De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 38
Ook uit menig andere conventie der ridderromantiek ziet men zich langzamerhand een fijnere en gezonder liefdemoraal ontwikkelen. B.v. uit de argumenten tegen die echtgenoten welke zonder het minste vertrouwen op hun vrouw, dadelik in alle laster tegen hen en hun eer geloven--gelijk in de »Roman de la Violette"--uit de oppositie tegen de dames die de ridder tot speelbal van hun luimen maken en hen die ze liefhebben door hun grillen plagen; of wel wendt dan de ridder zich ten slotte van haar af, als hij genoeg heeft van haar koketterie, of wel betaalt hij haar in gelijke munt door haar liefde op een dergelike proef te stellen, als die waarmede zij hem in haar koketterie geplaagd heeft. Allerliefst bestaat beider liefde de proef in een klein verhaal: »De drie ridders en de mantel." De dame heeft haar drie aanbidders gezegd dat zij hèm voor zou trekken, die bij een toernooi haar mantel wil aantrekken in plaats van een wapenrusting. Slechts bij één der drie is de liefde daar sterk genoeg voor en hij komt zegevierend terug, maar met zware wonden. Maar nu verlangt hij van haar dat zij op een feest die bloedige mantel over haar feestdracht dragen zal. En haar liefde is even sterk als de zijne, zij offert haar ijdelheid op evenals hij zijn leven op het spel gezet had.
Of men lette op hoe vaak morele fijngevoeligheid en hooggespannen idealisme de ridderroman op zijn best in het oude feeën-motief leggen kan, dat wij al zo dikwels hebben zien behandelen: de ridder die verraadt dat hij in het geheim de gunst van de fee genoten heeft. In de »Parthenopaeus van Blois" is de fee tot een prinses van Konstantinopel geworden, die de toverkunst machtig geworden is, haar minnaar is de jonge ridder van Blois. Wanneer hij er zich toe laat verleiden haar gebod van geheimhouding te overtreden, verbant zij hem uit haar ogen, niettegenstaande al zijn berouw en de smeekbeden van haar zuster; haar verwond hart, haar teleurgesteld vertrouwen vloeien over van smart en boosheid. »Zuster," zegt zij, »gij kent de liefde slecht, de liefde met haar vreugde en smart; één enkele smart die een vriend ons berokkent, doet meer kwaad dan vijf die een vijand ons veroorzaakt." Maar even diep is dan ook haar berouw en haar zelfverwijt, als het blijkt dat zij hem tot vertwijfeling gebracht heeft. »Wie zijn vriend hoogmoedig afwijst, wanneer hij onder tranen om genade bidt," zegt zij, »moet niet éénmaal sterven, maar langzaam de uitterende dood voelen naderen." Eerst wanneer beiden door hun beproevingen gelouterd zijn, worden zij voor goed vereenigd.
Dit feeën-motief wordt geheel in de werkelikheid opgenomen in de kleine vertelling van »La Châtelaine de Vergy",--misschien de fijnste bloem der ridderpoëzie. Misschien ligt er iets dat werkelik aan het Bourgondiese hof gebeurd is aan ten grondslag. Aan het hof van een Hertog leeft een jong ridder, de lieveling van de vorst en de vreugde van het hof. Ook de hertogin werpt haar ogen op hem; lang tracht zij hem zeer diskreet haar gunst te tonen, en in fijne, passende bewoordingen geeft zij hem haar gevoelens te kennen, maar hij doet haar in alle hoffelikheid begrijpen dat hij er niet over kan denken het vertrouwen van zijn meester te beschamen. En nu gaat de hertogin diep gekrenkt naar haar echtgenoot om de knaap te belasteren en te zeggen dat hij haar met oneerbare bedoelingen heeft trachten te naderen. De hertog kan zijn oren nauweliks geloven en hij laat de ridder nu alleen bij zich komen om hem aan een verhoor te onderwerpen; het is duidelik dat de jongen verliefd is, maar hij zweert dat hij onschuldig is en de hertog wil hem heel graag geloven, maar op wie kan het dan zijn dat hij verliefd is? Slechts als hij hem dat wil zeggen, kan hij zijn wantrouwen doen verdwijnen. En zo lang dringt hij aan en zo ongelukkig voelt de knaap zich dat hij in een vals licht voor zijn meester zou staan, dat hij ten slotte met het geheim voor den dag komt: het is de nicht van de hertog, de Burchtgravinne van Vergy en hij die elkaar al lang in het geheim bemind hebben, maar ze hebben gezworen er het stilzwijgen over te bewaren. De vorst zweert van zijn kant dat het geheim niet over zijn lippen zal komen en neemt de gelegenheid waar, om, ongezien, de ontmoeting van het jonge paar in de tuin bij te wonen. Hoger dan ooit te voren staat de jongeling nu bij de hertog in de gunst, wat, gelijk te verwachten was, de verbazing en zelfs de verbittering van de hertogin wekt. In een vluchtig geschetst nachtelik idyllies ogenblik weet de jaloerse vrouw eindelik haar gemaal met moeite het geheim te ontlokken. Zij, een hertogin, versmaad voor een simpele burchtgravin,--dat is een belediging, die gewroken moet worden. Kort daarna is er een groot feest aan het hof van de hertog en onder de gasten uit de buurt is ook de burchtgravin. Vriendelik wordt zij door de hertogin ontvangen, maar wanneer de dames zich na het middagmaal teruggetrokken hebben om zich voor het bal te kleden, dan kan de gastvrouw niet nalaten met een kleine hatelikheid voor den dag te komen die de jonge vrouw het hart doorboort, omdat die het haar duidelik maakt dat haar geliefde hun geheim verraden heeft. Als de andere dames die niets gemerkt hebben, ten dans gaan, trekt zij zich, diep in 't hart getroffen, in een kleine kleedkamer terug: zij is verraden door haar minnaar, verraden aan de hertogin,--dus is zij het nu die hij liefheeft. Zij werpt zich op een bed en onder wenen en klagen breekt haar hart van verdriet met de woorden: »Gode beveel ik u, zoete vriend." Ondertussen heeft haar ridder haar overal bij de dans gezocht en in de vertrekken; eindelik vindt hij haar op het bed in die kleine kamer. Zijn kwade geweten doet hem reeds vermoeden wat er gebeurd is en dat wordt hem door een kamermeisje bevestigd die de dame heeft horen klagen, en als de rest van het gezelschap aan komt ijlen, wordt de ridder, doorboord door zijn zwaard, op het lichaam van zijn geliefde gevonden. Maar de vorst trekt het zwaard uit het lichaam van de dode en midden onder het feest stoot hij het in zijn vrouw,--daarop neemt hij het kruis en trekt naar het heilige land.
Alles wat de ridderromantiek aan fijne kennis van het maatschappelik leven kent en fijne aristokratiese mensenkennis, komt rein en schoon in deze kleine berijmde vertelling voor den dag, die nog heden ten dage geleefd en gedicht had kunnen worden.
XXI.
HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK.
Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14de en 15de eeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten.
In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt »bevend als een blad" aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich aan vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en in het Duitse gedicht »De jonge Titurel" worden de Graal-tempel en de Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden, door de ridderromans en de minneliederen of de »ars amandi" te »moraliseren" en te »spiritualiseren" en ze tot geestelike allegorieën te maken; er worden »geestelike toernooien" en ridderromans geschreven over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg zelf scrupules: zowel Chrestien de Troyes als Hartmann von Aue schreven legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het gedicht van Konrath von Würzburg, »'s Werelds loon", krijgt een ridderlik minnezanger bezoek van »Frau Welt" die hij steeds gediend heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en neemt het kruis.
Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen de verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13de eeuw is die van Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonniken en van de Inquisitie; de 14de eeuw is die der mystiek, van de zwarte dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade kunnen vinden die Paolo en Francesca tot »de zoete zonde" verleidde. Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk die vertrapt werd, toen het kruisleger van Simon de Montfort als een gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven stortte. »Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en vriendelikheid, klaagt de troubadour,--de wereld was vrolik en de vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden zal door witte pijen en zwarte kleêren." Zeer plotseling verstomde de rijke fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten laten gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te vinden om de liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van een platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der liefde,--zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanse renaissance-lyriek, in Dantes »Vita nuova" en Petrarca's »Canzoniere".
Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de »Legenda Aurea", Bonaventura's »Beschouwingen", Jacques de Vitry's verzameling van stichtelike »exempelen" en door de boetpredikanten die uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door de grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de speellieden en de »conteors" afgetrokken.
Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden op de Universiteit,--door de geleerdheid en de scholastiek. Een geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over alle merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en dieren en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort »Mappemondes", »Miroirs du monde", bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstelling sterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van »de roman van Troje" begon op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de was had zien staan. In Villehardouin, in de werken van de Minstreel uit Rheims, en later in de kronieken van Froissart ontwikkelt zich een ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen en het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk als de »Roman de Hem" van een Sarrasijn in de 13de eeuw. Feitelik is dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi, dat de dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers onder hun werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een paar Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens »bij elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven", maar die zulke »romans d'aventure" als »Cligès" en »Parcival" versmaden.
Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was, zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten zowel als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar men een lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en meer verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt de levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de romans en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën--het slot van Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn gevangenis komt troosten, of de bruiloft van Philologia en Mercurius bij Martianus Capella--en meer en meer ziet men die allegorieën in de theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook als in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven door Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht voor hen. De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese personen en heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de belegering van »de Burcht der Liefde" in alle stadia geschilderd. Het is vooral in Noord-Frankrijk--Parijs was immers de hoofdzetel van de Scholastiek--dat wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen maken door de allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen zagen oplossen die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe in het leerboek over de »gepaste" liefde »De arte honeste amandi" van de Kapellaan Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel in scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als »het Dierenboek der Liefde" van Richard de Fournival, maakt de minnaar van alle berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen van die dierenverhalen te citeren!
Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de ridderromantiek is toch de »Roman de la Rose" die een jonge geestelik opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had. Daarin lezen we, hoe de dichter--in zijn droom--vrolik en met liefde in het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid, gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk van de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. »Dame Oiseuse" is de portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster »Déduit" die hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd door een uitgelezen gezelschap van spelende en dansende Dames en Heren, »Juffrouw Beleefdheid", »Rijkdom", die zijn vriendin »Vrolikheid" bij de hand geleidt, »Vrijgevigheid", die als een ridder van Arthur's Tafelronde gekleed is, »Jeugd", een lief klein meisje van 12 jaar dat argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik »Amor" zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn page »Zoete Blik" begeleid is en met »Vrouwe Schoonheid" danst, die prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot op zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal een reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen moet,--vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon--, en om hem te troosten krijgt hij »Zoete Gedachte", »Zoete Woorden" en »Zoete Blik" bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur van op te snuiven; een vriendelike man (Bel-accueil) biedt aan hem te helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,--als de »bewaker" (Dangier) te voorschijn komt en hem overvalt, met behulp van »Kwade tongen", »Schrik" en »Schuchterheid"... Een hele liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet.
Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde burger van Parijs, Jean de Meung, die het handschrift in zijn bezit kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt »Het Verstand" hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een »passion desordonnée" voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die onbekookte praatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog verheerliken!,--het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft, betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook »Genius" op en verkondigt zijn: »Vermenigvuldigt u". Alle vrouwen zijn voor alle mannen en het is al te dwaas te geloven dat Robicon voor Mariote geschapen is of Mariote voor Robicon. Meer en meer brengen de lange gesprekken die de dichter heeft met »Verstand", met de »Vriend" en »Valse Schijn", hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in de overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt--alles in naam van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een demokratiese burgerlikheid. »Laten wij nu toch eens even verstandig trachten te zijn!" daar komt het alles op neer. Geen adel en geen rijkdom,--de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en gekheid van het ridderwezen,--laten wij natuurlik zijn en waar, en de werkelikheid onder de ogen zien.
En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse, te Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike inhoud. En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals de ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in Chaucers nobele Sir Thopas of in de kleine Jean de Saintré in de Franse roman van de 15de eeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd en gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doen aan de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet een stroom van spot op hun hoofden nederdalen,--hoe de Duitse ridders in het laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers gezonken waren, vindt men reeds midden in de 13de eeuw getekend in een allerliefste kleine novelle »Meier Helmbrecht" waar het eerlike werkzame leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een struikrover aan de galg.