De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

Part 7

Chapter 73,934 wordsPublic domain

Een heel bizondere dichtsoort ontwikkelde zich langzamerhand door mannelike kunstdichters uit het oude motief van »Het afscheid der geliefden". De situatie van die twee die een nacht van liefdegenot te samen doorgebracht hebben maar nu, om niet ontdekt te worden, voor dageraad moeten scheiden, is er een die steeds overal in de volksliederen te vinden is, algemeen menselik en poëties vruchtbaar als die is. De geliefden hebben samen buiten op de weide of in bosjes geslapen, en worden nu door het gezang der vogels of door de dageraad gewekt; onder hevige klachten en verwensingen over die noodzaak moet de vrouw zelf de man tot haast aanzetten; of wel zij tracht hem nog terug te houden: neen, het is het daglicht niet, maar maneschijn, het is de leeuwerik niet, maar de nachtegaal, zegt zij. Intussen verstomt de twijfel spoedig; hij moet weg. Met dit volkslied-motief zijn bij de kunstdichters literaire herinneringen samen gesmolten. Aan de ene kant van de oud kerkelike hymnen aan de dageraad,--van de hoogdravende Hymne aan het Licht van Prudentius af (Aeterne rerum conditor) tot de meer moderne, als die welke men uit het jaar 1000 kent, in 't Latijn met Provençaalse refreinen, waarin de wachter de Slapenden wekt, om dat »het Morgenrood de zon reeds achter de natte zee opheft." Aan de andere kant misschien ook van de antieke poëzie b.v. van Leander's brief aan Hero in de »Heroides", waar de twee zich na een nacht van liefdegeneuchten onder klachten uit hun omhelzingen los moeten scheuren, omdat de morgenster Aurora de weg wijst en de trouwe bewaakster, de oude min van het meisje, ze tot scheiden maant. De min van de antieke poëzie en de wachter van de kristelike hymne worden bij de ridderlike dichters tot de torenwacht die van de toren de dageraad ziet verschijnen en die daardoor als vanzelf de vertrouwde der geliefden geworden is en de waarschuwende rol van de leeuwerik over heeft genomen. Als zodanig is hij de derde persoon van het drama. In een tuin, onder de meidoorn, ligt een vrouw met haar vriend in haar armen, totdat de wachter roept dat hij de dageraad ziet. »Ach God, ach God, wat komt de dageraad spoedig! Gave God, dat die nacht nooit een einde nam, en dat mijn geliefde nooit van mij weg moest trekken, en de wachter nooit de dag zou zien en de dageraad... Lieve, zoete vriend, laat ons elkaar blijven kussen, gij en ik, hier op de weide, waar de vogels zingen, tot op 't ogenblik dat de wachter op zijn schalmei blaast." Schoon en lief is de vrouw en velen kijken naar haar wegens haar schoonheid, maar zij is trouw aan de liefde in haar hart. »Oi deus, oi deus! de l'alba, tan tost ve!"

Bij Walter von der Vogelweide is het in een kamer dat het zonnelicht de geliefden treft en de situatie ontwikkelt zich hier tot een hele dialoog, een heel drama. De ridder ziet het daglicht, wekt het meisje en wil weg, maar zij noodzaakt hem om te blijven. Ridderlik geeft hij toe, niettegenstaande het gevaar en zegt: »Welaan, dan blijf ik hier," totdat zij nu zelf het gevaar bemerkt en hem tot vertrekken aanspoort... maar dan, zelf niet wetende wat zij wil, vraagt zij hem toch nog éen ogenblik te blijven: »Nooit hadden zij het zo goed als nu." Maar... nu _moet_ hij toch weg: »Ik doe het voor uw eer, het morgenlied van de wachter heeft al weerklonken." En wenend blijft zij alleen achter: »nû lige ich liebes âne--reht als ein senede wip." In de Albas uit Provence--_alba_: morgenrood heet die dichtsoort in Zuid-Frankrijk--komt die wachter langzamerhand meer en meer op de voorgrond, hij wordt in het vertrouwen der geliefden genomen en zo wordt het niet meer zijn geroep als zodanig dat hen waarschuwt, hij wekt die twee met opzet en raadt ze aan te scheiden. In een der schoonsten dier Alba's is het een vriend die in de tuin op wacht staat en die God bidt om hem zijn kameraad ongedeerd terug te geven en hij roept de kamer in: »Beste vriend, slaap niet langer, in het Oosten is de morgenster opgekomen, ik heb die duidelik gezien en nu is het weldra morgen. Beste vriend, met mijn lied wek ik u, ik hoor de vogelen zingen en ik vrees voor de jaloerse echtgenoot, nu is het weldra morgen."--»Waarde, goede vriend--komt ten slotte het antwoord--ik zwelg in een zodanig geluk dat ik wenste dat het nooit dag zou worden, want ik houd de heerlikste van alle vrouwen ter wereld in mijn armen, en ik geef niets om echtgenoot of dageraad." Hier is het nu, zo als men ziet, niet langer de vrouw, maar de man die de nacht van liefde verheerlikt en in zijn geluk alle voorzichtigheid over boord werpt. Het allerverst uitgewerkt vindt men het motief bij Wolfram von Eschenbach in wiens »dageliederen" de wachter zowel als de vriend die in het geheim is, tot hoofdpersoon worden, en zijn waarschuwingen, de hevige passie der geliefden die nog onder de hoge druk van 't geraas toeneemt, haar tranen en zijn ridderlike onverschrokkenheid, vallen samen in een pateties dramaties trio, dat bijna tot een simbool wordt van »de zaligheid van gestolen liefde en al de bitterheid die daar onafscheidelik van is."

Ten slotte vormde de hofpoëzie van het volkslied de Pastorale. Reeds vroeg hebben tweespraken een deel uitgemaakt van volksfeesten en volksdansen. Bij 't Meifeest kwamen zomer en winter op en kregen het met elkaar in schone verzen aan de stok totdat de winter het op moest geven; of twee meisjes stonden in verzen te disputeren over de vraag of een klerk of een ridder de beste geliefde was. Bij de dansen hebben zeker ook samenspraken gehoord tussen de man die het meisje wil omhelzen en het laatste dat zich met schelmse spot terug trekt en hem ontwijkt, misschien ook nog wel een derde--een mededinger die het meisje ook ten dans nodigt--totdat zij zich ten slotte aan een van tweeën overgeeft. Dergelijke disputen en liefdegesprekken op rijm, gaan in verband met landelike feesten helemaal op het volksleven der oudheid terug; zij hebben de literaire weerklank daarvan in de idyllen van Theocritus en Virgilius; reminiscenties aan die schrijvers, die in de middeleeuwen zoveel zijn nagebootst, hebben misschien enkele der dichters van de ridderpoëzie voorgezweefd. Onder de latijnse liederen der vagantes vindt men een andere soort gedichten die op _hun_ wijze aan één zijde der pastorale beantwoorden: het zijn liedjes waarin zulk een rondtrekkend scholier luchtigjes vertelt van een avontuurtje dat hij gehad heeft of waar hij pocht op een »bonne fortune" die hem ten deel gevallen is,--hoe hij de tegenstand van het schuchtere meisje wist te overwinnen, hoe hij het herderinnetje dat hij ergens buiten tegen kwam gevraagd had de ziekte te genezen waar hij aan leed, hoe zij eerst niet durfde voor haar vader, maar toch gauw genoeg bezweek, of hoe hij de dansende herderinnetjes aangeboden had gratis de declinatio en de conjugatio te leren of hoe hij een gesprek over de liefde tussen twee meisjes had afgeluisterd.

De ridderlike pastorale die zich misschien oorspronkelik van Noord-Frankrijk naar Provence verplantte en naar Duitsland, vertoont een vermenging van die twee typen. De inleiding schildert een dichter, een ridder en een stadsbewoner die over de velden lopen of rijden en òf een gesprek tussen de herders en herderinnetjes afluisteren--Robin die Marot om haar liefde vraagt, terwijl zij hem met Gueneviere plaagt, die zij hem gisteren heeft zien kussen,--of boeren feestdansen, kibbelarijen en vechtpartijen, of zij beginnen zelf een gesprek met de landmeisjes en dan krijgen ze die tot hun wil of wel worden ze door de landelike schonen weggezonden. Het is van boven af dat men al die landelikheid te zien krijgt en de versvorm is licht, dansend, spelend; het boerenleven en het herdersleven worden in hun vrolike natuurlikheid geschilderd, onschuldig naief en komiek plomp; het zijn fijne beelden uit het volksleven van Nederlandse schilders, in de Franse lyriek, evenals later in de Duitse van Nidhardt. Pochend en met de nodige bluf vertelt de zanger hoe hij het meisje tot zijn wil gekregen heeft of met goedmoedige zelfbespotting hoe lelik hij van zijn vrijage af is gekomen; in beide gevallen wordt het avontuurtje als een bagatel behandeld; zoo'n veehoedstertje en haar liefde,--dat betekent namelik niet veel!

»Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: »Lief kind," zei ik, »ik vind het treurig dat je het zo koud hebt."--»Heer," antwoordde zij, »Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als de wind eens door mijn kleeren waait." Ik zeide dat ik haar graag gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo alleen het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld..." En zo gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter van een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben, die niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin geven--gaat hij door--zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen wat ze willen zonder gezien te worden. Maar--gelijk Else in de ballade, heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn opdringerigheid: »van een ridder als vader, daar weet zij niets van, soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een slet." Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor. »God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven." Maar zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar haar vader die daar ginds het veld loopt te ploegen en wil daar heen gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: »Heer, ik geef mij aan u over." De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme van de pochende ridders (»gaps") vinden wij ook beiden in de pastorale terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft. Zelf roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan gewillig. Maar dikwels is de herderin ook »trop sage de garder son pucelage" en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op een afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij triomfantelik het gedicht: »lors me montai, si m'en alai,--à deu l'ai commandée:--Dolente et esgarée--la laissai en la prée."

Pastorale, alba, romance, ballade,--al deze verfijnde literaire bewerkingen van het volkslied zijn duidelik gedicht en gezongen geworden door ridderlike dillettanten--dames en heren--als een geliefd soort gezelschapsspel. De naam van de auteurs is niet bekend, altans van de meesten niet, het is de volkspoëzie van de ridderwereld, gelijk onze Deense middeleeuwse balladen dat waren. Een volksliedje als »Maagdedroomen" is in wezen niet verschillend van een romance als de schone Yolande of de schone Erembourc en een schertsende ballade als die van »koning Erik en de spottende Maagd" is na aan de Pastorale verwant.

Maar deze gezelschapsliederen zowel als de vertelkunst die zich bij de ontvangsten op de hoven ontwikkelden, krijgen nu beoefenaars van professie in de schare van dichters en zangers die aan het hof leefden om--en meer of minder ook van--die liederen en berijmde vertellingen te dichten en voor te dragen. Van de dagen van Olim waren er talrijke »jogleors" en »conteors" en »fableors" die van de ene stad naar de andere trokken, en van burcht tot burcht, allerlei kunstjes maakten, een beer lieten dansen, maar tegelijk ook viool speelden of doedelzakken en berijmde vertellingen lieten horen of liedjes,--om daarna geld in te zamelen van het kermispubliek of de gasten van de burchtheer. Maar boven de jongleurs verheft zich in de tijden der kruistochten een aristokratie, die soms uit die klasse voortgekomen of daarin teruggevallen is, maar die zich niet verwaardigt op kermissen op te treden en jongleurskunsten uit te voeren, maar die zich alleen in de adellike kringen beweegt, zich naar die hogere smaak vormt, zich enigsins de manieren van die kringen toeëigent en dikwels daarin opgenomen wordt. Dat zijn de »menestrels", de »troubadours",--»trouvères"; wanneer ze, wat dikwels 't geval is, tot de »vagantes" horen, noemen zij zich dikwels »maîtres". Arme jongere zonen en verarmde baronnen zelf beginnen nu ook mede te doen aan deze wijze van het hof te vermaken, en zo vindt men ze weldra in deze nu zo veelomvattende dichtergroep, naast klerken en zonen van burgers en de lagere klassen. Het zijn musici van beroep, die allerlei kunstige melodiën komponeren en spelen, voor de viool en voor harp; de Britse en Bretonse melodieën (lais) werden over Frankrijk van hof tot hof gekolporteerd. Bij de muziek komt dan ook zang en het zeggen van gedichten. Zo brengen de zangers met de melodieën de Britse vertellingen in 't Frans over en dragen ze de kleine berijmde verhalen voor, de »lais Bretons". »Lais" worden nu langzamerhand ook andere kleine berijmde vertellingen genoemd, welke de trouvères dichtten en voordroegen,--de stof haalden ze òf uit het werkelike leven, òf uit de antieke myten b.v. over Narcissus of Orpheus. Maar eerst en vooral ontwikkelen de hofzangers van beroep in Zuid-Frankrijk een nieuwe kunstige hoflyriek, die weldra ook aan de ridderhoven van Noord-Frankrijk en Duitsland toonaangevend zou worden.

VI.

ZUID-FRANKRIJK.

In Zuid-Frankrijk is het maatschappelike leven der ridders het sterkst ontwikkeld en het uit zich in het lyries individualisme der troubadours.

Het was een zeer eigenaardige wereld, dat stukje van Europa, dat in de 12de en 13de eeuw het vaderland zou worden van de Provençaalse poëzie. In het Zuiden wordt het door de Middellandse Zee bespoeld, in het Westen door de Atlantiese Oceaan, in het Zuidwesten is het door de Pyreneeën begrensd,--behalve dat Catalonië en belendende dalen van het Spaanse schiereiland er bij horen--in het Oosten door de Alpen, ofschoon er toch volop voeling blijft met de daaraan grenzende delen van Italië; eindelik gaat, wat het noordelik Frankrijk betreft, de grenslijn met een vrij grote boog van de Gironde in het Westen, noordelik over Poitou en weer zuidelik naar Lyon in de punt van het meer van Genève,--hoofdzakelik wordt de grens gevormd door de bergvlakte van Auvergne en Limousin. De met pijnbomen begroeide zandvlakte en de moerasstreken van Gascogne bij de Atlantiese Oceaan; de wijnbergen van Garonne; Toulouse en de bergdalen van de uitlopers der Pyreneeën; daarachter de Cevennes bij de Middellandse Zee, Languedoc met zijn rijke, oude Romeinse steden: Narbonne, Beziers, Nîmes; het dorre en stormachtige kustlandschap van Provence met Arles, Aix en Marseille; de alpenstreken van Dauphiné en Savoye, Poitou bij de Loire en Catalonië aan de overzijde der Pyreneeën... al deze streken maakten op verre na geen geografiese of politieke eenheid uit, maar toch bestond er een innig, levendig verband tussen, en vormen ze tegenover de daar buiten liggende provincies één geheel,--en wel ten gevolge van een gemeenschap in hun ethnologie, hun historie, hun taal en hun kultuur.

Hoe weinig men ook weet van de verschillende rassen, Liguriërs, Iberiërs en Kelten, en de verhouding waarin die, de oudsten van Zuid-Frankrijk, tot elkaar stonden, zeker is in elk geval dat die donkere kleine mannen geheel en al verschild hebben van de sterk met Germaanse elementen doortrokken Galliërs uit Midden- en Noord-Frankrijk. Of het nu het klimaat is, de levenswijze of wat er ook de oorzaak van is,--het is geen verbeelding dat het Zuid-Frankrijk van een Mirabeau, een Thiers of een Gambetta, dat van een Montaigne of Montesquieu, dat van een Berlioz en een Gautier en Daudet,--dat in het algemeen het Zuid-Frankrijk van de advokaten en politici, der journalisten en raisonneurs, der kolonisten en impressionisten een heel ander land is dan dat van Corneille en Molière, van Voltaire en Rousseau, van Taine en Renan. Het was als bloeiende rhetoren en scherpzinnige dialectici, dat de Zuid-Fransen uitblonken zodra zij weer in de Romeinse kultuur werden opgenomen; tot op het huidige ogenblik toe is het die steeds weer opborrelende levendigheid en een soort lyriek die zich voor een ieder openbaren, die de landgenoten van Numa Roumestan en Tartarin kenmerkten.

De Romanisering van Zuid-Gallië--de streek met Narbonne in het Zuid-oosten en het Aquitanië van Caesar in het Zuid-westen--greep niet alleen éerder plaats dan die van het overige Gallië, maar geschiedde ook grondiger; reeds van de tijd af dat Marseille door Griekse kolonisten gesticht was, had Zuid-Frankrijk behoord tot de wereld der landen om de Middellandse zee. In de grote steden uit de Romeinse tijd staan nog poorten en aquadukten, termen en grafmonumenten, tempels en amfiteaters, als herinneringen aan het rijke Romeinse leven. Bij het einde van die periode waren deze steden om zo te zeggen het meest beschaafde deel van het Romeinse rijk en zij waren de laatste haardsteden waar de vonken van het uitdovende geestelik leven der Oudheid nog brandend gehouden werden. De biblioteek van Arles, de scholen van Toulouse, Bordeaux en Vienne bewaarden nog lang hun roem en in Marseille waren er nog steeds Griekse overleveringen.

In veel mindere mate dan de naburige landen zou Zuid-Frankrijk ook de gevolgen van de Volksverhuizing ondergaan: omwentelingen en vermenging van rassen. De Bourgondiërs die uit het Oosten kwamen, weinig talrijk en half beschaafd als zij waren, voegden zich vrij gemakkelik in de bestaande civilisatie, ook de West-Goten, die zich tussen de Garonne en de Pyrenaeën vastzetten en het grootste deel van Spanje veroverd hadden, smolten vrij wel met de Romaanse bevolking samen. De veelvuldige invallen der Arabieren van uit het Zuiden brachten veel nieuwe kultuur-ideeën met zich mede, maar leidden niet tot een blijvend in-bezit-nemen. En met het Frankiese Noord-Gallië hield alle nadere verbinding op, vooral sedert de tijd van Karel de Grote. Zeer spoedig werd het verschil tussen de taal van Langue d'oc en Langue d'oil heel sterk en ofschoon de Franse koningen nominaal Heren waren over het Zuid-Frankrijk ten Westen van de Rhône, evenals de Duitse keizer van Bourgondië en het eigelike Provence, vertoonden de Zuid-Franse vorsten zich toch alleen maar zo nu en dan eens even aan het koninklik hof te Parijs. Feitelijk leefde »Le Midi" een volkomen onafhankelik leven en hoorde nog steeds, evenals in de oudheid, ekonomies en kultureel bij Italië en de streken aan de Middellandse zee.

De Middeleeuwen kregen dan ook nog minder vat op Zuid-Frankrijk dan zelfs op Italië. De twee grote beschavingsfaktoren: het Kristendom en het leenstelsel hadden daar ginds veel minder revolutionaire invloed dan meer in het Noorden, en de Romeinse kultuur van vroeger tijden bleef schrap staan tegen de nieuwe levensvormen en hield vol energie stand.

En hier moest het Kristendom menig kompromis aangaan met de oude Romeinse kultuur. In de 4de en 5de eeuw nog vond men in het offisieel gekerstende Gallië een aristocratie van hogere ambtenaren en grondbezitters die volkomen onverschillig bleven bij de kerkelike en politieke strijd van den dag en een leventje leidden van één en al genot, als in de beste dagen der oudheid. De laatste Gallo-romeinse schrijvers als Ausonius en Eutropius hoorden tot die kring. Op villa's, in de buurt van Bordeaux of ginds in Auvergne, verdreef men de tijd met jacht en visserij, maar men studeerde en kommenteerde ook zijn klassieken in welvoorziene biblioteken, deed, al was het dan ook als amateur, aan de archeologie, bracht komedies van Terentius, of in zijn genre, op privaatteaters ten tonele of voerde literaire gesprekken of een literaire briefwisseling. Niet weinigen van de bisschoppen der Kerk hoorden zo goed als geheel tot deze kringen. Sidonius Apollinaris stierf als bisschop te Clermont, maar zijn gedichten die hem een standbeeld verschaften op het Forum Trajanum, en zijn briefwisseling verplaatsen ons geheel in de Romeinse dekadenten-aristocratie. Zo schildert hij ons b.v. het leven van een adellike vriend op zijn kasteel bij de Garonne. Dat is al een burcht met muren en torens en het ligt op een heuvel--de tijden staan in het teken van de oorlog--maar met zijn zuilengangen, zijn termen, zijn muurschilderingen is het van binnen nog een heel Romeins patriciërshuis. Bij een andere vriend, te Nîmes, vertelt hij van een biblioteek in drie afdelingen; een heidense, alleen ten gebruike van mannen, een kristelike afdeling voor de vrouwen, en een gemengde afdeling voor de twee geslachten; teologiese discussies worden daar in huis gevoerd, zowel als heidense literaire gesprekken. Of wel heeft hij het over een concilie waar hij aan deelgenomen heeft; tussen de vergaderingen in gaat hij met enige andere hoge prelaten--hoofdzakelik jonge mannen--de stad uit en daar, bij een antiek grafmonument in de schaduw van de bomen, amuseert het bisschoppelik gezelschap zich afwisselend met het kegelspel en met het dichten elk om de beurt van Latijnse impromptu-verzen. Omstreeks het jaar 600 vertoonde een andere bisschop, Venantius Fortunatus, een nog vreemder legéring van officieel Kristendom en traditioneel Heidendom. Hij schrijft n.l. Heiligenlegenden en Kristelike lofzangen, maar daarnaast ook bruiloftsverzen voor een Frankies koningspaar met de hele mythologie van Amor en Venus er in, en verder kleine billets-doux aan een zekere zuster Agnes of zuster Radegunde in een naburig klooster met sierlijk-galante dankbetuigingen voor bloemen of potten melk die de nonnen hem gestuurd hebben. Zo zijn er dus onder de Franse klerezij genoeg overleveringen voor die soort van aesteties heidendom bij de geestelikheid die, zoals wij gezien hebben, de opkomst der scholen in de 11de eeuw met zoveel liefde bevorderde; het is ook in de grensstreken tussen Zuid- en Noord-Frankrijk, in de buurt van Tours, Poitou en Anjou dat die belletristiese prelaten meer bizonder thuishoorden.

Trouwens, nergens breken de draden die naar de antieke kultuur terug voeren. Toen ongeveer het jaar 1000 enige Provençalen in het gevolg van een prinses naar Parijs kwamen, ergerden de mensen in Noord-Frankrijk zich over die kort geknipte, glad geschoren Zuidelingen, met hun fraaie kleeren, en hun ijdel, lichtvaardig optreden. In klederdracht zowel als in manieren stak er zeker nog heel wat van die der Romeinen uit de latere Keizertijd. Heel lang nog waren er te Arles de circusspelen of dierengevechten in zwang en zelfs in de zang-dansen der boeren kon men de voorstellingen van Amor en Venus nog terug vinden. Zeer waarschijnlik zijn er hier evenals in Italië, privaatscholen geweest naast die van de Kerk en heeft er onder de voornamen een zekere wereldlike klassieke kultuur bestaan naast die van de geestelikheid. De gemakkelike verbinding met Italië, met het humanistiese pauselike hof en de humanistiese hogeschool te Salerno, heeft zeker op verschillende wijzen sporen achtergelaten. Zo begint men b.v. in de 11de eeuw te Arles de kerk van de H. Trophime met standbeelden te versieren, waar men de antieken klaarblijkelik tracht na te bootsen en tegelijkertijd worden er te Avignon en in andere steden van Provence, kerken gebouwd, die in de portieken en gevels op de pilaren en de kapitélen allerlei détails van de antieke gebouwen nabootsen, die men rondom in die steden vinden kon.