n boeken had gelezen.
Héérlijk!
Hesse zei dan! "We gaan 'n geheim verbond oprichten, ja, 'n geheim verbond, dat is 'n verbond, waarvan je lid mag zijn in 't geheim. Ja, in 't geheim."
De aanstaande leden glimlachten.
Hesse ging voort: "We kiezen als plaats van samenkomst den toren.... ik wil zeggen, den halven toren. We noemen ons: de ridders van den halven toren...."
Pauze.
"We moeten plechtig beloven, elkaar trouw bij te staan in alle moeielijke gevallen.
"Vóór ik verder ga, wil ik eerst bespreken, wat 't doel is van onzen bond.
"Mag ik Wibbe uitnoodigen zijn plan ter tafel te brengen. Daarna zullen we ook de andere aanwezigen uitnoodigen. 't Beste plan voeren we uit. Dan gaan we de eed afleggen."
Hesse zuchtte diep, geweldig ernstig door dit ongewone gebeuren.
Hij ging zitten en keek Wibbe aan.
Deze heer had genoeg over 'n plan gedacht. Ridders waren volgens de boeken, bizonder dappere kerels, dat was één: dapperheid. Ook volbrachten ze edele daden, dat was twee: edelmoedigheid. Verder.... ja, verder wist hij niets meer. Vandaar, dat Wibbe met 'n onbegrijpelijk plan voor den dag kwam.
Daarin bazelde hij zoo iets van: dappere daden verrichten, moedig zijn, edel, weezen en vrouwen beschermen....
Dat klonk wat vreemd in de ooren van de aandachtig luisterende aanstaande ridders. Ze wisten niet wat Wibbe eigenlijk van hen verlangde.
Jan bracht 't er niet veel beter af. Die kwam met 'n oud verhaal op de proppen, waarin geweldige ridders geheime schatten wisten te ontdekken en daarvan telkens 'n deel gebruikten om armen te helpen.
Ze vonden 't allemaal verbazend mooi, maar Henk vroeg onnoozel: "Waar moet je die schatten in ònzen tijd vinden? Zeker in den toren!"
Kees zat feitelijk met z'n mond vol tanden. Hij had heelemaal niets weten te bedenken. Vandaar z'n gestotter over riddertochten, gevangenen, tweegevechten en meer van die bombast, heel aardig in den goeden ouden tijd, maar nu eenvoudig onzin.
Henk deed leuk!
"Ik weet niets," zei hij, "niemand van ons weet iets, dat is gebleken! Ik stel dus vóór, om niet zoo dik te doen en op te scheppen over al die mooie dingen van vroeger, maar eenvoudig echt fijn in den toren te gaan spelen. Vraag je me nou, wat, dan zeg ik alweer: "ik weet 't nog niet. Dat zullen we wel zien.""
De bondgenooten knikten goedkeurend, blij, dat niemand was geslaagd.
Maar Hesse liet zich deze prachtkans om avontuurlijk en geheimzinnig te doen, niet ontglippen.
Daar was nou 'n halve toren met onderaardsche gewelven misschien, moesten ze nu als doodgewone jongens er alleen wat in spelen?
Dus sprak de voorzitter de volgende rede uit:
"Het valt me bitter tegen, dat niemand 't een of ander heeft kunnen bedenken. Ik moet dus zelf wel voor den dag komen met mijn plan...."
Volle aandacht van de vier!
"Jullie hebt zelf gezegd, dat de ridders vroeger de beschermers waren van ongelukkigen, van weerlooze kinderen en vrouwen.
"Jullie lacht, omdat je denkt, dat ik jullie zou willen opwekken om weer zoo te doen.
"Ach nee, ik heb wat anders bedacht...."
Verbazende aandacht!
"Er zijn in onzen tijd nog weerlooze ongelukkige schepsels genoeg, die mishandeld worden door wreedaards en domme suffers.
"En die schepsels kunnen wij heel goed beschermen als we willen...."
Henk begon Hesse te begrijpen.
"Mijn plan is nu zóó: We vormen 't geheime verbond De Ridders van den halven toren! Die ridders hebben 't doel om overal waar ze kunnen de honden, de paarden, de vogels, alle dieren, die mishandeld worden, te beschermen.
"En ongelukkige zwervers worden door die ridders in hun schuilplaats gebracht, daar verzorgd en gevoed.
"Begrijpen jullie me nou?"
Ja, ze begrepen hem uitstekend!
Henk zei zelfs heel aardig: "Dàt is nou 't mooiste plan van de wereld. Wij worden ridders van den nieuwen tijd!"
Nadat de eerste luidruchtigheid over 't voorstel van Hesse was bedaard, ging de voorzitter verder:
"Wij sluiten dus 'n verbond en nu had ik gedacht om die oprichting plechtig te vieren door iets bizonders."
Hesse maakte 't pakje open, dat de jongens al 'n half uur geprikkeld had, zóó nieuwsgierig waren ze om den inhoud te leeren kennen.
Er kwam 'n naald te voorschijn, 'n fleschje met gekleurd goedje en 'n reep rood lint. Dat gaf te denken!
Hesse verklaarde toen: "Ik prik met deze naald ons geheime teeken in je arm."
"Ha! tatoueeren noem je dat!" riep Kees.
"En wat voor teeken?" vroeg Jan.
Hesse stroopte z'n mouw op en, na de naald in 't gekleurde vocht gedoopt te hebben, prikte hij snel den vorm van 'n hond.
Hij scheen daarin geduchte oefeningen gehouden te hebben, want werkelijk, de omtrek van 'n hondenlijf stond duidelijk op 't vel. Achtereenvolgens kregen de overige leden van den nieuwen ridderbond 'n beurt en met de hoogste voldoening bekeken ze dit teeken van trouw en toewijding.
Er volgde nog méér!
't Stuk rood lint werd in vijven gesneden. Op elke reep kwam nu 't zelfde teeken te staan en dit was nu 't uiterlijk bewijs van lidmaatschap.
Na kort beraad besloten ze 't lintje niet al te zichtbaar onder 't buis op 't vest te dragen.
Mevrouw, die wat versnaperingen kwam brengen, vond de nieuwe ridders met hoogroode gezichten aan 't naaien.
Wibbe had naald en draad weten te vinden en probeerde nu de stukjes lint op 'n vest te naaien, maar 't ging alles behalve netjes. Mevrouw hielp hen, terwijl Hesse haar inlichtte omtrent den nieuwen bond.
Verrast keek ze er van op en ze prees de jongens om dit prachtige plan.
Na afloop van de openingsplechtigheid trokken de ridders naar de plaats van hun nieuw verblijf--de ruïne.
Op den plek zelf wilden ze de middelen beramen om in den halven toren door te dringen.
Er zat waarlijk niet veel anders op dan werken, hard werken!
En omdat 't verkoopen van veel praatjes toch niet hielp, trokken ze maar dadelijk aan den arbeid.
Met vereenigde krachten wisten ze zwartgebrande balken terzijde te schuiven. Met behulp van twee schoppen, één uit den tuin en één uit de keuken, groeven ze 't puin zooveel mogelijk weg.
De vallende duisternis plus 't bevel van den notaris plus de noodzakelijkheid voor de stadsjongens om naar huis te komen, maakten dezen eersten avond 'n eind aan 't werk.
De roode plakkaatjes op de vesten van de vijf ridders vielen den anderen dag gauw genoeg in 't oog.
Géén van de klasgenooten begreep er de beteekenis van.
Minachtend verklaarde Flip het voor aanstellerij.
"Ze hebben 'n hondenclub opgericht," zei hij, "ze hadden liever apen moeten nemen."
Deze geestige woorden werden natuurlijk zóó luid gezegd, dat Hesse ze hoorde. Hij keek Flip scherp aan en beet hem toe:
"Dat laten we aan jullie over."
Flip riep toen: "Als jullie honden zijn, dan zullen wij wolven worden om jullie één voor één dood te bijten."
Nog 'n poosje ging 't geschreeuw over en weer, tot de les begon.
Maar van nu af aan bleef 't: honden en wolven.
Zelfs Riek van Merlen, nummer één onder de meisjes, wilde er alles van weten en beurtelings hoorde ze Wibbe uit en Flip.
Over 't algemeen hielden de meisjes 't meer met de ridders.
Door de echte gevoeligheid van kleine vrouwtjes mochten ze 't medelijdende van Hesse, Wibbe en de anderen liever lijden dan de brutaliteit van Flip.
Toch verstond die beter de kunst, ze te doen lachen en hij was ook nog vrind met den broer van Guusje Raders.
's Middags verscheen de bende van Flip met 'n wolfsportret op 't vest genaaid.
Zeven tegen vijf!
Na vier avonden van hard werken kwam eindelijk de toegang tot den toren vrij!
De deur, half verbrand, bood niet veel tegenstand en dus naderde 't oogenblik, waarin de ridders hun nieuw verblijf zouden betrekken.
Juist dien zelfden dag was de groote vacantie begonnen en niet zonder reden hoopten de vijf vrienden van hun vrije dagen 'n heerlijk gebruik te maken.
De duisternis gleed over de ruïne en zware schaduwen vielen door 't maanlicht over de puinhoopen.
Hesse stak nu de kaars aan in den ouden lantaren en aldus trokken de ridders voor de eerste maal den halven toren binnen....
Door 'n onbekende oorzaak was 't beneden gedeelte vrij wel onbeschadigd, alleen de bovenste helft brandde uit en daardoor werden de ridders gehinderd door 'n massa stukken steen en neergevallen houtbrokken.
Hesse ging voorop.
Hij hield den lantaren boven 't hoofd en nu wierp 't flauwe licht 'n allergeheimzinnigst schijnsel op 't inwendige van den toren.
Onwillekeurig voelden ze 'n kille huivering vooral door den tocht.... 'n koude luchtstroom viel van boven door 't groote open gat naar omlaag en ontsnapte door de deur.
In 't duister bespeurden de jongens rechts een steenen trap langs den muur en daaronder was 't donker, volkomen donker.
Enkele minuten stonden ze op 'n hoopje.... ze fluisterden en hun oogen trachtten te onderscheiden....
Het leek hen toe alsof er onder die trap iets leefde... wat kon 't zijn?....
Hesse was de eerste, die moedig voortging en 't licht deed schijnen in 't donker.
Ze zagen niets dan wat kisten, oude rommel en de overblijfselen van gereedschappen, alles in een grooten kring van steenen.
Deze ontdekking gaf den ridders meer moed en nu doorzochten ze de heele ruimte, maar ze vonden er niets bizonders.
Hesse maakte nu aanstalten om de trap te beklimmen, maar toen werden ze helaas weggeroepen door den notaris.
Eerlijk gezegd, viel die heele halve toren hen geducht tegen! Ze hadden 't zich veel geheimzinniger voorgesteld.
Nou ja, zoo in 't donker met 'n lantarentje leek 't heel wat.
Hesse ging niet met de teleurgestelden mee. "Morgen middag komen jullie terug, dan zullen we eens nader onderzoeken."
Natuurlijk waren de vrienden weer op tijd aanwezig en toen begon 't tweede bezoek.
De zon wierp gele stralen in den toren en tooverde zonderlinge lichtplekken op de muren en op de trap.
Kalmpjes beklommen ze den laatste tot ze den rand van de afgebroken muren bereikten en hun gezichten daarbovenuit verschenen.
Wijd uit zagen ze nu over de velden en ze herkenden 't huis van den notaris en achter hen stonden de zwarte kerkmuren met gele rookplekken en de verbrijzelde ramen.
Toch liet dit alles de jongens onbevredigd!
Ze verlangden méér.
't Was wel leuk, maar wat moesten ze hier nu verder uitvoeren?
Veel ruimte leverde dit inwendige van den toren niet op. En gezellig leek 't ook niet.
Maar Hesse was er óók nog!