De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 8
Maar ook het maatschappelik leven zelf had in zijn grondtrekken veel van de oudheid bewaard. Evenals in Italië stond ook hier het stadsleven boven dat van de landman, in tegenstelling met de toestanden in het Noorden. Mensen in goeden doen--adelliken zowel als burgers--woonden liever in de oude rijke Romeinse steden dan eenzaam ergens buiten. En de burgers hadden feitelik een niet onaanzienlik kommunaal zelfbestuur. Wel is waar stonden ze onder een graaf of een bisschop, die midden in de stad zijn residentie had of er vlak bij, maar hij regeerde alleen door een »Vicarius" of een »Baljuw" die door de burgerschap gekozen werden en langzamerhand hadden de steden allerlei privileges gekregen; in de loop van de 12de eeuw kregen ook de meesten van hen hun eigen »consules",--burgemeesters. Men kan b.v. in de »Coutumes" van Montpellier lezen,--die tot toonbeeld genomen werden van een massa andere steden,--hoe de stad vol zelfbewustheid haar rechten tegenover de »Seigneurs" laat gelden. En overal--heet het--waar niet iets anders uitdrukkelik gestipuleerd is, geldt »het geschreven recht", d. w. z. het oude Romeinse recht, dat steeds van kracht is naast, of als deel van, het lokale gewoonterecht.
Over het algemeen is de maatschappij daar volstrekt niet zo gefeodaliseerd als in het Noorden. Het vrije landbezit (allodium) en de vrije bezittersstand die alleen de vorst als hun heer erkenden, waren grotendeels blijven bestaan, zonder in het leenstelsel opgenomen te worden. Tussen de adel, de rijke burgers en de grondbezitters bestond er geen scherpe grens, zij vormen te zamen die hogere standen wie het er om te doen is de kleine burgers er onder te krijgen en uit te buiten, en de burgers kunnen, als het er op aan komt, zich vrij gemakkelik het ridderzwaard om de lendenen laten gorden. »Welgeboren burgers, die de gewoonte hebben, op de wijze der ridders te leven", heet het in een overeenkomst tussen Avignon en de omliggende graven, »zullen ook de zelfde rechten genieten als zij." Zelfs waar er sprake is van leentoestanden, schijnt het in werkelikheid dikwels zo geweest te zijn dat de Vazallen hun grond in vrij bezit hadden en alleen maar in een vrij losse persoonlike verhouding tot de leenheer stonden, terwijl de macht van deze laatste voornamelik afhangt van de grootte zijner _allodia_. Wanneer men de zaak goed onderzoekt, zijn de meesten van die »Senhoraten" oude Gallo-romeinse landgoederen geweest, alleen is dan het landhuis een kasteel geworden aan welks voet de kleine burgers bij elkaar zijn komen wonen en het leenstelsel zelf zijn misschien dikwels militaire vervormingen van de oud-Romeinse verhoudingen tussen de voorname patroon en zijn kliënten, tussen de rijke grondbezitter en de »prekaristen"--zijn pachters.
Maar in het algemeen zat het individualisme uit de latere Romeinse tijd op de troon, dat het vermogensrecht en personenrecht beheerste en zou de vervorming van de Germaanse stam-gemeenschap en stam-geest niet ondergaan, die de positieve zijde van het leenstelsel uitmaakt. De persoonlike en ekonomiese saamhorigheid, die de Germanen van hun »gauen" en hun krijgstochten medebrachten en die de schering van het feodale weefsel vormde, kon Zuid-Frankrijk al even weinig begrijpen als Italië. De wederzijdse, volkomen religieuse plicht van trouw van leenheer en vazal, konden die zich evenmin eigen maken als het begrip van een ekonomiese gemeenschap in de maatschappij die het leenstelsel draagt. Dat was ook de reden waarom Zuid-Frankrijk zo goed als geen aandeel heeft in de Franse en Duitse heldendichten die hun grond en verklaring vinden juist in die Germaanse stam-geest en het leenstelsel.
Alleen de _negatieve_ zijde van het leenstelsel--als men het zo uitdrukken mag--d. w. z. de individualistiese anarchie der baronnen vond daar een vruchtbare bodem. Wat kwam die niet prachtig overeen met het individualisme van het Romeinse vermogensrecht en de latere Romeinse patriciërsgeest, waarin alle maatschappelike gevoelens uitgestorven waren. En de vele wijd uiteenliggende bergdalen in de Pyreneeën en de Cevennen bevorderden het separatisme maar al te wel.
Zo vinden wij dan omstreeks 1100 Zuid-Frankrijk in een bonte massa van »Senhoraten" verdeeld van alle grootten en allerlei aard, naast elkaar of zeer los aan en met elkaar verbonden, elkaar bevechtende, en door huwelik of ruiling in allerlei verbindingen met elkaar tredende. Daar zijn de hertogen van Aquitanië, tegelijk graven van Poitou--energiese vorsten en literair ontwikkeld die, vooral nadat zij zich Gascogne onderworpen hadden, als koningen over heel Zuidwest-Frankrijk heersten, hoewel steeds in strijd met hun machtige vazallen, de graven van Auvergne, Périgord, Angoulême of de Heren van Blaye, Ventadour of Chateauroux. Of de graven van Toulouse die in de 11de eeuw Provence geannexeerd hadden en over de hele Zuid-kust regeerden, maar die door een ongelukkige erfopvolging hun provincies steeds in al te veel handen over zagen gaan en die bovendien, op ridderavonturen belust, aan de kruistochten in het Oosten en in Spanje deelnamen in plaats van een oogje in het zeil te houden bij de woelige graven van Foix en Carcasonne, de burggraven van Albi en Narbonne of de oude steden in Languedoc. Dan hebben wij de graven Raimond of Berengarius van Barcellona die van het grote plan zwanger gingen om het oude rijk der West-Gothen weer op te richten en die zich door koop en huwelik grote bezittingen in Zuid-Frankrijk verwierven, maar die op hun beurt weer verlamd werden tengevolge van de erfopvolging, waarbij hele landsdelen onder de verschillende takken der familie werden verspreid. In het midden van de 12de eeuw werden Poitou en Guyenne met het Normandies-Engelse rijk verenigd en zetten Hendrik II en zijn zonen--Richard Leeuwenhart en zijn broeders--bijna geheel Zuidwest-Frankrijk in vuur en vlam door hun onderling twisten, waar meer en meer van de Zuid-Franse heren in betrokken werden.
Maar zij deden toch ook iets anders dan twisten. Bij alle hoven, de grote en de kleine, tussen alle ridderburchten en kastelen ontwikkelt zich een levendig maatschappelik verkeer. Dat is altijd het sterke punt van de Zuid-Fransen geweest en de stedelike kultuur der oudheid zat, zoals wij gezien hebben, overal in het land vast in 't zadel. De vazallen kwamen veelal binnen de muren van de seigneur wonen, in een spesiaal voor hen daar gebouwd huis; wanneer de burcht van de seigneur in een stad lag, vormde die dikwels met de omliggende huizen der vazallen een heel ingesloten kwartier. Hier ontstonden dan maatschappelike centra, de rijke burgers kregen toegang tot de kringen van de adel en zij treden behoorlik, zelfs met elegance op, zegt een troubadour, en hebben evenveel verstand van omgang met de vrouwen als de ridders, zowel als van dans en het krijgsspel. In het begin van de 12de eeuw is men daar heel wat verder met de goede manieren gekomen dan in het arme onbeschaafde Noord-Frankrijk, om van Duitsland niet eens te spreken. Die mensen uit het Noorden--zo spot men in Zuid-Frankrijk--denken alleen maar aan eten en drinken en zij kunnen niet vrolik worden en zingen voor ze hun buik vol hebben en dronken zijn en de Duitsers met hun plompe manieren en hun »hondengeblaf" horen nu aan een hof helemaal niet thuis. Het woord »cortes", Noordfrans »courtois", waar wij al van hoorden, is dan ook het eerst in Zuid-Frankrijk gebruikt voor wat in fatsoenlik gezelschap past. Hier spelen de betrekkingen met de Arabieren in Spanje en vooral met Italië en het Zuid-Italiaanse Griekse element een grote rol. B.v. het hof van graaf Raimond V op zijn slot te Narbonnes bij Toulouse en de residenties van Willem IX te Poitou en Bordeaux, die van de graven van Provence te Aix, van Hendrik II van Engeland en zijn gemalin, Koningin Eleonora te Limoges en Beaucaire; daarnaast nog het hof van Alfons II te Barcelona en van de Markgraaf Bonifacio van Montferrat. Het hof te Barcelona staat ver bovenaan wat betreft de weelderige levenswijze; wanneer Bertrand de Born de zuster van Richard Leeuwenhart, Mathilde, prijzen wil omdat zij hem zo vriendelik toegesproken heeft en hem naast haar »op een keizerlik kussen" een plaats heeft aangeboden, dan zegt hij: »Uit Catalonje scheen zij mij te komen, door haar groet en harer woorden lichte spel." Talrijke kleinere hoven willen met de groten meedoen; trots richt het slot Baux der vorsten van Oranje zich bij de monding van de Rhône in de hoogte, als uit de rots gehouwen, aan de voet van de Pyreneeën ligt het grafelik hof van Foix, bij Carcassonne dat van de burggraaf Roger II; te Narbonne troonde de burggravin Ermengarde, door velen omringd,--volgens de Orkneyssaga bezocht Ragnvald Jarl op zijn kruistocht haar op haar hof en herinnerde zich later steeds die vrolike dagen. Aldoor worden er over en weer bezoeken afgelegd, de families trouwen onder elkaar, gronden en kastelen worden verkocht of uitgewisseld en de arme ridders zonder land of met niet meer dan een achtste deeltje in een familieslot als erfenis, trekken van het ene kasteel naar het andere rond. En zo wordt de levensatmosfeer er daar één van voortdurend vrolik samenzijn, wat zij, die daar eenmaal aan gewend waren, niet meer kunnen ontberen. Een troubadour die naar Italië heeft moeten vluchten, gaat naar Genua en voelt zich weldadig verkwikt door elk windje dat van uit zijn land naar hem toe waait; onvermoeid blijft hij de mensen uitvragen en laat zijn oor strelen door elk woord van lof: »zulk een heerlik land kent niemand als dat tussen Rhône ligt en Vence, tussen de zee en Durance, niemand heeft zulk een heerlik leven als daar. Daar heb ik mijn goed humeur achtergelaten."
Twist en het gezellige leven,--het een is even karakteristiek voor de Provençaalse wereld als het andere. Het zijn geboren individualisten, deze ridders--zonder gevoel voor wat samenbindt en samenhoudt; zij waren het niet, maar de Noord-Fransen die de Saracenen op hun veroveringstocht te Tours terugsloegen; en zij waren het ook niet, maar het Noorden, dat de politieke leiding nam en het Franse koningsschap schiep. En het zijn geboren lyrici, die Zuid-Fransen; vol vuur gaan ze in de stemming van het ogenblik op, met de grootste bewegelikheid laten ze die ook weer los,--òntladen worden ze even gemakkelik als geladen. Van de Romeinse dekadentenkultuur zit er per slot van rekening een aesteties intellektualisme in, niet diep of krachtig maar spiritueel; genotzuchtig en genietende, fijn en krities, met levende gevoeligheid en smijdig van vorm, uitnemend geschikt voor een leven met anderen. Individualisme, lyriek, aesteties intellektualisme,--zie daar de hoofdtrekken van het Provençaalse geestesleven.
Die kentekenen ook het religieuse leven en de beweging voor de kruistochten in Zuid-Frankrijk. Aanvallen van lyries entoesiasme wisselen af met wereldlike scepsis en strijdlustige weerspannigheid. In de 11de eeuw kwamen er talrijke extravagante »bekeringen" en voorbeelden van grote ascetiese krachtsinspanning voor in de Zuid-Franse wereld; het was ook in Aquitanie en Provence dat de entoesiaste vredesbewegingen kwamen en zich verspreidden. En toen Urbanus II het wachtwoord voor de kruistocht had laten horen, was de Zuid-Franse ridderschap de eerste om aan die roepstem gehoor te geven. De hebzuchtige Raimon van Toulouse schonk terstond hele sommen aan kerken en kloosters, nam zijn vrouw en zijn jongste zoon mede, rustte een groot leger uit en zette het beeld der Madonna op zijn banier. Op de hele tocht waren de Provençalen het meest fanatiek; alle visioenen en mirakelen pakken die zuidelingen heel wat sterker aan dan de Noord-Fransen en wanneer het hun voorkomt dat de leiders wat al te lang ergens blijven hangen, dan steken ze eenvoudig het kamp en de levensmiddelen in brand om ze op die manier te dwingen verder te trekken. Thuis weerklonk Provence van de vurige kruisliederen der troubadours. »Baron Jezus zendt ons allen een boodschap... Wij moeten de schande wreken die Kristus moest ondergaan toen hij aan het kruis genageld werd... Wij moeten de ongelovigen rekenschap vragen van de smaad die hem om onzentwil overkomen is... Hier is een wasbekken dat ons allen door de Hemelse Koning en Heer aangeboden is. Hebt gij lieden er een idee van hoe rein zij worden zullen, die zich in dat bekken wassen? Zij zullen schoner worden dan de sterren die de schepen leiden."
Maar al dat entoesiasme en die aestetiese geestvervoering der ridders voor de zaak van Kristus, sloeg heel gauw om. Het ongelukkige resultaat der kruistochten werd opgevat als een godsoordeel, dat God het met de ongelovigen hield. En de terugslag van dat fiasco werd bij menigeen een verbitterde ketterse stemming. »Helaas!" klaagt een poëtiese Tempelheer na de val van Caesarea, »indien God, wien dit alles moest mishagen, het goedkeurt, dan moeten wij tevreden zijn. Gewoon een dwaas is hij, die nu nog strijd met de Turken wenst, nu God hun immers alles gunt. God, die vroeger waakte, slaapt nu, maar Mohammed ontplooit al zijn kracht en laat zijne dienaren zegepralend heersen." En met spot en scherpe hatelikheden vallen de Troubadours de paus aan, de kerk en de geestelikheid. Heel spoedig hadden ook de »ketterse", half onkristelike godsdienstige secten hun weg naar Zuid-Frankrijk gevonden en verstandige ontwikkelde geesteliken zetten in Provence en Lausanne bewegingen op touw om het »bijgeloof" van de sacramenten, relikwieën en heiligen bij de Kristenen uit te roeien. Maar vooral breidde zich een religieus indifferentisme uit, dat voedsel kreeg door het voortdurende verkeer met Spaanse Joden en Spaanse Muzelmannen. Reeds in de 13de eeuw klagen de mannen der kerk er over hoe ze overal in Languedoc veracht worden, hoe weinig er voor de tienden binnenkomt, hoe de godsdienst zonder enig respekt bespot wordt en hoe dikwels de geesteliken zelf persoonlike overlast te verduren hebben. Lyries entoesiasme en strijdbare ketterij, aestetiese religiositeit en Latijns rationalisme--dat is de houding van de wereld der troubadours tegenover het Kristendom.
Die zelfde lichte ontvlambaarheid en weerspannigheid vindt men overal in het maatschappelik verkeer terug. Die Zuid-Franse ridders vechten niet alleen met het zwaard en om grondbezit, maar ook met woord en pen, met spot en kritiek, met intriges en chicanes om duizenderlei dingen van niets, twistpunten die overal met de wapenen des geestes uitgevochten worden. De bisschop van Clermont valt met een schimpdicht op de Dauphin van Auvergne aan omdat diens slotvoogd een dame, die iemand daar spek had laten halen, om eieren in te bakken, met een half schijfje afscheept,--en die dame was nog wel de aangebedene van de Dauphin. Deze laatste antwoordt met allerlei beschuldigingen tegen de Bisschop. Een andere pennevete had die zelfde Dauphin met de baljuw van de burggraaf van Turenne. De Dauphin had de dochter van de burggraaf lief en kwam daarom dikwels aan het hof op bezoek, maar nam die gelegenheid dan veelal waar om geld van de baljuw te lenen en toen die hem nu daarover lastig begon te vallen, hield de Dauphin, in plaats van te betalen, met zijn bezoeken op, waarom zijn schuldeiser hem nu in schimpdichten verweet dat zijn liefde zo snel vervloog.
En het maatschappelik leven is al even vol van liefdesintriges als van onderlinge twisten. Hoe sterk juist die dingen zijn, daar weten de kroniekschrijvers heel wat van te vertellen,--over de bijzitten der baronnen of de »vrienden" van de getrouwde vrouwen of van de ruwe, gruwelike wraak van een echtgenoot of jaloerse vrouw. Maar de liaisons in Zuid-Frankrijk hebben toch nog een geheel ander karakter dan b.v. de grove wellust der Noord-Franse baronnen, of de bloedige hartstocht der Italianen, meestal is het een gezellig flirten geweest, waarin sympatie en zucht om te behagen meer te zeggen hebben gehad dan de zinnen,--een literair gekleurde schoonheidskultus of een artistiek spelen met gevoelens en gemoedsbewegingen, die onwillekeurig uit elke verhouding munt voor een »roman" slaat. De koketterie der dames en de galanterie der Ridders zowel als het gehele maatschappelike leven ontwikkelen die fijnere soort van het spel der liefde, waarbij een glimlach, een handdruk of een vriendelik woord het middelpunt uitmaken van verwikkelingen en intriges, aanleiding geven tot een »scene", de gemoedsbeweging opwekken en de twee partijen in spanning houden, en het genot van zulk een verhouding wordt op die manier over allerlei kleine nietsjes verdeeld, maar die elk op zichzelf die fijner besnaarde mensen evenveel zielsgenot verschaffen als het meest massieve liefdesgenot de grove Noordeling geeft.
En bij die liefhebbende en twistende mensen ontstaat nu een dichtkunst en gezang over twist en liefde. Daar staat een schare van dichters op, die niet alleen aan de in die hogere kringen uit het volkslied geboren dichtkunst een artistieke vorm geven,--dansballaden en romancen, alba's en pastoralen--maar ook een hoger en meer persoonlike kunst scheppen om aan alle gevoelens die dat leven wekt, uitdrukking te geven. En van al de maatschappelike standen die daar te Toulouse of te Aix de toon aangaven, heeft de ene al evenveel tot die zwerm dichters bij gedragen als de andere. Wel is waar zijn de meeste troubadours arme zonen van ridders en kleine heren, maar er lopen toch ook wel zonen van de burgerklasse onder, ja zelfs wel eens een enkele keer een van de bij uitstek begaafden onder de dienende klasse, die er ingeslaagd is de slotskringen binnen te dringen; er zijn geesteliken bij, die het klooster uitgelopen zijn, maar ook rijke baronnen en hoge vorsten; de oudste die men kent is graaf Guillaume van Poitou, die omstreeks het jaar 1100 dichtte. Velen van hen hebben niet eens zelf kunnen schrijven, maar een zekere geleerde opvoeding hebben ze toch bepaald gehad; van één lezen wij uitdrukkelik dat hij 's winters op school ging en er zijn duidelike sporen in hun werk op te merken van kennis der Latijnse kerkpoëzie en nu en dan van de literatuur en mythologie der Latijnse oudheid. Velen van hen dragen zelf hun gedichten voor, maar naast hen vindt men in den regel »jongleurs" die met hen rondtrokken en hun gedichten voor hen accompagneerden en opzegden.
VII.
DE KUNST DER TROUBADOURS.
L'Art de Trobar werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats, beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten worden om goed te »trobar", door die regels komt de kunst hoe langer hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge kring van kenners richt, dat slechts wil »grat de las melhors" en zich absoluut niet bekommert om bijval van de »desconnoissedors".--Maar die kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. »Trobar" is uitvinden en in tegenstelling met de »jongleurs" die overal de gedichten van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. »Ik wil een nieuw lied zingen," begint er een troubadour, »met grote moeite, opdat het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is niet goed en niet schoon." En een ander: »Ik vind het altijd vervelend te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is? Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was." In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de troubadourskunst--evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese Noorden--het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de kunst in conventionele, kunstige vormen, maar spoort binnen die perken de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te trachten elkaar te overtreffen.
De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid door de viool of de harp. »Een liedje zonder muziek is gelijk een molen zonder water", heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4 regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in versvormen der gehele moderne lyriek.