De Ridders

Part 2

Chapter 23,341 wordsPublic domain

Aaklige vent, Dief zonder end, En schreeuwer, je bent--mislijk! Jou en je kliek Kent het publiek, Je schreeuwt je nog ziek--gewislijk!

Ambtenarentractementen En belastingdocumenten, Advokaten en kliënten, Weten hoe brutaal je bent, Van je schreeuwen en je knoeien, Je bedillen en bemoeien, Doe j' Athene overvloeien, Alles raakt hier op z'n end.

Aanvoerder van het koor.

Jij hebt met je stemgebulder heel Athene leeggepompt, En gelijk een visscher azend kijk je naar belasting uit!

Paphlagoniër.

'k Ben allang reeds op de hoogte, wie mij dat toch heeft gelapt.

Worstverkooper.

Zooals jij in 't schoenenlappen, zoo ben ik in 't worstenvak. Jij die huid van slechte beesten handig te versnijden weet En dan rondvent aan de boeren, of het dikke zolen zijn, Voordat één dag is verloopen, is het leêr al uitgezet!

Tweede Slaaf.

Zeus zal m'n getuige wezen, dat heeft hij ook mij gelapt, Al de lui van mijn gemeente en m'n vrienden lachten m' uit, Vóór ik Pergase bereikte zwom ik reeds in iedren schoen.

Koor.

Kléon! je bent Zoo'n slimme vent, Want 't is bekend Sinds eeuwen: Nu en altijd, Gepeupel leidt Brutaliteit En schreeuwen!

Aanvoerder van het koor.

Door je invloed in Athene melk je iedren vreemdeling, Als hij 't ziet, vergaat van woede 't zoontje van Hippódamos.

Koor.

Maar er is een vent gekomen, Die voor jou niet hoeft te schromen, Die jou spoedig heeft genomen, Veel gemeener nog dan jij, Ik verheug mij in zijn boosheid, Want door listen en door loosheid, En door sluwe schaamteloosheid Dringt hij jou geheel op zij!

Aanvoerder van het koor.

Kom jij nu, ridder van de worst, en toon je fluks een kerel, Toon ook dat een beschaafde man nu niets meer heeft te zeggen.

ACHTSTE TOONEEL.

Dezelfden.

Worstverkooper.

Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger!

Paphlagoniër.

Laat mij toch gaan.

Worstverkooper.

Ik zeker niet, 'k stam uit Jan Rap als uwees!

Tweede Slaaf.

Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j' ouders ook Jan Rap zijn!

Paphlagoniër.

Laat mij nu los.

Worstverkooper.

Bij Zeus!

Paphlagoniër.

Bij Zeus!

Worstverkooper.

Neen, nooit, bij god Poseidon!

(Zij vechten)

Paphlagoniër.

Ik barst van woede en ergernis.

Worstverkooper.

Dàt zal ik je zelfs niet toestaan!

Tweede Slaaf.

Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken!

Paphlagoniër.

Wie geeft je zoo'n brutaliteit om tegen mij te spreken?

Worstverkooper.

Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken.

Paphlagoniër.

Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen. Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen. Als jij tegen een mindren man 'n procesje hebt gewonnen, Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven, Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden, En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop.

Worstverkooper.

En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel Athene Z'n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert?

Paphlagoniër.

Wie stel je over tegen mij? 'k Ben iemand die in staat is Om na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken, De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen.

Worstverkooper.

En ik kan 'n heelen ossenmaag met darmen van een varken Inslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen, En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond'ren.

Tweede Slaaf.

Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen, Dat als jij aan de regeering komt, jij 't vet alleen wilt slurpen.

Paphlagoniër.

Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen.

Worstverkooper.

Ik eet een beest z'n pooten op, en pacht dan zilvermijnen.

Paphlagoniër.

Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder.

Worstverkooper.

Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder.

Paphlagoniër.

Jou pak ik eerst bij 't achterste, en sleur je dan voorover.

Tweede Slaaf.

Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.

(Zij vechten)

Paphlagoniër.

'k Laat je krom sluiten in de boeien.

Worstverkooper.

Als deserteur laat ik je bloeien.

Paphlagoniër.

Ik zal je looien met gemak.

Worstverkooper.

Ik zal je villen als een zak.

Paphlagoniër.

'k Hang je op aan huid en velletjes.

Worstverkooper.

En ik hak je tot frikadelletjes.

Paphlagoniër.

Al je oogharen pluk ik uit.

Worstverkooper.

En ik snijd je den krop uit je snuit.

Eerste Slaaf.

Behandel hem, goddorie, maar Precies of hij een varken waar'! Sla hem een spijker in den snuit, En haal daarna zijn tong er uit, Wanneer aldus het heele dier Gespalkt is op de kunstmanier, Dan onderzoek je of een wrat Te zien is op zijn varkensgat.

Koor.

Leve de man, Heet op de pan, Die hèm nog kan Bedwingen, Die door zijn mal Gebrul en gebral Kléon nog zal Verdringen!

't Was geen kwaad experimentje, Om een nòg grooter schreeuwtalentje, Om een nòg gemeener ventje Uit te sturen in den strijd-- Kom, en sla hem op zijn baadje, Geef hem niet het halve maatje, Want de dwingland in ons staatje Heeft het bijna afgeleid.

Aanvoerder van het koor.

Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt, Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z'n waren aard. En zoo'n lafaard heeft waarachtig nog z'n heele leven lang Voor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr! Hij houdt nu de korenaaren van 't vijandelijk korenveld Hier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z'n zak.

Paphlagoniër.

Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft, En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft.

Koor.

Met z'n gesnoef Wil ons de boef Nù nog den loef Afsteken! Glad als een aal, Altijd brutaal Is nog zijn taal Gebleken!

Aanvoerder van het koor.

'k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt, Erger dan de slechte drama's, waar vriend Morsimos in huilt!

Koor.

Jij, die als een ontaarde bij Kruipt en gonst in alle zaken, En je honing tracht te maken Uit de bloem der omkooperij! Moge 't slechtverworven eten op 't stadhuis ook slecht je smaken! Mocht het lot ons zóó iets schenken, Mocht jij raken in den druk, Dan zou ik een lied bedenken: "Laat ons klinken, laat ons drinken, Laat ons juichen van geluk!"

Aanvoerder van het koor.

Ja, 'k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren, Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z'n snaren.

NEGENDE TOONEEL.

Dezelfden.

Paphlagoniër.

Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen, Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!

Worstverkooper.

En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijk Gekregen heb, en bij het mes waar 'k mee kan bekkesnijden, Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker, Met hondebrokken opgevoed, zoo'n kerel niet geworden!

Paphlagoniër.

Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijen Den eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?

Worstverkooper.

Ik ben een boef van d' echte soort, als jongen al een boefje, Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje: "Kijk, zie je daar die zwaluw niet? 't wordt lente, boerenkinkel!" Riep ik, en keken zij, dan stal ik 't vleesch hun uit den winkel.

Tweede Slaaf.

Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken, Als d'ander slâ in 't voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!

Worstverkooper.

Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren, Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan 't zweeren; Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen, Hij uitriep: "Kijk, die jongen wordt nog eens bij 't volk een hooge!"

Tweede Slaaf.

Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en 't was dan ook geen wonder, Je was meineedige en een dief, en 't vleesch zat in je donder!

Paphlagoniër.

Ik leer je d' onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander, Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander, En 'k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!

Worstverkooper.

En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren, En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.

Tweede Slaaf.

Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op 't ruim wel passen!

Paphlagoniër.

Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talenten Van d'arme Atheners stelen kunt?

Tweede Slaaf.

Pas op en vier je schoot wat! Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.

Worstverkooper.

Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!

Paphlagoniër.

Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?

Tweede Slaaf

(tot den Paphlagoniër).

Hij stak er graag één in zijn zak.

(tot den worsthandelaar)

Laat schieten maar je touwen! De eerste storm is nu bedaard!

Paphlagoniër.

Jij gaat met een vierdubbel proces Van honderd talenten op de flesch.

Worstverkooper.

Als deserteur krijg je twintig er bij, En duizend wegens oplichterij!

Paphlagoniër.

Jij bent gesproten uit een geslacht, Dat door de goden is veracht!

Worstverkooper.

Jouw grootvader liep hier in 't land Gewapend achter 'n dwingeland!

Paphlagoniër.

Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?

Worstverkooper.

Van vrouwendienaars, laag en laf! Want ik weet zeker dat hij was In dienst van de vrouw van Hippias, Haar naam? herinner ik mij wel, Die klonk zoo iets als "juffrouw Vel."

Paphlagoniër.

Je bent een schelm.

Worstverkooper.

Je bent een schurk.

Tweede Slaaf.

Sla flink er op.

Paphlagoniër (schreeuwende).

Mijn arme kop, 'k Val in een samenzweerdersstrop!

Tweede Slaaf.

Je ranselt hem aan allen kant, Met darmen en met ingewand, Zoodat het kraakt en knettert, Zóó wordt het best een vent gestraft, Die altijd schreeuwt en schettert!

Aanvoerder van het koor.

O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen, Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren, Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen, Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?

TIENDE TOONEEL.

Dezelfden.

Paphlagoniër.

Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaak Heel netjes in elkaar getimmerd hadt, Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.

Worstverkooper.

't Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet,

(tot het publiek:)

Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot, Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs.

Tweede Slaaf

(tot den worstverkooper)

Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?

Worstverkooper

(tot den Paphlagoniër).

Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn, Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen!

Tweede Slaaf.

Goed zoo! spreek jij van "smeden" als hij "spijkeren" zegt!

Worstverkooper.

De mannen van daar, die hameren mee aan 't zelfde slot. Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld, Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij niet Om dat bekend te maken aan 't Atheensche volk.

Paphlagoniër.

En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad, En daar vermelden hoe gij allen samenzweert, En hoe gij 's nachts hier op den burg tezamenkomt, En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt, En--hoe j'ons kaas wilt geven uit Boeotië!

Worstverkooper.

Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?

Paphlagoniër.

Bij Herkules! 'k zal maken dat je onderligt!

(Af.)

ELFDE TOONEEL.

Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.

Aanvoerder van het koor.

Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid! Als 't waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt, In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt-- Dan loop je nu ook drommels gauw naar 't raadsgebouw, Want hij 's daar binnengevallen, en hij dient terstond Al buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.

Worstverkooper.

Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerst M'n darmen en m'n messen hier op den grond ter neer.

(Hij legt alles af)

Tweede Slaaf.

Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in, Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.

Worstverkooper.

Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in 't turnlokaal.

Tweede Slaaf.

Slik ook dit nog naar beneden.

(Hij geeft hem knoflook)

Worstverkooper.

Waarvoor dient me dat?

Tweede Slaaf.

Door knoflook te eten zal j' een beter kemphaan zijn. Kom, spoed je voort.

Worstverkooper.

Dat doe ik al.

Tweede Slaaf.

En denk er aan: Je bijt en lastert, je eet z'n hanekam maar op, Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!

(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen).

Koorlied.

Ga henen met vreugd, en handel vrij Tot blijdschap en voldoening van mij, 500 Zeus zelf bescherme uw paden, En als d'overwinning eens is behaald, Dan komt gij terug, en zegepraalt, Met kransen bestrooid en beladen!

De aanvoerder van het koor

(tot de toeschouwers)

En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten, Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!

(Het koor wendt zich naar het publiek)

Parabase.

Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichter Ons verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren, Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig, Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken, En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten. Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d'oorzaak, Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen, Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb--aldus sprak de dichter-- Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meening Dat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen. Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang. En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt, Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d'ouderdom nadert: Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde, Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp, Die met wiss'lende tonen uw oor heeft gestreeld--met lierzang--met kwinkeleeren, Met Lydisch gefluit--met wespengeluid--die met kikkergekwaak u gedoopt heeft, En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was, Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!

Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorie Door uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eiken Met wortel en tak op den grond doet slaan--zóó velt hij zijn vijand ter neder, Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: "Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!" En "Bouwmeesters van kunstrijken zang"--zóó bloeide zijn naam in Athene. Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen, Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger, En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!--Thans dwaalt hij als grijsaard in 't ronde, Aan Kónnos gelijk, en "verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!" Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde, Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.

Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden! Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte, Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten, Toch--hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte. Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide: Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad, Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden, En ten slotte de stuurman van alles te zijn!--Tot dank voor al deze woorden, Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje, Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide, Goedgekeurd gemompel op 't schouwburgfeest, Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan, In zijn arbeid geslaagd, Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!

Koor (Ode).

God Poseidon, ù roep ik aan, U is de stem van 't snuivend ros, U zijn hoefslag geheiligd: Gij, die over de waterbaan 't Donkergekleurde schip doet gaan, Gij, die zeevaart beveiligt!

God Poseidon, der rossen heer! Die u verheugt in glans en eer, Als, in schittrende rijen, Heel de bloeiende jeugd der stad Luchtig, vluchtig de teugels vat Van den brieschenden paardenschat, Voor zijn harddraverijen!

Kom ten reidans van uit de zee, Breng uwen gulden drietand mee, Door dolfijnen gedragen! Gij, wien van verre de schipper smeekt, Als zijn kiel op de klippen breekt, Door den stormwind verslagen!

Zilten telg van den dondergod! Gij, wien Phormion heel zijn lot, 't Lot zijner schepen vertrouwde: U ter eer klink' 't loflied schoon, U, Poseidon, Kronos' zoon-- Gij, ons het liefst van de hemelgoôn, Toen ons de zeeslag benauwde!

Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht, Waardig op het kleed te stralen, dat m' Athene jaarlijks bracht, Mannen die in voetgevechten, òf in 't schip-omkluisterd heir Ons den zege steeds bevochten, 't vaderland tot roem en eer. Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld, Doch zoodra 't gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held. Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag, Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag! Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaal Maakte ooit, als Kléon's vader, aanspraak op een staatsonthaal; Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van 't algemeen, Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeen Zich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn, Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon: Dat, zoodra de vrede daar is, gij 't ons niet misgunnen zult, Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!

Koor (Ode).

En gij, Pallas, der stede heil! Gij die Atheen, in rotsen steil, Steunt in oorlog en vrede, Die reeds vaak onze stad behieldt, Die ons dichterental bezielt Naar de aloude zede!

Nader, godin van kunst en vreê, Breng welwillend den Zege mee, 't Beeld dat rust op uw handen, Nike, die ons lied begeleidt, Die in oorlog, die in strijd Aan Athene haar zorgen wijdt, Schutgodes dezer landen!

Reik thans zegenend uwe hand Aan de bloem van den ridderstand, Als zij krijg wil beginnen Met den vijand, die aan ons land Zijn eerzuchtige netten spant: Schenk ons zoet overwinnen!

Thans wil 'k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand! Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand, Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên, Maar wat zij op 't land volbrachten, kent nog lang niet iedereen! Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land? Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand? Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na, Riepen zij niet, waterscheppend: "Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!" "Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!"-- Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los Om met hoeven zich een rustplaats en een deksel op te slaan En wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân! Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit 't peilloos diep, Zoodat eens 'n Korinthisch kreeftje, 'n moppentapper, luidkeels riep: "Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch, Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!"

TWAALFDE TOONEEL.

(De worstverkooper komt terug)

Het koor. De worstverkooper.

Aanvoerder van het koor.

Dierbaarste man, bezield van jeugdig' overmoed, Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid! En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd, Vertel ons, wàt is 't einde van den strijd geweest?

Worstverkooper.

Nu heet ik "Winraad," want ik overwon den raad!

Koor. (Strophe of Keer).