De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 4
Een zekere mate van schertsende lichtvaardigheid en sentimentele liefde-uitingen ontwikkelden zich natuurlik dikwels bij de vrije omgang der twee geslachten onder de mantel der religie. Het is algemeen bekend hoe het Abélard en Heloïse ging. Abélard was de leraar en vogue bij de Kathedraalschool van de Notre Dame te Parijs, van hoge geboorte, schoon en elegant, met een innemende stem, literair ontwikkeld en muzikaal. Plato en Boethius, Virgilius en Lucanus lagen even vaak op zijn lippen als de woorden van de Schrift en zijn minnezangen vlogen op lichte populaire melodieën over het gehele »quartier Latin" te Parijs. Die waren op Heloïse gemaakt die bij haar oom woonde, een kanunnik bij wie meester Abélard in de kost gekomen was, o.a. op voorwaarde dat hij diens nichtje dageliks zou onderwijzen. Hun verstandhouding leidde tot de treurige resultaten die men kent, maar van uit hun respektieve kloosters bleven zij regelmatig met elkaar korresponderen;--brieven in een pedant Latijn geschreven, half moraliserend, half retories-hartstochtelik, met citaten uit Seneca en Paulus, Salomon en de »ars amandi" door elkaar, en met aangrijpende hartekreten te midden van opgeschroefde onnatuur... Ook uit Beieren kent men uit de 11de en 12de eeuw Latijnse brieven tussen geesteliken en nonnen of geleerde vrouwen gewisseld, met sierlijke hofmakerijen en zoetsappige sentimentaliteit, in geestelike bloementaal geschreven en met citaten uit Ovidius, maar die langzamerhand van geestelike vriendschap eens biechtvaders overglijden in de plompe eis van de man dat de vrouw »haar vertrouwen in daden zal tonen",--waar de vrouw met duidelike woorden voor bedankt.
Dat hele zalvend zoete sentimentaliseren tussen mannen en vrouwen, dat zo in de briefwisseling der geesteliken met vrouwen te voorschijn komt--veel dergelijks vonden wij ook in de brieven van Bernhard van Clairvaux aan zijn hoge kliënten--is niet zonder invloed, gelijk wij zien zullen, in ridderkringen en dat is ook het geval met de manieren en de spraak van de man van de wereld, waar men zich in die literaire conventikels op toelegde.
In een lagere sfeer--de wereld der arme »rondtrekkende scholieren"--had de klassieke opvoeding een nog profanerender uitwerking. In kroegen en herbergen deden deze rondzwervende, halfgeleerde _Bohémiens_ hun latijnse liederen horen, ter ere van Venus en Bacchus en ten spot van de officieele kerk en de welgedane geestelikheid. Daar krijgt men verheerliking van wijn en spel, gesprekken tussen die scholieren en hun liefjes,--ondeugende minneliedjes, maar ook gezangen waarin liefde tot het voorjaar en liefdedweperijen een heel schoon geheel vormen. De goden der antieken worden aangeroepen: Paris en Helena en Aeneas en Dido zijn de voorbeelden aller liefhebbende harten en reminiscenties aan Horatius, Ovidius en Virgilius zijn overal in de liederen dezer _vagantes_ te horen. Niettegenstaande de geestelike tucht van het Kristendom, waaraan ze in hun school onderworpen waren geweest, waagden deze klerken het, zich over het voorjaar te verheugen en de schoonheid der vrouw te prijzen, de lusten der zinnen te bezingen en de verschrikkelikheden van de kerk, en die met alle satyren der antieken te kastijden, gelijk niet lang daarna de troubadours het in de volkstaal zouden doen.
* * * * *
Als erfgenaam van de antieke kultuur gold in de middeleeuwen het Oost-Romeinse rijk. Terwijl de klassieken in West-Europa slechts zo nu en dan eens bestudeerd werden, 't zij dan zonder medeweten van de kerk of wel door haar beschermd, zaten de overleveringen der oudheid daar ginds in Byzantium nog steeds officieel op de troon. Daar heersten nog de opvolgers van de Romeinse imperatoren die zich nog Caesar noemden en Augustus,--de taal van Aristoteles en ook van Cicero leefde nog op de lippen der beschaafden, de gehele Staatsmachinerie was die van het Romeinse keizerrijk en wat de klederdracht betreft, zowel als in alle gewoonten en vormen des levens waren de klassieke tradities merkbaar. De keizerlike biblioteek stelde al de schatten der oude literatuur ter beschikking van een talrijke staf van professoren die op de kateders der Universiteit filosofie doceerden en filologie en de rechtsgeleerdheid en de werken der oudheid werden afgeschreven, uitgegeven, bestudeerd en bekommentarieerd; in enorme verzamelwerken zowel als in praktiese compendia werd de quintessens van de gedachtenwereld der antieken neergelegd en onverflauwd trachtten de strijders in rhetorica, geschiedschrijving en dichtkunst, op de glorierijke banen der Griekse en Latijnse literatuur voort te schrijden. Onafhankelik van de geestelikheid vond men daar--in tegenstelling met West-Europa--voortdurend een zeer uitgebreide laag van zuivere wereldlike beschaving, waartoe het gros van de ambtenaarswereld hoorde en het hof; vele prinsen en prinsessen van het keizerlike huis waren werkzaam op het gebied van de literatuur.
Met eerbied zagen de jonge halfbarbaarse volkeren van Europa naar dat oude keizerrijk in het Oosten op. Er waren altijd door talrijke verbindingen, en de macht en het aanzien van Byzantium waren over heel Europa groot. Over Zuid-Italië en de Noord-Italiaanse steden ging er een voortdurende stroom van handelswaren van de Bosporus naar West-Europa; over en weer zond men gezantschappen, Griekse prinsessen trouwden in de West-Europese vorstenhuizen en uit West- en Noord-Europa trok menigeen daar als koopman heen of om in de keizerlike lijfgarde dienst te nemen; velen werden ook als slaven naar 't Oosten verkocht. Het waren machtige, bonte indrukken van een alles overtreffende beschaving, die de westerlingen op die wijze ontving. Veel van de Byzantijnse bouwkunst en dekoratie ging op de Romaanse kerken over en de Byzantijnse mozaïek, de geweven tapijten, het Byzantijnse email en ivoor, verblindden niet alleen door het kostbare materiaal of de schitterende kleuren, maar werden ook gevoeld als de openbaring van een fijnere, hogere kultuur van schoonheid. Men denke b.v. aan al die kleine ivoren beeldjes die van de werkplaatsen in Konstantinopel over Europa verspreid werden: deksels en banden voor de evangelies, kleine wassen schrijf-tafels, kistjes voor juweelen of toilet-benoodigheden, allemaal uitgesneden met figuren in ornamentale omlijsting. Er was een stijlgevoel in die kleine kunstwerken, een fijnheid en een scherpte van lijn en omtrek, een eenvoudige rytmiek in die eenheid van lijnen, die direkt van de oudheid stamde en die de blik dier barbaren met een gevoel van godsvrucht gevuld moet hebben. Daar stond de aartsengel Gabriël met zijn kruis-staf en met zijn lange vleugels recht naar beneden, of de maagd Maria in haar vrouwenkleed gehuld, met voorover gebogen hoofd en de hand als tot een klacht opgeheven,--slanke tengere figuren in stijf-ceremonieele maar toch gracieus elegante houding, de gehele lichaamshouding als gedragen door een stille innerlike muziek en met een hoogheid en een fijnheid over zich, als hoorden zij tot een oud vorstengeslacht en als hadden zij zich aldoor in die verstijfde vormen van het hofleven bewogen. Die dunne zijden kleeren met het fijne spel der plooien en de geborduurde randen vergrootten nog de indruk van voornaamheid. Ogen, die gewoon waren een gespierde baronnenfiguur of een gezette adellike jonkvrouw als typen van alle schoonheid te beschouwen, gingen hier nu voor een fijner, geesteliker lichaamsideaal open en voor een manier om zich voor te doen en het uiterlik van uit zijn innerlik te beheersen, waar ze te voren geen idee van gehad hadden.
Pelgrims en handelslieden die uit Byzantium kwamen, hadden nog veel meer te vertellen over de schoonheid van het leven en de elegance die er in de huizen der rijken aan de Bosporus gevonden werden. Binnenplaatsen met fonteinen, muren van marmer en mozaïek-vloeren, meubelen van ebbenhout en ivoor, zijden kleden en Oosterse tapijten, tafelserviezen en kostbare metalen. Dan die fraaie kleederdrachten en de fijne manieren. Naast de dikbuikige, onbeholpen Franken, schijnen de gracieuse Grieken in hun nauwsluitende lichte zijden gewaden vlug en behendig als gymnasten, zoals een Franse kroniekschrijver zich uitdrukt. Met bewondering kijken de Franken naar de beleefde en ceremoniele manieren van hun gastheren, met enig wantrouwen horen zij hun vleiende beleefdheidsformules aan; »indien de elegantie van houding en beweging, de vriendelikheid van de blik en de lieve woorden," zegt die zelfde kroniekschrijver, »altijd onthulde wat het harte dacht, dan zou men aan de hartelikste gevoelens dier Grieken niet kunnen twijfelen." Vergeefs proberen de Franse gezanten gelijk de Weringen, de Scandinaven in dienst van de Griekse keizer, zich onverschillig voor al die pracht en praal voor te doen, die er aan het keizerlike hof ten toon gesteld werd om hen te verblinden,--hele theatrale opvoeringen die de ceremoniemeesters bij de audiënties der keizers arrangeerden om de Barbaren te imponeren. De beschrijvingen van West-Europeërs van de tuinen en het hippodroom, van de troonzaal, de optochten die ze daar te zien kregen, tonen duidelik aan hoe zeer ze daarvan onder de indruk waren, de Griekse historici beweerden dat de Barbaren als die aan het hof kwamen, meenden dat ze in het Paradijs waren. En vervolgens die ganse ingewikkelde hofstoet, de Rangorde! Titels, privileges die de oorzaak waren van eeuwige afgunst en voortdurende intriges. De hoofd-kamerheer met zijn staf van kamerheren, de meester van de garderobe, de protostator die de strijder op zijn paard helpt, de Proto à secretis of de eerste secretaris, de silentiarii--zij die 't stilzwijgen opleggen--de referendarii die smeekschriften in ontvangst nemen,--tot aan de Sebastokrator en de Pan-hypersebastos. Elke rangklasse met zijn titulatuur: Nobilissimi, spectabiles, clarissimi; elk met zijn uitsluitende rechten; zij die op groene laarzen mogen lopen, (de keizer alleen mag rode laarzen dragen), zij die met groene inkt mogen schrijven, (de keizer alleen en zijn voogden mogen met rode inkt schrijven). Voor de Franse baronnen die uit hun gewone patriarchale burcht-leven kwamen, was dat de openbaring ener verfijning en aristocratisering van het maatschappelik leven die zij wel moesten trachten na te bootsen.
* * * * *
Nog op een derde wijze kwamen de baronnen in aanraking met een vreemde kultuur, waar tegenover zij zich niet anders dan als arme duivels en naïeve barbaren konden voelen. Ginds in de steden van Spanje kwamen de bewoners van Zuid-Frankrijk geregeld in vrede en vriendschap met de Arabieren samen, te Palermo woonden de Franse Noormannen om zo te zeggen vlak naast hen en koning Roger had vele Muzelmannen aan zijn hof en in 't verre Syrië profiteerden pelgrims of handelslieden dikwels van de gastvrijheid der ongelovigen. En zelfs bij een vluchtig bezoek moet die vreemdsoortige schoonheid en rijkdom, de fijne omgangsvormen en de atmosfeer van Oosterse genotzucht en een rijk Arabies milieu, op een Fransman van de 11de eeuw als een sprookje en een droom gewerkt hebben.
Over een met marmer geplaveide binnenplaats waar de waterstralen uit leeuwen-bekken in marmeren vazen plassen, wordt hij--te Sevilla, Palermo of Damascus--in vertrekken binnengeleid met muren van wit pleisterwerk en met zolderingen van verguld mozaïek. Op de grond golven dikke tapijten, voor de deur en de ramen hangen zware zijden gordijnen met opgenaaide gouden arabesken; op consoles staan overal lakwerk en Chinese vazen; aan de zoldering hangen lampen. Langs de muren staan divans en ligbanken, in wierookvaten brandt aloe en sandelhout. Naar binnen komen die vertrekken uit op een zuilengang om een tuin met zeldzame planten en vruchten. Onze Frank weet niet of hij wel op de tapijten durft treden en zich op de divan zetten... hij voelt zich als dronken door de geur en verblind door het goud en de kleuren.
Hier wordt hij door zijn gastheer ontvangen. Die is in een lange, safraangele zijden kaftan gekleed met een violetten sjerp, en op het hoofd een tulband met een witte sluier er over heen, een teken dat hij tot de stand der geleerden hoort. Vol welriekende olieën zit hij sorbet te slurpen door een lang strootje, terwijl hij schaak speelt met zijn lievelingsslaaf. Maar nu staat hij dadelik op en gaat zijn gast te gemoet--hoe ver, dat is nauwkeurig bepaald in overeenstemming met diens stand--heet hem in Allah's naam welkom en wijst hem de ereplaats aan in het hoekje van de divan terwijl de slaaf op een wenk van de meester de gast sorbet brengt. Met een »God schenke U een lang leven" begint de gastheer zich met hem te onderhouden: in bloemrijke woorden en beeldspraak prijst hij de dapperheid der Franse ridders en hult zijn komplimenten in sierlike woord-boeketten, met lichte gratie leidt hij het gesprek op allerlei onderwerpen, en het wordt voortdurend met woordspelingen en treffende uitdrukkingen gekruid. Wat voelt onze Frank zich plomp en onhandig bij al die ceremoniële beminnelikheid en al die schitterende, bloeiende konversatie-kunst!
Nu wordt er een gedekte tafel binnengebracht met eten en drinken. Eerst wast men zijn handen, de handen worden geparfumeerd door ze over een wierookvat te houden en voor men begint te eten zegt de gastheer: »In Allah's naam!" Ook de gerechten en het servies wekken de bewondering van de Kristen op. De dadelwijn wordt in een bokaal van onyx geschonken en de kippenpastei opgediend op Chinees porcelein. En nieuw is het ook voor hem dat de gastheer na de maaltijd hem een »Wel moge 't u bekomen" toeroept.
Zulke indrukken werden dieper en kompleter wanneer men gedurig met hen omging b.v. in Andalusië. Wel lag er dikwijls een grote mate van berekening aan ten grondslag en werd er heel wat Oosterse wreedheid onder dat alles verborgen, maar de façade, wat de vreemdeling zag, was schitterend en nam ieder voor zich in. Reeds in de oorlog verblindden de Saracenen hun tegenstanders door hun elegante vormen en houding; in prachtige wapenrustingen op volbloed paarden en waar de gelegenheid het medebracht, met een ridderlikheid tegenover de vijand die iets van kokette galanterie over zich kon krijgen,--b.v. wanneer zij in de slag met de vijandelikheden ophielden, bij de val van de kristelike bevelhebber, of wanneer zij bij een overwinning alle oude mannen spaarden en alle vrouwen en kinderen. Bij de dagelikse omgang in vredestijd konden duizende kleine trekjes van grote delikatesse en fijngevoeligheid de Franken de hoger ontwikkelde kultuur der Saracenen tonen: de hoffelikheid b.v. waarmede hij een geschenk aannam, zelfs als hij er niet op gesteld was, de delikatesse waarmede hij die beleefdheid wist te vergelden of de schuchterheid waarmede hij zich ontzien zou de dienstwilligheid van een vriend te misbruiken. Dat waren allen raffinementen waar de Franse baronnen nog niet zeer bekend mee waren. Aan alle kleine vorstelike hoven zagen ze bovendien schitterende ridderspelen en de atmosfeer van het hof was vol van feesten, muziek en gezang. Het volk dat zo zeer op muziek gesteld was, bezat instrumenten die heel wat hoger stonden dan in Europa en hun melodieuse taal werd door hoog en laag tot verzen gesmeed en ontwikkeld. Allen schreven verzen, de boer achter de ploeg, de vrouwen in de Harem, op muren en om zuilen maakten versregels het hoofdsieraad uit. Van hof tot hof trokken de zangers rond en zongen hun gedichten op muziek. Het waren hyperboliese lofzangen over de vorsten: »Uw grootmoedigheid, o Heer, beschaamt der wolken vochtigheid... Uwe paarden, Heer! vliegen vlugger dan de bliksemschicht en de sterre vermoeit zich in haar pogingen om die bij te houden!" Of het waren gedichten van lof en hulde voor de vrouwen--de gesluierde Andalusiese schonen, van wier heerlikheid men slechts in de Moskee of achter een betralied raam een idee krijgen kon, en wier afgezonderd leven en wier verhoogde vrouwelikheid een eigenaardige romantiese kleur aan de liefde bijzette. »Afgunstig wordt de wijn rood bij de blos op uwe lippen, de volle maan verbergt zich wanneer uw aangezicht zich vertoont, uw haar is gelijk donker myrthenloof, uw oog is smachtend als van de narcis, de gang van de gazelle is niet zo licht als de uwe. Ik ben dronken, niet van wijn, maar van verlangen en ontberen; met een tranenvolle blik roep ik uw naam aan, gelijk een monnik zijn heiligenbeeld!"--aldus klonken de liederen der Andalusiese troubadours, door de mandoline begeleid.
Bij een Arabies kroniekschrijver kan men een merkwaardige schets van een graaf uit Zuid-Frankrijk vinden, die zich in de woning van de Saraceense gouverneur had ingericht toen de stad door de Spanjaarden op de Muzelmannen veroverd was geworden. Die had de kleederdrachten van de vorige eigenaars aan, en diens harem overgenomen en leefde nu geheel op zijn Oosters. Een Joodse koopman die hem kwam bezoeken, vertelt hoe de graaf op zijn divan liggende en het Arabies vreselik radbrakende, een der jonge vrouwen riep en haar beval voor hem bij de luit te zingen; terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, stemde zij haar instrument en zong zij haar liederen, die noch de gast noch de gastheer verstond, terwijl toch de laatste al drinkend met groot animo applaudiseerde.
De begeerte naar de schatkamers der Saracenen en de tuinen van Armida hebben er het hunne toe bijgedragen om de baronnen aan de kruistochten te doen deelnemen, zo wel als al de fantastiese verhalen over de heerlikheden van Byzantium en het verlangen naar de landen der ouden om de Middellandse Zee. En de kruistochten openden pas de vreemde kultuurwerelden voorgoed,--zetten de deuren van West-Europa pas wagenwijd open voor 't Oosten en Arabië, Byzantium en de Griekse kultuur, en langs die weg ook voor buitengewoon veel van de klassieke kultuur. De invloed van deze vreemde beschavingen is, tegelijk met eigen innerlike ontwikkeling van het Ridderwezen en de kristelike sentimentele stromingen der 11de en 12de eeuw, wat het ontstaan der Ridderromantiek verklaart en mogelik maakt.
IV.
HOFKULTUUR.
Het leven der edelen concentreert zich, zoals wij zagen, in de 12de en 13de eeuw op de kastelen der rijke graven en hertogen; de kleinere adel, in elk geval de zoons, komen van de verspreid liggende sloten der baronnen meer en meer naar de residenties der Leenheren. Hier ontwikkelt zich een sosiaal samenleven en een daaraan beantwoordende kultuur.
Het zijn eerst en vooral nog maar vestingen, deze vorstelike kastelen--Narbonnes van de graven van Toulouse, de burchten van de hertogen van Champagne in Provence, die van de graven van Guines in Ardres of de Wartburg van de landgraven van Thuringen, het slot der Wellen te Dankwarderode--akelig somber zijn ze om aan te zien en moeilik toegankelik, en ook van binnen beantwoorden zij met hun kleine binnenplaatsen en nauwe wenteltrappen en vele kleine vertrekken slechts weinig aan de moderne opvatting van wat zulk een slot moet zijn. En toch--vergeleken met de kleine kastelen der baronnen--is er alles heel wat groter, en vindt men er meer rijkdom en groter veiligheid en reeds hebben allerlei vreemde kultuurinvloeden een zekere luxe--soms er nog zeer bovenop--verspreid over de nog altijd vrij primitieve toestanden.
Er is meer plaats binnen de wallen, en de veiligheid is ook groter omdat de vestingwerken, vroeger dikwels van hout, nu altijd van steen zijn en nu meer als zelfstandige uitbouwen met soliede verdedigingswerken gemaakt zijn, gelijk ze dat op de eerste kruistocht bij de Arabiese vestingen, om Jeruzalem en Antiochië, gezien hadden. En zo krijgt men nu een gelegenheid om rondom de eigelike burcht tuinen aan te leggen--met rozen en lelies, rozemarijn en heliotroop, met genezende kruiden voor de huisapotheek en met alle soorten van vruchtbomen, zelfs met een paviljoen waar de Landheer zich 's zomers ophoudt. Van de geheel vrij in 't midden staande, bijna onneembare toren (donjon, bergfried), waar men hoogst bekrompen woonde, is de woning nu gebracht naar een zelfstandig langwerpig stenen gebouw, dat de van de Romeinse Keizertijd stammende naam van »paleis" draagt. Vrije stenen trappen voeren naar de belétage op en langs de façade daarvan, een open korridor, een »loggia" of »laube", op de open trap zowel als op die loggia houdt men zich dikwels bij goed weer op. De grote zaal zowel als de kleine kamers hebben nu ook veel meer vensters zodat er ook beter licht en lucht in komt,--door het naar buiten schuiven van de vestingwerken is nu ook het gevaar voor het vijandelik geschut geweken,--al meer en meer bouwt men de vensters nu in Romaanse stijl, rhytmies gegroepeerd,--twee of drie te samen bij elkaar gehouden en omgeven door arkaden en boogfriezen. Bij wijze van bizondere luxe ziet men in navolging van de kerkbouw, hier en daar glazen ruiten.
Gezelliger en gemakkeliker voor een verblijf zijn ook de verschillende vertrekken geworden. De haardsteden zijn nu niet meer geheel open maar van een schoorsteen voorzien. Naast de ouderwetse vaste muurbanken in de ridderzaal, duiken er langzamerhand andere meubels op: veldstoelen en taboeretten, kleine kleedjes en kussens die op de grond liggen om op te zitten; ook vindt men een soort ligbank met matrassen er in, die 's nachts als bed gebruikt wordt, maar waarop overdag de gast uitgenodigd wordt naast de gastheer of gastvrouw plaats te nemen. Veel van deze gemakken komen zeker uit het Oosten; een woord als »matras" is Arabies van oorsprong, een »tapijt" stamt uit Byzantium. De verlichting is ook al heel wat meer ontwikkeld dan in de tijd van de pikfakkels of een enkel licht hier en daar; ook alweer onder invloed van de Kerk ziet men overal kandelaars die aan de muur vastgemaakt zijn en kronen aan de zoldering. In de vertrekken, altans in de grote zaal, vindt men nu allerlei ornamenten, en schone kleuren. In plaats van een open dakstoel krijgt men beschoten zolderingen of zelfs gewelven als in de Romaanse kerken. De gepleisterde muren en zolderingen worden met levendige kleuren versierd: een blauwe grond met gouden sterren of overal bloemen en gestileerde takken en vogels--meestal geel en roodbruin op witte grond--of afbeeldingen van bijbelse of historiese tafrelen of uit een roman; op deze wijze waren ook vroeger de paleizen van een Theoderik of Karel de Grote met historiese muurschilderingen naar de overlevering der antieken versierd geweest. Veel nieuwe kleurstoffen worden nu uit het Oosten bekend (indigo-blauw, damast-rood en safraan-geel) nieuwe kleurnamen worden uit het Arabies ontleend (karmozijn, oranje, azuur); zelfs de ornamenten hebben hun naam en dikwels de motieven van de moskeeën en de huizen der Arabieren (arabesken). Bij feestelike gelegenheden worden de muren nog bizonder, spesiaal met geborduurd linnen bedekt--soms een hele beeldenreeks als bij het enorme tapijt van Bayeux, waar de gehele slag bij Hastings in geborduurd is,--of met tapijten die eerst uit Syrië en Perzië kwamen--waar dan fantasties gestileerde Oosterse planten en dieren in geweven waren--en die later in Vlaanderen gemaakt werden. Ook de vloer werd in stenen vakken ingedeeld als de ruiten van een schaakbord of met ornamenten; bij feesten werden daar levende bloemen over gestrooid.