De ridders van den halven toren
Part 2
Wibbe vond z'n kamertje wel aardig. Toch viel de gansche omgeving hem tegen. Wat 'n verschil met z'n vorig verblijf!
Den middag besteedde hij aan 't inrichten van z'n kamer en eerst aan 't middagmaal ontmoette hij z'n nieuwe pleegouders weer.
De notaris deed z'n best om grappige dingen te zeggen, maar 't ging hem niet goed af. Ook mevrouw wist niet veel te praten en dus werd ook deze samenkomst nog al saai.
's Avonds monsterde Wibbe de tuinen, liep wat in de wei en... speelde met de kat.
Die ouwe poes was óók geen kinderen gewend. Ze moest in 't eerst niets van dien vreemden jongen hebben, maar toch liet ze hem na 'n poos begaan.
Ze zag iets in z'n oogen, ze hoorde wat in z'n stem, dat haar prettig aandeed en zoo kon 't gebeuren, ze speelde weer eens, wat in maanden niet was voorgekomen.
Met donker zat Wibbe aan de tafel, bladerde in 'n paar boeken, die de notaris in d'r haast van boven had gehaald.
Maar Wibbe's hoofd stond niet naar lezen, hij had haast niet anders gedaan. Hij vroeg zich af, of dit nu 't nieuwe leven zou zijn. Waar bleven dan de beloofde makkers?
Uren lang lag hij wakker in 't vreemde bed. Nee, 't leek hem hier niet prettig... waarom had z'n pleegvader hem toch weggezonden?...
Toen mevrouw boven kwam en eens naar hem ging kijken, lag hij nog steeds wakker, al hield hij zich slapende, om haar niet te hinderen.
Beneden schoven man en vrouw dicht bij elkaar en ze keken ernstig.
"Er mòèt 'n vriend komen," zei meneer, "zoo gauw mogelijk! Wij kunnen niet met hem omgaan. Morgen ga ik er op uit en ik kom terug mèt 'n jongen!"
Ook de twee groote menschen sliepen slecht.
Den anderen morgen vroeg vertrok de notaris en nu moest mevrouw alleen den nieuwen pleegzoon bezig houden.
Wibbe zag bleek en al deed hij z'n best om vriendelijk en voorkomend te zijn, 't bleef gedwongen.
Mevrouw voelde 'n licht medelijden voor den jongen, die merkbaar z'n best deed, om zich te schikken.
Hij wilde van alles voor mevrouw doen, ze gingen samen wat rondkuieren en 'n bezoek brengen in de naburige stad bij 't Hoofd van 'n onderwijsinrichting, die Wibbe zou bezoeken.
't Vooruitzicht, als 'n gewone jongen naar school te zullen gaan, bracht Wibbe tot méér opgewektheid. Hij deed mevrouw honderd vragen en in de spreekkamer van den heer Weber gaf hij dezen de beste antwoorden.
Volgens 't plan van den notaris zou Wibbe met z'n nieuwen vriend naar dezelfde school gaan, ze moesten in dezelfde klas zitten, om heelemaal goede vrienden te worden.
Aldus werd met meneer Weber afgesproken en door 't vooruitzicht op 't onbekende schoolleven, vergat Wibbe z'n vorig tehuis.
Mevrouw moest hem allerhande bizonderheden van 'n school vertellen. Hij wilde weten, of 't daar net zoo toeging als hij in sommige boeken had gelezen. En hij was vooral ongerust over z'n kennis, zoodat hij in 'n lage klas moest zitten.
Mevrouw troostte hem gemakkelijk, want ze had heel goed gemerkt, hoe veel de jongen wist.
In 't dorp bleef Wibbe met aandacht naar de kerk staan kijken en vooral de monsterachtige plompe toren scheen hem bizonder te boeien.
Hij was niet hoog, maar wel log breed, hij had geen slanke spits, maar wèl 'n onmogelijk stomp dak, hij had geen haan, maar wèl 'n scheefstaande ijzeren staaf met 'n knop. Hij zag zwart van ouderdom en, zooals Wibbe opmerkte: "'t Is net, of die toren zich schaamt over z'n leelijkheid en in den grond wil zakken."
"Toch zouden de menschen hier geen kwaad van hem willen hooren," zei mevrouw.
Wibbe antwoordde: "Als ik rijk was, liet ik 'n nieuwe bouwen."
Mevrouw keek hem aan terwijl ze dacht: Zou de jongen weten, dat z'n pleegvader zoo'n groote som gelds voor hem in bewaring heeft gegeven?
Ze wist toch wel beter en daarom zei ze: "Och, over een paar jaar stort hij wel in en dan zullen we wel weer zien."
't Verdere van den dag ging traag voorbij. Wibbe probeerde de koeien in de wei te naderen, maar ze moesten niets van 'm weten en gingen op 'n grappige manier aan den haal.
Ook 't middagmaal verliep vervelend, want èn mevrouw èn Wibbe wachtten met ongeduld op den terugkeer van den notaris.
't Werd donker.
Zwijgend zaten beiden aan den tafel, luisterend naar elk geluid.
"Mag ik opblijven, tot meneer thuis komt?" vroeg Wibbe.
Mevrouw stemde toe.
En zoo wachtten ze, uur na uur....
Misschien bleef hij dien nacht óók nog weg! dacht mevrouw.
Ze stelde als uiterste termijn: half elf.
't Was nù negen uur.
Langzaam verliep de tijd.... de pendule tikte.... 't Werd half tien.... eindelijk tien uur.... en--twintig minuten later verscheen Hesse.
III.
HESSE.
"Heb jij 'n horloge? Laat 's zien!"
Hesse trok pardoes 't horloge van Wibbe uit diens zak, hield 't aan z'n oor, draaide aan den knop en slingerde er hoogst gevaarlijk mee.
"Zou je mevrouw niet goeden avond wenschen?" vroeg de notaris.
"O--ja--goeden avond mevrouw! Bent u de vrouw van dien meneer? Ha-a-a-a!"
Hesse liep naar de tafel en begon gretig van 'n schaaltje ham te eten. Hij nam 'n plak zoo maar in de hand en stopte 't vleesch proppend in z'n mond.
"Maar Hesse! wat doe je nu? Wacht toch even tot we allemaal nog wat gaan gebruiken."
"O.... ja...."
Hesse veegde z'n mond met den rug van z'n hand af. Toen kreeg hij de kat in 't oog, sprong er naar toe, trok 't dier aan den staart, zoodat poes van angst onder 'n kast kroop.
Hesse liet zich plat op z'n buik vallen, en begon haar op te jagen, terwijl hij ze met één hand vooruit duwde.
Toen ontvluchtte de kat op de canapé, maar Hesse haar achterna; vervolgens zocht ze 'n schuilplaats achter mevrouw's rokken.... En Hesse hield vol met z'n: kssss, ksssss! Wibbe vond dien nieuwen jongen buitengewoon grappig.
Zòò was nu 'n echte!
Hij lachte eerst zachtjes, toen met daverend geluid om de wilde jagerij.
Wat 'n jongen. En hoe leuk zag hij er uit! Van die smalle oogspleten, kort borstelig haar, 'n wipneus en groote ooren.
Het lukte den notaris om den nieuwen huisgenoot op 'n stoel te krijgen.
Mevrouw zat haar tweeden pleegzoon met verschrikte oogen aan te zien en tot haar schrik nam Hesse alles in z'n handen om het te bekijken.
Geen minuut zat hij stil en tot viermaal toe liet hij er zich af glijden om eerst de ouderwetsche hangklok op te winden door met 'n ruk aan de koperen ketting te trekken, toen ontdekte hij 'n snuisterijtje op den schoorsteen, 'n soort spinnewieltje. Dit begon hij razend snel te draaien, zoodat 't na 'n oogenblik in drieën lag. De derde maal ging hij de laden van 't buffet opentrekken om te zien wat er in lag en ten slotte moest hij met alle geweld weten of de tabakspot van steen of van hout was. Om die reden liet hij 't deksel in gruzelementen vallen. Mevrouw zat op heete kolen, meneer wist geen raad.
Op z'n vriendelijkste manier trachtte hij Hesse duidelijk te maken wat mocht en wat niet. Maar de jongen luisterde niet eens! Telkens ontdekte hij weer wat merkwaardigs, òf hij at met gulzigheid.
Tot viermaal toe vroeg hij mevrouw opnieuw om melk, en dan dronk hij 't glas in eens leeg. Wibbe sprak geen woord. Hij volgde alle bewegingen van den nieuwen vriend met de grootste aandacht en ondanks de vermanende gezichten van meneer lachte hij luidkeels om alles wat Hesse deed.
Nauwelijks had deze 't laatste kruimeltje in z'n mond gestopt, of hij liet zich onderuit glijden en verdween onder de tafel...
Toen fluisterde mevrouw: "Man, wat is dat voor 'n vreeselijke jongen? Stuur 'm naar bed!"
De notaris, zelf met 'n hoogroode kleur, vischte Hesse op en kommandeerde: "Vooruit! naar boven!"
Als 'n wervelwind vloog Hesse de kamer uit, de donkere gang in.
Meneer riep hem terug en gebood streng: "Zeg mevrouw goeden nacht."
Toen gebeurde er iets vreemds...
Hesse stond even stil... hij keek den notaris aan, getroffen door diens rood boos gezicht... langzaam liep hij naar mevrouw, greep snel haar hand, keek haar aan, nu met wijde groote oogen, en hij zei: "Niet boos zijn op Hesse."
Aarzelend bukte hij zich over de hand en toen gaf hij er 'n zoen op...
Daarna holde hij weg, de verlichte gang in. Wibbe stond al boven aan de trap, Hesse stoof er tegen op en samen gingen de jongens elk naar hun kamer.
Hier kwam Hesse oogen te kort!
Bij 't licht van 'n flikkerende kaars stelde de nieuwe jongen 'n onderzoek in naar alles wat los en vast stond. Eerst op Wibbe's kamer. Diens viool nam hij uit de kist, draaide de schroeven los, trok er de snaren uit, kraste er met de strijkstok over, zoodat de haren sprongen.
In 'n ommezien haalde hij alle laden van 't kastje open, rommelde er in en hij goot water uit de lampetkan zoo maar over de waschtafel. Toen naar z'n eigen kamertje! Hier sprong hij met laarzen en al in 't helderwitte bed, rolde om en om, schopte de eigengewerkte sprei van mevrouw met z'n vuile schoenen omhoog, kroop er onder en begon voor spook te spelen.
Wibbe kòn niet meer van 't lachen en de notaris zelf, eerst woedend, mòèst tenslotte toch uitbarsten in 'n dollen lach; juist omdat 't zoo buitengewoon ongehoord was wat die Hesse uithaalde.
Hij zou zich uitkleeden... jawel... dat werd 'n smijtpartij!... Z'n buis vloog op de waschtafel, z'n broek verdween onder 't bed, z'n kousen slingerde hij over meneer Broekenaaiers hoofd...
Eindelijk lag hij!
't Grappige gezicht met 't piekhaar, den wipneus en de groote ooren, bleef alleen nog maar te zien,
Nu keek hij de twee bij 't bed met z'n rare spleetoogen aan...
De notaris ging even als 'n dokter bij 'm zitten en probeerde hem aan 't verstand te brengen, hoe dwaas onhebbelijk hij zich had aangesteld.
Wibbe bedaarde nu ook, luisterend naar de welgemeende boetpredikatie.
Hesse scheen ook ernstig te luisteren, maar op zeker oogenblik hield de notaris zich stil, keek eens goed toe en--ja!--hij zag 't! Hesse sliep...
Toen stond hij van z'n stoel op, met 'n wanhopig gebaar, hij wenschte Wibbe wel te rusten en verdween.
Nauwelijks kwam hij de kamer beneden in, of z'n vrouw viel uit: "Maar man! wat heb je nou in huis gehaald! Wat is dat voor 'n vreeselijk kind? Waar heb je hem vandaan? Wou je die hier houden?"
De notaris ging vermoeid in z'n leunstoel zitten en wachtte tot z'n vrouw ophield.
Toen vertelde hij: "Herinner jij je nog nicht Mina uit Dordrecht?... Ja?... Nou, we waren kwaad met d'r, is 't niet zoo? Vandaar, dat we nooit meer iets van haar gehoord hebben. Ze schijnt getrouwd te zijn met 'n Spanjaard..."
"Wàt vertel je?... Met 'n Spanjaard?"
De notaris vervolgde: "'t Is me verteld. Nou, uit dit huwelijk is Hesse geboren."
"Hij is dus eigenlijk nog 'n verre bloedverwant?"
"Zoo is 't", antwoordde meneer Broekenaaier.
"Nicht is al jaren dood, door 'n toeval heb ik de familie gevonden, waar Hesse in huis was opgenomen tegen 'n kleine vergoeding, die uit de nalatenschap van z'n vader werd betaald."
"Is die dus ook dood?"
"Natuurlijk! Nou, de familie wilde mij den jongen gaarne afstaan, toen ik alles had verteld. Ik beloofde ze 'n sommetje als vergoeding voor de gemaakte onkosten en daarna mocht ik hem op slag meenemen. Ik begrijp nù, waarom dat zoo gemakkelijk ging, want 't is me d'r eentje!"
"Ik wil 'm niet houen", verklaarde mevrouw met groote beslistheid, "'t is 'n béést!"
"Maar vrouw!.., ik geef toe, dat 't wel 'n heel vreemde jongen is, zeker door z'n Spaansch bloed, maar 'n beest is hij niet! Hoe aardig nam hij je hand en wat stonden toen z'n oogen mooi!"
Mevrouws gezicht veranderde... jà... manlief had gelijk... dàt was toch lief van Hesse...
De notaris merkte 't verminderen van haar boosheid en handig zei hij: "Heb je wel gezien, hoe Wibbe deed? Hij schijnt dol in z'n schik te zijn met dien nieuwen vriend. Zullen we 't niet eens 'n poosje probeeren? Dat ongemanierde leeren we hem wel af. De menschen, bij wie hij inwoonde, waren óók niet van 't beste soort. Misschien zal Wibbe hem óók wel wat veranderen. Wat Hesse te veel heeft, dat heeft Wibbe te weinig. Ja, vrouw, 't is uit met ons kalme leventje. Vergeet niet, dat we 't zelf hebben gewild! We moeten 't samen dragen. Zonder 'n beetje moeite kun je kinderen niet verbeteren. Gaat het ten slotte niet, welnu, dan moet hij weg, dan breng ik hem weer terug. Wat dunk je!"
Mevrouw knikte...
Ze gaf toe, dat ze van streek was door de ongewone manieren van Hesse. Ja, ze moesten samen probeeren den jongen te veranderen. Blijkbaar was z'n aard uitstekend. Alleen had niemand hem geleerd, zich te schikken en zich behoorlijk te gedragen.
Nog lang na middernacht bleven beiden met elkander spreken en 'n plan verzinnen om Hesse zoo snel mogelijk om te tooveren in 'n jongen als Wibbe.--
En boven lag Wibbe wakker in bed.
Ook voor hem was de ontmoeting met den ongemanierden vrijpostigen Hesse zóo aangrijpend geworden, dat hij niet slapen kon.
Hij hoorde z'n rustige ademhaling door 't dunne beschot en éen keer wentelde hij zich merkbaar op 'n andere zij, zoodat 't bed kraakte.
Nog lag hij wakker, toen hij den notaris en z'n vrouw naar boven hoorde gaan.--
Om even half acht werd Wibbe wakker...
In 't eerst dacht hij niet aan Hesse, maar plotseling schoot de herinnering aan 't gebeurde van den vorigen avond weer bij hem boven.
Hij stond dadelijk op, om Hesse, die zeker nog sliep, te zien, en-- 't bed was leeg...
Toen werd Wibbe klaar wakker! Hij zocht de kamer rond, en--daar ontdekte hij 't open raam.
Wibbe schrikte er van!
De jongen zou toch niet....?
Hij keek naar den stoel met kleeren--ja, alles lag er nog... dus... dus... hij was zòò maar uit 't raam geklommen, zonder bovenkleeren.
Wibbe liep naar 't raam, dat 's nachts wel 'n randje open bleef, maar nu de volle wijdte vertoonde.
Hij stak het hoofd er uit, maar géén Hesse te zien.
Toen floot hij.
Dat hielp! Daar verscheen Hesse in z'n witte onderkleeren en op bloote voeten!
"Wat doe je?" riep Wibbe. "kom hier en kleed je eerst aan!"
Hesse antwoordde door een groote kluit aarde naar binnen te smijten. Het scheelde 'n haartje of Wibbe had alles in z'n gezicht gekregen.
Nu lachte hij niet om Hesse... hij vond 't 'n vrij leelijke streek.
Verschrikt week hij terug en zag toe bij de merkwaardige gymnastische oefening die nu volgde...
Hesse begon als 'n aap langs 't latwerk van 'n klimroos naar boven te klauteren, greep ergens de ijzeren draaikrukken waarmee de zonneblinden werden vastgezet, slingerde als 'n acrobaat heen en weer, tot hij de jaloezie zèlf kon grijpen, werkte zich daarna in 't kozijn en daar zat hij op z'n dooie gemak in 't raam Wibbe aan te kijken.
Deze bleef staan met 'n strak gezicht, nog boos om 't gooien van die kluit aarde.
Wat 'n vuile boel!
Hesse scheen 't vreemd te vinden, dat Wibbe niet om 'm lachte. 't Ernstige van z'n nieuwen vriend hinderde hem.
Plotseling gleed hij uit 't kozijn, liep naar Wibbe toe en nu weer met die zelfde uitdrukking in z'n oogen als den vorigen avond, vroeg hij: "Kwaad? om dàt?"
Hij bleef Wibbe aankijken en toen deze knikte, begon hij driftig al de aarde bijeen te schuiven, nam 'n handdoek, gooide er alles op en smeet de heele boel uit 't raam,
Toen kwam hij weer bij Wibbe en vroeg: "Nog kwaad?--Jou geraakt?-- Nee toch?--Mag 't niet? Zeg maar wat niet mag! ik weet 't niet."
De boosheid van Wibbe vloog weg. Hij zei alleen nog: "Je had me best in m'n gezicht kunnen raken."
Nee! nee! nee! schudde 't hoofd van Hesse, "ik schiet zoo goed, ik mik zoo goed! kijk!"
't Zelfde oogenblik nam hij de spons, doopte die in 't water, wees met z'n vinger 't portret van meneer Bribon en vóórdat Wibbe hem kon tegenhouden, wierp hij, klets! de kletsnatte spons tegen 't portret ...
Wibbe werd nu werkelijk woedend! 't Portret van z'n pleegvader! Afschuwelijk! Hij sprong op de spons toe, greep ze en smeet ze met kracht Hesse naar 't hoofd.
Deze bukte snel en 't natte gele ding vloog door 't open raam naar buiten.
Toen lachte Hesse met gillende uithalen, wat Wibbe nòg nijdiger maakte.
Hij pakte Hesse beet en probeerde hem ònder te krijgen, maar o wee! De jongen liet zich zòò maar niet overweldigen. Hij verweerde zich woest en zòò ontstond er 'n hevige vechtpartij.
Beurtelings lagen Wibbe en Hesse onder, en als van zelf ging 't hoe langer hoe harder, wat betreft 't slaan, knijpen en stompen.
Hesse was veel vlugger en slimmer, zoodat hij telkens weer ontsnapte, maar Wibbe hield zich kalmer en hij bezat méér kracht.
Als poppen rolden ze om en over elkaar heen, soms slaakte er één 'n kreet van pijn, Wibbe bloedde al door 'n leelijke krabbel dwars over z'n hand...
En geen van beiden gaf den strijd op, er móést 'n beslissing vallen! Eén diende als overwinnaar te eindigen.
Daar ging de deur open! De notaris stapte snel naar binnen, pakte de twee kampioenen elk bij 'n schouder, trok ze van elkaar, en ongewoon streng klonk z'n dreigende stem:
"Uit! hoor je! uit! wat schelen jullie? moet dat vriendschap verbeelden? Allo! kleed je aan, gauw!"
Hijgend, vuurrood, zenuwachtig, keken de twee jongens den notaris aan.
"Kijk jij eens! je bloedt! En jij, wat 'n krabbels! 't Is wat moois! gauw, wasschen!"
Nu heelemaal kalm, gehoorzaamden ze allebei en nog al verdacht knipten ze met d'r oogleden. De strijd was ook te hevig geweest om ze niet van streek te helpen.
De spons...
Meneer Broekenaaier zag 'm niet, en de jongens zeiden niets... wèl keken ze naar 't raam. Ze herinnerden zich de oorzaak van alles.
"Waar is de spons?" vroeg de notaris barsch.
Toen gebeurde er iets vreemds...
Beide jongens begonnen eerst hard te lachen en toen--barstten ze alle twee in huilen uit...
Had de notaris nu de spons maar om al de tranen te drogen, tranen van overspanning en zenuwachtigheid.
De goede man deed wat hij kon.
Het lukte hem, ze veilig aan de ontbijttafel te krijgen en dààr moesten ze haarfijn alles vertellen.
Natuurlijk dwong meneer Broekenaaier hen om vrede te sluiten en opnieuw hield hij 'n bestraffende rede, waarvoor helaas, niet veel aandacht bestond.
De jongens hadden 't veel te druk met de schrammen en pijnlijke plekken, die ze opgeloopen hadden.
Wel scheen de vriendschap hersteld en met veel ijver beloofden ze mevrouw nooit meer samen te vechten.
De notaris nam ze na 't ontbijt mee en bracht ze op z'n kamer.
Hier raakte Hesse in verrukking over al die dikke boeken, over de menigte hooge smalle kasten met alleen laden.
Hij begon werendig weer aan de koperen ringen te trekken om te weten wat er in zat. En toen 't hem verboden was, klom hij pardoes op 'n laddertje, dat diende om bij hoog geplaatste boeken te kunnen reiken. Ongelukkigerwijze ging hij zòo wild te werk, dat 't trapje omkantelde en Hesse over z'n hoofd heen rolde.
De notaris pakte hem van den grond op, en al trok hij nog zulke rare gezichten, hij plantte hem op 'n stoel en begon ze uit te leggen, hoe ze zich verder moesten gedragen.
"Je hebt nog twee vrije dagen. Die mag je gebruiken om wat kennis te maken, wat te zwerven en zoo, maar dan ga je naar de school van mr. Weler. Je mag in den tuin, maar géén dwaasheden, hoor."
Hesse knikte.
IV.
DE TOREN.
De twee nieuwbakken vrienden doolden door den tuin en tot verbazing van Wibbe, zat Hesse nergens met z'n vingers aan. Hij scheen ergens over na te denken.
Op eens vroeg hij: "Zeg, jij bent geen zoon van hèm, is het wel?"
"Nee," antwoordde Wibbe, "ik ben er in huis als pleegkind."
"En ik?... Zie je, ik begrijp niet alles. Heb jij ook geen vader en moeder meer?"
"Nee."
"Ben jij wel 's in Spanje geweest?... Niet?... Ik wel! Dààr woonde m'n vader. Ik ga er later weer naar toe."
Wibbe zweeg. Het kalme gedrag van Hesse verbaasde hem en op eens schoot hem te binnen: "Zou de jongen misschien bedroefd zijn?"
"Vindt je 't naar om hier te wonen?"
Daar veranderde Hesse als met 'n tooverslag.
"O nee! heelemaal niet! Ik heb dat zoo wel 's méér, dat ik aan m'n vader denk."
"En niet aan je moeder?
"Ja--ja--òòk! Maar vader, weet je, die kon zoo hard op 'n paard rijden met 'n piek in z'n hand."
"Heb je dat wel eens gezien?"
"Nee! vader vertelde er van, toen wij hier woonden."
"Waarom bleef hij ginder niet?"
"Gaat je niet an!"
Wibbe keek vreemd op door dien laatsten uitval. Waarom deed Hesse in eens zoo ruw? Mòèst z'n vader misschien weg uit Spanje?
Meer tijd om er over te denken of om er Hesse naar te vragen, had hij niet, want z'n makker holde vooruit tot aan 'n houten deur. Dit was de afsluiting van den tuin aan de achterzijde.
Maar Hesse scheen de lenigheid van z'n vader geërfd te hebben, hij klom als 'n aap over de deur heen en kwam achter 't huis van den notaris terecht.
Wibbe moest wel volgen en nu stonden ze op 'n plek, waar Wibbe nog nooit was geweest, 'n smalle doorgang tusschen twee rijen huizen met blinde muren. Het lag er vol rommel en overblijfselen van kisten, tonnen en manden.
Ze voelden zich hier te veel opgesloten en dus ging 't verder, tot aan 'n hek.
Wip, er over heen.
Nu stonden ze op 'n straatweg, want behalve 't huis van den notaris en 'n paar pakhuizen met woningen er achter, werden er geen andere gevonden.
"Je had net zoo goed over de brug kunnen gaan," zei Wibbe.
Hesse antwoordde niet eens--hij zag 'n sloot, en dus sprong hij er zonder aarzelen overheen, zonder zelfs naar Wibbe om te kijken. Hij zag paarden!
Wibbe bleef een poos aan den kant staan... zou hij òok 't land in gaan?
Hesse liep regelrecht op de dieren af en, alsof de beesten voelden, dat de naderende kleine mensen geen kwaad in den zin had, ze bleven staan en lieten zich een voor één bekloppen en aaien.
Dat werd Wibbe te machtig!
Met 'n vaart sprong hij over de sloot en holde naar den groep.
Hesse praatte hardop tegen de paarden, die hem met hun mooie groote oogen aankeken.
"Help me d'r eens op," zei hij tegen Wibbe, maar deze riep: "Nee jongen, dat mag niet."
Hesse wachtte niet, maar lokte 't eene paard mee tot bij 't hek.
Dáár klom hij eerst op de dwarslat, en... met 'n flinke ruk zat hij op den rug van 't makke dier. Hij greep de manen, klakte met de tong en daar ging 't door de wei.
Wibbe keek sip!
Hij zou 't nooit klaar spelen om ruiter te worden!
Hij vergenoegde zich dus maar met toekijken, toch wel vol bewondering voor dien Hesse.
De pret duurde niet lang, want de eigenaar, 'n boer, kwam schreeuwen: "D'r af! gauw!"
Maar Hesse hoorde of zag niets!
Als 'n jonge ridder reed hij voort, tot de boer hem genaderd was en weer schreeuwde.
Toen schrikte Hesse even... hij liet zich snel van den paardenrug afglijden en ging er van door.
Wibbe draafde mee.
Weer sprongen ze over de sloot en eerst nu begon Hesse luidruchtig te praten.
"Dat zijn de liefste beesten van de heele wereld!" riep hij opgewonden. "Als ik ouder ben, koop ik er vijftig, honderd, duizend!"
Wibbe moest lachen en zei: "Geef mij er dan één van."
"Zijn 't geen goede aardige dieren?" vroeg Hesse, "véél meer dan katten?"
Wibbe vond 't ook en hij luisterde naar twee verhalen van Hesse over paarden, die hij bereden had. Eén keer, met z'n vader, in 'n optocht, en ook nog 's, in 'n donkeren nacht met z'n moeder samen op één.
Wibbe wilde er meer van weten, maar Hesse verviel nu even als bij 't begin van hun tocht in 'n toestand van zwijgen...
Korten tijd liepen ze verder tot ze in de kom van 't dorp kwamen.
In 't midden vroeg Hesse op eens: "Heb jij centen in je zak?"
Wibbe haalde zonder iets te zeggen 'n dubbeltje te voorschijn.
"Wil jij dat koopen?"
Hesse volgde de richting, die de uitgestrekte arm aanwees en nu ontdekten z'n oogen 't raam van 'n onooglijk winkeltje.
Er lagen allerhande prulletjes te kijk en nu wees de vinger van Hesse op 'n klein kinderpistooltje.
Wibbe keek er naar en ook naar z'n dubbeltje.
"'t Is te duur", meende hij.
Hesse was al in den winkel, en toen Wibbe volgde, hoorde hij 'n oude vrouw zeggen:
"Veertig centen."
Hij hàd zooveel niet, maar toen hij 't teleurgestelde gezicht van Hesse opmerkte, nam hij zich vòòr, z'n zakcenten op te sparen, alleen om 't pistooltje te kunnen koopen.
"M'n vader had 'n echt pistool", vertelde Hesse, "ik heb één keer er mee geschoten."
Wibbe voelde nu voor 't eerst 't gemis van z'n speelkamer.
Dáár zou Hesse gelukkig geweest zijn, als hij de windbuks had mogen gebruiken en de blaaspijp en nog zooveel meer.