De ridders van den halven toren

Part 3

Chapter 34,220 wordsPublic domain

Wibbe kreeg lust er van te vertellen en toen vroeg Hesse dood leuk: "Waarom ben je er niet gebleven?"

Wibbe antwoordde: "Omdat ik al dat speelgoed graag wou ruilen voor jou."

"Voor mij?"

Hesse trok zoo'n koddig gezicht, dat Wibbe 't uitproestte en toen vertelde hij van z'n leven met mr. Bribon, die heel goed voor hem was geweest, maar met wien hij zich toch heel eenzaam had gevoeld.

Toen keken de beide jongens elkander aan.

Hesse begon iets te begrijpen en zonder 'n woord te zeggen, sloeg hij z'n arm om Wibbe's schouders en in dat oogenblik werden die twee eenzame jongens aan elkander geklonken voor heel hun leven.

Ze kwamen bij de kerk met den somberen plompen toren.

"'t Is net of die dood is", zei Hesse, "ben je er al eens in geweest?"

"Niemand mag er in, hij is van binnen heelemaal kapot."

"Kunnen we dat niet eens zien?"

Zooals gewoonlijk wachtte Hesse niet op 'n antwoord, maar snuffelend liep hij langs de kerk, vol verschoten klimop tot aan den voet van den toren.

Het was 'n verlaten treurige plek!

De steenen lagen er schots en scheef, heele putten waren in den grond. De muren brokkelden af en door den regen vertoonden ze allerakeligste vlakken bruin en zwart.

"Hij ziet er net uit, of hij op ons wil vallen", zei Hesse.

Ze stonden nu samen voor den ingang, 'n vervelooze deur, vol spleten en vreemde plakkaten.

Hesse morrelde aan de rest van 'n kruk, duwde tegen 't hout. Dit knoerste en zuchtte als 'n honderdjarig vrouwtje, dat uit haar sufheid wordt wakker geschud.

"Help 's douwen", zei Hesse.

Samen probeerden ze, de deur open te krijgen, maar 't slot hield nog goed.

"Ik wil er toch eens in", zei Hesse, "zou meneer ... hoe heet die nou ook weer? Zoo iets van 'n kleermaker..."

"Meneer Broekenaaier!" hielp Wibbe hem.

"O ja, zoo heet ie, kan die er ons niet in helpen?"

"Ik zal 't hem eens vragen, maar ik geloof 't niet."

Hesse was op z'n knieën gevallen en morrelde met z'n handen onder aan den voet van den toren.

Wibbe bukte om te zien wat hij deed, en merkte toen, dat z'n vrind bezig was 'n paar zerksteenen heen en weer te duwen.

Ze waren vreeselijk gebarsten! Vandaar dat Hesse probeerde om één van de stukken te verplaatsen.

Het lukte hem niet en evenmin aan de twéé jongens, die samen aan 't rukken en duwen trokken.

"Zeg Wibbe, ga jij 's 'n bijl of 'n beitel met 'n hamer halen."

Wibbe staarde Hesse aan ... hij twijfelde op z'n minst genomen aan de tegenwoordigheid van zulke werktuigen in 't huis van den notaris. Een tweede punt was 't meenemen.

Hesse stond al op, om zelf te gaan, maar nu sprak Wibbe 't belemmerende woord:

"We mógen geen gat maken."

Nu kreeg Hesse de beurt om gek te kijken.

"Waarom niet?" vroeg hij, "we doen 't niet om te stelen, we zijn geen inbrekers."

Wibbe schudde 't hoofd en antwoordde: "Je màg geen gaten maken in 'n andermans huis."

"Ach jò, van wie is dàt huis? 'n Mooi huis, zoo'n ouwe toren. Die hoort toch aan 't dorp, aan alle menschen van 't dorp, dus óók aan onzen meneer Kleermaker!"

"Broekenaaier", verbeterde Wibbe weer.

Hij aarzelde, want hij wist niets in te brengen tegen de redeneering van Hesse.

Alleen zei hij nog: "En die zal 't nooit goed vinden."

"Ik vraag 't hem meteen, want ik wil er in."

"Laten we dan toch aan iemand vragen, ons er in te brengen."

"Goed dan! ik begin er onder 't eten over, dan kun je 't zelf hooren."

Met moeite liep Hesse van de plek weg: De ongelukkige bouwvallige toren scheen hem aan te trekken. Nog wel vier keer keek hij om...

Aan 't middagmaal pas zagen ze den notaris en Wibbe begon handig over hun plan te spreken.

Het viel de twee jongens geducht tegen, toen mr. Broekenaaier kalmpjes vertelde: "Er mag niemand in den toren, omdat hij zoo oud en vervallen is. 't Binnenwerk levert zelfs gevaar op. Ik kan je dus onder géén voorwaarde toestemming geven om er in te gaan."

Hesse zat onrustig op z'n stoel te draaien en vroeg eindelijk: "Mag ik er van onder af door 'n gat niet in?"

De notaris begreep hem niet, zoodat hij om opheldering van die vreemde vraag vroeg.

Ronduit zei Hesse: "Ik wou er 'n gat in hameren en daar door kruipen."

De notaris, die juist 'n flinken hap nam, bleef met z'n vork vóór z'n mond zitten.

"Wat vertel je me nou?" vroeg hij met verbaasde oogen. "Je méént 't toch niet?"

Hesse knikte van ja en dat haalde hem 'n lange vermaning van den notaris op den hals. Hesse pikte juist 'n aardappel met z'n vork uit de schaal, waardoor ook mevrouw tegen hem uitviel: "Dat mag zóó niet! Netjes op je bord scheppen, als je 't gevraagd hebt."

Hesse keek Wibbe eens aan om troost, maar die keek als wilde hij zeggen: "Ik heb 't je wel voorspeld."

Hesse zweeg over dat onderwerp, maar na 't maal, toen ze samen op Wibbe's kamer zaten, zei hij met iets vastberadens in z'n stem: "Ik doe 't tòch."

Wibbe viel hem af, al kwam er in z'n jongenshart dezelfde zucht om verboden dingen te doen.

Plotseling dacht hij aan 't verhaal, waarin beschreven werd, hoe 'n troep jongens 'n geheime spelonk bewoonden. Zòò iets te beleven, dat leek hem 't toppunt. Toen Hesse weer zei: "Ik maak 't gat, en ik zeg 't niemand. Wil jij niet meedoen, dan laat je 't maar, als je me maar niet verraadt. Ik ben niet bang om binnen in den toren te kruipen. Dan is er 'n echte plek, waar we ons altijd kunnen verbergen."

"'t Wordt vast gemerkt", meende Wibbe.

"Poe!" deed Hesse, "heb je me vroeger nooit gezien? Ik kon van alles! Laat mij maar begaan! 't Wordt fijn!"

Wibbe weifelde.

Wat Hesse ging doen, was hem verboden, en toch, 't plan leek zoo geheimzinnig, ze deden er immers niemand nadeel mee, ze wilden niet stelen of zoo. Was 't wel zoo erg?

Hesse merkte, dat z'n vriend aarzelde. Van daar z'n hooghartige opmerking: "Mijn vader zou 't wèl toegestaan hebben."

Dat besliste!

"Poe!" deed Hesse, "doe je mee?" Wibbe knikte.

"Haal jij dan de bijl en zoo."

Tien minuten later trokken ze, gewapend met de werktuigen, op nieuw naar den toren.

V.

ZWAAR WERK.

De toren en de kerk stonden aan den buitenkant van 't dorp. Aan de achterzijde kwamen zelden menschen. Daar liep de grens van 't oude kerkhof en van af de hoogere plek keek je over de weilanden, met de rijtjes wilgen, heen.

Twee minuten verder lag 't notarishuis.

Aan den anderen kant van de kerk lag 'n klein pleintje met groote boomen. Door 'n groot hek kwam je dan in de dorpstraat, die op de brink uit liep.

Hesse en Wibbe bereikten ongezien den voet van den toren en maakten zich gereed 't groote werk aan te vangen.

Maar... de notaris gaf er dezen avond z'n dutje aan.

Na 'n kort overleg met z'n vrouw, besloot hij de jongens na te gaan. Wel konden ze hier in en bij 't dorp in geen zeven slooten tegelijk loopen, maar toch, de zonderlinge woorden van Hesse hadden hem achterdochtig gemaakt.

Hij liet de jongens stil de deur uitgaan en toen volgde hij.

Juist toen Hesse de zware beitel wilde gebruiken, verscheen mr. Broekenaaier achter hen.

Hij werd werkelijk boos, toen hij merkte, dat z'n verbod in den wind was geslagen.

Onmiddellijk greep hij de werktuigen van den grond op en barsch riep hij uit:

"Allo, marsch, naar binnen!"

Hesse aarzelde...

Volgens zijn natuur en zijn manieren, moest er 'n brutale weigering volgen, maar z'n oogen ontmoetten die van Wibbe, en deze spraken zéér duidelijk: "Gààn!"

Ze moesten naar de kamer van den notaris en hier hoorden ze voor de tweede maal 'n strafprediking.

Eigenlijk gezegd gold ze alleen Wibbe.

"Jij wist, dat je zoo iets niet mag doen, jij had 'n voorbeeld moeten zijn, hij wist niet beter."

Wibbe wist niet veel te antwoorden, hij voelde schuld. Juist wilde hij dat bekennen, toen Hesse uit riep: "Meneer, als ik 't aan den Burgemeester ga vragen, en als die 't goed vindt, dan mag 't toch wel van ù òòk?"

"Zoo'n rakker!" dacht de notaris. Toch werd hij niet boos, bij 't zien van de eerlijke oogen die op hem gericht werden.

Wat wist hij ook van 't jongensleven, van hun zucht naar avonturen. Wàs 't wel zoo erg als ze 'n paar steenen weghakten? Zou hij geen sleutel van 't kleine deurtje kunnen vragen?

Daar stond tegenover: 't was in den toren gevaarlijk, je kon nooit weten of ze daar binnen geen ongeluk zouden krijgen.

"Waarom willen jullie tòch in dat akelige oude ding?" vroeg hij.

De oogen van Hesse begonnen te schitteren, hij wilde gaan spreken, maar er kwam alleen: "Dat is ons geheim."

De notaris glimlachte. Er ging hem 'n licht op. Jongens moeten nu eenmaal iets hebben, dat ze van elkaar hooren of in allerhande boeken lezen.

Die Hesse scheen er al heel sterk behoefte aan te hebben, en Wibbe, nou die hunkerde immers naar 't bizondere.

Als bij ze eens liet begaan...

Wat was er verbeurd aan dien ouden toren?

Hij zou dan wel 'n oogje in 't zeil houden...

Op eens zei hij dus: "Nee, je mag niet naar den burgemeester. Ik heb je nu gewaarschuwd, 't is heel gevaarlijk, marsch!"

Wibbe scheen iets te begrijpen, maar Hesse zei dadelijk buiten de kamer: "'n Poos niks doen, dan vergeet die 't wel."

De notaris vergat 't niet.

Hij sprak met den koster en met 'n paar vakmannen, aan wie hij vroeg, of die toren werkelijk zoo gevaarlijk was.

Hun antwoorden stelden hem gerust--de buitenmuren zouden heusch nog niet instorten, 't zat 'm in 't trapwerk, 't hout was in geen jaren vernieuwd of versterkt.

Alleen hevige stooten of stormen zouden gevaar opleveren, maar anders --nou, 't zou wel losloopen.

De notaris wist genoeg.

Hij besloot dus, de jongens zoogenaamd hun gang te laten gaan, dus, net te doen, of hij alles was vergeten, maar goed opletten en ze beschermen.

De eerste dagen merkte hij niets.

Met opzet vermeden de beide vrienden den toren. Ze hadden 't verbazend druk met paarden en honden.

In 't heele dorp waren maar vier honden en één ervan wàs eigenlijk geen hond, maar 'n overblijfsel ervan... oud, blind, half dood. De overigen werden in 'n ommezien beste maatjes met Hesse.

Hij was dol op dieren, behalve op katten.

Aan Wibbe vertelde hij: "Ik ben eens vreeselijk van 'n kat geschrikt, toen ik nog pas vier jaar was. Een groote kat sprong in eens naar m'n gezicht, ik viel om en ik zag er zoo uit, en ik heb wel 'n uur gehuild. M'n vader heeft die leelijkerd doodgeschoten, en nou heb ik 'n hekel aan katten, zie je."

Maar de honden!

Ach, lieve help, wat stoeiden ze met den kleinen Dop.

Ja, Dop heette die!

Dat was zoo'n echte leuke lobbes van 'n hond en hij maakte de gekste sprongen. Als Wibbe en Hesse voorbij den bakker kwamen, dan zagen ze Dop meestal en o lieve help! daar begon 't spelletje!

Dop laten bijten in 'n stok, Dop om en om rollen, Dop meenemen, en doen hollen met z'n rare keffende geluidjes, en... Dop telkens wat geven!

Die akelige kat thuis kreeg niets, maar de jongens bewaarden na de eerste ontmoeting 'n boutje of 'n scheefje leverworst voor 't beest en dat wist de schelm den derden dag al, of hij róók 't misschien.

Aan 't eind van 't dorp lag 'n soort van vierkant, aan één zijde open en dáár afgesloten door 'n laag hekje.

Allemaal kleine huisjes stonden er gezelligjes naast elkaar te flikkeren in de zon. Er woonden veel oudjes en gebrekkigen, die er knusjes hun dagen sleten met pijpjes rooken, kousen breien en babbeltjes houden.

Hel leek wel 'n hofje zooals in de steden wordt gevonden, maar dan zonder nauw toegangspoortje en popperige tuintjes.

Dáár leefden ook 'n paar honden, ruig en ruw, maar als lammetjes voor Hesse.

De eerste maal gromden ze achter 't hekje en ze maakten dreigende bewegingen om één van de twee jongens minstens 'n half been af te bijten, maar Hesse keek ze eens aan, begon met ze te praten en van lieverlede kwam er 'n gezwaai in de staarten, 'n zachteren blik in de oogen, 't grommen hield op en de koppen legden ze over den rand van 't hek om door Hesse gestreeld te worden.

Die twee bullebakken heetten Tex en Oos.

Wat die namen beteekenden, wist niemand, maar zòò waren ze!

Ook de geiten en bokken, die langs de bermen buiten 't dorp graasden, vastgehouden door lange touwen, kregen 'n bezoek van Hesse en Wibbe. En ook zij legden alle schuwheid en koppigheid af na de kennismaking. Met hun gele rare oogen keken ze de jongens aan en ze lieten zich bekloppen en ze duldden 'n klein bokspartijtje.

't Was 'n wonder zooveel vrienden Hesse zich maakte in die enkele dagen.

In huis ging 't al veel beter, dank zij de korte lessen van Wibbe.

Die gaf 'm eenvoudig 'n stomp tegen z'n dij als hij iets onbehoorlijks deed en dan legde hij hem later uit, hòè hij zich moest gedragen.

Dan vroeg Hesse geregeld: "Waaròm mag ik dat niet doen," en dan antwoordde Wibbe doodleuk: "Daarom niet."

Hesse bromde dan weer wat terug, maar 't slot was toch, dat hij luisterde naar Wibbe's raadgevingen en meermalen eerst z'n vriend aankeek, alvorens toe te geven aan z'n invallen en grillen.

De notaris en z'n vrouw begonnen dan ook te wennen aan de geweldige verandering in hun leven en zoetjesaan groeide er 'n warme genegenheid in hun harten.

Wibbe mochten ze 't liefste lijden om z'n zacht karakter, om z'n voorkomendheid en z'n lieve manieren.

Hesse kwam in de tweede plaats door z'n zonderlinge aard. Achter 't meer ruwe ongepolijste uiterlijk vonden ze 'n eerlijk trouw gemoed, 'n diep gevoel van 'n echten jongen, groot gebracht onder totaal andere omstandigheden bij menschen, die 't zoo nauw niet namen met eerlijkheid en deugd.

Maandag!

Hesse en Wibbe verlieten 't notarishuis om kwart voor achten. Ze trokken op weg naar school. Hesse was ongewoon stil, onderwijl ze langs de vaart voortwandelden in 'n lichten motregen.

Wibbe bewaarde 'n klein geheimpje met moeite, want nu hij z'n vriend zoo bedrukt zag meetippelen, voelde hij zich geroepen om hem te troosten of moed in te spreken.

De waarheid dient gezegd te worden!

Wibbe was véél knapper dan Hesse! O, dat scheelde heel wat.

En Hesse wist 't! Hesse had 't dadelijk gemerkt. Hesse deed vroeger niet veel aan schoolgaan en niet alleen door eigen schuld. Volgens recht en billijkheid zou Wibbe dus in 'n hoogere klasse terecht moeten komen dan de vriend.

En daarover piekerde Hesse.

Toch weerhield z'n trots hem, om er over te klagen, al vond hij 't vreeselijk, niet bij Wibbe in dezelfde klasse te zullen zitten.

En nog iets!

Vroeger bezocht Hesse 'n school, waar kinderen opgingen van arme ouders, dikwijls haveloos gekleed en ongewasschen. De jongens deden soms vies en ruw, omdat ze niet beter wisten. Nu kwam hij op 'n school, waar alle kinderen goed gekleed waren, frisch en zindelijk. Hij wist, hoe ze van jongst af aan geleerd hadden volgens andere opvattingen te leven zooals Wibbe.

Hesse zag er tegen op!

Hij was bang, te zullen afsteken door z'n manieren en z'n geringe ontwikkeling.

Vandaar z'n gedrukte stemming.

Wibbe droeg vuur op de tong!

Hij wist, dat Hesse tòch bij hem in dezelfde klasse zou geplaatst worden. Hij wist, dat Hesse afzonderlijk les zou krijgen. Hij wist, dat Hesse 'n helder verstand bezat, 'n kolossaal geheugen en dat hij dus heel gemakkelijk kon inhalen wat hij achter was. Hij wist, wat meneer Broekenaaier met 't hoofd der school had afgesproken, maar hij mocht er niets van aan Hesse zeggen.

En dus vergenoegde hij zich met louter opporringen, die bestonden uit aanmoedigende kreten en stoeipartijtjes.

"'t Zal best meevallen!" riep hij telkens, "wees nou niet zoo suf!"

Hesse dééd dan z'n best om weer onbezorgd vroolijk te zijn, maar juist die opgewektheid van Wibbe deed hem des te sterker voelen, hoeveel hij bij hem achter stond, hoe jammer 't was, in 'n lagere klas te moeten zitten.

In de stad gaf 't gewoel en de drukte 'n weinig afleiding, waardoor de toenemende stilheid van Hesse niet meer zoo òp viel.

Ze bereikten de Binkstraat en daar ontdekten ze al in 't midden 'n woelende menigte kinderen, kleintjes en grooten.

Ze stoeiden en speelden voor 't meerendeel, terwijl de ouderen in groepjes stonden te praten of gekheid te maken.

Wibbe en Hesse vertraagden hun gang....

Zouden ze regelrecht de school binnengaan om zich aan te melden, of buiten blijven wachten?

Ze werden niet eens opgemerkt en dus besloten ze nog wat te treuzelen.

Toen kwam 't Hoofd van de school in de deuropening en z'n oogen vielen op de twee nieuwe jongens. Hij wenkte hen en nu stapten Wibbe en Hesse naar binnen.

Onder 't opwekkend praten van meneer Weler liepen ze de breede gang door tot lokaal 10. Daar gingen ze in en de onderwijzer, meneer Fube nam ze over.

Blijkbaar wist hij er alles van want doodgewoon babbelde hij even met de jongens, wees ze hun plaatsen aan en heel kalm zei hij aan 't slot:

"Misschien kun je in 't begin nog niet goed mee, dat is niemendal, ik zal je extra helpen."

Terwijl Hesse van verbazing de kluts kwijt raakte en z'n vriend zwijgend aanstaarde, kwamen de jongens en meisjes binnen.

Hesse begreep 't niet goed.... zou hij met Wibbe in dezelfde klas blijven? Naast 'm zitten?

O!--O! Hij werd vuurrood en alles vergetende zei hij met 'n harde stem tegen de jongens in de bank naast de zijne:

"Zeg! zeg! ik blijf bij Wibbe!"

De heele klas keek er van òp en na de woorden van Hesse ontstond er 'n algemeen gegiegel. De achtersten rekten zich uit om de nieuwelingen te zien en snel gingen de opmerkingen over hun uiterlijk van mond tot mond.

Meneer Fube deed alsof hij niets merkte en Hesse, als met 'n tooverslag weer de oude van kort geleden, keek met z'n brutale oogen de klas rond, ondanks 't zachte stompen van Wibbe.

En tegen 'n jongen, die hij hoorde zeggen: "Wat 'n ezelsooren heeft die nieuwe knul!" riep hij:

"Trek er 's an, als je durft!"

Hij stond klaar om te gaan bakkeleien, toen de onderwijzer beginnen tikte.

Hesse ging zitten, telkens nog omkijkende naar den beleediger.

Wibbe kreeg pijn in z'n eigen hand door 't aanhoudend porren, maar 't hielp hem niet veel want Hesse zei tamelijk hardop: "Schei toch uit met je stompen!"

Weer tikte de onderwijzer, terwijl de gansche klasse weer giegelde.

Toen begon de les.

Ze liep over natuurkunde en gelukkig werd Hesse er door geboeid, al schreeuwde hij z'n opmerkingen ongevraagd door de klas.

Meneer Fube zette hem kalmpjes op z'n plaats, legde hem uit, hoe de gewoonten waren en ging weer verder.

Dat uur leverde geen bizondere voorvallen op, maar in 't tweede kreeg je de poppen aan 't dansen.

Waarschijnlijk kwam 't door de overgroote vreugde die Hesse doortrilde, omdat hij in deze klasse mèt en naast Wibbe mocht blijven.

De taalles eischte schriftelijk werk, 't vervolg van den vorigen dag.

Wibbe en Hesse kregen daarom iets afzonderlijks, 'n oefening uit den Hertog en Lohr.

Dat ging Hesse niet te best af!

Hij merkte wel, dat Wibbe aardig opschoot, maar afkijken wilde hij niet.

Al zoekende naar de juiste woorden, zat hij rond te kijken. Daar zag hij, hoe 'n jongen onder de bank stilletjes iets uit 'n zakje haalde en dat in zijn hand verborg. Toen ging die gesloten hand in de richting van den mond. Oogenschijnlijk was de jongen met z'n werk bezig. Even hield hij de hand stil voor den mond en juist toen de inhoud zou worden verplaatst, klonk de stem van Hesse: "Is 't lekker?"

De heele klasse keek òp en meneer Fube, druk bezig met nazien, schrikte van dien uitroep. De betrapte snoeper werd vuurrood, deed haastig z'n hand omlaag om z'n schuld te verbergen. Te midden van de opschudding klonk 't weer uit Hesse's mond: "Geef ons allemaal wat!" De onderwijzer liet de klas even lachen, toen riep hij Hesse bij zich en vermaande hem zacht, niet zóó hardop alles te zeggen wat hij zag.

Hesse deed beschaamd, nog 't meest door 't verlegen gezicht van Wibbe, die waarlijk geen raad wist.

't Zakje moest op de tafel gelegd worden, de schuldige kreeg 'n scherpe terechtwijziging en daarna krasten de pennen weer over 't papier.

Hesse probeerde met nieuwen moed aan 't werk te gaan.

Vul in! stond er. Ja, dacht Hesse, vul maar in als je niets weet. Ja, gierig heb ik al, nou 'n ander woord voor gierig. Hoe is dat nou? Gierig.... gierig.... die vrouw Mijssen was gierig.... ja.... alles bewaarde ze.... en ze at haast niet.... 'n ander woord! Happerig? Is dat goed?.... nee.... gulzig is niet gierig.... even bij Wibbe kijken?.... nee, niet doen! Gierig! Zuinig? Nee, ook niet goed!.... waarom geeft die meester me nou zoo'n moeilijke les!.... Voor Wibbe niet!.... Hoe moet ik dat woord nou vinden?.... Zal ik 't maar overslaan?.... Straks weet ik 't misschien!.... Alweer zoo'n lastig woord! Rijk!.... 'n Ander woord!.... wat verzinnen ze toch! Rijk is rijk! als je duiten hebt! Wat moet dat nou weer anders wezen? Rijk.... rijk.... ik wéét 't niet....

De onderwijzer keek op en zag Hesse tobben. Juist wilde hij hem bij zich roepen, toen de jongen eensklaps de pen met 'n smak op z'n schrift smeet, zoodat 'n heele kogelregen op 't witte blad neerplofte en tegelijkertijd klonk z'n harde stem: "Ik wéét 't niet!"

Natuurlijk barstte van alle kanten 't lachen los en Wibbe zag toen de kans schoon om boos tegen z'n vriend te zeggen: "Hou toch je mond!" Hesse schrikte nu zelf, vooral bij 't zien van de rij zwarte kogels op z'n schrift.

Meneer Fube kwam er bij te pas!

De vlakken werden gedroogd en uitgekrabbeld, Hesse kreeg 'n zacht standje.

Na enkele terechtwijzigingen van den onderwijzer trok Hesse weer aan 't werk.

Maar....

't Ongeluk wilde, dat er 'n klein torretje over z'n bank kwam loopen....

Dadelijk hield Hesse met schrijven op en zei hardop tegen Wibbe: "Jò, 'n krokodil!"

Enkele jongens keken om en volgden den wijzenden vinger achter 't ronddwalende torretje.

Wibbe wilde erger voorkomen en daarom blies hij over de bank, waardoor 't diertje 'n eind weg schoof.

"Dóórwerken!" zoo klonk de vermanende stem van den onderwijzer.

De hoofden bogen zich weer over 't papier, maar Hesse bleef 't torretje nakijken, tot Flip Asser, die in de bank vóór hem zat en die graag plaagde, zich opeens omdraaide en snel 't torretje dood drukte....

Dat was Hesse te veel!

Hij rees overeind en gaf Flip 'n harde mep op z'n hoofd....! "Lammeling!"

Flip gaf 'n gil en viel voorover op de bank--alle kinderen kwamen in beweging en weer moest de onderwijzer handelend optreden.

Hesse kreeg de schuld, maar Hesse verdedigde zich en in z'n drift schold hij Flip uit voor 'n wreedaard. 't Had weinig gescheeld of hij was weer op Flip losgevlogen.

Meneer Fube werd 'n beetje krieuwelig! Zulke voorvallen deden zich anders nooit voor. Wat 'n vervelende nieuwe jongen! dacht hij. Ik moet hem op 't oogenblik flink aanpakken, hij brengt de heele klas in rep en roer. Straks zal ik eens met 'm praten.

"Ga alleen aan de achterste bank zitten!" zoo luidde z'n bevel, "in de pauze blijf je binnen." Hesse aarzelde.... hij vond, dat Flip straf had verdiend.... die duwde 't torretje dood.... hij, Hesse, had hem gestraft.

Wibbe, hoogrood en zenuwachtig, waarschuwde z'n vriend uit alle macht en die blikken uit de verschrikte oogen hielden Hesse bedaard. Hij droop af naar de strafplaats en met tegenzin werkte hij door.

Telkens als hij òpkeek, zag hij 't valsche gezicht van Flip, die ongemerkt om zat te loeren en hem uitlachte.

Hesse hield zich uit alle macht in, tot hem de woorden uit den mond schoten: "Treiter me niet." 't Zelfde oogenblik stond hij rechtop in de bank en wierp woedende blikken naar Flip.

Een nieuwe opschudding dus.

Het werd meneer Fube te machtig!

Driftig liep hij op Hesse af en gramstorig riep hij uit: "Wil je nu wel eens ophouden! We zijn dat hier niet gewend! De kinderen hier gedragen zich anders, niet als straatjongens!"

Hesse kòn niet zwijgen en hij antwoordde:

"Die jongen kijkt telkens om, hij treitert me, hij heeft 't torretje doodgemaakt, hij lacht om me."

Meneer Fube was zelf weer kalm geworden, hij wilde vooral niet onrechtvaardig zijn.

"Ga door," zei hij kortweg, "allebei straks blijven."

Wibbe's hart popelde!

't Ging niet goed met Hesse! Als hij zoo druk bleef doen, dan zouden ze hem stellig niet in deze klasse laten. Maar hij kon er op 't oogenblik niets aan doen. Even omkijken! Hesse zat schijnbaar te schrijven en hij merkte niets van Wibbe's omzien. Daarom werkte hij zelf maar verder.

Tot de bel ging.