De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 9

Chapter 93,956 wordsPublic domain

Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven, de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen, aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals zijn samengevallen,--amati, amatis, amatus,--dit is alles tot amatz geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, assonance; maar de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er komen nog meer gekunstelde rijmen op,--de zogenaamde »rimes riches" worden ingevoerd, waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art = kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden; als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst, door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen. En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: »A Lunel lutz una luna luzens", of met woorden van dezelfde klank maar verschillende betekenis: »ongle--oncle". Men heeft ook oor er voor om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale dichtvorm: »descort", het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat, »omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de inhoud."

En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van een artistiek aristocratiseren. »In mijn hart draag ik de vijl," zingt een troubadour, »waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing." Niet van alle landstreken wordt het dialekt geaccepteerd als een »natural e drecha parladura": als Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne, platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, »want hij die bemint, moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in woorden." Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men begint grammatica's te schrijven. Veelal verheft men bewust de stijl boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde Amor, of zinswendingen als: »Gelijk de magneet... aantrekt, zo..." enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst »de ceder der vrolikheid" genoemd wordt of een dame: »de toren der eer". De gehele rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der bitterheid.

Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik te verstaan--wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse Skalden. »Le trobar clus" (gesloten) is het aestetiese program voor een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden, bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: »jaagt hazen met ossen en zwemt tegen stroom in",--zoals hij zelf zegt over zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt »als het rijk dat de Ebro doorstroomt", de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met »de zuster van mijn oom" werd aangegeven; en wanneer »de liefde die hem in het harte regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt", dan is dit niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger van deze »estilh clus", Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; »per slot van rekening is dat ook het moeilikste." Maar zijn tegenstander beweert: »neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik van Jan en Alleman komt; goud is duurder dan zout, omdat het zoveel zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het moeilikst toegankelik is."

* * * * *

Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours eindigen de meesten van hun gedichten met een »tornada"--een kleine »staart"--cauda--die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,--voor een bepaald persoon of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids- en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de binnenkamer gefluisterd waren,--dit alles zou nu de vleugelen van de zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of, omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de geestelikheid.

Een »Sirventes" betekent letterlik een dien-dicht (sirven = dienen, servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese en strijdlustige Zuid-Franse geest in het »sirventes" zijn uiting.

Bertran de Born, heer van Hautefort in Périgord, was de eerste, de voornaamste man van de politieke »Sirventes". Gelijk de Arabiese zonen der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die tot gedicht wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord zong hij onderwijl door: »Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan, als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij elkaar kunnen brengen." Met vurige strijdlust mengt hij zich in het oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was. Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen »die schrok-op uit Poitou" op zetten, »Richard ja-en-neen", zoals hij hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. Talairand is een echte »Lombard",--als andere woedend opspringen, rekt hij zich even uit en gaapt... »Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet; maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen." Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen voor niets verslijt,--»wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en voeten laten beslaan als een paard." Maar het jubelt in hem wanneer hij de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl van de Latijnse »planctus" die abten en bisschoppen bij de dood der vorsten op bestelling schreven. Hij verzoende zich met Richard maar kreeg niet minder stof voor zijn Sirventes in de twisten tussen de Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,--hij doet wat hij kan om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van Aragon.

Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,--het zijn onze krantenartikelen,--een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: »Al is er overal om mij heen vrede,--een duim breed grond is mij genoeg om te vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat; mijn hart is aan strijd alleen gewijd", of wanneer hij als dronken is van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de velden snellen: »eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als wanneer ik de kreet »Vooruit!" hoor, en de paarden hinniken, en er hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde speren nog in hun zijde." En zijn haat van edelman tot boer en burger breekt in hevig leedvermaak uit, »het doet mij goed wanneer ik die ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie... wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt, versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende hun alle ongeluk!"

Een andere soort van »Sirventes" is de moraliserende. De grote man daarvoor is Peire Cardenal. Van voorname geboorte, »vrolik, schoon en jong", maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van Don Quichot van het recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen. Dan weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt, wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee, drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het. Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat, indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder--de helft van de duim van mijn handschoen--zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht altijd weer nieuwe grille beelden voort--als bij Dante--en houden nieuwe burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken. En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. »Welk een machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap af moeten leggen."

En het rumoer van die Sirventes klinkt veelstemmig over geheel Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien, altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,--wat toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood werd wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van Montaudon,--de humorist onder de dichters der Sirventes. Van voorname geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie van zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,--een lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat--een echtgenoot die zijn vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig sarkasme,--hoe vlijtig zij de »schilder"-kunst verstaan, zodat de kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als troubadour rondtrok!

Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire dichtsoort; zo wel de Tyrolers (»schnadahüpferl") als de Noorse boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders. Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake zijn van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee aanwezige troubadours uitnodigde, zich tot de voorvechter van een der twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan goed voorbereid en »voerden de liederen-kamp op." En het gebeurde dan veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard, ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet schenken,--de Dauphin van Auvergne houdt zich grootmoedig aan het eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen zonder wederliefde te krijgen;--Eble verklaart dat met alle respect voor ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft vertonen; waarop Guillem Gasmer opmerkt dat men zijn schuldeiser met fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw afkomt.

Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters der Sirventes de groten »tot hoge daden" aan moeten sporen, »de kwaden moeten beschamen" en zonder vreze »herauten der waarheid moeten zijn", zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van hun weldoeners het eeuwige leven schenken,--als dichters van Canzonen hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping--de verkondiging van de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde.

* * * * *

In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingt Arnaut de Maruelh; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug mij over het gezang der vogels en over de bloemen--jubelt Bernart de Ventadour--over mij zelf, maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen. Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. »Joi" en »Gaug" (vreugde), »Joi e deport", die woorden gaan als leitmotif door de gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk, komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers. »Joi e deport" betekent dat gevoel van de edelman die zich »vrij weet van materiele en geestelike beslommeringen" en dat heerlike gevoel moet de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren natuur--zingen ze--kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet alles liefhebben wat heerlik is en schoon--schone wapenen, een vrolik tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (Guiraut de Bornelh). De vreugde is de wortel van alle goeds, »se (zonder) joi non e valors", de vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse troubadours »hohe muot" noemen of »riche muot"; »geen enkele keer heb ik hem in treurige stemming gezien" leest men in een lofzang over een gestorven vorst.

Maar »joi" is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het zelfde sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom en het entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,--dat is het wat bij de troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven: daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland niet willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en onaangenamer dan schulden te hebben. En toch--toch is de ontbering van een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan.