De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen
Part 37
Alle goede, zachte gevoelens van menselike simpatie zijn het die de ridderlike hofkultuur ontwikkelen wil, en die de ridder-romantiek verheerlikt. De wapenen zijn niet minder geëerd dan vroeger, de roeping van de ridder is »Schiltes Ambt" en het is het schild dat hem verplicht zijn eer onbevlekt te houden; wil men in teugelloosheid leven en zijn schild met oneer bevlekken, dan doet men beter het maar aan de wand te laten hangen. Maar wat de ridder op den weg der eer zal vergezellen dat is, lezen wij: »de gedachte aan een reine vrouw." En korter en korter worden in de schoonste riddergedichten de beschrijvingen van de strijd, meer en meer idealiseert de ridderromantiek zich tot hetzelfde schone, gevoelvolle humanisme waar het kristendom zich in de Gotiese beeldende kunst en de Marialegenden der 13de eeuw in omzet. In werkelikheid is ook die bloem der ridderkultuur ontsproten uit de sentimentaliteit der kristelike legenden zowel als uit de zoetige humaniteit van Ovidius en de Griekse romans en uit de vrouwen-atmosfeer van het maatschappelike hofleven.
In de heldenpoëzie hadden de personen er zich op beroemd wanneer zij een hart hadden als een steen zo hard en als een noot zo klein. In een asceties gedicht uit de 12de eeuw klaagde een monnik over zijn oproerig gek hart dat nooit de ziel met rust laat; het is niet 't lichaam maar het hart dat de zonde veroorzaakt, en nu had hij zelf, ongelukkig voor zijn zielsrust, een hart gekregen dat groot genoeg was voor duizend mensen. Maar nu berispt de ridderlike dichter hem, die »een hart van hout heeft". Het hart is het lievelingetje dier dagen geworden, naar welks bewegingen men luistert, naar welks welzijn men steeds informeert, en waar men trots op is als men het zijne groter, zachter, rijker noemen kan dan dat van anderen en welks bevelen men zonder aarzelen opvolgt. »Pitié" en »Gentilesse" zijn in het Frans, »Güte" in 't Duits de termen voor de zachtheid en de ontvankelikheid voor simpatie van het hart en de woorden die Chaucer meer dan eens herhaalt: »Pity renneth sone in gentil heart" kon het motto zijn van de ridderpoëzie.
Het zijn alle vormen van »Güte" en »Pitié" die de Duitse en Franse vertellingen van de 13de eeuw verheerliken. De roerende trouw van een oude dienaar jegens zijn ridder die tot armoede vervallen is (Der Junker und der treue Heinrich, vgl. Flore en Jehanne); opofferende vriendschap, (Engelhart); de leenman van keizer Otto die in een rijksakte verbannen verklaard is, maar gelegenheid vindt om het leven van zijn leenheer te redden en zich met hem verzoent (Otto mit dem Barte); de onschuldig aangeklaagde prinses voor wie geen ridder in het perk durft te treden tegen de machtige aanklager, totdat op het beslissende ogenblik een Arthur of Graalridder als redder op het toneel komt en de beschuldiger nederslaat (het allerschoonst in de Lohengrin). Maar in de eerste plaats is het toch de min in alle soorten en graden waar de romans en vertellingen over handelen; de liefde is de bloem van het ridderleven en de gehele edele menselikheid.
Denk b.v. aan dat heel kleine meisje dat Gawein bij een toernooi tot zijn dame gemaakt heeft, opdat zij evengoed een ridder hebben zou als haar oudere zuster. Haar vader laat haar een mouw van rood fluweel maken, die het kind de volgende morgen zelf haar ridder brengen moet om in de strijd op zijn lans te dragen, zoals dat gewoonte was, en zij kan van ongeduld haast niet slapen, staat ook vroeg op en brengt hem de mouw. Met kloppend hart volgt zij haar ridder in het gevecht en is verrukt te zien dat hij haar zusters kavalier geheel in de schaduw stelt, en wanneer hij thuiskomt staat zij aan zijn stijgbeugel om hem te bedanken. Gawein moet verder de wereld in maar belooft voor haar als haar ridder te komen strijden, wanneer zij in haar nood hem een boodschap zendt en het kleine meisje kust zijn voet opdat hij aan haar zal denken waar hij ook komt (Chrestien's »Perceval" en Wolfram's Parzival).
Of het zeer jonge meisje dat nieuwsgierig de wereldt inkijkt, maar nog jonkvrouwelik schuchter, niets van de liefde weten wil. Haar vader heeft haar opgedragen om de vreemde gast zo goed mogelik bezig te houden en zo neemt zij hem dan ook bij de hand en wijst hem in het kasteel rond. Hij vraagt haar uit of zij al een vriend heeft, maar zij antwoordt wijsneuzerig dat de tijd voor zulke gekheid nog niet gekomen is; als zij wou had ze al heel goed een »ami bel et gent" kunnen hebben, maar daar heeft ze nu nog geen zin in. Maar daarentegen wil ze graag mensen ontmoeten die de liefde gekend hebben en daarvoor geleden hebben, zodat zij op die manier wat ervaring in dat opzicht op kan doen. Glimlachend luistert de ridder naar dat voorzichtige jonge meisje en maakt haar een paar komplimentjes (Chrestien's »Perceval").
Dan lezen we van een bakvisje dat haar eerste kleine hartewonde krijgt. Het is de uitverkorene van haar nichtje op wie zij in stilte verliefd wordt. Zij heeft hem helpen oppassen en aan zijn ridderdracht naaien en »zolang heeft zij nu naar zijn ogen en zijn gezicht gekeken, en zijn handen en zijn lichaam dat het haar wee begint te doen." De ridder ziet dat wel, maar vindt dat het haar alleen maar goed kan doen iets van hartsverdriet te leren kennen. Zij is er altijd bij om hem zijn wapenrusting aan te helpen trekken; hoe zwaar het haar ook valt, is het haar toch aangenaam met iets van hem bezig te zijn. Hoe meer het huwelik nadert, des te dieper wordt de stille smart van het meisje; zonder iets te zeggen legt zij haar zuster's hand op haar hart, opdat zij merken zal hoe haar het harte klopt. Maar de ridder heeft toch goed gezien, het was alleen maar een »proefpijltje" dat Amor op haar afgezonden had om haar kinderhart te wekken. Wanneer een arme maar uitstekende ridder even daarna om haar komt met de klacht dat hij haar helaas geen rijkdom heeft aan te bieden, antwoordt zij: »Mijn liefde hangt niet aan goed of geld, maar behoort een ridder even beminnelik als dapper." Terwijl zij dit zegt,--waarschuwt nu de dichter--denkt zij nog aan haar aangebeden ridder, maar meer en meer gaan haar gedachten toch naar de ander. En het duurt niet lang voor die haar hand en hart gewonnen heeft (Parthenopaeus van Blois).
En tegenover het heel jong meisje staat de even jeugdige knaap, de page,--»le valet" of »das Kind". Het is als de verliefdheid van een student en een jong meisje in onze tijd--die schuchtere liefde tussen Alexander en Soredamor, waar bij een moederlike vriendin ze te hulp moet komen. Zij is de hofdame van de koningin en hij een vreemde vorstenzoon, op bezoek aan 't hof; zij zijn beiden--voor de eerste maal--verliefd, tot over de oren, maar ze generen zich gruwelik voor elkaar. Op een avond in gezelschap zitten ze bij elkaar, maar hij houdt zijn hand onder zijn gezicht en zegt niets, en zij wou graag tegen hem spreken, maar hoe zal zij hem noemen? Hoe zoet zou het niet zijn als zij hem »vriend" durfde noemen--maar heeft ze daar recht op? een ding weet zij wel, dat als hij haar »vriendin" noemde, dit geen onwaarheid zou zijn. Maar waarom hem niet bij de naam noemen? Maar die heeft zo veel en zulke zware lettergrepen, zij voelt dat zij in haar bedeesdheid er midden in zou blijven steken. Als zij dat gemakkelik en liever »mon doux ami" er maar uit kon krijgen... De koningin krijgt dikwels bezoek van de prins en daar mag Soredamor dan bij zijn; de koningin heeft hem een met goud gestikt kleed ten geschenke gegeven en daar heeft Soredamor aan helpen borduren zonder te weten voor wie het bestemd was. Uit de aardigheid heeft het jonge meisje van haar eigen guldenhaar tussen het gouddraad ingewerkt en wanneer zij eens op een dag met z'n drieën bij elkaar zitten en de koningin naar Alexanders kleed kijkt, ontdekt zij het gouden haar; het gouddraad er naast wordt geheel door de glans er van overtroffen. Glimlachend roept zij het jonge meisje er bij, alle twee worden om beurten rood en wit en weten uit puur geluk dat ze zo dicht bij elkaar zijn niet hoe ze zich zullen houden en de koningin die dit ziet, begrijpt nu alles en vertelt hun wat hun scheelt. »Kijk eens naar dat kleed," zegt zij, »en vertel wie daar aan gewerkt heeft en of zij er niet iets van haar zelf bij gegeven heeft." En Soredamor is tegelijk verrukt en ongelukkig dat ze nu met de verklaring voor den dag moet komen, maar Alexander kan zich nauweliks inhouden om het gouden haar niet, waar zij beiden bij zijn, te kussen (Chrestien: »Cligès").
Alles lokte ook tot liefde,--de gehele atmosfeer van de ridderhoven was vol van liefde. Op alle muren en wandtapijten trof het oog scènes uit Ovidius of uit »Tristan en Isolde",--een Duits gedicht »Het Gordijn" behandelt een hele serie van dergelijke liefdegeschiedenissen die op een bedgordijn afgebeeld waren. Op ivoren kammen en toiletdozen vond men zoetige, kleine Amorbeeldjes, op drinkbekers stond te lezen: »Liebes langer Mangel--das ist der Herzen Angel", op gespen kon men (antieke?) stenen vinden met Amor en Venus er in uitgesneden; verzen over de »zoete moeite van de liefde" waren met kralen op de klederen der ridders en hun dames geborduurd. Om liefde speelt men en van liefde zingt men, en de romans zijn het meest geliefde tijdverdrijf voor allen. Menige ridder gaat het als de Heer van Gravenberg van wie het heet dat hij de gehele dag op zijn kamer romans zit te lezen over avonturen en liefde, en iedereen is het er over eens dat het lezen van romans de beste opvoeding voor de jeugd is en de ouderen van dagen van alle »vilainie" afhoudt. »Men mint beter als men over liefde hoort zingen en lezen" en het is door die roman dat de jonge knaap leert dat het nu tijd voor hem is om er op uit te trekken en een »voorwerp" te zoeken. Romans en leerdichten vertellen van de verschillende soorten van liefde: »twingende minne"--de woeste passie der zinnen, die »glibberig als ijs" is en de »hohe minne", die van het hart. Van de lage liefde die aan het verlangen naar geld te danken is, de grote die door de goede naam der dame ontstaat, en de allerbeste liefde,--dat is de »goedwil" (bonne volonté) die plotseling uit het diepste van het hart opwelt. Van de verschillende stadiën van de liefde: het ontwaken er van, het dieper worden er van, door de zekerheid dat men weder bemind wordt en de consumatie er van wanneer men gekomen is tot »le baiser et l'accoler". Hoe een man merken kan of een dame hem liefheeft; zij durft zich natuurlik niet het eerst uitspreken, maar als zij met het oog half toe geloken, ietwat knipogend hem een blik van helderste zonnestralen toezendt, is dit een zeker teken. Ook de dame krijgt allerlei lessen hoe zij haar aanbidder op de proef kan stellen, hoe zij hem geleidelik hoop mag geven--welke kleine geschenken zij, zonder zich te compromitteren kan aannemen--hoe zij, in geval van geheime correspondentie met bleke inkt moet schrijven en alleen op kleine wassen tafelen waar het schrift onduidelik is, evenals zij altijd van zich zelf als _hij_ en van haar minnaar als _zij_ moet spreken,--hoeveel van haar lichaam zij haar aanbidder mag laten zien en aanraken; ook allerlei intieme voorschriften voor de verschillende stadia van haar overgave en de aestethiek van het eroties genot.
Met alle mogelike variaties is het referein dat »de jonge man die niet lief heeft, verspilt zijn tijd", en »de dame die niet iets of wat zondigt, waar zou die later wanneer ze ouder geworden is, berouw over hebben?"--Bovendien: is liefde zonde, dan brengt die zonde toch zoveel goeds met zich, dat God die licht vergeeft. »Pitié" is het de plicht van alle Kristenen, vooral van de vrouwen aan den dag te leggen, het is tegen de natuur dat een vrouw zich hard en ongevoelig zou tonen, het is niets minder dan doodslag om een aanbidder tot wanhoop en zelfmoord te brengen door zijn smeekbede niet te verhoren. Hoe was het niet dat een oude vrouw (in de »Gesta Romanorum") een al te ongevoelig meisje een doodsschrik op het lijf joeg door haar een hond te laten zien die niemand anders was dan haar eigen dochter, die God in een hond veranderd had tot straf dat het meisje haar aanbidder zelfmoord had doen plegen! Zo had ook een ridder eens buiten een schare vrouwen gezien, die, in lompen gehuld met gewonde, nakende voeten op uitgehongerde, zwarte paarden door het bos reden,--dat waren vrouwen die gedurende hun leven niet hadden willen liefhebben en die nu zo gestraft werden, terwijl er een andere schare aan kwam rijden, schoon versierd met rozenkrans en op krachtige witte paarden, elk in een zoet gesprek met een vriend; dat waren zij die zo beloond werden voor een leven, gewijd aan fijne ridderlike liefde.
Van een dergelijke liefde berichten de romans en de berijmde verhalen uit die tijd in het oneindige. De motieven worden midden uit het leven van »de hogere kringen" genomen en dikwels worden de verhalen door bekende met name genoemde personen verteld; veel van de verhalen uit Provence geven zich gewoon uit voor biografieën van troubadours en vele geschiedenissen worden ook aan de naam van adelike Noordfranse of Duitse minnezangers vastgeknoopt. Soms zijn het niets dan anekdoten van een stukje courtoisie, een geestig antwoord of een galant idee. Bijvoorbeeld een verhaal van een liaison tussen een troubadour, Guillaume van Cabestaing en de Gravin van Roussillon en hoe haar zuster zo goed de schijn op zich laadt dat zij de geliefde van de troubadour is, dat haar zuster feitelik jaloers wordt. Hoe een ridder, vermoeid van een toernooi, zich verslaapt en daardoor een geheime ontmoeting met een dame mist, maar hoe galant en spirituëel hij haar zijne verontschuldiging aanbiedt, zodat alleen zij verstaat wat hij bedoelt en hem vergiffenis schenkt. Een soort »Proverbe", als van de Musset, heeft men in de kleine »lai de l'ombre". De dame heeft aan een ridder die haar sterk het hof maakt, weerstand kunnen bieden, maar nu heeft hij, zonder dat zij het weet onder menig een »bel mot plaisant et poli" zijn ring aan haar vinger weten te schuiven. Dat ontdekt zij later en eist dat hij die terug zal nemen. Zij zitten op de rand van de put in de burchttuin, als hij genoodzaakt wordt de compromitterende ring aan te nemen; »die is er niet zwarter op geworden door aan zulk een schone vinger te zitten," zegt hij droevig glimlachend en als hij haar beeld zich op de bodem van de put in het water ziet spiegelen, voegt hij er bij dat hij die nu ook niet meer dragen wil, maar dat zijn lieve vriendin de ring nu moet hebben, zij, die hij, na haar, het liefste heeft. De dame is ietwat vertoornd er over dat hij zo een ander op de achtergrond schijnt te hebben, maar op hetzelfde ogenblik werpt hij de ring in het water voor haar beeld. »Zie, nu mijn dame de ring niet wil hebben, is die voor haar daarginds", »Welk een gelukkige inval," zegt de dichter, »was die galanterie niet!" De dame kijkt naar beneden in de put en wordt geroerd: »Uwe zoete woorden en uw grappig idee en het geschenk dat gij mijn beeld geschonken hebt, doen mij geheel anders hierover denken; daar hebt gij mijn ring: ik veronderstel dat gij er niet minder op gesteld zult zijn, al is die ook minder fraai dan die welke gij opgeofferd hebt."
Een werkelike echtbreuk-roman is de Provençaalse »Flamenca". De jonge Guillaume de Nevers heeft zo veel horen spreken van Flamenca, de vrome, jonge echtgenote van de brutale Seigneur de Bourbon, dat hij het besluit neemt de ongeziene Schone lief te hebben. Hij neemt een kamer in een herberg vlak tegenover de burchttoren, waarin zij opgesloten gehouden wordt, en geïnspireerd door de nabijheid der geliefde, groeit zijn romantiese liefde voor haar aan tot dweperij van de zelfde telepatiese aard als die wij bij Tristan tegen zijn gekomen. Wanneer hij vanuit zijn venster naar haar toren kijkt, valt hij in een soort bezwijming en in die tijd is zijn ziel bij haar in de toren en houdt haar in de armen zonder dat zij 't zelf vermoedt. Slechts na enkele ogenblikken ziet zijn bekommerde dienaar een glimlach over het bewusteloze gezicht spelen en de geest er langzamerhand weer in terugkeren, met een weerspiegeling over zich van het geluk dat die genoten heeft. Om met de dame in verbinding te komen weet hij van een gewillige priester de toelating te verkrijgen de koordienst in de kerk te verrichten waar zij de mis hoort, en dat hij het werk van de geestelike op zich mag nemen die rondgaat en de gemeente het brevier laat kussen. Bij dat werk heeft hij allerlei ogenblikken van verrukking. Wanneer hij het zonnelicht op Flamenca's haar ziet vallen, jubelt hij met zijn schone stem dubbel mede in het koorgezang. Wanneer zij haar hand ontbloot om het teken des kruises te maken, dan loopt het de minnaar als ijs langs de rug »alsof men in al te koud water baadt". Nu waagt hij het een eigenaardig soort van gesprek in te leiden, wanneer hij haar het brevier tot kussen aanbiedt. De eerste keer zucht hij alleen maar diep, en thuis gekomen vertelt Flamenca haar maagden van die schone geestelike en zijn zuchten, waarop de meisjes dadelik gereed staan met hun raad: de volgende maal moet zij vragen waarom hij zo zucht. En zo ontwikkelt zich het gesprek, elke keer dat zij in de kerk komt slechts een paar woorden van een der beide partijen en telkens wordt er thuis in het vrouwenvertrek ijverig gedebatteerd, wat de geestelike gezegd heeft en hoeveel aanmoediging hun meesteres hem de volgende keer in haar antwoord geven mag, totdat zij elkaar langzamerhand beginnen te begrijpen en afspreken hoe de echtgenoot het best bedrogen zal kunnen worden.
In Noord-Frankrijk worden de minneliederen van de Heer van Coucy aan de Vrouwe van Fayel het onderwerp van een hele roman die wij gedeeltelik terugvinden in de allerliefste »Herzmäre" van Koenraad van Würzburg. Die eindigt met het barbaarse sage-motief dat men ook in Indiese en Keltiese en vele andere sprookjes vindt,--dat de echtgenoot zijn vrouw het hart van haar minnaar te eten geeft en haar dan, als het op is, vertelt wat voor een lekkernij zij voor zich gehad heeft, waarop zij zweert van nu af geen voedsel meer tot zich te nemen. Maar afgezien van dit tragiese slot beweegt de historie zich geheel en al in de vormen van het geciviliseerde hofleven en schetst de verhouding der twee hoofdpersonen door alle gewone fases heen, van het eerste bezoek af waar zij, in de afwezigheid van haar gemaal, het gesprek een andere draai geeft telkens wanneer zij vrezen moet dat de Heer van Coucy aan tafel met zijn liefdesverklaring voor den dag zal komen, tot op het ogenblik dat een andere dame, wier avances de ridder afgewezen heeft, eens met de scherpzinnigheid van de jalousie de blikken opvangt die de geliefden elkaar in 't geheim toewerpen en alles aan de echtgenoot verklikt.
Maar liefde die met het huwelik in konflikt komt is nu niet langer het enige wat interesseert. Men heeft nu het konventionele standpunt verlaten van het geloof dat de poëtiese ridderlike liefde niet met het proza van het huwelik samen kan gaan; een fijnere moraal begint zich aan het halve en het valse in gestolen liefde te stoten en een inniger opvatting der liefde tracht tot solieder, zekerder huwelikstoestanden te leiden. Men zal zich herinneren hoe de echtgenote in het gedicht van Marie de France »Eliduc" haar recht op haar eigen echtgenoot opgaf ten voordele van de verbinding die hij in 't buitenland aangegaan had, ofschoon hij wist dat hij elders gebonden was. Op dit gedicht van Marie schreef Gautier van Arras een roman maar met karakteristieke veranderingen. Ille verlaat zijn innig geliefde vrouw Galeron uit wanhoop dat hij bij een toernooi zijn ene oog kwijt is geraakt; hij kan niet geloven dat zij steeds liefde zal kunnen blijven voelen voor iemand die zo ontsierd is, en trekt stil weg naar een vreemd land. Een zeer onhandig idee, dat blijkbaar in verband staat met een oordeel in het boek van Andreas Capellanus over de »Kunst der Liefde" en ook weer gevonden wordt in een Duits gedicht: »De getrouwe Echtgenote"; maar er moest iets zijn om Illes vertrek van zijn huis te verklaren. Ille komt te Rome en maakt zich zo verdienstelik dat de Paus en de keizer hem een geschikte partij vinden voor de dochter van de keizer. Maar het is alleen op de verantwoording van de Paus en na lang Galeron gezocht te hebben, die intussen ook haar tehuis verlaten heeft, dat Ille in het nieuwe huwelik toestemt, en wanneer dan Galeron in de St. Pieterskerk opduikt, juist op het ogenblik dat de bruidsstoet daar aankomt, bedenkt Ille zich geen ogenblik om de keizerdochter in de steek te laten en met zijn vrouw naar huis te trekken, niettegenstaande die bereid is hem op te geven. Eerst na jaren geeft Galeron zich na een gevaarlike bevalling aan God en wordt non, en nu kan Ille zich met zijn geliefde prinses laten verenigen. Het verschil ten gunste van Marie wat betreft de morele verantwoordelikheid en fijngevoeligheid is duidelik.
Nog duideliker is het dat de Cligès van Chrestien als een morele tegenhanger van de Tristan-romans bedoeld is. Evenals hier wordt ook in de Cligès een neef verliefd op de bruid die hij voor de koning, zijn oom, gaat halen. Maar behalve dat Cligès volstrekt niet door dankbaarheid aan zijn oom gebonden was, zoals dit met Tristan het geval was,--integendeel is zijn erfrecht op de troon door zijn oom met geweld terzijde gezet--verklaart ook Felice, de koningin, dadelik uitdrukkelik dat zij niet, wat Isolde zo met vreugde deed, haar lichaam tussen echtgenoot en minnaar wil delen: »hij die het hart heeft, zal ook het lichaam genieten." En zo geeft zij zich ook pas aan Cligès, wanneer haar min, die de kunst der toverij verstaat, de keizer een toverdrank gegeven heeft die maakt dat hij het huwelik niet heeft kunnen consumeren. En de twee gelieven zoeken dan ook niets beter dan een openbaar, wettig huwelik voor de verborgen liaison in de plaats te stellen, wat hun dan per slot van rekening ook gelukt, als de keizer uit de weg geruimd is. Maar zelfs als echtgenote--heet het, volkomen tegen de wetten van de ridderlike erotiek indruisend--bleef zij zijn dame en vriendin. Zo antwoordt ook de echtgenote in »Erec en Enide" demonstratief aan iemand die haar vraagt of zij de vrouw of de vriendin van de held is: »Echtgenote èn vriendin."
In vele romans van de 13de eeuw kan men nagaan hoe de verfijning van de erotiese moraal en het dieper en inniger gevoel dat voor de andere min in de plaats komt, als vanzelf van de konventionele troubadourliefde tot het huwelik voert. De vorstenzoon, Durmart le Gallois, die begint met een losse verbintenis met de vrouw van den drossaete, ondergaat b.v. langzamerhand een morele loutering en opvoeding en eindigt met zijn dame, de Ierse vorstin, de hand voor het altaar te reiken. »De meesten," zegt de dichter, »laken hem die met zijn minnares trouwt, maar die voelen de ware, echte liefde niet, want hoger is dàt geluk te achten dat onverminderd genoten kan worden, dan dat hetwelk men slechts voor een ogenblik leent, en het moet voor ieder zéér pijnlik aandoen zijn vriendin vlak voor zijn ogen door een ander te moeten zien kussen en omhelzen." En vooral in Duitsland bezingen de voornaamste dichters eigelik steeds de lof van het huwelik ten spijt van de conventie der riddererotiek, terwijl de leerdichten als in de geest van Luther verklaren dat het hoogste geluk in de wereld is een goede en trouwe vrouw te bezitten en dat de wil van man en vrouw »van het hart en tot het hart gaat".