De Ridders

Part 5

Chapter 52,499 wordsPublic domain

Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering, En dat een der oudste kielen toen aldus aan 't spreken ging: "Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt? Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd. 't Is die slechtbefaamde burger, 't is die zure Hypérbolos!" Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los, En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên, Riep: "de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen! Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!" Juffrouw Schepers zei hetzelfde: "neen, ik duld niet zijn gezag!" Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!" Als d' Atheners dàt besluiten, varen w' allen, jong en oud Naar der Eumeniden tempel en naar Theseus' godshuis heen, Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen; Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht."

EEN EN TWINTIGSTE TOONEEL.

De worstverkooper. Het koor.

Worstverkooper.

Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren, Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich verlustigt, En over ons onverhoopte geluk juich' de heele schouwburg van blijdschap!

Kooraanvoerder.

O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht, Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich vullen met vetdamp?

Worstverkooper.

Heer Volk heb ik door koken verjongd--van een leelijkert maakte ik een prachtvent.

Kooraanvoerder.

En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding?

Worstverkooper.

Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene.

Kooraanvoerder.

Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden?

Worstverkooper.

Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd, Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig geopende voorpoort. Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene, Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen.

Kooraanvoerder.

O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene, Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden.

TWEE EN TWINTIGSTE TOONEEL.

Dezelfden. Volk.

Worstverkooper.

Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d'oude gestalte, Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre.

Kooraanvoerder.

Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap, Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon's zegetrofeeën!

Volk.

O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!

(de Worstverkooper nadert)

Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!

Worstverkooper.

Wat? ik? M'n beste man, je weet niet hoe je vroeger was, En wat je deed--je hieldt mij anders voor een god.

Volk.

Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?

Worstverkooper.

Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering: "O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen, "Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j' echte vriend," Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon, Dan stak je je kuif op, toonde je horens--

Volk.

Deed ik dat?

Worstverkooper.

En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.

Volk.

Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte 't niet?

Worstverkooper.

Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonnescherm Te zamen klapten en zich dan weer openden!

Volk.

Was ik zoo dom, zoo'n onbedachtzame ouweheer?

Worstverkooper.

En als er een stel redenaars aan 't spreken was, En d' een voor oorlogsschepen pleitte--d' andere Voor staatsgeld aan salarissen--wist de ééne man Zijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.

(Volk geeft teekens van schaamte)

Zeg, waarom bukt g' u? blijft ge niet zooals ge waart?

Volk.

Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.

Worstverkooper.

Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg, Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu: Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt: "Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor, "Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil." Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?

Volk.

Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer, En aan zijn nek mag slingeren--Hypérbolos.

Worstverkooper.

Dat is verstandig, dat 's nu eens naar recht gezeid! Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.

Volk.

Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient, En van den tocht terugkeert, het volledig loon.

Worstverkooper.

Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.

Volk.

Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is, Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen, Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.

Worstverkooper (ter zijde).

't Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.

Volk.

Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.

Worstverkooper.

Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?

Volk.

'k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn, En die daar zittend converseeren zooals volgt: "Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd' ie goed!" "Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt," "Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur," "En op de meetings heeft hij nimmer een malheur."

Worstverkooper.

Sla dien kerel op z'n achterste met z'n gezeur!

Volk.

'k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht. En zal ze leeren af te laten van politiek.

(Een slaaf brengt Volk een zetel)

Worstverkooper.

Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan, En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal: Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.

Volk.

Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!

Worstverkooper.

Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaar In levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!

(Men brengt een kruik wijn)

Volk.

O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn, Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?

(Worstverkooper geeft den oude de kruik)

Waar haalde je dien vandaan?

Worstverkooper.

De Paphlagoniër Heeft die maar altijd binn' in huis voor jou verstopt, Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan Naar 't platteland!

Volk.

En zeg den Paphlagoniër, Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.

Worstverkooper.

Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt; Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort, Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch, En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan, En 't water drinken, dat in de badkuip over is.

Volk.

Dat 's goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend, De meiden en de badknechten--daar hoort hij bij. Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis, En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok. Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!

Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien, Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!

(Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).

EINDE.

KORTE OPHELDERINGEN BIJ DE RIDDERS VAN ARISTOFANES.

Vs. 15 Parodie van Euripides. Vs. 17 Ongeveer "Ik heb geen lef in mijn donder." Vs. 19 Toespeling op Euripides' moeder, die groentevrouw was. Vs. 31 Parodie van een onbekend dichter. Vs. 42 Démos Pyknítes, Démos van de Pnyx (heuvel waar het volk vergaderde). Vs. 51 Drie obolen = ongeveer een kwartje, was de bezoldiging der rechters. Vs. 55 Poging om de Grieksche woordspelingen terug te geven. Demosthenes herinnert aan zijne verdiensten bij Pylos. Vs. 107 Zware roode wijn, afkomstig van den berg Pramnos op het eiland Ikaros. Vs. 123 Bakis, beroemde oude waarzegger. Vs. 159 Parodie van een onbekend (tragisch) dichter, zooals ontelbare malen bij Aristofanes. Vs. 197 vgl. Parodie op den ouderwetschen epischen vorm en stijl der orakels. Vs. 215 Woordspeling van démos = volk, en demós = vet. (Verschil van klemtoon). Vs. 230 Een klassieke plaats voor de politiek en de schouwburgtoestanden in Athene. Vs. 237 Dadelijk bij zijn eerste optreden komt de Paphlagoniër (Kléon) met verzonnen beschuldigingen, als een echte sykofant. Vs. 242 Simon en Panaetios, aanvoerders van de ridders, overigens onbekend. Vs. 254 Eukrates, volksleider, door A. bespot. Vs. 265 De tekst is hier (en elders) jammerlijk bedorven, ik tracht er een zin aan te geven. Vs. 279 Woordspeling, in plaats van scheepsmateriaal levert die kerel (zegt de Pa.) soepmateriaal aan den vijand der Atheners. Vs. 321 Plaatsje bij Athene. "Vóórdat ik ver buiten Athene was, waren reeds mijn gekochte zolen onbruikbaar." Vs. 327 De zoon van Hippodamos, Archeptolemos, aristokraten te Athene, geestverwanten van A. en vijanden van Kléon en de demokratie. Vs. 347-350 Nog tegenwoordig van toepassing op vele "demokratische" sprekers en leiders. Vs. 355-358 Toespelingen op Pylos en den Peloponnesischen oorlog. Vs. 361 Een duistere politieke toespeling. Vs. 375 vlg. Demosthenes stelt voor een proef met hem te nemen, zooals men varkens behandelt. Vs. 392 "hij sneed riemen van anderman's leêr," met het oog op Kléon's bedrijf als leerlooier. Vs. 394 Dit slaat op de te Athene gevangen Spartanen van het eiland Sfakteria. Vs. 400-401 Misschien toespelingen op den dichter Kratinos als dronkaard; Morsimos wordt vaak als slecht tragisch dichter bespot. Vs. 407 Dit is eene voor ons duistere toespeling, zooals vaak bij A. Vs. 433 "uitvaren" is dubbelzinnig. Ook de Gr. tekst slaat op wind en zeevaart. Vs. 448 vlg. Altemaal woordspelingen, die in het Ned. moeielijk zijn weer te geven. Vs. 462 Kléon spreekt in timmermanstaal, om zich populair te maken. Vs. 475 vlg. Alles parodie op het gemeene verklikkerige karakter van Kléon. Vs. 511 Typhon, een mythologisch ondier, waarmede A. Kléon vereenzelvigt. Vs. 529-530 Aanhalingen uit een blijspel van Kratinos (Cratinus, bij Horatius), met Eupolis en Aristofanes de grootste blijspeldichter. Vs. 534 Kónnos, beroemd citherspeler, doodarm gestorven. Vs. 537 Krátes, ook een bekend kluchtspelschrijver. Vs. 563 Phormion, een populair Atheensch admiraal. Vs. 566 het kleed = de péplos, plechtig aan Athene gebracht in den optocht der Panathenaeën. Vs. 579-580 Met andere woorden, dat de ridders, zoodra de vrede gesloten is, weer als van ouds toilet kunnen maken, en als menschen van stand voor den dag kunnen komen. Vs. 595 vlg. Het ridderkoor verhoogt het komisch effekt, door een loflied op de paarden, als een soort van stand. Al de nu volgende verzen slaan op een plundertocht, door Nikias met behulp van Atheensche ridders ondernomen, wier paarden in speciaal daarvoor ingerichte transportschepen waren overgebracht. De woordspelingen en toespelingen in vs. 600-610 gaan echter meestal voor ons verloren. Vs. 615 Nicobulus = Winraad, vgl. Thrasybulus = Koenraad. Vs. 641 "het traliewerk," waardoor de leden van den raad en van de rechtbanken van het publiek werden afgesloten. De worsthandelaar of beulingventer paradeert hier met zijn onbeschaamdheid. De geheele passage, vs. 624-682, is een uitmuntende parodie van een Atheensche raadszitting. Vs. 697 in het Gr. den "móthoon" dansen = een plompe onfatsoenlijke dans = ongeveer een "negerdans," een "cake-walk." Vs. 728 Een soort oogstkrans, een twijg, voor de huisdeur opgehangen, als goed voorteeken. Vs. 744 De worsthandelaar overtreft Kléon telkens, door plattere voorbeelden en grootere gemeenheid. Vs. 762 Voorbeeld, aan een zeeslag ontleend. Vs. 765 Drie beruchte sujetten te Athene. Vs. 786 Harmodios (en Aristogiton), moordenaars van den tiran Hipparchos, als martelaars der vrijheid te Athene vereerd. Vs. 794 Archeptólemos, vgl. vs. 327. Vs. 813 Parodie op den Telephos van Euripides. Vs. 877 Kléon snoeft dat hij een zekeren Gryttos, een homosexueel, zijn burgerschapsrechten had doen ontnemen. Vs. 895 Silphium, laserpitium, was een duur stimulans, bij gerechten gebruikt, en bewerkte diarrhee, enz. Vandaar ook de woordspeling in vs. 899. Vs. 901 Die Roodkop = Kléon. Vs. 927 vlg. Kléon wordt voorgesteld als een lekkerbek, die van smulpartijtjes naar de volksvergadering loopt. Vs. 948 "je zegelring." De slaaf die voor het huishouden zorgde (tamias), had den zegelring van zijn heer, en alles achter slot en grendel. Vs. 954 Woordspeling van demós = vet, en démos = volk, (vgl. vs. 215.) Vs. 958 Kleónymos, de Grieksche Falstaff, steeds door A. bespot. Vs. 969 Toespeling op een politiek proces uit dien tijd (?) Vs. 979 Toespeling op een soort winkel in de havenstad Piraeus, die ik met een toespeling op onze "dertigcentbazaars" tracht weer te geven. Vs. 984 Met z'n lepel en z'n stamper (dingen in een keuken onmisbaar) werkt Kléon in de staatskeuken, in de staatshuishouding. Vs. 985-95 Een poging om de Gr. woordspelingen van het oorspronk. eenigszins terug te geven. Vs. 1003 Bakis (en Glanis), (vgl. vs. 123.) Vs. 1040 Toespeling op het beroemde orakel, dat de Atheners ontvingen voor de aankomst van Xerxes. Vs. 1059 Woordspelingen met Pylos, in Messenië, het tooneel van Kléons heldendaden. Pylos beteekent "poort." Ook vs. 1060 bevat in het Gr. een woordspeling, die in het Ned. verloren gaat. Maar zelfs in den oorspr. tekst zijn hier alle toespelingen niet duidelijk. Vs. 1069 Philóstratos, berucht koppelaar te Athene. Vs. 1077 Toespeling daarop dat de soldij der Attische soldaten niet geregeld werd uitbetaald. Vs. 1080-85 Een reeks van woordspelingen op toen aktueele feiten en personen. Vs. 1103 Theophanes, waarschijnl. een handlanger van Kléon. Vs. 1118 Woordelijk: "Uw verstand, o volk, is aanwezig, en toch op reis." Vs. 1121 vlg. Deze beurtzang is de scherpste satire op de demokratie, die ooit geschreven werd. Vs. 1169 Het kolossale beeld van Athene in het Parthenon, door Phidias uit ivoor en goud gemaakt. Vs. 1172 "Pylosstrijdster," enz. Al deze namen der godin Athene zijn parodistisch gebruikt. Vs. 1189 Woordspeling met den bijnaam van Athene, als Pallos Tritogeneia. Vs. 1206 d. i. ik word in onbeschaamdheid overvleugeld. Vs. 1225 Parodie van een onbekend treurspeldichter. Vs. 1236 Volgens de uitleggers een plaats waar men geslachte varkens de borstels afzengde. Vs. 1245-46 Op de markt verkoopen was fatsoenlijker dan vóór de poort. Vs. 1256 Phanos, particulier secretaris van Kléon? Vs. 1257 Agorákritos, kan als meneer "Markttwist," of zoo iets, worden vertaald. Vs. 1263 "Praat"eners zijn de Atheners in de oudheid geweest, en zijn het nu nog. Vs. 1264 vgl. Spotternij tegen bekende Atheensche sujetten. Vs. 1274 vlg. De dichter geeselt hier alweer bekende en beruchte Atheensche sujetten. Vs. 1291 Kleónymos, vgl. vs. 958. Vs. 1301 vlg. Parodie op den lompenkoopman Hypérbolos, steeds door A. bespot, een verloopen demokraat, die een tocht tegen Karthago schijnt te hebben ondernomen. Vs. 1324 "viooltjesbekranst" uit een beroemd loflied van Pindaros op Athene ontleend. Vs. 1331 De krekel (cicade) werd door de Atheners gedragen, als zinnebeeld van hun oud geslacht, en als autochthonen (in het land zelf geborenen). Vs. 1332 Slakken, kleine slakjes bezigden de rechters bij het stemmen. Dit vers beteekent dus "hij riekt niet meer naar processen." Vs. 1362 Hypérbolos, vlg. vs. 1301. Vs. 1372 Kleónymos wordt hier en elders als lafaard, als "schildwegwerper" bespot. Vs. 1374 A. bespot telkens de "heertjes" van zijn tijd. De volgende verzen parodieeren de gemaniereerde taal van die "viveurs." Vs. 1389 vlg. De woordspeling gaat hier verloren, omdat het Gr. woord "plengoffer" en "wapenstilstand" beteekent. Het Atheensche volk had recht op wapenstilstand sedert 445 v. C., maar Kléon had door zijn oorlogszuchtig optreden als het ware dien wapenstilstand weggestopt. Vs. 1408 De vreemdelingen, die voor de Dionysos-feesten naar Athene kwamen, moeten de bestraffing van Kléon bijwonen.