Part 4
Paphlagoniër.
Ik trek je grijze haren uit, dat j' eeuwig jong zal blijven.
Worstverkooper.
En ik geef jou een hazestaart, om j' oogjes in te wrijven.
(Hij biedt dit aan)
Paphlagoniër.
Jij mag je neus, wanneer je 'm snuit, gerust aan mijn hoofd wrijven.
Worstverkooper.
Neen, dat is vies, geloof me vrij. Doe 't liefst bij mij, doe 't liefst bij mij.
Paphlagoniër.
Ik zal je krijgen dat 't je lust; Wanneer je ooit een schip uitrust, Dan lever ik j' een oud stuk hout, Dat jij geen geld meer overhoudt: Waaraan altijd iets, dat 's gewis, Te lappen en te timm'ren is, Ook zal ik zorgen dat je vast Niets anders krijgt dan 'n rotte mast.
Worstverkooper.
Wat snuift de vent! wat sputtert hij! Als overkokende rijstebrij, Met dreigementen en met straf, Komaan, ik neem het schuim er af!
(Hij biedt den Paphlagoniër al lachende zijn soeplepel aan).
Paphlagoniër.
Ik laat je betalen dat je kraakt, En in de vermogensbelasting raakt, Jij wordt door mij, door mij alleen, Hoogstaangeslagene in Atheen.
Worstverkooper.
Ik dreig je niet met zoet of zuur, Maar wensch je 't volgend avontuur: Dat als je pan staat op het vuur, Waarin een lekkere pijlinktvisch Met veel geknetter en gesis Verrukk'lijk aan het braden is: Jij dan d' aanstaande spreker bent Over een Milesisch incident (Waarbij te gappen is één talent): Welnu--is d'omkooperij verricht, Dan wed ik dat je je haast allicht Om met een afterdinnergezicht De vergadering te verschrikken! Dan hoop ik dat op eens de man, Die met jou konkelen wil en kan, Terwijl de visch nog staat in de pan, Verschijne voor jouw blikken, En dat je dan, voordat de visch Nog in jouw maag verdwenen is, Jij, happig op het geldgegris, Nog onder het eten mag stikken!
Koor (lied).
Bij Apollo, bij Demeter, En bij Zeus den dondergod, Zulk een wensch is voor den vreter Het verdiende levenslot!
ZEVENTIENDE TOONEEL.
Dezelfden.
Volk.
Ook mij dunkt hij nu alleszins klaarblijkelijk Een goede burger, zooals nimmer nog voorheen Er is verschenen voor Jan Pet en de centenlui. Maar jij, o allerberoerdste Paphlagoniër, Beweert dat jij me liefhebt, en verbittert me steeds! Geef dus je zegelring terug, je mag niet meer Voor mij blijven zorgen.
Paphlagoniër (geeft den ring terug).
Dáár, 'k verzeker u alleen Dat als jij mij niet langer voor je zorgen laat, Er een ander komt, nog veel misdadiger dan ik.
Volk.
't Is zeker dat die zegelring dien jij me geeft De mijne niet is, er staat een ander zegel op, Of 'k zie niet goed.
Worstverkooper.
Laat zien aan mij, wat stond er op?
Volk.
Het was een soort gebakken deeg van ossenvet.
Worstverkooper.
Dat staat er niet.
Volk.
Zie jij geen deeg, wat staat er dan?
Worstverkooper.
Een meeuw, die boven op een rots aan 't schreeuwen is.
Volk.
O wee.
Worstverkooper.
Wat is er?
Volk.
Gooi dien ring maar heel gauw weg, 't Was niet de ring van mij, maar van Kleonymos, Neem dezen ring, en zorg jij dan voortaan voor mij.
(Hij geeft hem een anderen)
Paphlagoniër.
Doe dat nog niet, o ouweheer, 'k bezweer het u, Voordat ge nog naar mijn orakels hebt gehoord.
Worstverkooper.
Hoor dan ook de mijne.
Paphlagoniër.
Als je luistert naar dièn vent, Dan wordt je kaal.
Worstverkooper.
Wanneer je doet wat hij verlangt, Dan wordt je bloot tot op de haren van je huid.
Paphlagoniër.
In mijn orakels staat dat jij regeeren moet, Bekransd met rozen, over 't heele grondgebied.
Worstverkooper.
En in de mijne, dat jij in een purperkleed, Een krans op 't hoofd, zult rijden op een gulden kar, En--Smikythes en Agyrrios vervolgen zult.
Kooraanvoerder.
Breng gauw dan de orakels, dat de ouweheer Ze kan vernemen.
Worstverkooper.
Zeker.
Volk (tot den Paphlagoniër).
Breng de uwe ook!
Paphlagoniër.
Vooruit.
Worstverkooper.
Vooruit, bij Zeus, wij halen ze terstond.
(Beiden af)
Koor (eerste helft).
Schoonste zonlicht dat ooit verscheen, Welk een vreugde voor gansch Atheen, Voor den vreemdeling, voor elkeen, Ging slechts Kléon te gronde! Maar er zijn ouderen van jaar, Die hem helpen, alsof 't hier waar Altijd een Dertigprocesbazaar-- 980 Ons bestrijden--'t is zonde! Want hij zorgt, dus zeurt men wat, Dat Atheen twee dingen bevat, Die onmisbaar zijn in een stad: 'n Lepel is 't, en een stamper....
(Tweede helft)
Hoort nu Kléon's muziekbedrog: Wat vertelt ons de jeugd, die toch Met hem op school ging, toen hij nog Was een kleine slampamper? Dat hij eeuwig en altijd maar Streek op één en dezelfde snaar, Of geen andere toon er waar', Zonder andre talenten-- Tot zijn leeraar, te goeder stond', Hem als onleerzaam naar huis toe zond, Daar er voor hem geen klank bestond, Dan het gerol van centen!
ACHTTIENDE TOONEEL.
Volk, Paphlagoniër, Worstverkooper, Koor.
Paphlagoniër (met orakelrollen).
Kijk nu ereis hier! en 'k breng ze nog niet allemaal.
Worstverkooper
(met een nog grooter pak)
Ik word er wee van! en ik breng ze niet allemaal.
Volk.
Wat is dat?
Paphlagoniër.
Orakels!
Volk.
Zijn dat z'alle?
Paphlagoniër.
Wat vraag je toch? Ik heb, bij Zeus, nog thuis een heele kist er van.
Worstverkooper.
En ik heb nog twee huurhuizen en een zolder vol.
Volk.
Laat kijken, van wie zouden deze orakels zijn?
Paphlagoniër.
De mijne zijn van Bakis.
Volk.
En de uwe, van wie?
Worstverkooper.
Van Glanis, die een oudere broêr van Bakis was.
Volk.
Wat staat er in?
Paphlagoniër.
Ze handlen van Pylos, van Atheen, Van u, van mij, ja over alles en nog veel meer.
Volk.
En die van u?
Worstverkooper.
O, over Athene en linzenbrei, Over de Spartanen, over een nieuwe makreelensoort, Over de valsche broodafwegers op de markt, Over jou, over mij--verrekken mag die kerel daar!
Volk.
Komaan, leest allebei nu je orakels op, Ook dat over mij, waarin ik zoo'n behagen schep, Dat ik "een aadlaar in de wolken" worden zal.
Paphlagoniër.
Zoo luister en verleen mij een aandachtig oor. "Zoon van Erechtheus, let op den weg van uw woord, dat Apollo "Riep uit het duistere hol, omsloten door eervollen drievoet, "Red mij den hond, zoo beval hij, met snijdende tanden gewapend, "Die vóór u met dreigenden muil en verschrikkelijk buldrend "Loon aan u geeft, en zoodra hij dat niet doet gaat hij te gronde. "Want uit haat tegen hem hoort men vele raven al krassen."
Volk.
Wat dat beteekent vat ik, bij Demeter, niet. Wat heeft Erechtheus met een hond en een raaf te doen?
Paphlagoniër.
Ik ben de hond, want ik ben degeen die voor u blaft. Apol beveelt u mij te redden, mij, den hond.
Worstverkooper.
Niet dàt zegt het orakel, maar wèl dat de hond Aan uwe orakels knabbelt als aan tarwemeel, In mijn orakels staat het rechte over dien hond.
Volk.
Leg dat eens uit, ik neem een steen vast in mijn hand, Als somtijds die orakelhond mij bijten wil.
Worstverkooper.
"Zoon van Erechtheus, let op hond Kerberos, zielenverkooper, "Die u vleit met zijn staart, en die u beloert bij uw maaltijd, "Die, zoodra gij kijkt op zij, terstond al uw eten verorbert. "Die op de wijze der honden maar altijd staat voor de keuken, "En die des nachts alle schotels en ook alle--eilanden aflikt."
Volk.
Die Glanis spreekt, bij Poseidon, een veel beter taal.
Paphlagoniër.
Hoor eerst, mijn beste, wat ìk heb, en oordeel dan: "Daar is een vrouw, die een leeuw zal baren in 't heilig Athene, "Die tot heil van het volk met vele muggen zal vechten. "En zijn welpen beschut. Dien leeuw moet gij u bewaren, "Binnen uw muren van hout en binnen uw torens van ijzer." Begrijpt gij dit?
Volk.
Ik snap er niets van, bij Apol.
Paphlagoniër.
De god beveelt u duidelijk dat gij mij redt, Want ik ben toch de leeuw die u beschermen moet.
Volk.
Je bent eer een Tegenleeuw, als ik je zoo noemen mag.
Worstverkooper.
Opzettelijk verzwijgt hij één ding van de spreuk, Met ijzer heeft hij den muur bedoeld, en boeien ook, Waardoor Apollo uwe redding mooglijk acht.
Volk.
Hoe heeft de godheid dat bedoeld?
Worstverkooper.
Hij geeft bevel Dat gij hem in vijfdubbele boeien binden zult.
Volk.
Het schijnt mij toe dat dit orakel wordt vervuld. "Doe niet zijn wil, want nijdig bekrassen u donkere raven, "Maar houd den havik te vriend, indachtig hoe hij u eenmaal "Redde, nadat hij met moed de Lakonische raafjes gepakt had."
Worstverkooper (ter zijde).
't Was in een brooddronken bui dat de Paphlagoniër held was!
(hardop)
"Kekrops' spruit, onbezonnen, acht gij die daad zoo gewichtig? "Zelfs eene vrouw draagt een last, zoodra als de man het haar oplegt, "Maar gaan vechten, dat nooit! Zij raakt in de Vecht met haar vechten."
Paphlagoniër.
Hoor dat orakel ook eens, waar van Poort voor de Poort zoo iets inkomt, "Daar is een Poort voor de Poort."
Volk.
Voor de Poort? wat zou dat beteekenen?
Worstverkooper.
Dat hij de kuipen in het badhuis stelen zal.
Volk.
Zoodat 'k vandaag geen bad kan nemen, beste vriend?
Worstverkooper.
Ja zeker! want die kerel pakte de kuipen weg. Nog is er één orakel, waarin voorkomt van De zeevaart--let nauwkeurig op, wat dàt ons zegt.
Volk.
Lees op, ik luister, en ik zal ook zorgen dat Vóór alles aan mijn zeelui 't loon wordt uitgekeerd.
Worstverkooper.
"Zoon van Aegeus, pas op dat u niet verschalke die hondsvot, "Gluiperig, snel als de wind, en slim als een vos en ervaren." Weet jij wie dàt is?
Volk.
O, de hondsvot Philóstratos.
Worstverkooper.
Dàt zegt hij niet, maar wèl dat Kléon telkens vraagt Om schepen, waar hij belastingen mee innen kan, En Apol verbiedt dat gij die voortaan geven zult.
Volk.
Wordt met een hondsvot ook wel eens een schip bedoeld?
Worstverkooper.
Jawel, want honden en ook schepen loopen snel.
Volk.
Maar waarom spreekt hij ook van "vos" behalve "hond?"
Worstverkooper.
Hier worden met "vosjes" de soldaten wis bedoeld, Omdat ze druiven knabblen in 't vijandlijk land.
Volk.
Goed! Maar zeg mij eens, hoe komen die vossen aan hun loon?
Worstverkooper.
Daar zorg ik voor, drie dagen vooruit geef ik hun vast. Hoor dit orakel nog aan: "Apoll" beveelt u Cyllene "Streng te vermijden, opdat het u niet door list moge vangen."
Volk.
Wat voor Cyllene?
Worstverkooper.
Hier wordt vast z'n hand bedoeld, "Stil leenen" meent hij, als hij stil z'n hand ophoudt.
Paphlagoniër.
Dat is niet juist, want met Cyllene bedoelde Apollo Zeker de lamme hand van den wichelaar Diopeithes. Maar ook ik heb een spreuk, een gevleugeld woord, voor u bij mij, Dat gij een adelaar wordt, en geheel onze aard zult beheerschen.
Worstverkooper.
Ik heb nog meer: ook de Roode Zee, niet alleen onze aarde, Dat gij tot in Ecbatana recht zult spreken en smullen.
Paphlagoniër.
Maar ik zag in mijn droom dat de godheid zelf was verschenen, En met een schenkkan over het volk heil strooide en welvaart.
Worstverkooper.
Ik zag meer in mijn droom, want ik zag godinne Athene, Die uit haar tempel trad, wijl een uil op haar hoofd was gezeten, En toen plengde zij duidelijk uit hare flesch op uw voorhoofd Ambrozijn, maar pekel en knoflook goot z' op het zijne.
Volk.
Hoera, hoera! De beste orakels zijn van Glanis, dat staat vast! En ik vertrouw mij aan ùw zorgen, beste vriend, Voer jij het oudje, en geef opnieuw hem onderwijs!
Paphlagoniër.
Nog niet, ik smeek je! wacht nog eventjes, totdat Ik jou je haver en je dagelijksch brood verschaf.
Volk.
Van haver wil ik niet hooren, ik ben veel te lang Door jou bedrogen, en ook door Theophanes.
Paphlagoniër.
Ik zal je brood verschaffen, netjes voorgekauwd.
Worstverkooper.
Ik lekkere broodjes, die je niet te bijten hebt, En gebraden eten: eten is voortaan je heele taak.
Volk.
Vooruit, een beetje gauw dan, wie van beiden nu Ik vinden zal dat mij het meest heeft wèlgedaan, Dien geef ik de teugels van de volksvergadering.
Paphlagoniër.
Ik ga het eerst naar binnen.
Worstverkooper.
Neen, niet jij, maar ik!
(Hij stoot hem terug. Beiden af)
Koor.
O Volk! hoe is toch uw rijk Zoo schoon en grootsch tegelijk, Daar ieder u vreest, in 't slijk Zich werpt voor uw voeten. Want licht ontvlambaar zijt gij, Verlekkerd op vleierij, En tuk op bedriegerij Van wie u ontmoeten! Elk sprekertje gaapt gij aan, Uw verstand schijnt op reis gegaan, Nu duldt gij van elk voortaan Slechts vleien en groeten!
Volk.
In uw kruin, uw harendom Zweeft geene gedachte om, Want ik houd m' opzettelijk dom, Ben niet onverstandig! Verheugd is steeds mijn gemoed, Wanneer men als kind mij voedt, Wanneer ik een gids ontmoet, Die stelen kan, handig! Doch als hij door euveldaân Gevuld is en welbelaân, Dan val ik hem plotsling aan, En kwak hem lostandig!
Koor.
Dat noem ik een wijs beleid, Ik zie dat gij waakzaam zijt, En vol van scherpzinnigheid, Trots grijzende jaren! Want ik merk, gij speelt er mee, En gij fokt hen op als vee, Om ze voor de meeting gedwee En vet te bewaren! En als in uw keuken dan Geen spijs meer verschijnen kan, Dan slokt ge den vetsten man Met huid en met haren!
Volk.
Is dat niet een slim bestaan, De lieden die in hun waan Mij vreeselijk foppen gaan, Mij schijnbaar misleiden? Hen ga ik voorzichtig na, Voor hen voel ik geen genâ, Zoodra als zij hun papa Oplichten en mijden-- Dan betrap ik hen terstond, Onderzoek hen met mijn sond', En laat uit hun dievenmond Het braaksel weer glijden!
NEGENTIENDE TOONEEL.
Volk, De Paphlagoniër, De Worstverkooper, Koor.
Paphlagoniër
(tot Worstverkooper)
Ga naar de eeuwige zaligheid.
Worstverkooper.
Jij, deugniet, eerst!
Paphlagoniër.
Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaar Om jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.
Worstverkooper.
En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid, Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.
Volk.
Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang, Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.
Worstverkooper.
Weet je wat je doen moet?
Volk.
Niet vóórdat jij 't hebt gezegd.
Worstverkooper.
Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan, Wie jou het meeste weldoet.
Volk.
Goed, dat zal ik doen. Vooruit dan!
Paphlagoniër en Worstverkooper.
Kijk!
(Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder)
Volk.
Waarom loop je niet!
Worstverkooper.
Je komt niet vooruit!
(Hij stoot den Paphlagoniër terug).
Volk (terzijde).
Òf 'k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag, Òf 'k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.
Paphlagoniër.
Maar zie je niet, dat ik het eerst j' een zetel geef?
Worstverkooper.
Een zetel, maar geen tafel--dat doe ik het eerst!
Paphlagoniër.
Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou, Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.
Worstverkooper.
Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer, Door de godin met ivoren handen zelf gehold.
Volk.
Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!
Paphlagoniër.
Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak, Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.
Worstverkooper.
Heer Volk, 't is duidelijk dat de godin je gunstig is, Door mijne hand biedt zij j' een pot met lekkere saus.
Volk.
Geloof jij soms dat j' in de stad nog wonen zoudt, Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?
Paphlagoniër.
De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.
Worstverkooper.
De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch, Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.
Volk.
Dat 's mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.
Paphlagoniër.
De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek, Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!
Worstverkooper.
Neem ook nog dit.
Volk.
Wat moet ik met die darmen doen?
Worstverkooper.
Die stukken zendt u de godin opzettelijk, Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen, Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart. Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.
Volk.
Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!
Worstverkooper.
De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!
Paphlagoniër.
Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.
Worstverkooper.
Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.
Paphlagoniër.
Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.
Worstverkooper.
O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas? M'n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.
Paphlagoniër.
Zie je dat, jou schurk der schurken?
Worstverkooper.
'k Geef er weinig om, Want in de verte komen er lui, ik zie ze al, Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.
Paphlagoniër.
Waar, waar?
Worstverkooper.
't Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.
(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).
M'n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?
Paphlagoniër (terugloopende).
O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!
Worstverkooper.
Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!
Volk.
Hoe kwam j'er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!
Worstverkooper.
Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.
Paphlagoniër.
Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.
Volk.
Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!
Paphlagoniër.
Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!
Worstverkooper.
Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nu Het meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?
Volk.
Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet, Dat 'k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!
Worstverkooper.
Ik zal 't je zeggen. Neem in alle stilte maar Mijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is, En wat in zijn korf is--dan is rechtvaardig wàt je beslist!
Volk.
Laat kijken, wat er in is.
Worstverkooper.
Zie je niet, vaderlief, Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf 'k aan jou!
Volk.
Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!
Worstverkooper.
Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër, Zie je dat?
Volk.
Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij! Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd! En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!
Worstverkooper.
Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan: Hij gaf je mee van 't kleinste dat hij zelf ontving, En slokte zelf altijd de grootste brokken op.
Volk.
O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt! "En ik heb u met kransen en geschenk getooid!"
Paphlagoniër.
Wanneer ik stal, dan was 't in 't voordeel van den staat.
Volk.
Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hem Daarmee te sieren.
Worstverkooper.
Leg je krans af, galgebrok!
Paphlagoniër.
Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord, Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.
Worstverkooper.
Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.
Paphlagoniër.
Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan, Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld. En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u: Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?
Worstverkooper.
In de varkenszengplaats ben 'k met vuisten grootgebracht.
Paphlagoniër.
Wat zeg je daar! 't orakel brandt mij op de ziel. En wat voor sport heb jij beoefend op je school?
Worstverkooper.
Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.
Paphlagoniër.
O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!
Worstverkooper.
Ik leerde worstverkoopen--en wat zwijnerij.
Paphlagoniër.
Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan, Een heel klein hoopje is nog 't ééne waar 'k op drijf. Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt, Of heb je 't altijd vóór de poort der stad gedaan?
Worstverkooper.
Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.
Paphlagoniër.
O hemel, juist was de voorspelling van den god! Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige, O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik u Niet willig loslaat: 'n ander wacht op uw bezit, Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.
(Legt zijn krans af)
Worstverkooper.
Hellenische Zeus, ù is de zege!
(De slaven komen uit het huis)
TWINTIGSTE TOONEEL.
Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes).
Slaaf.
Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans Dat gij door mij de zege behaaldet. 'k Vraag u slechts Om als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.
Volk.
En zeg mij nu hoe gij toch heet.
Worstverkooper.
Agorákritos, Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.
Volk.
Dan vertrouw 'k mij voortaan toe aan Agorákritos, En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.
Worstverkooper.
En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk, Zoodat j' erkent dat niemand beter in de stad Van de Praateners ooit verschenen is dan ik.
(Alle acteurs verlaten het tooneel)
Koor.
Wat is er schooner dan in den beginne Of aan het eind met vroolijken zinne De temmers der brieschende rossen te zingen-- En Thumantis, die geen haard kan krijgen, En Lysistratos te verzwijgen, Niet met een spotvers hen te bespringen? Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden, Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden, Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijden Niet kan bedwingen?--
(Toezang)
Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht, Eerbied eisch ik voor de goeden, als men 't ware en recht betracht. Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient, Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend. Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent, Wie maar zwart kan onderscheiden, of--'t helklinkend instrument. Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk: De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk. Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij, Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij: Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot, En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot. Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los, Zingt uit Polymnéstes' liedjes, frequenteert Oeónichos. Wie voor zoo'n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik, Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.
(Tegenkoor)
Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachten De veelvraat Kleónymos in gedachten, Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen? Hij spint altijd als een spin zijn webbe Om het eten en drinken van hen die het hebben, En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen! En zij--zij bidden en smeeken zeer: "Op de knieën verzoek ik u, edel heer, "Verlaat mijn tafel toch dezen keer!" Doch vergeefs is hun dreigen.
(Tweede Toezang)